De zomer in Kaschmir De Aarde en haar Volken, 1907
Chapter 7
Het ergste is, dat als men boven is, men ook weer naar beneden moet langs een pad van hetzelfde kaliber, tot men eindelijk de bedding van de rivier bereikt. Dat is dan de stroom van Amarnath, de Amaravati geheeten. Men loopt in de diepte van deze sombere doodenvallei, nu eens over puin, dan over sneeuwtunnels. Aan alle kanten omringen u kale bergen, welker kruinen even sterk zijn ingesneden als de golven op een dag van storm op zee. Enkele lijken echt golven, die verstard zijn, toen ze den hemel bestormden. In een ervan bespeurt men ter halver hoogte een spleet, waarheen onophoudelijk stroomen menschen opgaan, terwijl andere ervan afdalen. Dat is de grot van den Heer der Onsterfelijken.
Op een enkelen dag van het jaar, een dag van volle maan in Augustus, vullen de bedevaartgangers het dal met hun bonte scharen, waarin de oranje kleur van het gewaad der sadhoes of bedelaars den boventoon voert, en met het rumoer van hun uitroepen. Hun eerste daad is zich te baden in de rivier Amaravati, die links van de grot drie verdiepingen van watervallen vormt. De benedenste schijnt voor de vrouwen gereserveerd. De mannen hebben niet anders aan dan een gordel van berkeschors om de lendenen geslagen met een koord van dezelfde stof; de vrouwen hebben een lap witte stof omgeslagen en allen uiten den kreet: "Amarnath-Svani-ki-Jay! Leve de koning der goden!" Met dien uitroep stormen ze naar de grot.
Men treedt er binnen langs een soort van leuning langs den linkerwand. De groote gapende boog, wijd als de ingang van een kathedraal, is rechts half gevuld door puin. De pelgrims smeren hun gezicht met leem, anderen zelfs hun geheele lichaam met het gipsstof. Men moet ze zien aan den ingang van het hol, de handen uitgestrekt, het hoofd achterover, met open mond, in spanning lettend op de droppels water, die door het gesteente worden gefiltreerd, om er in het voorbijgaan enkele druppels van op te vangen, want dat water is niets minder dan ambrozijn. Dan eindelijk zich in hun volle lengte op den grond werpend, komen ze de grot binnen.
Het hoofddoel van de bedevaart is de aanschouwing der bevroren bronnen, die Siva moeten voorstellen en zelfs zijn familie. Stelt u voor in een ruimte, waar de zon nooit binnendringt, soorten van kleine glazen koepels. De grootste zou niet anders zijn dan een natuurlijke voorstelling van den god. Sommigen beweren, dat de dikte van het ijs toeneemt en afneemt met de maan; maar niemand kan het zien. In de ziel der pelgrims is geen schaduw van twijfel. Met welk een devotie drukken ze zich tegen het blok ijs, er geestdriftig hun voorhoofden tegen wrijvend, hun armen, hun naakte bovenlijven; als ze zich aan de eene zijde hebben gewreven, beginnen ze aan den anderen kant. Vervolgens houden ze in de kille schaduw van de grot een soort van danspartij, gewijd door een rhythme van handgeklap.
Onnoodig te zeggen, dat de poerohita's van de party zijn, zij hebben de ijsblokken met roode vlaggen versierd, met kleine walmende lampen en hebben er bloemen gestrooid. Twee van hen zitten zoo maar op Siva; twee anderen houden een touw van gevlochten stroo vast, om de opdringende menigte op een afstand te houden. Al die menschen, die zoo dweepziek moeten zijn, ontvangen ons zeer vriendelijk. Men schijnt het zeer goed te keuren, dat ik mijn onrein lederen schoeisel door strooien sandalen heb vervangen. Er wordt mij belangstellend gevraagd, of ik den beroemden gletscher al gezien heb of dat ik er nog heen ga. Ik zou het in elk opzicht onaangenaam hebben gevonden, als ik deze brave menschen in hun geloof had moeten kwetsen. Ieder geloof is heilig, zoo lang het oprecht is.
