De zomer in Kaschmir De Aarde en haar Volken, 1907

Chapter 4

Chapter 43,932 wordsPublic domain

Aan den voet van de kareva, zoo heet een klein plateau, van Tsadakar in een nu droog geworden vijver, is de plaats, waaraan een der merkwaardigste legenden van Kaschmir is verbonden en tevens een der oudste. In dien grijzen voortijd woonde nog een naga in den plas, en boomen spiegelden zich in het effen water; daar kwam een jonge Brahmaan op een dag schaduw zoeken en koelte. Toen hij zich gereed maakte, zijn proviand aan te spreken, zag hij plotseling een jong meisje voor zich staan, dat zoo mooi was, dat hij vergat te eten. Hij werd nog verlegener, toen hij bespeurde, dat het mooie kind niet anders gebruikte dan lotuswortels. Door een teeder gevoel gedreven, noodigde hij haar uit, zijn rijst met hem te deelen, bracht haar te drinken in een beker van bladeren en wuifde haar koelte toe, waarna hij haar smeekte, hem haar geschiedenis te vertellen en hem te zeggen, hoe het kwam, dat zij, zoo bekoorlijk en aanvallig, het blijkbaar zoo armoedig had.

Zonder omwegen vertelde hem de nagi, want het was zulk een heilig wezen, dat het mooiste meisje ter wereld niet anders kan eten, dan wat zij bezit, en wat de oorzaak van haar armoede aanging, daar moest hij haar vader maar eens naar vragen. Hij zou hem vinden in het naastbijzijnde dorp en hij kon hem herkennen aan zijn van water druipend haar. Zoo gebeurde het ook; de watergod vertrouwde aan den jongen brahmaan zijn klachten over de hardheid der tijden en vertelde, dat hij groot gebrek leed, want de onderaardsche goden hebben ook behoefte aan rijst, even goed als de menschen, en storm en onweer zijn hun manier om goede oogsten te krijgen.

Nu waren de velden in de buurt gesteld onder de bewaking van een zoo streng kluizenaar, dat er geen aartje af kon en hij niets van den nieuwen oogst gebruikte, en zoolang hij niet had gegeten, konden de naga's er niet aan komen. Zoo leden hij en de zijnen de kwalen van Tantalus. De verliefde brahmaan had geen rust, vóór hij den vader van zoo'n mooi meisje had verplicht. Hij bedacht den list, om eenige rijstkorrels van den nieuwen oogst in de soep van den asceet te werpen, als deze den rug gekeerd had. Nauwelijks had de grijsaard er een balletje van in zijn mond gestoken, of een hagelbui viel neer, en de naga nam den geheelen oogst mee en gaf uit dankbaarheid den brahmaan zijn dochter tot vrouw.

De echtgenooten leefden gelukkig; maar hun geluk was slechts van korten duur. Op een dag, dat de nagi op het terras was, zag ze een paard, dat uit den stal was gevlucht en dat smulde van een hoop rijst, die er was neergelegd, om te drogen. Zij riep, dat er iemand zou komen, om het weg te jagen, en toen er niemand antwoordde van de bedienden liep ze er zelve heen onder het gerinkel van haar zilveren armbanden en het paard nam op zijn rug een gouden merkteeken mee van de hand, die het geslagen had. Dat was het begin van de ellende. De aanblik wekte den hartstocht van den koning van het land. Hij beproefde eerst, maar te vergeefs, de jonge vrouw te verleiden. Toen probeerde hij, haar van haar man te koopen, maar de brahmaan wilde er niet van hooren, en stelde de eer niet op prijs, dien de koning zijn huis wilde bewijzen.

Eindelijk toen de koning, het onderhandelen moede, zijn soldaten zond, om de nagi met geweld te vermeesteren, riep de brahmaan zijn schoonvader te hulp. De naga steeg verwoed uit zijn vijver op, en in minder tijd, dan er noodig is, om het te verhalen, verbrandde hij den koning, de stad en al haar inwoners. Daarna kreeg hij tegenzin in de wereld en leed aan wroeging, zoodat hij zich in de eenzaamheid terugtrok op den weg naar Amarnath, waar hij nog is.

