De zomer in Kaschmir De Aarde en haar Volken, 1907
Chapter 5
Ziehier, hoe men dat te weten is gekomen. In dien ouden tijd leefden de menschen alleen in Kaschmir in den zomer; zoodra het herfst was geworden, haastten ze zich te verhuizen, om hun plaats af te staan aan demonen en kabouters, die den geheelen winter als heeren en meesters in het dal optraden. Eens lieten de mannen een ouden grijsaard achter, die de kracht niet meer had, hen op hun zwerftochten te volgen en die hun de kosten van zijn vervoer niet waard scheen. Kabouters en demonen gebruikten den indringer als zondebok; maar toen ze eens met hem bal speelden, lieten ze hem in de bron vallen. Die onhandigheid zou hun duur te staan komen. Onder in het bekken vond de arme, oude man een medelijdenden kluizenaar, die hem twee zaken ten geschenke gaf, een tooverboek, om de duivelen te bannen, en een kangri of kaschmireesche stoof, om zich tegen de kou te beschutten. Gewapend met die twee kostbare dingen, bracht de grijsaard een zeer goeden winter door en in de lente van het volgend jaar vonden de verbaasde bewoners hem levend terug. Hij vertelde hun zijn geheim en van dien tijd hebben ze vaste woonplaatsen in het dal.
Door kleine dalen, die al woester werden, kwamen we eindelijk in het geheel gesloten dal van Rozloe, waarboven de romantische rotsen en toppen van den Soendrinar opsteken. Het land is een leen of djagir, vroeger geschonken aan Randjit-Singh. Wij sloegen ons kamp op in het centrale dorp Kantsjloe, het Kosroe der kaarten, woonplaats van de grootheden van het district, die er nog rechtspraak uitoefenen. Er werd ons een kampplaats aangewezen onder notenboomen op een plek, die veel van een kerkhof had; maar daar werd niet op gelet.
Pas waren de tenten opgeslagen, of daar kwamen de diplomatieke geschenken al voor den dag, vruchten, groenten, honig. Wat zou men wel in ruil verwachten of verlangen? Niet veel bijzonders, alleen een weinig van dat product der beschaving, dat poeder van pyrethrum heet en in de engelsch-indische wereld niet overbodig is, want al is men een machtig oostersch vorst, men wordt daar door het ongedierte niet ontzien.
Het was zeer druk in het dorp. Toen we inlichtingen vroegen, bleek het, dat het een huwelijk gold, en dat er een optocht zou plaats hebben. Eerst kwam de bruid, gedragen in een draagstoel, die hermetisch was gesloten; dan volgden de muzikanten met tamboerijnen en fluiten, waar ze met veel ambitie op bliezen. Hun gruwelmelodie scheen mij een verontschuldiging voor het verschrikte gezicht van den bruidegom, een knaap van twaalf jaar, in gewaden van goud en rood gestoken en met een tulband op het hoofd, waar de aigrette van reigerveeren op prijkte. Op een paard gezeten, geleidde hij aldus de jonge vrouw naar haar ouders terug, in afwachting van den tijd, waarop ze beiden oud genoeg zullen wezen, om echt een huishouding te beginnen.
Wat hoorde ik hier een plaatselijke legenden! Ik had er vermaak in, ze uit den mond van den pandit te vernemen. Zoo heet het vooreerst, dat de hooge toppen, waar nog hier en daar sneeuw op ligt, bewoond worden door Yogini's, half feeën en half toovenaressen; wee hun, die in haar betooverde verblijven verdwaalt; hij verliest er op zijn minst zijn verstand bij. Er werd ons onder andere verteld, dat ze iets hadden gedaan, dat aan een verhaal van Rudyard Kipling doet denken, in zijn boek over de jungle. Op een goeden dag in 1894 vond een Goedjar, toen hij zijn kudde op een Alpenweide liet grazen, een jongen van vijftien jaar naakt en stom op een rots zitten. Hij bracht hem naar de ziarat van Valtongoe, waar men hem gedurende drie maanden te eten gaf op kosten van de weldadigheid der geloovigen, toen iemand uit Shahabad, die een pelgrimstocht kwam doen, zijn zoon herkende, dien hij sedert twaalf jaren verloren waande. Zonder twijfel was hij al dien tijd verborgen gehouden door de Yogini's van de bergen.