Om de waarheid te zeggen, maken de poerohita's een onnoodige drukte en duwen de sadhoes heen en weer; om ruim plaats te maken voor de Sahibs, die bij gebrek aan geloof roepijen meebrengen. Zij geven mij daarvoor in ruil een overvloed van kandij, amandelen, bloemen en hechten om mijn linkerpols een armband van roode wol en gele zijde. Een arme, oude vrouw vroeg mij een aalmoes en ging dadelijk het ontvangen zilverstuk brengen aan brahmanen, die bezig waren te offeren bij een klein vuurtje. Van avond wordt de ontvangst gedeeld; een vierde is voor de poerohita's van Bhavan, een vierde voor die van Ganesj-Bal, een derde vierde deel voor de sadhoes, die het vaandel gedragen hebben, en het laatste voor de maliks van Bhatkote.
Later hebben wij de klachten van den ouden malik vernomen, toen we weer door dat dorp gingen. Zij hadden voor hun deel maar honderd roepijen gekregen. Trouwens ze zeggen elk jaar, dat ze zijn gefopt, en dat is niet onmogelijk, om de eenvoudige reden, dat de toegang tot de grot, en dus alle toezicht op de financiëele operaties, verboden is aan de Mohammedanen.
Toen het bezoek aan den gletscher afgeloopen was, konden wij heengaan. Het was voor al die arme stumpers een treurige aftocht. Uitgeput door acht dagen van vermoeienis en vasten, waren ze hier gekomen, en nu werden ze niet meer gesteund door den wil om het doel te bereiken. Zoolang de weg naar beneden liep door het dal van Amarnath, ging het nog, want toen had men het gezicht op de heilige grot, en wij hoorden geestdriftige kreten. Aan den oever van de rivier zagen we vrouwen zich vooroverbuigen, om water te scheppen in de holte harer handen en elkander te laten drinken, waarna ze elkaar tot driemaal toe omhelsden. Zoo sluiten ze een vriendschapsbond.
Zoo'n verbond, vertelde de pandit, heeft den voorrang boven ieder wereldlijk belang en elken familieband; het geldt voor leven en dood.
Weldra verspreidden zich de groepen en de uitroepen werden niet meer gehoord. Een der leerlingen van onzen ouden kennis, den sadhoe van Patiala, was zoo zwak, dat hij er wel blijven moest, omdat hij geen geld had om zich te laten dragen. Toen de weg ging stijgen, zagen we niet dan doodvermoeide menschen op de hellingen, zich vasthoudend aan sprietjes gras, zoo goed als het ging, hijgend en klagend en de hoop opgevend, dat er ooit een eind aan den klim zou komen.
Aan de andere zijde van den berg was de afdaling naar de vijf rivieren niet veel beter; velen van hen, die op handen en voeten zoo even omhoog kropen, lieten zich nu maar op den rug neerglijden. Beneden wachtte hen een laatste bad, even heilig als het koude bad, genomen ter eere der voorvaderen, alsof ze den tijd wilden bespoedigen, waarop ze bij hen zouden wezen.
Ik moet bekennen even vermoeid te zijn als zij, en als zij, sleep ik mij voort, zoo goed en zoo kwaad als het gaat, naar het kamp te Pandjtarni. In de achterhoede worden de achterblijvers aangezet tot spoed door de politie; het zou hun dood zijn, zoo ze alleen achter werden gelaten in deze troostelooze eenzaamheden, waar alles verijsd is, tot de goden toe; en nu valt voor een geheel jaar het dal van Amarnath terug in stilte en verlatenheid.
Den 24sten Aug., 's morgens, was er te Pandjtarni niets meer te zien dan onze tenten op de van witten ijzel glinsterende weide. Ik had in zoo ver nog de gevolgen te dragen van mijn vermoeienis van den vorigen dag, dat ik mijn vertrek een dag uitstelde. Toen de politiebeambte, die voortging met den optocht tot een goed einde te brengen, vóór zijn vertrek mij nog zijn diensten kwam aanbieden, vroeg ik hem mij een dholi te sturen met een dubbele groep dragers. De dholi is een soort van palankijn of vierkanten draagstoel met een dakje van stof erover. Veilig hangend tusschen twee lange bamboes, leek het mij nog al een dragelijk vervoermiddel; het eenige bezwaar is, dat het veel ruimte inneemt. Maar mijn acht niet gedoopte dragers zijn geoefende luidjes, en ze brengen mij met de grootste handigheid over de lastigste wegen.