Niet ver van daar op den linkeroever heeft het groote dorp Vidjabroer, het By-Bihara van de engelsche kaarten een modernen Hindoetempel, gebouwd door Goelab-Singh, waar allermerkwaardigste afgodsbeelden worden bewaard en waar men ook in de nabijheid een mooie mohammedaansche ziarat beeft met drievoudig dak. Bij elke schrede ontmoet men er trouwens sporen der oudheid, en de bazar is vol met oude koperen munten. Er werd gekampeerd aan de overzijde van de brug onder eeuwenoude platanen, niet ver van het huis waar de maharadja komt uitrusten, als hij een of twee dagen te Srinagar komt. Wij hebben er het bezoek gehad van een ouden muzelmanschen fakir, die zonder twijfel in beschaafde landen zou betiteld zijn als vagebond. De bedienden maakten zich van den man meester en zetten hem een schitterend maal voor; een ongeloofelijke hoeveelheid rijst, dan tsjapati's, een soort van broodjes en versche kaas, ruim bestrooid met suiker, alles genoeg om drie mannen te verzadigen; daarna boden ze hem een hoeka aan.

Terwijl onze kok, een zeer vroom Muzelman, hem aankeek met vereerende blikken en met het liefdevolle van een moeder voor haar eerstgeborene, zat de vuile man kalm te rooken; de pijp alleen uit den mond nemende om eenige verwenschingen te slingeren naar het hoofd van de menschheid, die hem voedt en kleedt, terwijl hij zich lui in de zon koestert en zijn ongedierte verschuift. In physiek opzicht heeft hij niets van den fakir zooals men zich dien voorstelt, en zooals hij ook gewoonlijk is. Groot en kaal, met woeste wenkbrauwen en onbeschaamde, knippende kleine oogen, ziet hij er met zijn stompneus en langen, krullenden baard uit als een oude faun. Als de maharadja te Vidjabroer is, vraagt hij steeds naar den fakir; maar de oude, die de eerbewijzen minacht, onttrekt zich aan de hulde en blijft onvindbaar. Ik zeg u zijn naam niet; ik heb vergeten er naar te vragen en heb hem uit mijzelf maar Diogenes gedoopt.

Maar reeds wordt de rivier smaller tusschen de met vlas begroeide oevers en weldra wordt ze ook ondieper, en de stroom neemt in kracht toe. Dat is het oogenblik voor de handji's om hun schutspatroon aan te roepen, Dast Guir, hetgeen ze doen onder het boomen of trekken. Op een gegeven oogenblik moeten ze in het water loopen, de eenen trekkend, de anderen de boot duwend, tot die eindelijk voor de plek van het kamp aankomt te Islamabad, een ijver die te lofwaardiger is, daar ze, nu wij hier eenmaal zijn, worden ontslagen.

Terwijl de tenten worden opgezet, kwamen de gezinshoofden met het schrift van hun getuigschriften aan, waar wij het onze bij moesten voegen. Wij zagen zoo terloops curieuse opmerkingen, bijvoorbeeld die van een heer, verklarend de boot te verlaten, "omdat hij niet langer kan verdragen, te zien hoe de mooie zuster van den bootsman altijd paardewerk moet verrichten". Wij voegden onze onderteekeningen bij die zonderlinge collectie autografen. Waarna de salams volgden, het bedanken en het air van onderworpenheid, toen ze de roepijen in ontvangst namen, die welverdiend waren voor twee maanden goeden trouwen dienst.

III.

Tentleven.--De kleine dalen in het Zuid-Oosten.--Geschiedenissen van dieven en sprookjes.--De ruïnen van Martand.--Brahmanen en Mollahs.

Islamabad of, zooals de Hindoes zeggen, Anantnag ligt bijna aan de samenvloeiing van de vier onbevaarbare rivieren, Sandran, Bringh, Arpat en Lidar, takken van den waaier, waarvan de Vitasta de steel is. Het dal van elk dier stroompjes is schilderachtig, het eene nog meer dan het andere. Dat hun landschappelijk schoon niet dateert van gisteren of heden, blijkt uit de zomerverblijven, die de Mogols er hadden gebouwd en waarvan de overblijfselen nog in wezen zijn. Jehan Guir vooral was er graag in gezelschap van de schoone Noer-Mahal, wier herinnering, tegelijk idyllisch en tragisch, nog hangt onder de door haar geplante platanen. En waarlijk, wie in alle hoekjes van dit land heeft rondgekeken begrijpt, wat Bernier van dien keizer zegt, namelijk, dat hij er zooveel van hield, dat hij het niet kon verlaten en dat hij liever zijn heele land zou verliezen dan Kaschmir te moeten opgeven.

