De zomer in Kaschmir De Aarde en haar Volken, 1907
Chapter 8
Reeds zijn brahmanen en brahminen aan hun gewijde therapie bezig. Het doodenmeer weerspiegelde kalm den hemel in zijn afwisselende tinten. De harde rotsen, het koude water, de bevroren sneeuw, alles was in den zonneschijn van een groote plechtige doodschheid. Eenige panditvrouwen gingen ons voorbij en vergaten, zich het gelaat te bedekken, en ik zag, dat haar oogen rood waren van het weenen. Dit is inderdaad de plek van de scheiding voor goed. Hier worden de laatste lotsbeschikkingen getroffen van hen, die eens waren, en hier zal het lot worden beslist van hen, die nu nog zijn de Hindoes van Kaschmir. In een kluit aarde, genomen van den oever van het meer en in de hand gekneed, neemt men de vijf heilige zaken mee en de overblijfselen van de verbranding, en het meer omvat het al. Dat duurt nu al eeuwen zoo, en alle dooden der aarde zullen het meer niet vullen.
Wij lieten die menschen aan hun gedachten over en aan hun plichten, die met den dood in verband stonden, en we daalden af naar Vangath bij de daar opgeslagen tenten aan de grens der berken. Tegenover ons graasde op een begroeide helling een kudde van wel duizend schapen. Alsof ze door een onoverwinnelijke macht gedreven werden, liepen ze steeds voort, alleen onder het gaan nu en dan een grasje afknabbelend. Velen vormden een lange lijn, waar ze in onafgebroken rij elkander volgden. Memand wees hun den weg, maar als ze in de eene richting ver genoeg waren gegaan, stuwden de herders ze in een andere. En dit ziende, begrijpt men de tochten van de karavanen van lastschapen, die over de hooge steppen van Midden-Azië trekken, elk met eenige brokken steenthee op den rug. Ze slapen in de open lucht aan den voet der rotsen.
De gezinnen der herders slaan een soort van schuilhut op met wat takken van jeneverbesstruiken, opgehoopt tegen den wind en den regen. In ruil voor een karig loon belasten ze zich ermee, den geheelen zomer zoo de schapen van een of meer dorpen te laten grazen. De boeren hebben geen bijzonder hoog idee van hun eerlijkheid, en meer dan een eigenaar gaat af en toe eens naar boven, om het aantal zijner schapen te tellen, onder voorwendsel hun als versnapering een kleinen voorraad zout te brengen.
Ook van dit punt hadden we het uitzicht op veel bergen, als de golven van de zee een woelige massa vormend en alle met versche sneeuw bedekt. De terugweg was over golvende terreinen, daarna volgde een klim over steile rotsen en ten slotte hadden we een daling over paden, die duizelingwekkend steil waren en vol steenen. Beneden lagen de rivier, de tempels, de naga, en een kleine mijl verder het dorp Vangath, het einde voor dien dag.
De bloedverwanten van de pelgrims kwamen in menigte ze daar opwachten, beladen met allerlei versterkende en verkwikkende middelen voor de dapperen, die tot het Gangadal gestegen zijn. Die komen terug, volkomen kaal geschoren, want dat schrijft de dienst voor, en de mohammedaansche barbiers zorgen wel, die gelegenheid niet te mankeeren. Om daar op die enorme hoogten hun kunst uit te oefenen, laten ze zich goed betalen, tot wel acht anna's toe of tachtig centimes! Alle brahmanen moeten eraan gelooven, behalve zij, wier vader nog leeft en wier vrouw zwanger is. Ook degenen, die dooden hebben gebracht naar boven, worden geschoren.
De tien of twaalf tempels verbergen onder het groen hun schilderachtige ruïnen bij een bron, die verrassend helder is in haar bed van steenen. Deze zoo rustige plaatsen waren in den tijd van Avantivarman het tooneel van een merkwaardige tragedie, die het de moeite waard is, in de vertaling van Dr. Stein te lezen. Die koning was er eens zijn godsdienstplichten komen verrichten in den grooten tempel, dien hij meende te hebben verrijkt met zijn geschenken. Dus was hij zeer verbaasd, te zien, dat de priesters voor het beeld van den god niets anders legden dan wat bladeren van oepalakh, een in het wild groeiende plant, soort van witte Scabiosa, waarvan de Kaschmireezen de bladeren gekookt eten. De vorst kon niet laten, daar een opmerking over te maken en de reden te vragen van zooveel zuinigheid. Daarop wachtten de poerohita's slechts, om te spreken.