Men volgt op den terugweg hetzelfde pad als in het heengaan, behalve dat men gewoonlijk iets afsnijdt door een nog veel hoogeren pas over te gaan als dien van den Mahagoenas en niet minder steenachtig. Op eens is men dan aan den anderen kant. Aan zijn voeten aanschouwt men een onmetelijk wijde kloof, met zonderling gevormde toppen eromheen en meer dan 1000 meter diep. Men zou op het eerste gezicht meenen, dat het onmogelijk is, zoo steile hellingen af te gaan; men doet het intusschen, al is het niet zonder moeite en gevaar. Beneden bij een beek, die plotseling uit den grond te voorschijn komt, vormen de opnieuw gevonden berken een nestje van groen, dat den naam draagt van Astan Marg.
Een heele familie van goedjarsche herders is er met de buffels gevestigd. De oude moeder, een goedig mensch, met het hoofd van een tooverheks, kwam mij begroeten en bood mij koeken van gestremde melk aan, mij noodigend in haar hut. Die was niet veel meer dan een groot afdak, gedragen door enkele boomstammen, een zeer eenvoudig zomerverblijf; in den winter gaan ze naar beneden naar hun dorpen. Ik kon in zake meubels niets ontdekken dan de zakken van geitevel, waarin gesmolten boter wordt bewaard en de aarden of bronzen potten, waarin ze wordt gesmolten.
In een hoek lag een heel jonge vrouw op een bed van droog gras en naast haar lag een baby, die den vorigen dag geboren was. Evenals de andere vrouwen, die ik zag, was ze behangen met sieraden, en ik telde wel twaalf zilveren ringen in ieder oor. Dus verliest de coquetterie nimmer haar rechten, en ik begin te twijfelen aan de hooggeroemde eenvoudigheid van de herderinnetjes.
Maar weten ze wel, hoe gelukkig ze zijn? Graag zou ik voor de rest van den zomer hun koele, frissche verblijfplaats deelen, die door een dichter beschreven zou worden als genesteld aan het hart van den reus Himalaya, als een edelgesteente op de borst van de godin Parvati. Ongelukkig is onze voorraad niet groot genoeg voor dergelijke buitensporigheden, en wij moeten ons weer begeven naar streken van een duizend meter lager, waar men reeds zwaarder lucht inademt. Nog twee dagen van een daling door een schilderachtige omgeving, en mijn dragers zetten mij zacht te Palgam neer. Vandaag heb ik nog alleen maar Kaschmir dwars door te gaan, om dan de bestijging van den Haramoek te doen.
V.
De bedevaart naar den Haramoek.--Begrafenis.--Alpinisme en godsdienstige hydrotherapie.--De tempels van Vangath.--Herfsthuiveringen.--Afscheid van Srinagar.
De achtste dag van de lichte veertien dagen van Bhadrapada, die in het jaar 1896 op den 14den September viel, is de groote dag der dooden voor de kaschmireesche pandits. Maar zij brengen dan niet enkel bloemen naar een kerkhof, dat meer of minder ver uit de buurt is; ze moeten er meer dan 4000 meter voor stijgen langs ruwe wegen door verlaten passen naar een meer, omringd door gletschers en steenachtige hellingen aan den voet van den reus Haramoek. Daar men liever in de Ganges de asch stort van de Hindoes uit Indië, wordt die der Brahmanen en Sikhs uit Kaschmir daar gedeponeerd. Zoo is dan ook het meer bij gebrek aan beter gekozen als een der bronnen van den grooten, heiligen stroom.
De profanen en de kaarten noemen het Gangabal; de brahmanen zeggen dood-eenvoudig de Ganga of de Moekoeta Ganga, de Ganga van den diadeem. Het is bekend, dat de groote rivier vloeit van den haardos van Siva, en nu is de Haramoek, het enorme rotscomplex, met ijs bedekt, dat vijf dalen beheerscht en zeven hooge toppen ten hemel heft, niet anders dan de diadeem en tegelijkertijd de woning van den god.
De pandits beweren, zonder te lachen, dat als men de pradakchina, dat is de toer rondom het meer, doet in den tijd van droogte, dat men dan de haren kan zien, waar de bron onder uit vloeit! Als de achtste dag van de lichte veertien dagen van Bhadrapada na het begin van de najaarsdagen valt, wordt de plechtigheid van het werpen der asch tot het volgende jaar uitgesteld. Dat jaar had het weinig gescheeld, of het feest had niet plaats gehad; het najaar begon den negenden van de veertien dagen.
In alle huizen waar een doode is geweest, moet een der bloedverwanten, zoo na mogelijk, de bestijging doen. Die pelgrimstocht van Gangabal heeft dus een zeer bijzonder plaatselijk karakter. Hier komen geen pelgrims uit Indië, dat wil dus zeggen, geen sadhoes; enkele Sikhs uitgezonderd, ziet men er slechts kaschmireesche brahmanen; het is een ware familiebedevaart.
