De zonderlinge avonturen van "Zijne Excellentie de Generaal"

Part 1

Chapter 14,176 wordsPublic domain

Produced by The Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/

DE ZONDERLINGE AVONTUREN VAN "ZIJNE EXCELLENTIE DE GENERAAL"

Door

M.J. BRUSSE

Rotterdam MCMXV W. L. & J. Brusse's Uitgevers-Maatschappij

Bewerkt uit de rubriek ONDER DE MENSCHEN in de Nieuwe Rotterdamsche Courant

HOOFDSTUK I.

Een vriend van mij, een kunstschilder, had Racier als model genomen, vooral om z'n merkwaardigen dweperskop. Een mager-verhongerde zwerver; dreigend lang in z'n op den draad verschooierde pool, die 'm over de voeten sleepte. Maar toch droeg hij dien armzaligen dallesdekker met Don Quichottige statie. Daarboven hield hij het hoofd altijd even achterover in den nek, keek je zoo uitdagend van onderop aan, en wonderlijk uit de hoogte. Een trotsche, fanatiek hatende martelaarsfacie, ziekelijk wit in de rosse harigheid die tot een puntbaard verliep, en onder iedere emotie gloeiërig blozend. Dan was 't of hij koorts had; z'n lichtbruine oogen vonkelden in de innig zwakke donkere rimpeltjes-randen. Geagiteerd frunnikten z'n fijne handen de snorre-punten omhoog, met bevende vingers ... Maar meteen liet hij zich in den leunstoel wat dieper teruggaan; een stille glimlach berustigde zijn gezicht, en dan zag hij je goedig aan, alsof die wereldsche zaken toch eigenlijk te onbeduidend waren, om je druk over te maken.

"Nog drie jaar de bajes in ... en 't is met mijn ommers gedaan. Het 't grootkappetaal weer z'n zin ... Als die poot nou maar niet zoo schrikkelijk zeer deed."

Daar sukkelde hij nu al mee, zoolang ie uit de gevangenis ontslagen was. Dien eersten dag had de drukte op straat 'm duizelig gemaakt. 't Geschreeuw van den sleeper had ie niet gehoord, en het wiel was 'm over z'n wreef gegaan. 't Wou niet genezen. En dokters vertrouwde hij niet: waren allegaar in dienst van den rijkdom. Kon ie geen dankie tegen spelen. Maar vóór hij naar 't atelier ging om te poseeren, strompelde hij, dreigend lang in z'n slepende zwerversjas, de Maas langs, naar een plek waar nog geen kaaimuur was, en hield daar z'n verbrijzelden voet in 't water van de rivier, dat bij vloed immers een magische geneeskracht moet hebben. De heele seance door lag die wonde extremiteit bloot op z'n andere knie gekruist, streelde hij er troetelend langs, tot de twee uur weer om waren. Dan wond hij er de gore lappen zorgzaam om, bond de slof er onder, en rechtop meesleepend z'n leed als een martelaar, schreed hij terug naar de slaapstee, waar hij met spottenden eerbied "Generaal" werd genoemd.--"Zijne Excellentie de Generaal"--zoo presenteerde hij bij voorkeur zich zelf met een even ironischen ernst; wat zielig geworden herinnering aan zijn groote dagen!

"Racier is wel de wonderlijkste kerel, dien 'k ooit als model heb gehad: een prinselijk fantast, kinderlijk dweper, soms zoo zacht als een lammetje in de Mei en dan weer ineens met bevliegingen van anarchistische bommengooierij. Hij is me nu onder 't werken door z'n leven aan 't vertellen. Da's één eindelooze reeks van de zonderlingste oplichterijen met telkens langere pauzes in de gevangenis. En 't komt allemaal uit een soort hoogmoedswaan voort. Want ik zie er volkomen een modernen Don Quichot in ... Je moet eens komen luisteren. Hij beweert Franschman, gevluchte Communard te wezen. Dat hij zelf de lont in het kruit heeft gestoken! Enfin, loop eens aan."

