De zomer in Kaschmir De Aarde en haar Volken, 1907

Chapter 3

Chapter 33,815 wordsPublic domain

In plaats dan ook van het meer over te steken, om den mond van de groote rivier te bereiken, haastten mijn handji's zich, om langs den zuidelijken oever den ingang van het Noroekanaal te halen. En ze hadden goed gedaan, want in den avond overviel ons de storm, sloeg onze rieten gordijnen omhoog en dreigde, passagiers en meubels eraf te strijken. Gelukkig vonden we beschutting van een heuveltje, en al de handji's gingen ijverig aan het vastsjorren van de touwen en bevestigen van het rieten dak. Waarna wij niet anders te doen hadden dan te gaan slapen, wat zeer goed gelukte, beschermd als we waren tegen regen en wind door ons dak van gevlochten riet.

Die stormen trekken even gauw weer af, als ze komen opzetten. In den morgen vertrokken wij over het kalme water, dat spiegelglad was. De gelegenheid was mooi, om door de binnenvijvers tot in de buurt van de ruïnen van Patan te komen. De doenga's gleden voort over de bloeiende lelies en door het hooge riet, bevolkt met talings; het water was zoo doorschijnend, dat men de blaadjes van het mos op den bodem tellen kon. Een klein kanaaltje voerde naar groote alleenstaande platanen, die bij het niet op de kaarten aangeduide dorp Panhallan behoorden. De kampplaats maakte weinig vertooning; maar we genoten er een prachtig panorama, waar men uitzicht had van den Haramoek tot den Toetakoeti en van den Kadsjnag tot den Brahma-Sakoel, een onmetelijken kring van sneeuwbergen.

Eenige kilometers van daar geraken de oude tempels van Patan, die in 1885 bij de laatste aardbeving zooveel geleden hebben, al meer in verval. Palhallan, dat prachtig ligt in de schaduw van moerbeiboomen, notenboomen, eeuwenoude platanen en populieren, waar zich de wingerd omheen slingert, is in het bezit van een merkwaardigheid, namelijk zijn reigerbosch. Honderden reigers gaan en komen er, altijd heen en weer vliegend van de groote meren naar de hooge boomen, waar ze hun nesten hebben. Het is een dwaas gezicht, als ze met de lange pooten gaan zitten: andere plukken hun veêren uit of zitten na te denken, met den hals in de schouders getrokken, op een verdorden tak; want de kruinen der boomen zien er nog al kaal uit, en schijnen te lijden onder die al te dichte bevolking.

Men moet zich er wel over verbazen, dat de Kaschmireezen niet van hun reigers hetzelfde gebruik hebben gemaakt als de Chineezen en Japanners van hun ooievaars, te meer omdat het een koninklijke vogel is, waar niet op mag gejaagd worden. Vroeger droegen ook inderdaad de aanzienlijken een aigrette van reigerveêren, bevestigd aan een edelgesteente, op hun tulband, en de pacht voor de vergunning tot het plukken der vogels maakte deel uit van de staatsinkomsten. Nog in de laatste jaren moest de pachter 268 roepijen betalen en 2999 veeren buitendien inleveren, geen één meer of minder. Maar het is geen mode meer, en de aigrettes verschijnen nog alleen bij gelegenheid van een bruiloft in het mascaradecostuum der bruid.

Ons drijvend huis begeeft zich weer op weg door de heldere vijvers vol bloemen, om naar het Noeroekanaal terug te gaan, dat te Sjadipoer uit den hoofdarm van de Vitasta komt; daar juist tegenover vereenigt de Sindh zich ermee, zoodat het daar een waar kruispunt van rivieren is. Die samenvloeiing is in de oogen der Brahmanen een even heilige plaats als de vereeniging van Ganges en Djoemna; op een rond eilandje staat een kleine plataan, die gelijkt op den eeuwigen boom, welks stam in de kelders van het fort Allahabad nog door de pelgrims vereerd wordt. Het heet, dat hij geen ontwikkeling en geen verval kent. Er wordt daar op die vereerde plek een uitstekende vischsoort gevangen, de mahsir genoemd.

Als men van daar de groote rivier afvoer, zou men spoedig de Soembalbrug hebben bereikt en dan door een kort kanaal het groene en diepe water van het Manusbalmeertje, waar een vervallen kaschmireesche tempel zijn ondergang vindt in den slijkerigen grond. Indien men daarentegen de rivier opvaart, doet zich al gauw in de verte het sikhsche fort Hari-Parvat voor, de citadel van Srinagar. Op den achtergrond ziet men een hoogen berg, die tot scherm dient voor de opgaande zon, en waar een brahmaansch heiligdom op is gebouwd, wat niet verhindert, dat de Mohammedanen het Takht-i-Soeleiman noemen, dat is Troon van Salomo.

