De zomer in Kaschmir De Aarde en haar Volken, 1907
Chapter 6
Wij kwamen te Bhatkote in een harde regenbui. Al wachtend op het opslaan der tenten, zocht ik een schuilplaats onder de veranda van een kleine moskee. Dat was, als in alle dorpen, een droevig vervallen gebouwtje. De mohammedaansche Kaschmirees bekommert zich minder om Allah dan om de plaatselijke heiligen en gaat in hoofdzaak liever naar de ziarats dan naar de moskeeën. Ik vond geen andere gelegenheid om te zitten dan de draagbaar, die alle dooden uit den omtrek grafwaarts brengt.
In dien tijd had er een episch voorval plaats onder de mooie notenboomen van het kamp. Bhatkote wordt bewoond door maliks of heeren van den weg, stellig afstammelingen van den een of anderen kleinen radja, die vroeger in het dal regeerde. Hoewel ze Mohammedanen zijn, hebben ze het privilege behouden, om de hindoesche pelgrims naar Amarnath te geleiden en het vierde deel der offeranden te innen. Een zeer oud hoofd, misschien de oudste van het dorp, had het weldra aan den stok met den pandit. Deze eischte rijst, die de ander vastberaden weigerde, zwerend bij zijn baard en bij den Koran, dat er geen korrel meer in het dorp was. De pandit, die op dit stuk geen scherts verstaat, dreigde den grijsaard met zijn stok. De bedreiging was niet ernstig gemeend, maar de goeie man was er toch zoo verschrikt van, dat hij bijna een flauwte kreeg en tegen een boom moest leunen, om niet te vallen, zoo beefde hij, terwijl de veldwachter of tsjankidar den meer geveinsden dan oprechten toorn van den pandit kalmeerde, door hem den baard te streelen en hem waarden vader te noemen.
Een uur later kwam de oude malik, die een mooien tulband had opgezet en een groen kleed had aangetrokken, mij met salams begroeten en bood mij alles aan, wat we noodig hadden, gevogelte, boter, eieren, melk en groenten, tegen een goeden prijs, wel te verstaan. Waarna hij mij vertelde, dat hij een zeer oud man was en dat men getracht had, hem te vermoorden, toen hij bij onze aankomst gezegd had ons te willen begroeten.... Het kostte mij moeite, van hem af te komen.
Daar wij te Bhatkote voor goed de rijstvelden vaarwel zeiden, wilden de mijnen, voor we het bergland ingingen, den reeds grooten voorraad rijst nog vermeerderen. Door de parvana's of orderbrieven, die we te Srinagar hadden ontvangen, te vertoonen, kregen ze nog een weinig, maar tegen een roepij voor de acht sers of ongeveer 800 gram, wat diefstal leek in de oogen van den pandit, die te Bhavan zestien kreeg voor denzelfden prijs, en vier-en-twintig te Islamabad.
Na Bhatkote wordt het landschap al woester; op enkele plaatsen wordt het dal een echte kloof, die enkel ruimte liet voor het pad en den stroom.
Iets hooger wordt het dal weer breeder, en men komt weldra te Ganesj-Bal. Het dorpje van dien naam is in twee deelen verdeeld door de rivier. Op den linkeroever en de eerste hellingen vormen drie huizen in eenige velden met maïs en zwart koren, het muzelmansche dorp. Aan den anderen kant ligt het hindoesche dorp vlak aan het water; het bestaat uit twee huizen voor de poerohita's en enkele planken hutten voor de pelgrims. De plek is zeer beroemd om het beeld van den god, waarnaar het dorp is genoemd. Meen nu niet, dat hier een standbeeld wordt bedoeld, maar ga met de oogen des geloofs zoeken midden tusschen de versnellingen van de rivier, en ge zult daar een rots aantreffen, door het water afgeslepen tot iets wat op een olifantskop lijkt. Dat is Ganesj!