Islamabad is het punt van uitgang voor alle uitstapjes, die wel met tenten moeten worden ondernomen, omdat er bijna nergens bungalows zijn. Ook is die plaats een markt voor alle producten uit de dorpen, op Srinagar handel drijvend. De groote boomgaard, die tot kampplaats dient, is zeer levendig, evenals de oever der rivier, waar veel schepen liggen. Maar des nachts is het hondengeblaf zeer lastig en het belet u te slapen, vooral omdat er zich nog andere geluiden bijvoegen, als jakhalsgehuil en het balken der kleine pakezels. Daarom bepaalde ik mij tot een kort bezoek aan de heilige bronnen en den bazar van de stad. Men vindt daar geborduurde stoffen, gaba's genoemd, van allerlei tinten en allerlei grootte, vanaf de kleinste tafelkleedjes tot gordijnen en portières. Dat borduurwerk is zeer goedkoop en zeer decoratief, en de patronen doen denken aan die van de oude shawls. Er worden ook kleine sierspinnewieltjes gemaakt, die als bruidsgeschenk gegeven worden aan kaschmireesche bruiden en die mooi ingelegd zijn.

Wij vertrokken na twee dagen. In den morgen werden de tenten opgerold, waarbij alles door elkander op het gras lag. Het bad verbroedert zich met de vliegenkast; het braadspit van den khansama sluit vriendschap met den parapluiezak; het beddegoed met de pannen, het lijkt een echte trek van een kermistroep aan den grooten weg. En inderdaad gaan ook wij nu leven dat onbezorgde nomadenleven, dat zij wijselijk hebben behouden uit den tijd onzer voorhistorische voorvaderen. De groote moeilijkheid is nu, om al dat goed te verdeelen in pakken van gelijk gewicht, ongeveer tachtig pond. Als door een toovermiddel wordt alles geschikt. Het linnen der tenten wordt om stokken gewonden; het bed, dat uit elkander kan worden genomen, wordt gepakt in het draagzeel, en het beddegoed wordt gevrijwaard voor stof en vocht in caoutchouclakens. Vaatwerk, keukengerei, mondvoorraad van allerlei aard wordt gestopt in de ruimten van groote rieten manden, overtrokken met leder, en die zeer licht en toch stevig zijn en ondoordringbaar voor vocht. Ze worden in Kaschmir gemaakt. De vouwstoelen liggen opgehoopt op de tafels, die eveneens toegeslagen kunnen worden. In het geheel waren er twintig pakken, dus moeten wij twintig man hebben of tien ponny's, om in de jungle alle behoeften der beschaving achter ons aan te sleepen. Het is nog niet veel, als men bedenkt, dat de Groote Mogol dertig duizend dragers noodig had, als hij zich op reis begaf!

Het merkwaardige is niet, dat men dragers noodig heeft, maar dat men ze ook krijgen kan. Niet alleen is heel Kaschmir als een groot park, dat geheel ter beschikking van den bezoeker wordt gesteld, en waar hij naar believen zijn tent kan opslaan, maar als het hem lust verder te gaan, dan heeft hij het slechts te zeggen. Des morgens vindt hij bij de tenten zitten veel brave lieden uit het naastbijzijnde dorp, die te zijnen behoeve hun huizen en hun velden in den steek hebben gelaten, alleen om hem van dienst te kunnen zijn. Met hun 80 pond op den rug, gaan ze, waar hij hen heen brengt. De prijzen zijn vast; voor de etappe van 20 kilometer vier anna's; voor de halve twee anna's, dat is veertig of twintig centimes fransch geld. Ten gevolge van een goeden raad, die mij werd gegeven, had ik een groote hoeveelheid kleine geldstukjes van 2 en 4 anna's meegenomen. Ik liet de koelies op een rij stellen en zag erop toe, dat ieder kreeg, wat hem toekwam. Dank zij dat systeem had ik nooit moeite, dragers te krijgen. Het was een aardigheid, den glimlachte zien, waarmee ieder zijn geldstukje in ontvangst nam, terwijl de laatsten met een scheef oog toekeken en zich het hoofd krabden in hun onrust, of er nog wel genoeg overbleven, tot de beurt aan hen kwam.