Ook woont er te Valtongoe in de zes zomermaanden een naga, van wien het heet, dat hij den winter in Indië doorbrengt. En ten slotte bezochten wij, voordat we het dal verlieten, den beroemden, waarzeggenden naga van Rozloe, waar bij de bron van dien stroomgod des nachts de doode boomstammen aan het vechten zijn. Als een ramp het land bedreigt, schrijft hij op het droge slijk van de bedding profetische teekens; een zwaard kondigt oorlog aan, een wan beteekent hongersnood; maar wat de mahamari aangaat, de groote moordenares de cholera, haar komst wordt met bloedige letters aangekondigd.
Om van Kantsjloe aan den ingang van het dal der Didar te komen, moet men Kaschmir in zijn geheele breedte weer door, en men heeft er drie flinke dagreizen voor noodig en moet vier rivieren oversteken. Ik passeerde de eerste, de Withavatoer, over dikke steenen; aan den oever van de tweede gekomen, de Sandran, was ik niet weinig verbaasd, dat de bedding geheel droog was; toen ik vroeg, waar het water was gebleven, maakte een Kaschmirees een onduidelijke beweging met de hand, en ik begreep, dat het juist voor de besproeiing der velden werd gebruikt. Wat de Bringh betreft, zij was zoo vol, dat ik moest besluiten van den rug van een koelie gebruik te maken, om er overheen te komen. Ik ontmoette bij die plaats een vrouw, die geslagen was door haar buurvrouw en zich bij de politie van Islamabad ging beklagen. Zij hield als een kostbaar bewijsstuk de drie tanden in de hand, die de vrouw haar had uitgeslagen. Zoo kwamen wij van Lokabhavan, onze eerste rustplaats, naar de tweede in de koele omgeving van Atsjibal, waar wij onze hoofdbagage vonden.
Van Atsjibal naar Martand liep de weg door rijstvelden, besproeid door de Arpat. Men gaat er over de rivier door middel van een rustieke brug, bestaande uit twee over den stroom geworpen boomen, die toen bedekt werden met takken en aarde. Weldra waren wij daarna op de kareva. In Juli is de graanoogst al voorbij. Groote bergen koren staan bij de dorpen, en op dorschvloeren trappen ossen de korrels eruit. Op de velden stonden nog het reeds rijpe vlas en de katoenplant. In de maïs en de gerst waren een massa grijze duiven aan het pikken, zoo vertrouwelijk, dat de paartjes niet opvlogen, toen we voorbij gingen.
Niet ver van het dorp Martand staat de tempel, die voor een duizendtal jaren de mooiste was uit de streek, en waarvan nu nog de ruïnen de interessantste van Kaschmir zijn. De ligging is prachtig. Het monument ligt aan den voet van den berg, bij het begin van een dier groote plateaux van alluviale vorming, die als met een rand van steenen de hooge bergen omringen, en die wel gelijken op de overblijfselen der bedding van een vroeger meer. De hoogvlakte is hier driehoekig en heeft links de uitgetande kam van het gebergte, waar nog sneeuw ligt; rechts drie of vier hoogten achter elkaar, die in de verte onduidelijk worden, en vóór ons lag het Gelukkige Dal met de heldere tinten der rijstvelden, de donkere vlekken van het groen der boomen, de zilveren kronkelingen der rivieren. Stelt u dat alles voor, badend in het schoone licht van Kaschmir, dat tegelijk zoo doorschijnend is en op de hoogten zoo wazig. Hetzij ge des morgens komt, als de zon achter u opkomt en de nevels uit het dal optrekt, hetzij des avonds het gouden licht der ondergaande zon den hemel doet tintelen, ge zult nergens mooier natuurtooneel vinden. Ook zou het moeilijk wezen, een beter kader voor dit heerlijk schouwspel te bedenken dan die klavervormige bogen, gebouwd door Lalitaditya ter meerdere glorie van zijn geliefde godheid, de zon.
Meer dan duizend jaren zijn verloopen, en de indrukwekkende muren staan nog overeind te midden van een vierkant plein met een zuilengalerij er omheen en met vier poorten, waarvan de grootste naar het Westen is gekeerd. Al zijn bij dag de overblijfselen treffend te zien, 's nachts in den maneschijn krijgen ze, zooals zoo dikwijls met ruïnen het geval is, een weerglans van hun vroegeren luister.... Dien avond stond aan het saffierblauw van de lucht de halve maan met haar horens omhoog; in het zenith was de hemel donkergrijs en aan den horizon lagen rose strepen. Toen was die oude tempel door de grootschheid van zijn lijnen als een romeinsch monument uit de oudheid. Twee zuilen, die afzonderlijk stonden en nog verbonden waren door hun architraaf, verhoogden de illusie. Het is niet een der minste aantrekkelijkheden van Kaschmir, dat men er aan Italië wordt herinnerd.