Tegen den tijd van den pelgrimstocht worden er twee zwarte vlekken op gemaakt, om de oogen te verbeelden, waardoor de gelijkenis treffender wordt. Dit beeld is een van de vele natuurbeelden, die in Kaschmir zoo talrijk zijn en er druk vereerd worden. Volgens de brahmanen hoorde Boet-Sjikan, de beeldenstormer, op zijn verdelgingstocht ook van dit beeld spreken en besloot, het te vernielen. Dus begaf hij zich op weg. Bij de eerste halte voor den nacht verscheen hem Ganesj en sprak: "Ga niet verder; ik raak uw knieën als een teeken. En als dat u niet voldoende is, zie dan morgen vroeg naar de Lidar; die rood zal wezen." Zoo was het; maar de ongeloovige minachtte die waarschuwing des hemels, en voor hij bij de plek van het beeld was gekomen, stierf hij. Hij kwam met al de zijnen om onder de steken van een wolk van bijen. Op den tienden dag van de veertien lichte dagen van Augustus houden de pelgrims op hun weg naar Amarnath er stil. Er wordt een brug van planken tusschen den oever en het beeld gelegd. De geloovigen bieden het meelkoeken aan met honig, geven daarvan mee aan de brahmanen van de plaats en eten zelf de rest op.
Van Ganesj-Bal af ziet men tot Palgam toe een menigte kampen opgeslagen. Op de vroegere oevers der rivier, nu ver boven de tegenwoordige bedding gelegen, brengen de tenten der Sahibs tal van lichte stippen aan tusschen het ernstige groen van dennen en sparren. Het spreekt vanzelf, dat met een dergelijken toevloed van Europeanen de hulpmiddelen der naburige dorpen al gauw zijn uitgeput. Men moet ten minste twee koelies hebben, om voor de fourage te zorgen en steeds weer heen en weer te gaan tusschen het kamp en Islamabad of Srinagar.
Palgam heeft zijn houten huisjes verspreid aan den voet van het groote, met eeuwige sneeuw bedekte gebergte Kolahoi, op de plaats waar de beide hoofdarmen van de Lidar uiteengaan. De rechtertak gaat naar het Noorden en is de weg naar Amarnath. Het traditioneele tijdstip voor het bezoek aan de beroemde grot nadert, en den 17den Augustus maakten wij onze laatste toebereidselen voor dat uitstapje.
Wij begonnen met aan den lambardar het meeste van onze bagage toe te vertrouwen, en alleen het allernoodigste bij ons te houden, de tenten en het ameublement, het keukengerei, proviand voor veertien dagen en warme kleederen. Alles zoo zuinig mogelijk berekend, waren het er nog vijftien lasten; dus moesten we vijftien dragers hebben. Al is het niet moeilijk, koelies te huren, om u van de eene etappe naar de andere te begeleiden, de zaak wordt heel anders, als men ze bij zich wil houden gedurende een paar weken en ze ver van hun huis en hun velden meeneemt. Men moet dan aan de aanlokselen van een goed loon en een dagelijksche vergoeding voor voedsel nog een zachten druk toevoegen van een of ander officiëel persoon, om de aarzelenden over te halen. Alle autoriteiten van het dorp waren op den bewusten morgen opgeroepen voor dat doel en gingen aan het disputeeren, dat wil zeggen, aan het schreeuwen. Eindelijk trad de lambardar van Eichmakam, die tegelijk jelladar is van het geheele dal, en leverde ons de vijftien koelies, die we noodig hadden. Zijn hulpvaardigheid was niet volkomen belangeloos, en het hooge personage vroeg als belooning om ledige flesschen en blikken van conserven. Nu en dan verzendt hij zijn correspondentie, een stukje papier, zeer smal opgevouwen en in de spleet van een ring gestopt, dien de onderdanen elkander overbrengen, tot de brief, van hand tot hand gaande, zijn bestemming heeft bereikt. Het meest verrassende is, dat zulke brieven aankomen.
Daar het spoedig volle maan zou zijn, zagen wij den geheelen dag een aantal van die vrome bedelaars voorbijgaan, die sadhoes worden genoemd en die voor fakirs zouden doorgaan, als het Mohammedanen waren. Sommigen zijn wat meer of wat minder netjes in oranje katoen gekleed; anderen hebben zich als harlekijns toegetakeld, en enkelen, die bijna naakt zijn, hebben hun lichaam met asch ingesmeerd. Allen dragen een bedelnap, nu eens van koper, dan weer eenvoudig een kokosnoot of een kalebas. Een had de zijne bij wijze van kapsel op zijn roode, door asch vaalgetinte haren gezet, hetgeen zoo ongeveer alles was, wat hij aan kleederen aanhad. Buiten die sadhoes, die voor het meerendeel uit Indië komen, komen geheele familiën uit Srinagar, mannen, vrouwen en kinderen, zelfs zuigelingen van brahmanengezinnen. Al die menschen gaan niet voor na twee dagen weer uit Palgam weg. Dan zal de politie het sein geven, en een sadhoe met het vaandel begeeft zich op weg naar Amarnath, waarna alle anderen volgen.