Zij vertelden dat een zeker edelman uit de buurt zich op de gunst van den minister had beroepen, om hun de inkomsten van het dorp afhandig te maken; daardoor werd de karigheid van hun gave verklaard en de schrielheid tegenover den god. De koning deed, alsof hij niets had gehoord en ging weg onder voorwendsel van een plotselinge ongesteldheid, de plechtigheid onvoltooid latend. Daar was ieder vol van. Het bericht ervan drong door tot den minister, die er slechts op uit is, zijn plaats te behouden en zich trachtte te ontdoen van zulk een dommen gunsteling. Hij liet hem dadelijk het hoofd afslaan en het onthoofde lichaam in het heldere water van de bron werpen. Waarna hij kalm naar de gezondheid van den koning kwam vragen, die volkomen hersteld was. "Nooit," zegt dan de kroniekschrijver, "heeft men stellig zulk een minister gezien!" Dat kan zijn, en men moet niet overdrijven; maar al zijn de zeden verzacht, te ontkennen is het niet, dat er tegenwoordig ook nog ministers zijn, wier portefeuilles aan hun lijf schijnen vastgelijmd.
De nabijheid van den tempel en het schoone landschap hielden mij terug. Ik bleef eenige dagen in Vangath, en er was daarbij een zekere luiheid in mij, die mij weerhield, mij te verwijderen van die bergen, welker bekoring zeker altijd ieder zal bijblijven, die eens het gras ervan betreden heeft en de zuivere en lichte lucht heeft ingeademd. Maar toen kwam de herfst, die zich duidelijk liet kennen aan de vergulde tint, die zich op de hellingen legde, en door de sneeuw, die op de toppen viel, door de pikante frischheid van de morgenlucht en de heldere koude van den maneschijn. En daar kwamen, bij de eerste herfstverschijnselen, alle herders naar beneden, die zomerbewoners zijn van de hooge weiden; ze komen met hun gezinnen en kudden. Elken dag was het een optocht door het kleine dorp van een schilderachtigen, luidruchtigen troep; en die menschen leken mij even afhankelijk van de seizoenen, als de vluchten trekvogels, die boven ons hoofd langs trokken.
Eerst kwamen de Goedjars, want hun buffels verdragen niet goed de koude, zooals ze trouwens ook niet tegen groote warmte kunnen. Daarom werden ook de open hutten, waar ze daarboven zich in ophouden, het eerst verlaten. In zakken hun provisie, boter en kaas, meenemend, trekken ze voort en drijven hun zware, domme beesten voor zich uit, die toch zulke teêre gestellen hebben en lastig erop gesteld zijn, zich in iederen plas op den weg te wentelen. Daarginds naar den kant van het Zuiden wacht hen de een of andere lage woning met plat dak, staande in een veld van maïs, zooals wij er zooveel hebben gezien, toen we naar Kaschmir gingen, op de heuvels langs den weg.
Dan brengen de herders aan de boeren van beneden de schapen terug, die voor den zomer aan hun hoede waren toevertrouwd. Maar hoevelen zullen er op het appèl ontbreken, die gerekend zullen worden te zijn verscheurd door beren of in een afgrond te zijn gevallen, terwijl ze eenvoudig verkocht zijn, zoo duur mogelijk, aan toevallig voorbijgaande toeristen? Wie zal het zeggen? Het is het geheim van de marg. Er zal in de dorpen geschreeuw en getwist zijn naar kaschmireeschen trant; maar dan zal alles weer stil wezen; de herder zal zijn loon in graan ontvangen en zal tot het volgend voorjaar ontslagen worden; en dadelijk nadat hij zijn schaapjes gewasschen, gekamd en geschoren heeft, zal de boer ze in zijn huis opsluiten, om hem als kachels te dienen, terwijl hij van de wol zeer warme dekens maakt in den loop van zijn lange winteravonden.
De nieuwste ontmoeting op weg naar de tempels was die met een gezelschap babarkans of geitenhoeders. Zij waren echte nomaden en verschenen in Kaschmir slechts als trekvogels, net als de zomertoeristen. Ze brengen het koude jaargetijde door op de zuidelijke hellingen van den Himalaya. Het zijn heel andere personnages dan de gewone herders. Hun geiten zijn hun eigendom, evenals talrijke pakpaarden, die hun bagage dragen.
Er wordt verteld van een kreupelen barbakan, die voor zich alleen meer dan dertien duizend geiten zou bezitten. Hij is dus een croesus voor dat land, want zijn kudde vertegenwoordigt wel een waarde van 50.000 roepijen. Die geiten zijn zeer groot, en hun huid is zeer gezocht voor het maken van emmers. De emmers, die voor water worden gebruikt, worden gelooid aan beide kanten, terwijl de voor proviand gebruikte aan de binnenzij het haar behouden.