In het dorp Martand waren weinig boomen en dus weinig schaduw. Wij dachten erover ons kamp op te slaan onder een groepje sparren dichtbij de ruïnen, maar er was geen drinkbaar water, of wij moesten ons willen tevreden stellen met het water uit de plassen, dat de vrouwen voor haar huishoudingen gebruiken en waar ook het vee van drinkt. Wij besloten dus onze tenten op te slaan te Bhavan, een mijl verder gelegen. Een weg door een kloof voerde er ons heen, en weldra hadden we een der mooiste kampen van Kaschmir betrokken.
Bhavan bezat vroeger, evenals Atsjibal en Ver-Nag, een lusthof, dat blijkt uit enkele overblijfselen. Aan den voet van een bijna kalen heuvel vormt de sterke bron een eerste bekken, dat zijn water zendt naar een tweede grooter bassin, waar men onder het kristalheldere water nog den steenen ondergrond kan onderscheiden. Van daar liet de naga, of eigenlijk lieten de beide naga's, naar de brahmanen zeggen, het water door drie granieten kanalen afvloeien, waarvan het middelste een schoonen waterval vertoonde. Het water heeft thans de in verval zijnde kanalen verlaten; het verdwaalt tusschen de steenen in een reeks kleine watervalletjes en ontsnapt door een zelfgegraven tunnel. Daar, bij het frissche, koele water onder de eeuwenoude platanen, die gewelven vormen als van een kathedraal, in het gezeefde, zachtgroene licht was ons kamp gevestigd.
Mijn eerste bezoek gold de bron, waar tallooze visschen leven van de offeranden der geloovigen. Ook de brahmanen van de plaats zorgen op die wijze voor hun onderhoud, want Bhavan is een gezochte bedevaartplaats. Op sommige tijden gaan de Hindoes uit Kaschmir en zelfs uit Pendsjab er in menigte heen, om lijkdiensten te houden ter eere van hun gestorven voorouders. De volgende legende werd mij dienaangaande verteld. In het begin der tijden had Aditi, vrouw van Kacyapa, reeds twaalf zonen ter wereld gebracht, Aditya's genoemd naar hun moeder en die twaalf zonnegoden zijn, behoorend bij de twaalf maanden. Zij dacht, dat er niets goeds te verwachten was van een dertiende zwangerschap en wierp een laatste ei in het meer, dat toen nog Kaschmir overdekte. Toch kwam dit geminachte ei uit, en er kwam uit te voorschijn een klein onvoldragen zonnegodje, dat den naam Martand ontving. Hoe nietig en onbeduidend hij ook was, toch ging hij moedig er op uit, om zijn vader en moeder te zoeken, en zei tot hen: "Gij hebt aan elk van mijn broeders een maand gegeven; ik wil er ook een voor mij hebben." Het zou een moeilijk geval hebben kunnen zijn. Maar nu moet men weten, dat de brahmanen behalve den zonnekalender ook een maankalender hebben. Twaalf maanmaanden vormen slechts driehonderd vier-en-vijftig dagen, terwijl een zonnejaar driehonderd vijf-en-zestig dagen en eenige uren telt; daaruit volgt, dat iedere twee en een half jaar de maankalender een maand bij den zonnekalender ten achter is. Men komt daaraan tegemoet, door dan een maanmaand in te lasschen. Die werd nu aan Martand geschonken; eigenlijk is ze voor hem uitgevonden, en ten slotte werd die ingevoegde maand gewijd aan den dienst van de pitri's of vaderen, de overleden voorvaderen. Zoo kan men begrijpen, dat die plechtigheden oneindig meer indruk maken, als ze plaats hebben op de plek, waar de god van die maand is geboren.
Het is opmerkelijk, met hoeveel ijver de tweehonderd of tweehonderd-vijftig dienstdoende brahmanen of poerohita's van Bhavan de pelgrims uit Indië ontvangen, voorzien van hun boek der bezoekers. Ze houden namelijk een lijst van al degenen voor wie ze reeds den dienst hebben verricht, en wie maar in eenigen graad van bloedverwantschap staat tot een der ingeschreven personen, valt hun in handen. Zij leggen beslag op hem en de pelgrim komt niet van hen af, zonder eenige veêren in hun handen te hebben gelaten.