Zoo lang kampeeren ze op een eiland, gevormd door twee armen van de rivier. Wij zijn ze natuurlijk gaan zien. Ze hebben allerlei soort van tenten, de meeste zijn niet anders dan afdakjes van een paar uit de jungle gehaalde stokken, waar een lap stof over is gehangen. De eerepalm kwam toe aan een bijna naakten asceet, die onder een parapluie huisde en een doek erover had gehangen als wand. Een andere, zeer oude man met een langen, puntigen witten baard en een krijgshaftig uiterlijk, een drukke prater, stelde ons zijn leerlingen voor en vertelde, dat hij uit Patiala kwam, een der inlandsche staten van Pendsjab.
Tannin, 18 Aug.
Daar zijn we te Tannin sinds twee uren, en we hebben nog net tijd, om uit te blazen en te dineeren. Van Palgam is dit een zware tocht. Wij zijn heden morgen om zeven uur vertrokken, na onze laatste inkoopen te hebben gedaan van enkele paren poelahor of sandalen van gevlochten gras, en eenige kangri's, de kaschmireesche stoven. Twee paren sandalen en een kangri kosten drie anna's of dertig centimes.
Allen hadden het druk in het kamp der pelgrims. Er waren, die hun afdakje afbraken, om zich te wikkelen in een doek, die hun bij nacht tot huis diende. Ook waren sommigen bezig, vuurtjes aan te leggen. De meest matineusen gingen het hout hakken, dat ze 's avonds zouden gebruiken.
Toen we de rustieke bruggen over waren, volgden wij langs de helling van den berg een steil pad, juist breed genoeg voor één persoon. Twee uren later waren we te Preslang, een ellendig dorp, het laatste aan dien weg, en waar niets was te krijgen.
Hoe verder men komt, des te woester en mooier wordt het dal. De stroom vliet snel tusschen hooge rotsen door en vormt op enkele plaatsen drie verdiepingen van watervallen. Op den linkeroever zijn de hooge, met sneeuw bedekte bergen met sparren begroeid, terwijl de rechteroever, naar het zuiden gekeerd, kaal was. Maar de schoonheid lag daar in de grillige vormen der granietrotsen. Op de eene plaats wees een spitse naald omhoog en geleek op een klokketoren; op een andere scheen men een vervallen kasteel te zien of het portiek van een grooten tempel.
Wij hadden ons kamp opgeslagen aan de samenvloeiing van twee riviertjes, een punt als Palgam in het kleine en woeste; er was een boschje bij van dennen en berken. De tenten stonden vlak tegen den berg aan, dien we den volgenden morgen vroeg zouden bestijgen. Vooraf verlichtte des avonds de maan het landschap, viel op de prachtige bergwanden en de toppen en straalde op de donkere bosschen daar beneden.
Na het verlaten van het kamp bestegen we eerst den Pich-Bal, een minstens vijfhonderd meter hooge rots, die bijna loodrecht oprees. Het pad ging recht omhoog tusschen de steenen, en het is tevens de weg dien het water neemt in den tijd van het smelten der sneeuw. Slechts op enkele punten waren er een paar zigzags, en soms waren de rotsblokken zoo hoog, dat men er zich met moeite tegen op moest hijschen. Van boven af gezien, was het om medelijden met onze arme koelies te krijgen. Naar den grond voorover gebogen, onder den last der tenten, die op groote bruine of witte schelpen geleken, sleepten ze zich moeielijk voort als doodzieke slakken. De boomgrens was al achter ons, en ieder klaagde meer of minder over duizeligheid of misselijkheid, de eerste verschijnselen der bergziekte.
Maar toen de reuzendrempel overschreden was, wat was het toen heerlijk, dat de karavaan kon uitrusten en zich neervlijen in het bloeiende kruid! Wij hadden de marg bereikt, de groote alpenweide, die op een reuzentuin geleek, waar duizenden van onze wilde bloemen bloeiden. Een optelling zou geen denkbeeld kunnen geven van de wondere pracht en frischheid dier kinderen van Flora, daar op de hoogten slechts bloeiend voor God.