Toen op dien morgen ben ik er op 't atelier bij komen zitten. De schilder stond aan z'n ezel te schetsen; in een luien stoel zat de schooier voornaam achterover geleund, den misvormden bloederigen voet op z'n schoot, 't fanatieke gezicht sterk belicht onderuit, dat 't wel treffend klassiek aandeed, als een apostel op een of andere primitieve schilderij.

Hij was zóó in de herinnering aan z'n eerste oplichters-"rol" verdiept, dat hij mij niet merkte en voortredeneerde:

"Zie je, toe was 'k dus ontslage as misdadiger van 't miletairisme; maar er kleefde nog geen vlekkie op me naam as burger: wat 't miletaire betreft gaat ommers 't ceviele niet an ... Maar nou komt me eerste misdaad; wel zoo groot niet ... toch is tie mooi. En er komt van 't kappitalisme in te pas--snap je?--da's juist 't mooie. Van de ouderdom af van 17 jare ben ik altijd de grooste tegestander van 't kappitaal geweest ... Da's me zenuwe ... Me moederskwaal. Heb je niet opgemerkt, da'k altijd na die deur kijkt? Nou heb 'k momenteel toch niks op me gewete ... anders liep 'k niet op straat, hè? Maar die omstandighede komme erbij, dan weet je niet waar je heen mot en je ziet dat rijke tuig éte ...

"Was dàt niet 't geval, dan was ik tot hede toe altijd nog fatsoendelijk man, en door me capaciteite--'k spreek àlle tale,--nou al lang gepensionneerd eerste-luitenant. Want, zie je, a'k honger heb, kruip ik in die krotjes op de Schiedamschedijk, waar die vreemde zeelui komme; 'k bied ze me potlooje an, me kenijntjes, en spreek ze in d'r moers taal toe. Dat trekt, en dat geeft. Of 'k krijg altemet 's 'n toeval op de stoep van 'n rijk restaurant--Overiges zet 'k 't menschdom heelegaar an kant, as atheïst zijnde ... tot in me niere. Dar! 'k Was nog geen twintig jaar oud, da'k tege mijn pa zei: Mon père, le temps viendra, dat 't kappitaal de riksdaalders met schoppe uit raam smijt, maar dan zal 't te laat zijn. Trop tard ...

"Jawel, 't kappitaal wil je je ooge verblinde. As 'k een paar millioen rijk ben, ken 'k op mijn jare nog wel 'n beeldschoone, piepjonge dame krijge, waar niks op valt te zegge ... Nou tràppe ze me d'r uit ... Begrijp je me ook?--Op mijn jare, trouwens ... 'k heb 't mooiste genote, 't fijnste, van alle naties gehad, en nou zeg 'k met de apostel Paulus: de geest is nog wel gewillig maar 't vleesch is te zwak ...

"As je je knieë wou buige, liep je in 't zwarte lake ... Maar dat vervloek ik ... Was 'k 'n hond--ja dan, dan vrat ik meschien op wat 'k al an atheïsme uit heb gespoge. Nou blijf 'k zoo, to'k kapot ga: de natuur in; niks as natuur.--As je mijn maar begrijpt ...

"Dáár krijg je me misdaad, me eerste slag ... al ben 'k ook zoo slecht niet ..."

Toen zweeg hij even. En je hoorde enkel in 't stille schildersatelier 't broze schrappen van 't houtskool.

Dan stak hij koesterend z'n magere handen naar den haard uit:

"'k Mag dat piepe van die kokies zoo graag hoore! 'n Ope vuur is 't mooiste voor iemand die liefelijk denkt ... Bij de rijkdom hebbe ze d'r van die blokkies hout op; dan gane de gedachte nog zachter ... Wat 'n weer is 't buite ... 'k Mot er tòch door ... Affijn ... Luister je wel?--Dan is 't goed. Kan 'k beginne:

"As 'k zoozoowat beraam van 'n plan, dan is 's-Gravenhage me hoofdzetel. Koninklijke residentie ... snij je me hart ope, vin je één bonk oranje. Met respect ... Maar waaròm De Haag me hoofdzetel is, dat legt in me ziel begrave. Hoort nooit niemand. Gaat mee in me graf.