De geheele maand is een tijd van overvloed. Zelfs de visschen uit de Nag moeten het zoo goed hebben, dat ze de korrels gekookte rijst en maïs weigeren, die hun worden toegeworpen.
Maar de poerohita's nemen het er niet alleen goed van, maar ze zijn er ook op verdacht voor de toekomst te zorgen. Ieder van hen rekent er op, eenige honderden roepijen op zij te kunnen leggen. Gegeven het feit, dat buiten de tijden van hongersnood twee of drie roepijen per maand voldoende zijn om in het onderhoud van een man te voorzien, en vier of vijf per jaar hem zeer voldoende kleeden, zal die som hen wel in staat stellen, om zonder al te veel ongeduld den volgenden pelgrimstocht af te wachten.
In het jaar, dat ik er was, gaf een arme, jeugdige weduwe van vijftien jaar voor het zieleheil van haar overleden man tweehonderd roepijen; de brahmaan, wien dat buitenkansje te beurt was gevallen, werd mij aangewezen. Een was er, die mij kwam vertellen, dat hij de poerohita was voor de Sahibs en vroeg mij te mogen inschrijven op zijn boekje tegen contant geld. Er zijn inderdaad geen erger bedelaars ter wereld, en het is merkwaardig, te merken hoe de Hindoes ze verachten tegelijk met het aannemen van hun diensten. Voor een Brahmaan van goeden huize is de naam poerohita een beleediging.
Maar ieder moet zien aan den kost te komen, en deze goede menschen hebben ook weer hun deugden. Zoo was mijn zoogenaamde aalmoezenier mij een groot gerief; hij deed al mijn boodschappen, zag toe op den inkoop van levensmiddelen en de herstelling van de kampmeubelen, zoo lang we te Bhavan waren. Ook wees hij mij den besten bakker aan, waar we ons gebak konden laten bakken in den oven. Ze gevoelen, naar het schijnt, de behoefte, aan de goden een gedeelte terug te geven van wat ze aan de geloovigen hebben afgenomen. Met de ingeschoven maand was hun seizoen ten einde. Den 28sten Juli 1896 stelden zij elkaar op schatting, om bij wijze van dankdienst een soort van picnic te organiseeren. Onder een mooien plataan, aan den oever der rivier, was een kleine brandstapel opgericht, en elken dag werden in de vlammen bloemen, vruchten, gesmolten boter, honig, rijst, maïs, kandijsuiker en dergelijke begeerlijkheden geworpen. Aan den voet van den boom klonken steeds liederen uit den mond van godsdienstige zangers, en eentonig stegen de beden omhoog van den dienstdoenden priester. Om de waarheid te zeggen offerde ik ook mijn penningske, maar had daarvoor de gelegenheid, kiekjes te nemen van het belangwekkende tooneel.
A propos van poerohita's ben ik te Bhavan getuige geweest van een amusante geschiedenis. Ik heb gezegd, dat ik de diensten van een pandit te Srinagar had gehuurd. Op een dag, dat hij een luchtje schepte bij de tenten in de schaduw der mooie platanen, op zijn gemak neergedoken in zijn meest geliefden zetel, een ouden scheepsstoel, die in een veldstoel was herschapen, kwam een brahmaan uit de plaats toegesneld en wierp zijn tulband aan des pandits voeten. Dat is de plechtigste manier om iemands liefdadigheid in te roepen en zich met lijf en ziel onder zijn bescherming te stellen.
Nu leed deze arme man aan zijn ziel. Ziehier zijn geschiedenis, zooals de pandit ze mij vertelde. Die brahmaan, eigenlijk een domme stumper, had een zeer mooie vrouw en een ondeugenden buurman, die hem haar afhandig maakte. Menschen, die de eer der corporatie wilden redden, zeiden, dat hij haar met melk dronken had gemaakt op een dag, toen ze naar haar vader op bezoek was gegaan en dat hij haar toen in een boot had meegenomen naar Srinagar, waar hij haar eenigen tijd bij zich hield.