En het is geen kleine zaak voor de pandits. Men weet, hoe vermakelijk bang de Kaschmireezen zijn voor de prachtige bergen, te midden waarvan ze leven en die ze het liefst uit de verte bewonderen. De bandobast is dan ook een ding van belang, en het schijnt alsof men een poolreis gaat maken. Er moet een tent worden aangeschaft, dan proviand meegenomen, kleeren en dekens in overvloed; verder moet men zich voorzien van suiker, peperkorrels en zure vruchten, alles dingen, die in de vasten mogen worden gebruikt en die men onderweg neemt, om zich op te monteren of te verfrisschen, en vooral niet te vergeten, een reukwerk, geknoopt in een punt van het kleed, om bij wijze van opwekkend zout te ruiken, als men een aanval krijgt van de bergziekte. Ook is het van groot belang kangri's bij zich te hebben en een aantal sandalen van poelahor, die zooveel waard zijn voor het loopen op de gladde hellingen.
Eindelijk moeten er koelies worden gehuurd, om dat alles te vervoeren, en dan nog de quaestie van de asch. Men ontsluit, om haar mee te nemen, het kastje boven de deur in den buitenmuur, waarin ze was geborgen vanaf den dag der verbranding van den doode. Het is de gewoonte, de enkele overblijfselen van beenderen, die men heeft ingezameld onder de asch van den brandstapel, in een aarden vaas te bergen, samen met kleine stukjes van de vijf edele dingen, parel, saffier, koraal, goud en zilver. Ik heb mij laten vertellen, dat men niet zooveel asch meenam als wel mogelijk zou zijn, uit vrees er last van te zullen hebben op de dag van de bedevaart, want de dooden kunnen den levenden hinder veroorzaken.
Eindelijk, daar zijn onze pandits op weg, niet zonder dat de dragers van asch eerst in hun huis een eersten lijkdienst hebben gevierd. Die laatste diensten worden trouwens elken dag van den tocht gehouden, schenkingen van meelkoeken, water en vruchten aan de geesten der afgestorvenen. Bij de Ganga moeten allen aan zulk een lijkdienst deelnemen, en zij, die asch hebben heen te brengen, houden er twee. Wij haalden te Prang, aan den oever van de Sind, de bonte scharen der pelgrims in, die aan het ontbijt waren na hun offerande of onder de boomen lagen te rusten. Er waren daar zeer mooie vrouwen van pandits; zij gaan inderdaad door voor veel mooier dan haar mohammedaansche landgenooten, en zonder twijfel terecht. Het is misschien niet te verwonderen, want het waren juist de hoogste klassen, die zich niet lieten bekeeren tot het Mohammedanisme.
Bevallig in haar levendig gekleurde kleedjes met wijde mouwen, met een witten gordel om het middel, en om het hoofd een langen, witten sluier geslagen, die op de schouders afhing, maakten verscheiden van haar een bijbelschen indruk. Wat de pandits betreft, de meesten van hen leggen op reis het witte kleed af, dat er met den gordel als een soort van toga uitziet en hun werkelijk niet kwaad staat; zij vervangen het door een costuum, dat veel gelijkt op dat van Kisjtwar, een buis met een korte broek, en banden om de beenen gebonden. Bijna alle dragen ook nog een groote jas, gevoerd met een voering van lamsvel uit Ladakh. Enkele knapen geleken met hun geborduurde mutsen en gekleurde wambuizen boven de nauwsluitende broeken op pages uit de middeleeuwen. Anderen hadden het betreurenswaardige denkbeeld gehad, wonderlijke jassen aan te trekken, meesterstukken van kleermakerskunst uit de hoofdstad; er waren hemelsblauwe, bruine, groene, zelfs enkele van zwart fluweel, alle van buiten versierd met zakken als die van jachtbuizen. Die jeugdige pronkers stellen het jonge Kaschmir voor, dat zich in alles het engelsche volk heeft ten voorbeeld gesteld; zij begroeten ons in het Bargoensch, dat ze hebben geleerd op de school van Srinagar en dat ze nu gebruiken in de hoop, een of ander postje bij de karavaan te krijgen. Intusschen willen ze den tocht naar Gangabal niet opgeven. Naast hen vervullen de poerohita's hun plicht als aalmoezeniers. Verderop zit een groep Sikhs vroolijk te praten. In hun nabijheid hingen, over de vork van de in den grond gezette stokken, zakjes van verschillende kleuren, bevattend de asch van hun dooden. Op die manier voeren ze die naar de Ganga; de pandits hangen de zakjes gewoonlijk om den hals. Enkele hadden er tot drie of vier; de verschillende kleuren van de zakjes dienen in zulk een geval, ze uit elkander te houden, want ze moeten den naam van den ex-eigenaar van de asch uitspreken bij het in het water strooien. Des avonds werden overal vuren ontstoken, en het kamp had een zoo feestelijk aanzien, dat het kwalijk strookte met het plechtige doel van de bedevaart.