"Nou. Met me uitgangskast van f 180 uit de bajes had ik niet genoeg om de rol te spele, die ik in 't detentiehuis in me hoofd had gesteld. Daarom nam ik me toevlucht tot mama. Ik vroeg die edelvrouwe of ze mijn de som van duzend gulde op wou sture. Maar deze edele moeder wist welk vleesch ze in de kuip had, en daarom--schreef ze mijn--mot gij u tevrede stelle met honderd gulde, geliefde zoon. 't Had natuurlijk ten doel om baron van ..... in De Haag te late springe, want die z'n zoon wou ik same met mijn an lager wal hale ... As je nou dus maar voelt dat 'k àl wat ik ondergaan, te danke heb an me ideeë, om rede ondergeteekende 'n atheïst is, da' wil zegge: 'n natuurkind. Vergeet 't nooit asjeblieft.

"Voor die f 280 heb ik me toe' late make een blauw kamgare pak, jaquet-kostuum Engelsche koningssnit; een paar kaplaarzen met vergulde sporen, een fantasie-hoed style Louis XV, en een groote lange ulster, "coat", zegge de Engelsche tailleurs.--Van de mode weet ik àlles!--Daarbij in stijl een fantasie-ketting, een fantasie-ring en een zilvere remontoir-horloge. Zoo was me kostuum--èn een fantasie-lorgnet; gesiseleerd goud netuurlijk. Dat heele zakie kostte me over de f120 ... 't ware verlakte chevreau laarze, style moderne ...

"Toe huurde 'k me een paard en ging zoo rije in 't Haagsche bosch om 't groote kappitaal na te doen. Maar dit kon ook geen stand houwe. Want waar afgaat en niet bijkomt, dat mindert ... sterk.

"Ik was gedurende me eerste misstap gelogeerd in 't Wape van 'Oorn ... da's weer 'n hache, die ik niet uit kan spreke, door me Fransche afkomst, merk je wel? En 'k heb dat leve slechs zeve dage volgehouwe, alhoewel 't ondergeteekende zeer wel beviel, niet zoozeer om te geure, as om me misdadige plan ten uitvoer te brenge. Hetgeen helaas mislukt is, waar ik op hede toe geen spijt van heb ... want dan zat ik me hier nou niet bij jouw kacheltje te warme.

"Maar toe' ten ende raad zijnde, en geen geld meer hebbende, en op mijn logement, waar ik thuis was, op mijn gebied geen schuld kunnende make--die Koossie Harme, de bolleboffin, kende mijn wel, want al hoorde ze tot de classe ouvrière, toch het ze me wel op eige koste 's nachs weg late brenge met rijtuig, as ze van de recherche na me kwamme vrage, die russe,... ja, zukke logemente moste d'r meer zijn ... Affijn: geen schuld willende make ..."

"Zeg, Racier"--kwam even 't hoofd van den schilder om den ezel--"je spreekt nou ineens net zoo plechtig als 'n feuilleton uit 't Rotterdammertje!"

"Ja, fullitons, die heb ik in alle tale geschreve ..."

"O zoo, pardon dan, cher maître."

"A votre service.--Dus"--neeg de zwerver ernstig--"dus geen schuld willende make, en met het kostbare uniform, als bove omschreve, een nacht en twee dage onder de bloote hemel mottende bivakkeere, zonder ete of drinke, want vrage kan ondergeteekende niet ... Zie je, dan ging 'k meest uitruste op dat bankie op de Vijverberg, pal tegenover 't kantoor van die bankier, omdat daar een boezemvrind van mijn directeur-général is, 'n ami intime, waar 'k in me jeugd nog mee gestudeerd heb. Maar hij laat me an me lot over, de stumper. Zoo is 't kappitaal ...

"Nou komme de tale; mot je je best doen ze zonder taalfoute te verstaan, anders schrijf ik 't op logement liever voor je uit, met de traduction d'rnaast.

"Dus geen raad meer wetende--nou komt de rol!--ging ik de Korte Vijverberg af, de Gevangepoort door--ja, 't is een onthou!--zoo àl slenterende,--met de achtermiddag begrijp je?--en daar kwam ik door de Spuistraat. Zoowat 't vierde of vijfde huis vóór je an 't Spui bent, had je daar het hotel-restaurant Du Commerce--de baas leeft nou van z'n cente. Amen!