Op een goeden dag verscheen de vrouw weer in het dorp en de goede brahmaan nam haar weer tot zich. Tot zoover is de historie vrij banaal. Het vermakelijke van de zaak was, dat, daar de buurman Mohammedaan was, de vrouw haar kaste had verloren, en dat de arme brahmaan nu ook de zijne verloor, omdat hij de reizigster weer in de duiventil had toegelaten. Geen zijner collega's wilde meer aan zijn tafel aanzitten of iets uit zijn hand aannemen. Zijn huiselijke zorgen waren overweldigend, en hij had wel reden, zijn tulband in het stof te werpen.
"Gij," zeide hij tot den pandit, "ge zijt een pandit uit de stad, wijs en geleerd, ge kent de heilige teksten; zeg, welke boete ik moet doen en wees scheidsrechter. Ik zal alles doen, wat gij mij beveelt." Die vleierij viel bij den pandit in goede aarde, en dadelijk trok hij zijn mooiste kleed aan, om aan den overkant der rivier te gaan onderhandelen met de in volle vergadering bijeengekomen poerohita's.
Daarna bracht hij de rest van den dag door met, nog wel in het Sanskriet, zijn vonnis op te stellen en er alle noodige consideraties bij in acht te nemen. Hij was zoo trotsch op de uitspraak, dat hij mij de primeur van het vonnis gaf met de vereischte uitleggingen.
De vrouw werd veroordeeld tot de pradjapati, dat is een soort van neuvaine of boetetijd. De drie eerste dagen mag men niet anders eten dan des avonds; de drie volgende alleen des morgens, en de drie dan volgende niets anders, dan wat men ten geschenke ontvangt. In het kort gezegd, men gaat er niet aan dood; maar er staat dan ook geschreven, dat aan vrouwen, kinderen en grijsaards slechts lichte straffen mogen worden opgelegd. Voor den echtgenoot was de pandit meedoogenloos. Hij was te minder geneigd hem te sparen, daar hij het voor zeker hield, dat zoo'n geval alleen een zot kan overkomen of een slechtaard, maar daarin overdreef hij. Zeker is het, dat de arme brahmaan drie dagen lang zonder eten of slapen moest blijven en voortdurend den gezegenden naam moest herhalen van "Ram! Ram!" waarna hij, gereinigd door het aanhoudend uitspreken van den heiligen naam, geen andere verplichtingen meer had, dan het aanbieden van een luisterrijken maaltijd aan al zijn collega-brahmanen, waaraan de pandit hem de eer zou aandoen, deel te nemen. Het liep af, zooals het orakel in zijn wijsheid had beslist, en zoo moest op last van den stadspandit de dorpspandit boete doen voor de zonden van zijn vrouw.
Vijf mijlen boven Bhavan ligt, tegenover het Gelukkige Dal Eichmakam, oord der zaligen, op de helling van een heuvel een stadje onder de oude muren van zijn ziarat of heiligdom. Het lijkt wel wat op een dorp in Umbrië, en de ziarat met haar loggia verhoogt de gelijkenis met Italië, welke gelijkenis niet te niet gedaan wordt door de spits van de pagode. Het is het heiligdom van Zaïn-oed-din, een der discipelen van den grooten nationalen heilige van Kaschmir, Noer-oed-din. Hij wordt in hooge eer gehouden, vooral door de bootslieden, die er hun kinderen heenbrengen als de tijd is gekomen, om hun eerste haarlok af te knippen. Ze brengen dan tegelijkertijd gevogelte en rammen, die ze op de plaats zelve dooden en nuttigen. Er werd mij gezegd, dat meer dan tweehonderd personen zoo leven op kosten der geloovigen. De wijze van verdeeling is dood eenvoudig; elk der mollahs ontvangt de recette van een dag en ze wisselen elkaar bij beurten af.
De ziarat zag uit de hoogte neer op de noteboomen, waar we onder kampeerden. Men volgt, om er te komen, de eenige straat, die steil en ongemakkelijk omhoog loopt en waar winkeltjes en stalletjes aan staan. Boven dien dorpsbazar voert een trap naar de poort, waar een paar oude mollahs bij uw aankomst heen en weer loopen, en de broeder portier, gezeten naast de gong, waarop hij slaat om de verloopende uren aan te kondigen, de hand ophoudt precies als een italiaansche koster. Twee van de zijden van het plein worden ingenomen door het klooster of de galerijen, de beide andere door gebouwen en den ingang van het heiligdom. Dat is een zeer kleine grot in de rots, nauwelijks groot genoeg om vijf of zes personen te bevatten. De priester, wiens dag het was om de giften te ontvangen, zat gehurkt bij een soort van groote houten kooi, zwart geverfd onder een katoenen hoes, die er vuil en onoogelijk uitzag. Het is het ledige graf van den heilige. Na zijn verdwijning heeft men op die plaats zijn lans, zijn rozenkrans en zijn brood gevonden.