Srinagar wordt door de rivier in twee deelen gescheiden en volgt den stroom over wel vijf kilometer. Zeven bruggen verbinden de beide oevers. Ik kreeg er den indruk van te komen in een half in puin liggende stad. Het is, alsof de huizen, waarvan vele gestut worden, in den toestand van onstandvastig evenwicht gelaten zijn door de laatste aardbeving en nu maar wachten, tot de volgende ze geheel omverwerpt. Ze winnen erdoor in schilderachtigheid met hun kleine loggia's op de bovenverdieping, de opengewerkte luiken, waarover 's winters papier wordt geplakt, om de niet aanwezige vensterglazen te vervangen, en vooral de aarden daken, met frissche bloemen en wilde grassen begroeid, die bij het minste koeltje wuiven.

Om beurten glijden ons voorbij moskeeën met haar drievoudig, eveneens bebloemd dak, en Hindoetempels, waarvan de koepels bedekt zijn met lappen zink, helaas, afkomstig van petroleumblikken. Kaden en groote trappen, van oude, gebeeldhouwde steenen gemaakt, vertoonen zich aan de rivier. Vrouwen dalen erheen af, om haar kruiken te vullen van rood of bronskleurig aardewerk; haar kleine houten sandalen, vastgehouden door een enkel knopje tusschen den grooten en den volgenden teen, klappen op de gladde treden, en het mag een wonder heeten, dat ze den nek niet breken. De lange wollen kleedingstukken hebben soms aardige fletse tinten van bleekgroen, lichtblauw of donkergranaat. Sjikara's bevaren in alle richtingen de rivier, even talrijk als de fiacres in de straten van Parijs.

Links hebben we laten liggen den nieuwen bazar, of Maharadsj-gandsj, nu nog meer nieuw, daar men bezig is aan het bouwen na een brand, die onlangs verwoestingen heeft aangericht. Hier is de zetel van al die groote kooplieden van zilveren bibelots en oud koperwerk en email, papier maché, houtsnijwerk en borduurwerk, die tot de kunstproducten van het land behooren. Heb maar geen hoop, dat ge hun ontkomt. Ze zullen u vervolgen te water en te land; met onuitputtelijk geduld gaan ze vóór uw boot of uw tent staan, dringen langzamerhand binnen met hun koopwaar en rusten niet, vóór ge hun een bestelling hebt gegeven, te leveren aan het einde van het seizoen.

Af en toe komen makelaars van de inlandsche banken u zeer beleefd vragen of ze uw chéques zullen wisselen, precies zooals de engelsche bank, en zelfs bieden ze aan, wat die laatste niet kan, u kaschmireesch geld te bezorgen voor de afgelegen steden van Midden-Azië, waar zij agenten hebben aangesteld. En dan komen nog de bende van menschen, die hun diensten komen aanbieden, kleermakers voor heeren en dames, schoenmakers met schoeisel voor de stad en voor de bergen, bontwerkers, fabrikanten van reisartikelen en kampbenoodigdheden, die u van top tot teen willen uitrusten voor toekomstige expedities, u, uw personeel en, als het noodig is, ook uw honden.

Voor die geheele wereld van handwerkslieden en handelaars was de dood van de industrie der shawls ongeveer dertig jaar geleden een verschrikkelijke slag. Zooals men weet, begon de mode zich omstreeks 1870 ervan af te wenden; en daar die handel grootendeels in handen was van fransche makelaars en de fransch-duitsche oorlog plotseling aan hun aankoopen een eind maakte, brachten de goede Kaschmireezen natuurlijk hun ondergang met de rampen der Franschen in verband. Het nieuws van Sédan werd door het demonstratieve volk met openbaar geweeklaag ontvangen, dat, hoewel niet belangeloos er niet minder oprecht om was, en misschien waren deze menschen de eenigen, die oprecht met ons treurden. Een gedeelte van de wevers van shawls heeft sedert dien tijd een broodwinning gevonden in twee tapijtfabrieken, waarvan de eene door een Franschman wordt geleid, den heer Dauvergne.