Te Atsjibal voerde ik voor de eerste maal die comedie op. Aan den voet van den berg ontspringen drie bronnen, die dadelijk tot drie riviertjes worden, en om er het rechte genot van te hebben, hebben de Groote Mogols er bekkens laten aanleggen en terrassen met lustverblijven. Dat alles is nu wel zeer vervallen; maar de drie watervallen spelen nog, en daar dicht bij wordt ons kamp opgeslagen in de schaduw van eeuwenoude platanen tusschen vier bruisende stroompjes, die een heerlijke frischheid onderhouden.

Ook hoorde ik te Atsjibal de eerste en laatste geschiedenis van een diefstal, die mij in Kaschmir ter oore is gekomen. In dit gelukkige land is de veiligheid volmaakt, in ieder geval veel grooter dan in Frankrijk, waar ik niet rustig slapen zou in het open veld onder een dakje van linnen. Toch is er, een ongehoord feit, den vorigen nacht een poging gedaan om een koffer te stelen uit een kamp aan den anderen kant van het dorp. Zulk een aanval op particulier eigendom van de Sahibs schreeuwde om ernstige wraak; twee inspecteurs van politie kwamen dadelijk aangereisd van Islamabad. Wij vernamen 's morgens, dat ze den nacht hadden doorgebracht met aan alle bewoners van het dorp stokslagen toe te dienen, om hun gauwer de misdaad te doen bekennen, die ze toch niet allen kunnen hebben bedreven. Dat zijn, naar het schijnt, de gewone manieren van de politie; kan men zich wel luid genoeg ertegen verzetten? De lambardar of dorpsburgemeester kwam mij schreiend vragen, of ik niet tusschenbeide kon komen. Dat beloofde ik; ik ging eens hooren bij den politiedienaar, wat hij dacht dat de resident van dit soort van onderzoek wel zou zeggen... Maar ik heb het verhaal van den man slecht begrepen. Het schijnt dat het bezwaar elders ligt. De dorpelingen beklagen zich in het minst niet, omdat ze slagen hebben gekregen. Wie zou dom genoeg wezen, een diefstal te bekennen anders dan onder stokslagen? Maar nu wil men een waarborgsom van honderd roepijen van hen vorderen, die zij zeker zijn, nooit terug te zullen zien. Daartegen komen ze in verzet. Ze willen wel geslagen worden, maar ze willen de klappen niet ook nog betalen! Zooveel philosofie aan de zijde der geïnteresseerden werpt een koud bad op mijn mooie opwelling van verontwaardiging, en ik laat de dorpelingen en de politie het verder onder elkander uitmaken.

Wat men na de bronnen van Atsjibal vooral moet gaan zien in het Zuidoosten van Kaschmir, zijn die van Koekar-Nag en Ver-Nag. Wegen voeren er rechtstreeks heen van Islamabad. Maar het was naar ons idee beter, den spoorweg te nemen en de groote toer te doen door het Nauburgdal. Om te beginnen rijden wij ten oosten van de bergen van Atsjibal langs en maken een eerste uitstapje naar den naga en de ruïnen van Kothair. De steenen der oude tempels zijn afgesleten door den tijd, maar het ronde bekken van de bron bevat nog het helderste water; het lijkt of er een stukje van den hemel in een holte van den berg is gevallen.

Wij bestijgen thans het pad, dat een zonnige berghelling tusschen twee dalen beklimt. Boven aan den pas openen zich de dalen, die tot het gebied van de Bringh behooren. Menschen, die haast hebben, zouden, door rechtuit te gaan, Koekar-Nag kunnen bereiken over Sop en zijn ijzermijnen. Wij wenden ons daarentegen naar links, om ons kamp op te slaan in de schaduw van de populieren van Karpoer. Nog hooger dan die van Srinagar, vormen ze in het midden van een kleinen kring van bergen een bouquet van boomen. Er zijn oude, die op het punt zijn van te bezwijken. Een is over het pad gestort, en daar het onmogelijk bleek zoo'n massa in beweging te brengen, heeft men er dwars doorheen een weg gebaand.