Maar meent niet, dat van dit haar de beroemde shawls worden gemaakt. De echte Kaschmireesche geit is hier onbekend; die komt slechts voor op de hooge plateaux van Thibet. Daar alleen laat de goede moeder natuur onder de vacht van het dier een soort van fijn velletje groeien, juist als het dons groeit onder de veeren van de eidergans. Van die wol weefde men de shawls en daarvan worden nu nog de zachte en soepele stoffen geweven, die pasjminah heten. Er zijn wel pogingen gedaan, om in Kaschmir de wolgeit te acclimatiseeren; maar hoe streng de winter er ook zij, hij is niet streng genoeg, om de geit er toe te brengen, met een zacht wollen laagje den mantel van lange haren te voeren. Dus natuurlijk komt die wol niet voor bij de geiten van de barbakans, die den kouden tijd in het warmer Indië doorbrengen.
Om op onze herders terug te komen, er waren wel een twintigtal, mannen, vrouwen en kinderen. Ze hadden ook een groote wijfjesbuffel bij zich, wier melk met meelkoeken hun ontbijt vormde. De mannen waren in dekens gehuld op kaschmireeschen trant; de vrouwen droegen alle een kleed van blauw katoen met roode streepjes. De wijde broek was nauw aan de enkels, en een soort van blouse bedekte het bovenlijf. Onder het kleine mutsje, dat ze droegen, kwam het blonde haar uit en viel in kleine vlechten op haar schouders. Ze waren niet leelijk met de ovale gezichten en den fijnen neus, kleinen mond en langwerpige oogen. Deze nomadenvrouwen dragen de kleine kinderen op den rug en niet op de heup, zooals de vrouwen in Indië en Kaschmir. Ze hebben een soort van wieg gevormd van een lap stof, dien ze zich eerst stevig om het middel binden, waarna ze hem met een eind achterom over den schouder slaan, zoodat in de holte het kind kan liggen en wat er dan nog over is van de stof wordt bij wijze van tulband om het hoofd gerold van de moeder, die daar bovenop een aarden of bronzen vaatwerk zet en vlug, met de handen vrij, zich over den weg kan bewegen.
Eindelijk moesten wij opbreken als de anderen. In het dal der Sind kwamen we op den muildierweg, die van Srinagar naar Leh voert, en we hadden nog interessante ontmoetingen. Het waren brave boeddhisten uit Ladakh, die naar hun land terugkeerden met hun karavanen van yaks, beladen met graan, rijst, zout en aardewerk; ook soms waren het Mohammedanen uit Jarkand op weg naar de indische havens, waar ze voornemens waren, zich naar Mekka in te schepen. Ze zijn allen ongeveer gelijk uitgedost, een bonten muts, een mantel met lange mouwen en laarzen van vilt, terwijl altijd dezelfde kleine gesluierde oogen knippen in hun gele, platte Mongolengezichten. Al die menschen hebben haast en gaan in tegengestelde richting, om weg te komen, voordat de sneeuw de passen onbegaanbaar heeft gemaakt en Kaschmir terugvalt in zijn lethargische winterrust.
Laten wij dus ook haast maken, om van de laatste mooie dagen te profiteeren. Ik kon mijn intrek nemen met een paar vrienden in de villa Sjeik-Safaï-Bagh, eigendom van den radja Amar-Singh, een der broeders van den koning. Het huis was gebouwd in het midden van een groot park van amandelboomen op een vrij hoog terras, zoodat wij uitzicht hadden op het wonderschoone meer van Srinagar; de stedelingen praten altijd van het Dal, dat is het meer, juist als de Parijzenaars van het Bois, als ze het Bois de Boulogne bedoelen. Het "Dal" dan was prachtig in dit herfstlicht. De eilandjes en de beroemde drijvende tuinen, echte vlotten van bloemen, spiegelden zich in het doorschijnende water, dat op het klaarst de bosschen, de bergen en den hemel weerkaatst. En het kader is waard, zoo iets schoons te omvatten; men kan zich geen grootscher amphitheater van bergen denken dan dat, hetwelk van den Hariparvat, met zijn fort gekroond, gaat naar den Takht-i-Soeleiman met zijn tempel, terwijl daarachter de witte kegel van den Haramoek verrijst.
Alleen de roestkleur der naburige hellingen, de bleekgouden bladeren der populieren en de dunne streep van sneeuw, die al over de bergen loopt, als om de vormen beter af te teekenen, doen de nadering van het slechte jaargetijde vermoeden. Het dal wordt met elken dag mooier, als om zich in een zekere coquetterie meer te doen regretteeren door diegenen, die ervan moeten scheiden.