Den volgenden morgen ging ieder langs een steenachtig voetpaadje naar het dal Sjittagroel; de terugweg wordt genomen door het Vangathdal. Te Sjittagroel wonen de maliks, die, zooals de maliks van Bhatkote voor Amarnath, zorgen voor het tijdelijk welzijn van deze pelgrims en daarvoor een kleine vergoeding ontvangen. Er werd gekampeerd in het open veld aan den voet van den berg; er moesten ongeveer 2000 meter stijgend worden afgelegd. Een hevig onweer, dat des avonds opkwam, had de tenten en de menschen doornat gemaakt. Het was omstreeks middernacht een vreemd gezicht, al die bewegende groepen, half in de schaduw, half in het flikkerende licht der vuren, hun kleeren nog gauw op het oogenblik van het vertrek drogend. Daarna ging de processie in ganzenmarsch langs het pad, enkelen met een harsfakkel in de hand, anderen met een toorts van berkeschors of zelfs met een gewoon windlampje.
Zou des nachts de bestijging wat korter lijken? Ik weet het niet; over dag schijnt ze eindeloos. In eens passeert men alle zônes van den plantengroei. Eerst stijgt het voetpad door een boschrijk dal of eigenlijk ravijn tusschen hooge groene wanden van noteboomen, kastanjes, hazelaars en vijgeboomen. Daarna volgen hellingen met verspreid staande boomen, meest sparren, half ontworteld door de regens en zich krampachtig met hun wortels vasthoudend op de schuinten. Dan krijgen we de lijn van de berken, gevolgd door die van het gras, waarop de streek van de kale rots volgt.
Men vindt hier ook weer, net als aan den kant van Amarnath, die soort van reuzendrempels, die naar de hoogvlakten leiden of de margs, en waar nog alleen enkele zeer hooge toppen boven uitsteken. Maar eerst krijgen we een kloof met loodrechte rotswanden, waar hier en daar een plekje gras zich vertoont, zooals aan den rand der klippen aan zee; dat is de Haph-Nar, kloof der spoken. Daar zouden lang geleden pelgrims gestorven zijn, die verdwaald waren, en ze waren zoo talrijk, dat men in de diepte van de sombere kloof meer dan tachtig pond touw van de heilige koorden der brahmanen heeft gevonden! Iets verder gaat men door een nauwen doorgang in een rots, en daar staan de maliks, om van elken voorbijganger eenige stuivers te ontvangen.
Vervolgens is ieder deelnemer verheugd, als men te Brahmasar is aangekomen, de verlangde plek, waar gerust wordt aan den voet van de hooge, donkere pyramide van den Haramoek, wiens grootheid over het geheele laatste deel der reis heeft gewaakt.
Wat leven hier nog een legenden en wat is het volksgeloof nog levendig! Wie twijfelt, of de top bestaat uit een enkelen steen en of de aanblik iemand tegen den beet van slangen beveiligt, omdat een van die dieren den halsband vormt van den god Siva! De top heet onbeklimbaar. In vroeger tijd had een sadhoe twaalf jaren lang zich tot taak gesteld, hem te beklimmen, om Siva te zien. Dag op dag steeg hij langs het rotspad omhoog; de nacht overviel hem onderweg, en des morgens, als hij ontwaakte, bevond hij zich weer op het punt, van waar hij den vorigen dag was uitgegaan. Zijn geval is tot een spreekwoord geworden in Kaschmir; als bijvoorbeeld een kind den eenen dag vergeet, wat hij den vorigen heeft geleerd, dan is het als de bedelmonnik van den Haramoek.