Die economische crisis is overigens niet meer dan een episode in de jongste geschiedenis van de ongelukkige hoofdstad in het "Gelukkige Dal". Men verwacht niet anders dan dat droevig aanzien, als men aan alle rampen denkt, die de stad in den loop der laatste jaren hebben geteisterd, hongersnood, cholera, overstrooming en telkens herhaalde branden, niets is haar bespaard gebleven, en bovendien heeft de stad te lijden gehad onder de verklaarde vijandigheid der nieuwe engelsche regeering, die, hoe weldadig ook voor de overige deelen van het land, voor Srinagar een ongeluk was. Die opeenhooping van 125.000 inwoners, voor het meerendeel mohammedaansche handwerks- en kooplieden, en voor het overige Brahmanen, heeft te veel overwicht in een gesloten dal van 35 mijlen in de lengte en tien in de breedte, en dat overigens achthonderd zielen telt.

Tot zoowat vijftien jaar geleden was het traditie, dat de provincie werd geëxploiteerd ten bate van de hoofdstad; maar toen luidde het bevel tot de ambtenaren, die den maharadja geleend of hem opgedrongen werden door de engelsche regeering, dat ze de rollen moesten omkeeren en de stad moesten gebruiken ten voordeele van het platte land. Er kan geen beter overzicht worden gegeven van de beide richtingen, dan de heer W. Lawrence heeft gedaan in zijn interessant werk "The Valley of Kaschmir", Oxford 1895. Hij, die zijn naam heeft verbonden aan de verandering, zet daarin het verschil uiteen tusschen de oude en de nieuwe richting. Eigenlijk zette men alles op zijn kop in Kaschmir, en men moest wel met zulk een zachtzinnige en volgzame bevolking te doen hebben, dat zoo'n bruuske en radicale verandering in zoo weinig tijd tot stand kwam; overal elders zou ze onlusten hebben verwekt of mogelijk een omwenteling, maar hier had ze zonder woelingen plaats, al was het dan niet zonder leed, althans voor de stedelingen.

Maar mogelijk was nu hun beurt gekomen, want erkend moet worden, dat het leven van de boeren in Kaschmir zeer hard was. Het was al een grondbeginsel van de oude indische koningen, dat de landbouwers, lieden van een lage kaste, niet meer bezit mochten hebben dan wat juist noodig was, om hun zaaigraan te bezorgen voor den volgenden oogst, en voedsel in die hoeveelheid, dat ze niet van honger stierven. Hun overgang in massa tot het Mohammedanisme is zonder invloed gebleven op hun lot. De koningen of de gouverneurs, die den Islam beleden, gingen voort, hen te plunderen en de Sikhs volgden dat voorbeeld. Jacquemond beschrijft den toenmaligen gouverneur als den Sikh, die in zijn domheid voor het tegenwoordige bij machte is, dit ongelukkige land te berooven, en die waarschijnlijk bij het neerleggen van zijn functie alles zal moeten storten in de schatkist van Randjit-Singh.

Wat Goelab-Singh betreft, die heel gewoon zijn audiënties voor een roepij verkocht, hij verstond geen gekheid in zake zijn inkomsten. In den tijd van Ranbir-Singh werden er wel enkele pogingen gedaan, om hervormingen in te voeren, maar ze hebben schipbreuk geleden door de stelselmatige tegenwerking van de ambtenaren, die, zooals natuurlijk was onder een indische regeering, brahmanen of pandits waren. Nu waren alle pandits, vanaf den patwari in een dorp tot den vazir-vazirat of gouverneur van een provincie met daar tusschen de tahsildars of districtshoofden, het onderling eens, dat men den muzelmanschen boer zooveel mogelijk moest uitzuigen. Het grootste deel der belastingen werd in natura betaald, en de staat, die ongegeneerd den boeren drie vierden van hun oogst afnam, verkocht dien tegen lagen prijs aan de stedelingen. In dien tijd, zoo verzekerde men ons, kon een mensch van een roepij in de maand leven. Het is duidelijk, dat in die omstandigheden de stedelijke nijverheid een groote vlucht moest nemen, dank zij de goedkoopheid van den handenarbeid; maar vroolijk was het niet voor de dorpelingen, dat ze alle dagen het grootste deel van hun rijst zagen verorberen door de darren van den bijenkorf.