De Bagh van Dilavar-Khan, waar Jacquemont verblijf hield, is veel dichter bij de stad en er is lang niet zulk een mooi uitzicht, maar niettemin ben ik er heengegaan als voor een pelgrimstocht. Het hout der veranda is zeer vermolmd, en de vertrekken zijn niet weinig vervallen; maar weinige jaren geleden leefde nog een oude bewaker, die "Sjakaman"-Sahib had gekend en die zich herinnerde, dat hij een lange, magere man was, die de roepijen met handen vol om zich wierp. Het is waar, dat op bevel van Randjit-Singh zijn voorraad ervan alle morgens werd vernieuwd; hij zou met de 1200 francs, die hem vanwege het museum werden uitgekeerd, niet veel dwaasheden hebben kunnen uithalen. Hij vertelt in zijn brieven, hoe hij meermalen in Sjeik-Safaï-Bagh, waar wij verbleven, een weinig rust had gezocht en zijn oogen te gast liet gaan aan het landschap.
Het lijdt geen twijfel, of wij hebben dat huis teruggevonden, zooals het in 1831 was; maar het is daarna al gevallen onder het houweel der sloopers. Een jaar maakt tegenwoordig meer verschil in Kaschmir dan vroeger een eeuw. Niet alleen bestaat niet meer de aardige baraderi, maar het bosch van amandelboomen is gekapt en in kleine perceelen gesplitst, juist als in Europa met parken gebeurt, en er zijn villa's verrezen, die men voor een seizoen kan huren. De radja Amar-Singh moet in zulke dingen heel snugger wezen, en hij heeft deze soort van speculatie niet beneden zich geacht. De plek is er uiterst geschikt voor, en Bernier had reeds op de aanwezigheid van al die goede dingen gewezen, als de zuivere lucht, het meer, de eilanden en de nabijheid der stad, alsook op de vele bronnen en rivieren.
Daar ons huis op de zachte hellingen was gelegen, die naar den zuidelijken oever voeren, was het uitnemend geschikt voor middelpunt van uitstapjes naar de prachtige tuinen uit den tijd der Groot-Mogols, verspreid in den omtrek. Het is bekend, dat die parken opmerkelijk door hun inrichting aan die van Versailles herinneren, met welke ze ook in den tijd van den aanleg overeenkomen. Op den westelijken oever ligt Nasim-Bagh, dat geen terrassen of fonteinen meer heeft, maar waar het bosch van platanen in volle pracht is. Aan den tegenoverliggenden kant vindt men Nisjat-Bagh, den tuin der vreugde, waar een witte italiaansche villa op den steilen oever staat en zich in het heldere water spiegelt.
En achter het wijde bekken, dat meer dan een mijl lang is, omsluit een natuurlijk dal de koninklijke residentie Sjahlimar, terwijl aan het eind van lange meren, met veel watervallen en omringd door prachtige lanen, het liefde-paleisje van Jehan-Guir en Noer-Mahal nog te midden van watervallen en fonteinen boven zijn vier op elkander volgende terrassen de marmeren kolommen van zijn paviljoens verheft. Men moet bij Bernier de enthousiaste beschrijving lezen van al die pracht, die nu verbleekt of verdwenen is. Men kan niet dwalen tusschen de overblijfselen, zonder met weemoed te denken aan de personen, die zijn heengegaan en die er de volle vreugde van het leven hebben genoten, bladeren van een anderen zomer, vrouwen van een anderen tijd.
Ook moet men erkennen, dat die keizers en die sultanes zin hadden voor de natuur en voor levensgenot; er zijn zeker nergens ter wereld beter plaatsen aan te wijzen voor zulke paleizen en siertuinen, als daar aan den oever van het groote, heldere, hooggelegen meer, waar men als tusschen twee hemelen het goede der aardsche dingen genoot. Maar draag er zorg voor, dat ge u alleen aan deze beschouwing wijdt, als het seizoen der muskieten er nog niet is of er al is geweest; dus alleen in de lente of in het najaar moet men gaan. Het zou anders ook al te heerlijk wezen, en de engelen zouden het paradijs verlaten, om naar Kaschmir te gaan, als men er in den zomer geen rekening moest honden met dat duivelsgebroed.