Het pad liep nu ter halver hoogte de grazige helling in een soort van breed dal. Links boven onze hoofden hingen groote, overhangende rotsen, die ons schenen te willen verpletteren; rechts beneden ons liep de rivier onder tunnels van sneeuw door of kwam daar als een waterval weer uit te voorschijn, vullend de ruimte met rumoer en stuivend water. Hier en daar hadden enkele berken zich nog weten staande te houden. Velen lagen bijna op den grond door den druk der sneeuw, en hun verwrongen stammen en takken lagen ter aarde als zilveren slangen.
Plotseling deed zich een prachtige aanblik voor op de gletschers; we kampeerden daar juist tegenover op de weide met haar mollig grastapijt. Maar met den avond kwamen kou en vocht opzetten, en we hebben niet anders dan een vuur van berkentakken, om ons te verwarmen, een vuur nog wel, dat telkens in vonken uiteenspat, zonder te vlammen.
Cecha-Nag, 20 Aug.
Dezen morgen moesten we weer een berg bestijgen, iets minder hoog, maar niet minder moeilijk. Zoo klimmen wij met een marschdag telkens een stapje verder als dwergjes, die een trap van reuzen opklauteren. Van boomen is er geen sprake meer, behalve dat we een paar kromgegroeide jeneverstruiken zagen in een holte van de rotsen.
Eindelijk bereikten wij den oever van een meer. Het moet de naga wezen, die vroeger dichtbij Bidsj-Bihara woonde en die zich uit tegenzin tegen de wereld naar deze onherbergzame wildernis heeft teruggetrokken. Nag of meer, de aanblik is in elk geval grootsch. Een ovaal bekken is met het heldere water gevuld en ligt tusschen ruwe rotsen; aan het boveneind ligt een reuzengletscher, waarboven met zijn sneeuwkap de zwarte top van den Koh-i-Noer opsteekt.
Ik schrijf, gewikkeld in mijn bont en met de kangri onder mijn voeten; toch is de zon nog niet ondergegaan. Zij braadt mijn rechterwang, terwijl de linker bevriest. Ik had iets dergelijks gelezen in een verhaal van een reis door Thibet, en kon het toen bijna niet gelooven. Nu is het ervaring, evenals ik nu met kennis van zaken over de kangri kan praten, maar dat is iets aangenaams. Toen ik de oogen opsloeg, zag ik slechts rotsen en sneeuw. Alles is woest en verlaten, en de aanblik doet aan de zee denken. De wolken vullen de smalle kloof, waardoor we morgen dezen ons omringenden kring van bergen zullen verlaten; men ziet ze dalen langs de hellingen met het vallen van den avond. Dadelijk zullen ze ons bereiken. Als de koelies niet praten, hoort men niets anders dan het ruischen van de beken, die van alle kanten van de gletschers neerdalen, en alleen het scherpe geluid van de marmotten doet zich nu en dan hooren. Men krijgt den indruk van een landschap, dat eeuwig zoo zal blijven tot aan het einde der dingen, als de aarde niet dan een uitgedoofde ster zal wezen, en het is, of wij raken aan de reeds afgekoelde oppervlakte onzer planeet.
Kel-Nar, 21 Aug.
Toen we van morgen wakker werden, droegen alle toppen in onze buurt versche sneeuw. Een ijskoude regen viel op ons neer. Maar daar komen toch de pelgrims aan in een ganzenmarsch. Het is om medelijden met hen te krijgen, half gekleed slechts, en rillend onder hun katoenen lompen. Zeker had diegene, die het eerst den pelgrimstocht naar Amarnath in de mode bracht, zin voor het schilderachtige, maar het ontbrak hem ook niet aan moed. Het is voor die menschen wel iets anders dan voor verwende stedelingen, maar ze wagen er toch hun leven mee, en in slechte jaren komen velen van koude om. Het is gelukkig, dat zij gesteund worden door het geloof en de hoop, Siva van aangezicht tot aangezicht te zien, een aantrekkelijker motief en meer vergefelijk dan de nieuwsgierigheid, die mij drijft.
Van een beter oogenblikje gebruik makend, toen het weêr wat helderder was, besloten wij op onze beurt te vertrekken. Wij moesten al dadelijk over een rivier, waar een sneeuwbrug over lag, die inderdaad veel steviger was dan men zou hebben verwacht. Maar daar zijn andere stroomen, die ons den weg versperren. Het zou vreemd kunnen schijnen, zooveel water op zulke hoogten te vinden, als niet de onuitputtelijke gletschers boven ons lagen.