Den volgenden dag brengt een andere pas ons in het dal van Nauburg. Daar zou men alleen aan kunnen verwijten, dat het al te mooi is. Het lijkt wel een goed onderhouden park. Een helder riviertje kronkelt over gladgepolijste steenen tusschen rijstvelden van een onvergelijkelijk mooi groen. Daarboven liggen maïsvelden tot aan de boomgaarden, die eerst wijken bij de grens der groote dennenwouden. Maar in de op het Noorden gelegen laagten blijven kleine sneeuwvelden liggen, en hier en daar heeft men het gezicht op de besneeuwde toppen, die in het zomerblauw van den hemel de schittering van hun gletschers naast die der witte wolken brengen.

De beste kampplaats is te Laram boven het dorp onder notenboomen. Het was er zoo heerlijk koel, dat ik midden in Juli elken avond graag bij het vuur kroop. Die avonden bij het kampvuur behooren tot mijn liefste reisherinneringen; soms vlamde in den gloed een heele den, want er is hout in overvloed. Trouwens we hebben al wat we noodig hebben, melk, boter, eieren, kippen, alles wordt ons in het kamp gebracht. De honig is verrukkelijk. En die goede Kaschmireezen zijn op het snuggere denkbeeld gekomen, heele velden met de fijnste doperwtjes te bezaaien en zoowat overal snijboonen te laten opklimmen tegen de maïsstengels. Alleen kost het eenige moeite, hun aan het verstand te brengen, dat men de erwtjes graag onrijp wil eten en heel jong; zij meenen, dat er gewacht moet worden, tot ze flink dik zijn. Later vonden we in het dal der Lidar op veel grooter hoogte en veel later in den tijd nog heel jonge erwtjes. Dat gaf mij zoo'n verrassing, dat ik besloot, daar mijn medemenschen van te vertellen, en dat was de eerste aanleiding tot het plan voor dit reisverhaal.

Enkele mijlen achter Laram bereikt men de oevers der Bringh; de stroom is ingesloten in een smalle bedding, waar de rotsen dicht op aan dringen, wat het water een kleur van donker opaal geeft. Aan den overkant van de brug komt men op den weg, die van Kitsjwar naar Kaschmir leidt. Op den rechten, zonnigen weg wierpen alleen de boomen bij de dorpen wat schaduw, die daarom nog des te meer welkom was. Bij een der dorpen hoorde ik een vreemd gezang. Het was een weemoedig lied, dat al droeviger en droeviger werd, om eindelijk in een gesnik te eindigen. Toen ik naar het zingen had geïnformeerd, bleek het de klacht van een moeder, die drie dagen te voren haar zoon door den dood had verloren. Voor haar huis gezeten, bij het verlaten spinnewiel, verheerlijkte zij in een klagende improvisatie de schoonheid en de uitstekende hoedanigheden van den overledene. Elken morgen, tot er veertien dagen voorbij waren gegaan, moest zij van zonsopgang af zoo haar droefheid toonen, tot een andere vrouw, bloedverwante of buurvrouw, stil haar hand op den mond van de klaagster legde en haar op die wijze deed begrijpen, dat ze genoeg had geklaagd voor den dag.

Wij sloegen de tenten op dichtbij Vangam in een boomgaard van abrikozen, om op een klein uur afstands van daar een bezoek te brengen aan een dier bekoorlijke dalen, waaraan het land zoo rijk is, en waar de intermitteerende bron Soendbrar werd gevonden. In Juli is die niet veel meer dan een diep bekken, een waterbak met wat ruwe steenen eromheen; maar in April en Mei kookt en bruist de bron driemaal per dag. Dan komen de pelgrims in menigte zich baden in het heilig geoordeelde water. Op rijen staande om den kuil, wachten ze de komst af; maar als bij het stijgen van het water een dwaas uitroept: "Daar is het!" trekt het beleedigde water zich op eens terug, zoo werd mij met den grootsten ernst verzekerd. Al in den tijd van Bernier was dit wonder van Kaschmir beroemd. Hij bracht er een bezoek aan en trachtte het te verklaren. De activiteit van de bron in het voorjaar bracht hij in verband met het smelten van de sneeuw op de omringende bergen. In plaats van aan een physische oorzaak te denken, schrijven de Kaschmireezen de periodieke verschijnselen toe aan een veel diepere oorzaak. De godin, want natuurlijk is de bron een fee, heeft tot zich zelve gezegd: "In deze eeuw van ijzer zal niemand op mij letten, als ik hier altijd ben. Ik zal dus slechts twee maanden van het jaar mijn aanwezigheid toonen, dan zal ik des te meer worden geëerd...." En de berekening heeft niet gefaald.