"Nou komt die schets van mijn: Zag 'k daar al die groote hoofde lekker ete en drinke. Ik liep er hongerig voorbij de glaze en zag dat. En 'k vroeg mezelvers af: da's toch zoo goed voor mijn as voor 't kappitaal? Goed, ik tree binnen, gaan an 'n tafeltje zitte, trek me ulster uit, en volges die etikette hang 'k 'm an de portemanteau, die achter dat tafeltje plaas heeft.--Ja, jij weet niet wat er onder de rijkdom bestaat. Maar ze hebbe d'r effetjes twaalf kelners, zwarte rok, witte das, gefriseerd, èn een opperhoofd, die persoonlijk heen en weer loopt om te kijke of de geachte cliënte elk op z'n beurt wordt bediend, zooas de etiquette dat vereischt.

"Op de tafel staat een eletrieke bel. Daar druk je op dat knoppie, en de kelner numéro neuf kwam bij mijn, en miek zijn révérencie. Ik zeide tot hem in me moeders taal: "Garçon, hm, apportez moi la carte."--Waarop hij de menu van den dag bij mijn op tafel lag. Ik bestelde toen van die menu een diner... complet, die bedraagt f 3.75.--Ja natuurlijk,'k had ommers tòch geen lood. En da's me eerste stap geweest.--Nadat ik geconsumeerd had, schelde ik weer, waarop de kelner numéro neuf weer bij mijn kwam onder een révérencie, en ik hem in me moeders taal vroeg: "Apportez moi la carte des vins". Waarop hij een kaart op de tafel lag met de noodige merke van de wijn, die aanwezig is in de kelders. Waarop ik uitkoos--alles in me moeders taal: "apportez moi une bouteille St. Julien ..." Da's een fijn etiket, hoor; nou asseblieft; 'k wou 'k nou maar 'n glaassie had, dan verzette 'k me zinne nog 's.

"Volges de etiquette van de gevraagde wijn of flesch, wordt daar een borretje bij gebracht met de kwitantie. Die bediende loopt heen en weer. De minste beweging, dat hij ziet of merkt, dat je geld op dat borretje legt, neemt ie 't weg met de kwitantie, en brengt de overschot van 't geld weer op z'n plaas an de tafel waar je zit.--Mot je allemaal die etiquette van wete, zooas ik.

"Dan schuif je volgens die etiquette--angezien die bediende geen salaris hebbe--dat fooitje, dat je 'm heb toegedacht, vooruit ... Maar ik heb geen lood, geen rooje spie, en mot zien hoe 'k me eige daar uitzwem. Angezien de bediende heen en weer loopt, en er zoo machtig veel rijk volk bij zit, kan 'k niet séance tenant me rol vervulle, en vroeg ik de garçon, in me moeders taal, of ik hem eve privé alleenig mog spreke.

"Toe 'k onder vier ooge met hem sprak, gaf 'k voor te zijn de burgemeester van Loosduine, en dat me paard stond Laan van Meerdervoort in de stalle van de heere X. 's Morgens bij 't ankleeje van mezelf--zoo miek 'k 'm wijs--èn 't te paard stijge, had ik blijkbaar me portemenee vergete, of da'k die na alle waarschijnlijkheid door 't rije in 't Haagsche bosch wellicht had kènne verlieze. Maar angezien't alles spiksplinternieuw was, wa'k an me donder had, gemaakt bij le tailleur le plus chic, daar de name van stonde vermeld achter op de lis, zei ik tot hem: "ik zal me pantalon uittrekke, binneste buite kere en u in bewaring geve, totda'k over 'n uur uit Loosduine te paard of in me eige equipage met twee zweetvosse terugkom"... alles in me moeders taal. "Wil u s'il vous plait zoolang voor één uur me voorspraak weze bij monsieur votre patron?"... Want ik mos die risterasie toch uit.--Waarop hij antwoordde: "mijnheer, dat is niet noodig, want u ken van mijn nog wel vijf en twintig pop d'r bij krijge." Waarop ik antwoordde: "ik wil zoo, en ik gaan van mijn begrip nie af." Waarop de bediende antwoordde--(Luister je nog?--Dan 's 't goed) antwoordde ..."