Eindelijk kreeg de heer Lawrence de opdracht, het kadaster te herzien en de grondbelasting anders te regelen; hij nam den boer onder zijn bescherming en verklaarde tevens den oorlog aan diegenen, die hij zijn vijanden noemde, te weten de pandits van de officiëele beambtenklasse; ten tweede de dorpshoofden en ten derde de stad Srinagar. Sedert blijkt meer en meer, dat het den boer, den zemindar, goed gaat, en de andere klassen beweren zelfs, dat hij brutaal vooruitgaat. Hij heeft van den Settlement Officer voorwaarden verkregen, beter dan hij ooit heeft gekend, en het is niet zijn schuld, als hij er door list niet nog zachtere heeft verkregen.

Al zijn er enkele vergissingen begaan, en al zijn eeuwenoude misbruiken niet met één slag uit den weg geruimd, zoodat bijvoorbeeld de afpersingen der kleine inlandsche ambtenaren niet hebben opgehouden, toch is er geen twijfel aan, of de groote meerderheid van de beschermelingen van den heer Lawrence kunnen terecht verheugd zijn over een stelsel, dat hun voor de eerste maal vergunt, hun rijst te behouden en hun belastingen in producten te betalen.

Wat te zeggen van zijn drie vijanden? Met een ervan, de corporatie van de lambardars of dorpshoofden, heeft hij onderhandelingen moeten houden en om hen kalm te houden, heeft hij hun vijf procent van de opbrengst van hun dorpen moeten toestaan. Maar voor de brahmanen en met hen de rest der inwoners van Srinagar is hij onverbiddelijk gebleken, en het moet gezegd, dat er voor hen groot gevaar heeft bestaan, dat zij van honger omkwamen. Zij leven echter nog, zij het dan ook in ellende. De pandits zullen zich wel redden; zij hebben het wel uitgehouden onder de onderdrukking der afghaansche gouverneurs.

Net als ze ten tijde der mongoolsche heerschappij Perzisch leerden, zoo leggen ze zich thans op het Engelsch toe; de jonge lieden doen examens en krijgen weer betrekkingen. Natuurlijk doet de periode van overgang zich wel eens lastig gevoelen in de gezinnen; toch zullen ze ten slotte de regeeringsposten krijgen, waaruit de heer Lawrence hen had willen weren, en dat wel om de eenvoudige reden, dat zij de verlichtste en ontwikkeldste klasse der bevolking vormen en dus goed- of kwaadschiks ook de regeerende klasse zullen zijn.

Het meest zijn voorzeker te beklagen de arme handwerkslieden uit Srinagar. Een troost is het ten minste, dat de Settlement Officer niet vastgehouden heeft aan zijn aanvankelijken eisch, dat alle belasting in geld moest worden opgebracht, en dat de staat niet langer de groote leverancier van rijst voor de hoofdstad is. Dat werd in 1891 besloten, en het gevolg was zulk een hongersnood in het volgend jaar, dat men niet ermee durfde voortgaan. In 1893 werd er besloten, nog weer 300.000 ezelvrachten of kharvars, dat is 177 engelsche ponden koningsrijst naar Srinagar te zenden; in 1896 werd er nog weer de helft heengevoerd en de stad was daardoor voor den honger gevrijwaard.

Een nieuwe poging, die drie jaar geleden werd gedaan, is niet beter geslaagd en zelfs in dit jaar, 1904, heeft men om de verschrikkelijke duurte der levensmiddelen in twee van de vier districten slechts een derde van de producten in natura, die verschuldigd waren, geïnd.

Dat de medaille dus haar keerzijde heeft, ligt niet aan den heer Lawrence, maar aan het stelsel, dat in geheel Indië wordt toegepast. De grondbelasting is er de hoofdbron van inkomsten. Het ligt niet in Engelands politiek, de industrie in zijn koloniën aan te moedigen. En dat is geen wonder. Men heeft het nog onlangs kunnen constateeren, hoe Manchester zich bezwaard gevoelde over de concurrentie der engelsch-indische katoenen weefsels. Indië wordt geëxploiteerd als een groote landbouwkolonie, en men wil het liefst, dat het land van het moederland alle gemaakte goederen koopt, die het noodig heeft. Dat is mogelijk niet imperialistisch, maar het is practisch.