Voordat de bezoekers de ziarat verlaten, vertoont men hun die relieken en nog een paar andere; bij de lans behoort een mooie, bewerkte ijzeren boog; de rozenkrans bestaat uit een tiental kralen ter grootte van een klein ei; het beroemde brood lijkt op een versteende beschuit, en dan zijn er nog een houten sandaal en de horens van de geit van den heilige. Men moet zien, met welk een vuur priesters en pelgrims er hun lippen op drukken en ze tegen hun oogen wrijven. Nog het meest verbaasde mij de vrome eerbied, waarmee onze brahmaan die relieken van een mohammedaanschen heilige vereert.
Hij slikt blijkbaar alle histories, die hem verteld worden, en die hij bij gelegenheid mij oververtelt. De meeste hebben een veel meer indischen dan muzelmanschen geur, en het is jammer dat mij de ruimte ontbreekt, ze hier te noteeren. Laat het genoeg zijn, te zeggen, dat deze suppoosten van den Islam, van wie sommigen een rembrandtiek uiterlijk hebben, elkander risji's noemen met een titel uit de oude geschiedenis van Indië. In werkelijkheid zijn de pandits en de Mohammedanen van Kaschmir vrijwel met hetzelfde sop overgoten. Van Bhavan naar Eichmakam gaan is van de pandits in de mollahs vallen.
IV.
De bedevaart van Amarnath.--Het dal van de Lidar.--De pelgrims uit Indië.--Naar de toppen.--De heilige grot.--In de dholi.--De goedhars of buffelherders.
Van de vier bergstroomen, die zich bij Anantnag of Islamabad vereenigen, om de hoofdrivier van Kaschmir te vormen, is zonder twijfel de Lidar de voornaamste. Haar dal is ook het schilderachtigste en heeft de meeste aantrekkelijkheden. Vijftien mijlen is het lang en, beginnend bij de gletschers, eindigt het bij de rijstvelden in de vlakte. Eerst is de stroom troebel met melkkleurig water en loopt tusschen de kale bergtoppen, daarna valt hij van rotsplateau op rotsplateau, vloeit door prachtig beboschte kloven, en is ten slotte in de levendige, vroolijke vlakte gekomen met een bedding vol steenen en puin.
Veel drukte en veel schuim brengt het riviertje mee, en bij die decoratie passen de afwisselende spelers op dat tooneel. Honderden pelgrims uit alle hoeken van Indië doorwandelen telkens in de maand Augustus het dal van het begin tot het einde, ja tot voorbij de bronnen, in gezelschap met het verplichte geleide van brahmanen en kaschmireesche koelies. Hun weg leidt langs veel heiligdommen, sommige door menschenhanden gebouwd, andere eenvoudige spelingen van de natuur, in puin liggende tempels, heilige bronnen, goddelijke rotsen of geheimzinnige meren, die ieder zijn eigen legende heeft en zijn bijzondere kracht. Zoo heeft het dal van de Lidar voor ieder wat; er is plaats voor den hengelaar, voor den bewonderaar van ruïnen en landschappelijk schoon, zoowel als voor den reiziger, die staaltjes van menschelijkheid wenscht te zien.
Dus is het niet te verwonderen, dat het aantal bezoekers jaar op jaar toeneemt; enkelen geven er zelfs de sportieve genoegens van Goelmarg voor op, ofschoon dat het officiëele zomerverblijf is, terwijl anderen, terugdeinzend voor de lange reis naar Sonamarg, in de buurt van Balgan blijven, om de groote hitte te laten voorbijgaan. Evenals zij gaf ik aan het vreedzame dorp der herders de voorkeur boven de "gouden weide" en zelfs boven "het dal der rozen".
Reeds hebben wij te zamen het geheele lage gedeelte van het dal bezocht van Bhavan af, waar veel brahmanen zijn, tot Eichmakam met zijn mollahs. Na dit laatste dorp wordt het dal nauwer en voortaan volgt de weg den oever van de Lidar. De rivier zelve vormt nu niet meer een onontwarbaar net van kanalen, waarvan ik er tusschen Eichmakam en Sallar veertig heb geteld, maar zij heeft voortaan een enkele bedding, waar in het schuimende water boomen worden meegesleurd.