"Waarop!"--viel de schilder ernstig in.

"Waarop?"--begreep de vagebond niet--"wel op de privaat, netuurlijk; want 'k heb die knul meegenome. Waarop ik in die pletie ging, me kaplaarze uittrok en zoodoende me bovebroek... Zie je, me lange ulster ha'k óók an, anders ha'k door dat café niet terug kenne gaan, in me onderbroek... Waarop ik hem mijn broek in bewaring gaf en hij 't heele bedrag betaalde: flesch wijn, veertien gulde, en 3.75 'n diner... complet. Waarop ik 'm vroeg in me moeders taal: "avez vous les moyens pour me prêter quelquechose?" Waarop hij antwoordde: "meneer, al wou je vijf en twintig gulde hebbe." Waarop ik antwoordde: "Donnez moi quarante sous"--da's 'n gulde, maar wij spreke in sous--"'t is om me paard te hale en die knecht een fooitje te geve." Waarop ik die gulde in me spoorzakkie steek. En ik ben natuurlijk an finance rijker, maar an kleedingstukke ben 'k smerig verminderd.

"'k Gaan daar 't hôtel uit, ongehinderd en wel, en volg de Spuistraat: zonder broek... Ja, 't is wat! Maar die lange ulster hing mijn op me enkels en daar kwamme me kaplaarze uit. Dus ik denk: 'k loop in me onderbroek onder de mensche en ze ziene 't niet, verblinde Christene as ze daar benne voor mijn: atheïst! Dan gaan 'k op de hoek 't Maastrichsche bierhuis binne, en koop een kleintje klare van Ulskamp--die hache spreek 'k nooit uit als Franschman zijnde--om rede me diner te late zakke. Geef me gulde uit me spoorzakkie, en krijg nege dubbeltjes werom.

"Da's de eerste rol, me eerste misstap..."

Glorieuselijk en volkomen in z'n spel draaide de vagebond z'n snorren op, met de andere hand aldoor aaiend over z'n zeeren voet; den verhongerden dwepers-kop rood aangegloeid, de oogen vervoerd.

HOOFDSTUK II.

Den volgenden ochtend vertelde de zwerver weer verder. De schilder wilde hem 't liefst zoo redeneerende hebben, om de geëxalteerde uitdrukking van z'n dwepersgezicht des te feller te treffen. Daarom liet hij 'm maar ongestoord in zijn fantasieën over 't verledene gaan, al sloeg de burleske verbeelding ook gedurig met den pooveren sire op hol. Want juist om den waan van den armen bliksem was het den artiest immers te doen. Om dat prachtige air, dat prinselijk gebaar, dien hautainen glimlach, die zijn groteske invallen illustreerde. Dan kwam de lange, magere schooiersfiguur fier overeind, bleeke kop in den nek, vernietigend van dédain. Z'n verrafelde pool hing in flarden langs hem heen, maar hij werkte er soms mee als met een koningsmantel. Daaronder droeg hij nog altijd zijn verschoten gevangenis-boezeroen over z'n bloote baadje, en een schrikkelijk dievige pet stond met de breede klep dicht op z'n oogen.

Op de andere knie lag weer de wond-gekneusde voet, dien hij zorgelijk streelde.

Terwijl de schilder nog even z'n palet in orde bracht om 't portret in kleuren op te gaan zetten, babbelde Racier maar wat huiselijkjes voor zich uit:

"Zeg, kunstenaar ... hè je gezien? Me zeere voete brande al."

"Wàt?"

"Ja; die ouwe schoene knelde me zoo, en toe jij d'r strakkies effe nie bij was, heb 'k ze op 't haardje gesmete ... 't Dee' me goed, omdat ze me zooveel pijn gedaan hebbe ... èn ze benne van 'n domenee!... Mot je mijn standpunt as atheïst goed verstaan ..."

"En waar loop je nou op?"