Wanhoopskreten klinken op eens. Het is een koelie, die in de rivier ligt te spartelen en erbarmelijk gilt, terwijl hij zich aan een steen vastgrijpt. De kameraden komen hem te hulp en brengen hem naar den kant. Natuurlijk is het van de vijftien juist degene, die de melk en de suiker draagt, die dit onvrijwillig bad te beurt valt. Gelukkig sloot de kist goed en de verdere kruidenierswaren zijn droog gebleven. Wat de melk aangaat, die hij in de hand had, die is zonder dat we het wilden, aan de naga's van de streek ten offer gebracht.
Toen dat incident was afgeloopen, ging het hijschen weer aan den gang. Wij moesten stijgen naar den pas van Mahagoenas of van de Groote Slang. Er ligt veel sneeuw, wat niet te verwonderen is, want we zijn op 14000 voet hoogte. Met moeite worstelden we door de losse steenen; de helft van den berg schijnt in den pas te zijn gevallen, en de pandit beweert, dat de bliksem dat heeft veroorzaakt. Veel steenen liggen bij drieën en vieren, als kleine, door kinderen gebouwde huisjes. Ieder pelgrim richt er zoo een op en plaatst er een stuiver bij, dien de maliks van Bhatkote dan later inzamelen.
Wij stijgen nog steeds. Hier en daar vertoont zich het edelweiss. Niets kan een denkbeeld geven van de troostelooze eenzaamheid van den pas, tusschen de granietmuren onder den grijzen hemel, waar de wind, die erover heen veegt, ons tot op het gebeente verkilt. Een cairn of steenhoop staat op de hoogte, en wij volgen het gebruik, door een steen bij den hoop te voegen. Dan gaat het naar beneden langs gladde hellingen in een ander dal, waar gras te vinden was, een dal, dat wel op het vorige geleek, maar op het noorden, zoodat het water niet naar de Lidar, maar naar de Sind afvloeide.
De regen had ons onderweg ingehaald, en weldra ging hij over in gesmolten sneeuw, en al spoedig in werkelijke sneeuw. Wij hielden stil op de eerste plaats, waar men erover denken kon te kampeeren, namelijk te Kel-Nar in de Ibexkloof. Ik wachtte daar twee lange uren in de sneeuw op de tenten, die maar niet kwamen. Daar zijn ze eindelijk en worden zoo spoedig mogelijk opgeslagen. Niets uit de menschen te krijgen. De hindoesche bedienden, die nog nooit sneeuw hadden zien vallen, waren verslagen. De koelies, die toch goede wollen dekens hebben, schreien en zeggen, dat ze allen zullen sterven. Twee van hen ontbraken op het appel, en de nacht viel. Twee anderen willen wel tegen een flinke fooi hen gaan zoeken. Tot overmaat van ramp was er geen hout om vuur aan te maken; hoogstens kan men met een alcohollamp voor mij een kop thee bereiden. Ik gaf bevel tot een algemeene verdeeling van de suiker, die hier als een warm voedsel wordt beschouwd. Daarna liet ik de koelies onder de dubbele tent gaan, waar ze den heelen nacht bromden en klaagden op den doorweekten weidegrond. De pooten van mijn veldbed zakten er diep in, terwijl de steunpalen van de tenten kraakten en bogen onder den last der sneeuw.
Pandjtarni, 22 Aug.
Het bleef nog een gedeelte van den nacht sneeuwen; maar van morgen was er een prachtige zonneschijn op de versch gevallen sneeuw, en mensch en dier werd door de warme stralen verkwikt. Dat gaf weer moed, en het bleek dat niemand van ons, zelfs niet de kippen, die we meesleepen, is doodgegaan.
De etappe, die nu nog overblijft, is maar kort. Wij blijven dalen langs dezelfde helling vol immortellen en gentianen, en gaan vijf keeren over het riviertje, dat in de diepte kronkelt. De marmotten, gezeten voor hun holen, zien ons voorbijgaan. Tegenover ons, achter eenige kale bergen, verheft zich de piek van Amarnath, einde van ons uitstapje en doelwit van de bedevaartgangers. De rots hier naast ons is geen andere dan de trommel van Siva. De pelgrims zorgen ervoor, dat hij klinkt, als ze er voorbijgaan, door er met een steen tegen te kloppen.