Van Vangam brengt een korte tocht ons naar Koekar-Nag. Maar hier ontbreken mij inderdaad de woorden, om de bekoorlijkheden van dit oord te schilderen. Wat zal ik zeggen? Aan den voet van een heuvel, bedekt met pioenen, die als boomen opschoten, ontsprongen een tiental bronnen, die samen een helder, klaterend riviertje vormden; aan de oevers mengden mossen en varens en vergeet-mij-niet en boterbloemen zich met de hoogere sneeuwballen en rhododendrons. Weer hooger klommen jasmijn en clematis en rozen tegen de boomen op en hingen in bogen boven onze hoofden als in berceaux.... Ik weet wel dat zoo iets ook wel elders te vinden is; maar nergens kan het liefelijker, zangeriger, geuriger en frisscher wezen. Nu en dan zag ik door het gebladerte den blauwen kop van een paradijsvogel, om zijn naam waard hier te leven, want men waant zich werkelijk in het antieke Eden.

Slechts af en toe werden we aan het bestaan van andere menschen herinnerd. Een grijsaard in lompen, die zijn paard aan den halster achter zich aan sleepte, hield zich op bij de tent der bedienden en vertelde de nieuwtjes van den dag. De maharadja is van morgen in het dal gekomen, en om te beginnen, heeft hij een dracht stokslagen laten toedienen aan den tahsildar of onderprefect van Ver-Nag. De reden was, dat er niet genoeg gras voor zijn paarden was.

Ongeveer drie mijlen scheiden ons van de residentie van den ongelukkigen onderprefect, die, naar gezegd werd, in de herrie een deel van zijn baard heeft verloren en niet voor den dag wil komen. Wij moeten alleen nog over het kleine bergland trekken, dat het dal der Bringh van dat der Sandran scheidt. Op dezen Julidag gaan we voorbij den kleinen landelijken tempel van Voetanar. In de verte hoorden we al een onwelluidend gezang tusschen de boomen klinken; het was de brahmaan van deze plaats, die er knielde voor een zwart beeld van Vischnoe met drie hoofden, waarvan een de kop van een wild zwijn was. Hij had het beeld al gewasschen, in een shawl gewikkeld en het met bloemen behangen. Om hem heen lag al het benoodigde voor den dienst, de hoorn, om de booze geesten te verjagen; de klok, om de aandacht van den god te trekken, de waaier, om de vliegen te verjagen en de cymbalen, om muziek voor hem te maken. Onvermoeid was de oude priester aan het psalmen zingen... Wie heeft toch beweerd, dat al die goden dood waren?

Vanaf het bergje, dat zich achter Voetanar verheft, heeft men een verrassend uitzicht. Aan onze voeten vloeide diep beneden in het smalle, met dorpen in boombouquetten bespikkelde dal de Sandran over haar rotsachtig bed, omlijst door bloeiende tamarinden in een kader van rijstvelden. Midden in een groep populieren, zoo hoog als scheepsmasten, lag het groote achthoekige meer van Ver-Nag, het bekken eener beroemde bron. Op den achtergrond verheft zich de dreigende muur van den Banihal en de beboschte hoogten, die ervoor liggen. Het smalle lint, dat erdoor loopt, is de weg naar Djammoe, gereserveerd voor den maharadja. Wij zijn nu aan de zuidgrens van Kaschmir.

Boven de booggalerij, waarmee Jehan Guir de beroemde bron van Ver-Nag liet omringen, staan aan drie kanten open paviljoens, die als bungalows gebruikt worden. De schoone Noer Mahal hield er zeker verblijf, en in ieder geval is het een genot er te vertoeven tusschen het blauwe meer en den groenen heuvel. Een wirwar van clematis en andere klimplanten is tegen den steilen berg op gegroeid en omslingert de dennen. Het diepe azuur van het meer laat visschen bij myriaden zien. De watervlakte gaat door voor onpeilbaar, ten minste dat beweert de pandit, wat hem niet belet even stellig te beweren, dat er op den bodem een oude kluizenaar woont.