"As we strak klaar zijn, krijg 'k 'n paar wije van jou ... halfslete kunstenaarsschoene. Kan ik hebbe ... Begrijp je me ook; of hè je geen menschekennis?... Mot je mijn hebbe; ik kijk 'n iedereen dwars door ze ziel ... Die geliefde van jou, of hoe ze hiet: je mevrouw ... uwes dame, die's edel. Ik heb eerbied voor 't zwakke geslacht, van die je in d'r kerakters kan leze ... En as ze soms 's 'n kleintje moch krijge, en 't is klierig ... 't kon zijn hè?... dan is t'r geen goud zoo goed as stavezaad met jenever. 'k Mag leie dat je vrouwtje d'r trekke d'r speciaal in komme legge ... Daar neem 'k me petje voor af!

"Maar zeg, ruik je nog niks?... Fijne geur, musc, zegge wij Fransche. 't Benne me schoene ... 'n Schoemaker, as tie óók eris lekker wil ruike, verbrandt ie oud leer. Mot je wéte. En as je eens of twee maal in de week je aarappelschille in je kacheltje gooit, dan heb ie nooit 'n schoorsteenveger van noode ... Daar gaat alle roet meteen 't pijpie mee uit ... Da's wèl niet mooi hè, aarappelschille verbrande?--want je heb diere die ze vrete en d'r 't menschdom melkie voor geve ...

"Nou, kan je d'r nou 's niet op je gemak bij gaan zitte?--Dan gaat de voorstelling weer beginne: de Hamlet, les Brigants, La Muette de Portici ... 'k Heb óók nog 's gefigereerd in de rol van Madame Angot ... Hè, 'k wou da 'k er maar 'n mooi tooneelstuk van miek. 't Is fijn, hè, me leve?... Maar vin je 't nou niet diep treurig, dat 'n mensch zoo van de eene misdaad in de andere valt?... 'k Heb 'n voorgevoel, da' je me laat schiete as je alles van me weet..."

"Niet?--'t Zou me meevalle. Ben je dan soms ook atheïst?... Anders zeg je an 't slot: Nee Racier, snij maar uit ... jij ben me te slecht.

"Is de verf nou klaar ... kunstenaar? Hoor je dat rijme? 'k Dicht van me tiende jaar af. Maar de kunst is verkocht an 't groote kappitaal, da 'k in me niere veracht ... Mot je hoore: Toe 'k in de Krentetuin zat, wou 'k d'r uit, en as 'n echte rijmdichter he'k an z'n eksjelenzie gerekwestreerd:

Ekzjelenzie, Een moeder die haar kind moet derve, Verlangt geen troost, wil gaarne sterve, Als zij haar kind slechts wederziet. Mijn màmma is een ziekelijk weze, Ik ben in staat haar te geneze, As ik haar al mijn hulpe bied. Mocht u, zijn ekzjelenzie, mijn straftijd nog soms verlenge, Wellicht kon 'k nooit mijn plicht volbrenge, Die mijn nog tijdig overschiet. Zijn ekzjelenzie! Welaan; ik durf op grond te vrage, 't Zijn ekzjelenzie moog behage, Een gunstig blijk mij niet ontvliedt. Met dankbaarheid zal ik u loone, Want mijn gedrag zal altijd toone, De maatschappij ... da'k werkzaam ben op ieder gebied. En nu ten slotte hoogvereerde heer Baron Schenk Hendrik Evert Timmermans z'n vrijheid werom?"

"Timmermans?"--kwam de schilder verwonderd om z'n ezel.

Maar Racier hoorde hem niet. Hij zat ontroerd, en de tranen liepen 'm langs z'n witte gezicht.

"Was je moeder zoo ziek?"--vroeg de ander meewariger.

"Kà je denke ... zoo'n nobele vrouwe het ommers d'r lijfars. Nee, 't was me dichtaar, die me dat zoo ontlokte ..."

"Maar waarom schreef je d'r nou toch in 's hemelsnaam Timmermans onder?"

"Wel, daar werkte ik toentertijd onder, onder die naam ... pseudoniem bij de rolle, die 'k allemaal vervulde ... We bèn nog zoo ver niet ... Zal je wel hoore, as 'k er an ben geland ...