Er wordt intusschen verteld, dat eens een schaapherder, die naar een verloren schaapje van zijn kudde zocht, zich zeer hoog op den berg waagde. Hij bemerkte in een hol in de rots een man en een vrouw, die tot de meest geminachte kaste behoorden, bezig een wijfjeshond te melken, om hun dorst te lesschen. De man vroeg den herder, of hij mee wilde drinken; maar de blinde Mletsja weigerde en ging voorbij. Toch had de man nog gelegenheid, hem een droppel melk op het voorhoofd te strijken. Onder het afdalen ontmoette de herder den sadhoe en vertelde zijn avontuur. Dadelijk sprong de sadhoe op, likte met zijn tong den droppel van het voorhoofd des herders en ging heen in blijde verrukking. Diegenen, die door den Mohammedaan voor landloopers waren gehouden, waren niemand anders geweest dan Siva en zijn vrouw Parvati.
Zou de god werkelijk dit jaar slecht gehumeurd zijn of is Parvati jaloersch van al de hulde, die gebracht is aan haar mededingster van de Ganga? De koelies zijn natuurlijk nog een heel eind achter, en daar breekt een hevig onweer los met hagel; in een oogenblik is de grond bedekt met een dikke, witte laag; de donderslagen zijn zoo hevig, dat het is, of ze ons de bergen op het hoofd willen gooien; tot overmaat van ramp is een ijzige wind opgestoken en loeit door den pas. Dat treft niet voor de arme brahmanen, die nog een koud bad moeten nemen in de Naga, want geen bad, geen verdienste van den pelgrimstocht. Daarbij zijn ze schrikkelijk bang voor zulke onweêren, die iemand in een oogwenk voeren uit het klimaat van Indië naar dat van Lapland, en vooral voor dien wind, die als het wat later in het seizoen is, wel eens noodlottig wordt voor karavanen, overvallen in den pas. Allen kruipen samen in de tenten, die al bezet zijn vóór zij nog goed en wel zijn opgeslagen.
Den volgenden morgen brandde de zon weer, en deed verlangen naar een weinig schaduw tusschen de kale rotsen, tot er 's avonds weer kou en onweer volgden. Den dag daarop werd eindelijk het doel der reis bereikt; men was aan den oever van het meer Gangabal. Maar de bedevaartgangers zijn daarmee nog niet aan het einde van hun moeite. Zij hebben evenals te Amarnath hun bijzonderen weg, die langer en moeilijker is, maar die in hun oogen het voordeel oplevert van hen drie naga's te doen ontmoeten, waardoor ze de gelegenheid krijgen, drie koude baden extra te nemen. Werkelijk, ze verdienen al het goede, dat ze zoo hoog en tegen zooveel inspanning komen zoeken; maar als al die opeenvolgende koude baden op de nuchtere maag hun van veel nut zijn bij hun toekomstige wedergeboorte, zal dat, dunkt mij, niet beletten, dat ze er in dit leven een flinke verkoudheid mee opdoen.
Een weinig boven Brahmasar slaan ze rechtsaf door een rotspoort. Van de drie naga's, waar die heen leidt, zouden twee geboren zijn uit de tranen van de schoone Parvati. Dat was in den tijd van haar ijverzucht op haar mededingster de Ganga, die altijd verdwaalde tusschen de donkere haren van den god. Siva had het verstandigste gedaan, wat er in zulke omstandigheden te doen is, hij was weggegaan. Parvati ging hem toen berouwvol zoeken. Onderweg informeerde ze, of men haar man niet had zien voorbijgaan; hier kreeg ze een ontkennend antwoord, en een traan van brandende smart ontvloeide aan haar oogen, ginder was het antwoord bevestigend, en een traan van zalige vreugde vloot over haar wangen; en zie, daardoor is nu nog de naga van den eersten traan warm, terwijl de andere koud is. Wat de derde naga betreft, haar donkere kleur heeft haar den naam van Kal-Sar bezorgd.
Intusschen stijgen koelies en profane bezoekers tot den berg, die het dal van Sjittagroel op den achtergrond afsluit ter hoogte van ongeveer 4000 meter. Ongeduldig om alles te zien, ging ik verder naar den top, die over de meren uitzicht geeft; van daar was het een wonderschoon landschap. Onder onze voeten aan den voet van den berg waren de bekkens van het Noen-Kol te zien, half blauw, half groen, al naar de diepte van het water; meer naar links zag men de gletschers boven het Gangadal hangen, en van den eenen naar den anderen vloeide een zilveren waterval.