Kort daarna komt men te Pandjtarni. De "vijf stroomen" vloeien in een onmetelijke bedding, half rotsgrond, half weide, afdalend van een tweetal mooie gletschers, die merkwaardige strepen vertoonen. Wij zijn gelukkig niet verplicht, als de pelgrims, om in elk ervan een bad te nemen. Wij richten ons kamp op aan het eind der weide, dichtbij de plek waar de vijf rivieren zich vereenigen, om de Sangam te vormen. Daar vernauwt zich het dal weer, en door den open ingang van mijn tent, die op het noorden ligt, zie ik slechts een driehoek van bleeke lucht, de lucht boven Ladakh of Klein-Thibet. De grens ervan is maar een dagreis verwijderd; maar we zijn al te ver in het jaargetijde, en de kloof, die naar Saltal voert, is voor het oogenblik niet over te trekken.
Des avonds waren de bedevaartgangers eindelijk aangekomen. De ambtenaren van de politie, die door den maharadja tijdelijk in dienst waren gesteld, hadden in hun zorg voor het welzijn der pelgrims hen in ons kamp teruggehouden, uit vrees dat ze door den sneeuwstorm werden overvallen. Nu zijn ze te laat. Tegen het vallen van den avond komen ze nog langs het pad in lange rijen achter elkaar aanzetten. Ik ging ze om zes uur zien. Ze bestegen den oever, bibberend van hun vijf op elkander volgende baden en met het voorhoofd besmeerd met geel en rood door de poerohita's, die van twee uur in den namiddag af op hen wachtten, neergehurkt aan den oever van de laatste rivier. Er stonden al een paar tenten. De kooplui, die de pelgrims volgen, hadden allerlei te koop voor diegenen, die geen vuur kunnen aanmaken, òf omdat ze geen hout hebben, òf wel omdat hun gelofte het hun verbiedt. Er waren daar banketbakkers en kruideniers, die slechte thee en allerlei dingen te koop aanboden, welke niet onder de vasten vallen, als amandels, pitten van abrikozen, hennip om te rooken en andere kleinigheden in zakjes. Onze koelies waren veranderd in kooplieden van hout; zoodra de tenten waren opgeslagen, waren ze op avontuur uitgegaan en daar komen ze terug met bundels jeneverbeshout.
Het is een vermakelijke bonte drukte; de menschen slaan de tentpalen in den grond, anderen halen enorme geelkoperen pannen, waar aanstonds de rijst in zal koken, en allen woelen door elkaar aan den voet van den berg, dien ze morgen zullen beklimmen.
Amarnath, 23 Aug.
Van morgen in de vroegte zijn de pelgrims naar Amarnath vertrokken langs hun specialen weg; ze lieten alleen sommige koelies achter voor de bewaking van het kamp. Die weg heeft zijn bijzondere verdiensten. Vooreerst is hij zeer bezwaarlijk, want men moet een bergkam van meer dan 5000 meter overgaan en dan aan den anderen kant naar beneden klimmen, zoo goed als het gaat. Bovendien vervult men zijn godsdienstplichten op een steile rots, waarvan het heet, dat ze een beeld is van Bhairava. Er worden meelkoeken aan het beeld aangeboden en suiker, een gebruik, dat te practischer is, omdat de arme pelgrims volkomen nuchter naar boven moeten klauteren. Oudtijds beklommen velen de punt en wierpen zich van boven neer, om naar hun meening ten hemel te stijgen. Die gevaarlijke sprong naar de andere wereld is nu door de politie verboden. Laat men thans eens tegenspreken, dat de beschaving vorderingen maakt!
Op de andere helling ontdekt men in de rotsen een spleet, die een soort van natuurlijke poort vormt. Wie daar doorheen is gegaan, behoeft niet meer op aarde terug te keeren, want onder dezen vorm stellen de Hindoes zich hun eeuwig heil voor. De pandit vertelde, dat diegenen, die iets ernstigs op hun geweten hebben, er niet door kunnen; een geheimzinnige macht, die niet te overwinnen is, houdt hen tegen, en er wordt verzekerd, dat menigeen zich niet zeer rustig voelt, als hij de geheimzinnige proef moet doorstaan. Maar dan heeft men ook alleen nog maar de gelukzalige grot te bereiken.
Wat ons, profanen, aangaat, wij volgen op den heenweg het pad, dat de pelgrims op den terugweg bewandelen; dien volgen ook bij voorkeur de geloovigen, die zich te zwak voelen, en de zieken, die dwaas genoeg zijn, hier genezing te komen zoeken. Men moet niet denken, dat die nu nog al gemakkelijk is; men is al blij, een plaatsje te vinden voor één voet tegelijk en vaak op een afglijdend stuk steen.