"Kan 'k verder gaan? 'k Weet 't nou precies. Want 'k kon weer niet slape van 't prakkezeere vannacht, en toe heb 'k 't me eige woord voor woord overhoord, in me krippie, daar tussche al die gedalleste jonges ... As je maar luistert, dan za'k wel beginne:

"'k Vertrek vandaar--'k was ommers in 't Maastrichsche koffiehuis geweest,--nou daar trek ik vandaan, te voet, de Pote deur, en zoo na 't Rijnspoor: in me onderbroek! Gaan 'k in die wachtkamer zitte, en zit te leze in 'n stuk krant, genaamd de Figaro, die 'k op verzoek van de kelner uit het café-restaurant Du Commerce had magge meeneme, onder 't gebruik van geen consumptie, angezien me middele dat séance tenante nie' toeliet. Maar niemand heeft me die wachtkamer binne zien gaan. En nou komp er een trein an--waarvandaan is me tot hede onbekend--maar ik loop met dat volk mee 't station uit, en stap 't eerste rijtuig 't beste binne.

"Die koesier vraagt mijn: "mijnheer waarnetoe mot ik uedele brenge?" Maar ik doen da 'k die man nie verstaat. Waarop de tolk van de Maréchale de Turenne geroepe wordt--'t rijkste hotel op de Kalveremart--waarop die koetsier zeit: "ik kan de man nie' verstaan." Maar die tolk die zeit: die man mot weze in De Zeve kerreke van Rome, en je mot 'n bitje hard rije, want daar zit een goeie fooi voor je op; die vreemdeling is een Spaansche edelman!--Waarop de koesier zijn zweep op zijn vierjarige zweetvos leit en mijn ventre à terre stilhoudt voor de Zeve Kerreke van Rome ... En dat in me onderbroek! Ja, die rol is mooi; daar hebbe ze wat van geleerd. Maar er komt nog meer ... Wat je nou weet is maar kindere-spel.

"Die bediende treedt buite, maar verstaat mijn niet ..."

"Wat sprak je dan toch?"

"Italiaansch. Waarop hij de hotelhouer riep--son patron--waarop ik vroeg: "eb u voor mijn 'n kamer?" Waarop de hotelhouer zee: "jawel mijnheer, zooas u beveelt." Volges die etiquette steeg ik dat rijtuig uit, en zee tege de hotelhouder: "betaal me koesier, en geef'm 'n gulde fooi." Hm.

"Nou de entrée in die gelagkamer. Dit alles geschiedt vóór zesse. Daar zit die meneer van 't hotel, en onder 't gebruik van 'n fijne flesch, etiket St. E.m.i.l.i.o.n,--die mot nòg betaald worde, maar da's 't kappitaal--het ie gedurende een uur met mijn zitte prate over Italië, waar ie speciaal mee bekend was. Nou, maar 'k sting 'm!--Waarop ik mijn in de gereedstaande vertrekke terug wou trekke, om onder 't gebruike van een gloeiend haardvuur, mèt blokkies, mijn gedachte de vrije loop te late.--Ja, 'k mos me rol toch afprakkezeere!--Waarop ik gebrach wor in de hotelkamers numéro één tot zes, en ze me zoodoende an me lot overliete.

"Daar ik mijn uit had gegeve voor luxe-paardehandelaar uit ... Jena, en er toemaals net 's anderedags paardemart in Rotterdam was, vroeg ik de hotelhouer, mijn vroeg te roepe, want ik geliefde met de eerste trein te vertrekke.... (En dat alles: zonder lood. Da's 't ware d'r van!)... ten einde paarde te koope voor mijn firma!

"Nou begint pas de rol.--Daar hij mijn antwoordt: "daar is een elektrieke schel in je kooi, en daar wordt op gedrukt, en dan zal uedele wel opstaan, mijn gast." Waarop ik hem antwoord: "ik heb dat in Arnhem in 't Zwijnshoofd ook bijgewoond en sliep toch deur, om rede de bediende mijn an me mouw mot pakke en dàn staan ik pas op." Waarop hij mijn antwoordt: "aan uw vraag zal voldaan worre."