Welk een menigte mooie plekjes en monumenten zouden er nog voor ons te bezoeken zijn! Indien u de bestijging niet afschrikte, zou daar vooreerst de tempel zijn boven op den Takht-i-Soeleiman, waar men van het terras een zoo magnifiek uitzicht heeft op de bochten der rivier; of wel een boot zou ons op een gemakkelijke manier naar de moskee van Hazarat-Bal kunnen brengen, waar, naar het heet, een haar van den baard des Profeten wordt bewaard. Daarom hebben er op bepaalde tijden groote godsdienstige feesten plaats, en veel handelstransacties worden afgesloten tusschen de uitoefening der godsdienstplichten, zoodat het er op sommige tijden overweldigend druk kan zijn. Niet alleen is het een plaats van samenkomst voor kooplieden, bedelaars en vrome geloovigen, maar ook de elegante dames uit Srinagar komen er in al de glorie van haar beste gewaden zich vertoonen.
Zal ik u nog half te water, half over land voeren naar de brahmaansche of mohammedaansche gebouwen der stad, naar den vergulden tempel van het koninklijk paleis of naar de moskee van Sjah-Hamadan, te herkennen aan haar drie boven elkander gelegen daken, en naar het graf van Zaïn-oel ab-Din, waarboven zich een koepel verheft?
Gaan we te zamen een wandeling doen door de voorsteden aan den rechteroever tot Jamma-Masjid, en zullen we dan in de portieken en op de muren der naburige ziarats de oude zuilen en het beeldhouwwerk gaan zien, dat ontleend is aan antieke hindoesche heiligdommen? Of willen we tevreden zijn integendeel met den loop der verschillende kanalen te volgen, die elkaar kruisen als een net van waterstraten door de stad en dan vooral naar het Markanaal gaan, dat soms zoo leelijk ruiken kan, maar dat altijd zoo schilderachtig is met de zware steenen bruggen en de hooge huizen, die er aan staan?
Hoop maar niet, dat ge in Srinagar gemakkelijker dan elders ontkomt aan den last, dat de hoekjes, die het aardigst en interessantst voor de oogen zijn, het onaangenaamst zijn voor den neus. Dat is nu eenmaal zoo in alle antieke steden en het is een fatale wet, maar hygiëne en schilderachtigheid gaan, helaas, niet gemakkelijk samen. Maar, om kort te gaan, die uitstapjes worden door iedereen en elken dag gedaan, en men vindt daarover de uitvoerigste inlichtingen in de reisgidsen.
Een ervaring, die misschien wat zeldzamer was en dus eerder waard is, meegedeeld te worden, is het bezoek, dat ik gelegenheid had te brengen in het huis van een groot heer in Kaschmir. Wij waren dien morgen weer op expeditie uitgetogen, want hoe kan men anders zulk een tocht noemen, met twee of drie booten, waarbij men naar engelsche mode een heel eetkamer-ameublement en vaatwerk, proviand en bedienden, keukenapparaat en een kok meesleept? Het was afgesproken dat wij ons, om te ontbijten, in het park van dat paleis zouden ophouden, een der weinige prachttuinen, die nog in Srinagar in wezen zijn gebleven, en waar men van de Djhilam komt langs een breede, steenen trap.
Toen onze maaltijd was afgeloopen, liet de eigenaar, zeer correct op zijn Europeesch gekleed tusschen zijn muilen en zijn tulband, ons zelf zijn bezitting zien. Een monumentale poort, gemaakt naar de afmetingen van olifanten, en met paviljoens erboven voor de gasten, gaf aan den straatkant toegang tot een eerste binnenplein; twee groote gebouwen, door een ander plein gescheiden, en waarvan het meest naar binnen gelegene het zenana of vrouwenverblijf was, vormden het woonhuis; wij bezochten het eerste. In de kamers voegden zich ongelukkig bij de weelde van aziatischen aard in tapijten, divans en geborduurde kussens, ook canapé's en meubels van slechten engelschen smaak. In een prachtige hooge zaal, met het plafond gedragen door twee rijen gebeeldhouwde zuilen, was al dat niet bij elkaar behoorende bijeen, en op een perzisch tapijt, dat alle verzamelaars zou doen watertanden, lagen tennisbats. Petroleumlampen stonden naast fijn geciseleerde bronzen antieke lampjes, en terwijl wij bladerden in perzische manuscripten, met verrukkelijke miniaturen verlucht, keken ons van de muren in vergulde lijsten afschuwelijke chromo's aan.
En eindelijk was voor ons de tijd van vertrek gekomen. Onze doenga's werden losgemaakt en brachten ons met den stroom mee naar Baramoela, het punt van uitgang van het Dal, zooals we er ook waren binnengegaan. Zachtjes gleden wij door onder de zeven bruggen van Srinagar, die in dezen tijd van laag water dubbel hoog schijnen. Tempels, moskeeën en paleizen gingen aan ons voorbij, en met diepen weemoed namen we van dat alles afscheid.