De vraag doet zich voor, of de bijzondere omstandigheden in Kaschmir het niet noodig maakten, van het stelsel daar af te wijken. Het bebouwbare deel van dat land is niet groot genoeg, om het een toekomst door den landbouw te waarborgen. Misschien zou het wijzer zijn geweest, niet alles ondergeschikt te maken aan den wensch, gemakkelijk groote inkomsten uit den grond te halen. De handvaardigheid van de Kaschmireezen, hun sinds lang beroemde bekwaamheid in de versieringskunst zouden een veel betere bron van inkomsten zijn geweest. Het was nog zoo dom niet van de oude koningen en gouverneurs, een deel der inkomsten uit den grond op te offeren voor het onderhoud der handwerkslieden uit de hoofdstad en voor den bloei van hun handwerk. Alleen de rechten voor den uitvoer van shawls brachten den staat meer dan zes duizend roepijen op; dus dat kon wel als vergoeding gelden.

Wat de shawls nu niet meer opbrachten, zou door andere industrieën kunnen zijn overgenomen. Zullen wij wijzen op die, welke de engelsche bestuurders hebben trachten te steunen? Dat waren de bierbereiding en die van confituren, dingen, die zelfs niet kunnen worden uitgevoerd bij gebrek aan middelen van vervoer. Het is een belachelijke zaak, en men moet er maar niet bij blijven stilstaan. Toen sultan Zaïn-oel-ab-Din in het Dal de fabricatie van papier maché en van shawls invoerde, toonde hij vrij wat meer doorzicht. Het is te vreezen, dat ten gevolge van het duurder worden van het leven en door de toeneming van het met koopwaar rondtrekken ten behoeve der toeristen de kunst, die de glorie van Kaschmir is geweest, verloren zal gaan, zooals de industrieën, oudtijds in Hindostan wereldberoemd.

Uit dit alles willen wij twee practische besluiten trekken. Het eerste is dat het verstandig is, in Srinagar zich te voorzien behalve van den pas, dien ieder Europeaan, Aziaat of Australiër moet hebben, van een parvana dat is een soort van brief voor benoodigdheden, die men, als het noodig is, kan gebruiken, hetzij om zich op de al te druk bezochte wegen van koelies te kunnen voorzien, hetzij om het noodige te krijgen voor de bedienden in de afgelegen dorpen, waar men veel moeite heeft om de boeren te bewegen, u wat van hun rijst tegen goed geld af te staan.

De andere raad, dien wij gaarne zouden geven, is, om geen sjikari te nemen als hoofd van de karavaan, of men moest speciaal om te jagen naar Kaschmir zijn gekomen. Indien ge een bezoek aan het dal verkiest boven die verre, vermoeiende, tochten, laat u dan liever vergezellen door een pandit. Onderwezenheid en goede manieren zijn op dit oogenblik niet duur in Kaschmir, en ge kunt voor het salaris van een indischen bediende een welopgevoeden brahmaan bereid vinden, die Engelsch spreekt en in staat is, u niet alleen tot tolk te dienen, maar ook als tusschenpersoon in de onderhandelingen met de tahsildars en lambardars onderweg en tot secretaris in het Kaschmirsch, zoowel als in het Sanskriet en Perzisch. Natuurlijk zal hij met zijn kennis van het land telkens uw nieuwsgierigheid kunnen bevredigen, en zoo zal hij de reis interessanter maken, want ergens te reizen, zonder te begrijpen, is evengoed als niet te zien.

Toen wij de aantrekkelijkheden van Srinagar hadden gezien, was het half Juni geworden. Wij zullen er in het najaar terugkeeren, want nu volgt de heete tijd en daarmee de muggen, soms ook de malaria. Dikwijls is het klimaat van het lage dal vergeleken met dat van Lombardije.

Door de kronkelingen der rivier, die van de hoogte van den Takht-i-Soeleiman door het dal de slingeringen teekent, die op de shawls te zien zijn, wordt eerst Pandrethan bereikt, de oude hoofdstad, indertijd onttroond door Srinagar. Zij lag op de eerste hellingen der bergen, veilig voor de overstroomingen der Vitasta. De ruïnen zijn niet anders dan een chaos van steenen. Alleen een kleine tempel staat nog overeind op zijn vierkant pleintje, dat overstroomd is door het water van de naga, zoo noemen de Kaschmireezen de bronnen en fonteinen, die vaak slangen met menschenhoofden zijn en als beschermgoden worden beschouwd. Op het zoo ontstane vijvertje dreef een bootje. Toen ik daar eens in wilde stappen, had ik mijn eerste ontmoeting met een slang, maar deze had niets mythisch aan zich, evenmin als die, welke een paar dagen later gevonden werd onder het tentgordijn. Na dien tijd heb ik ze niet meer gezien en verlangde ook niet naar een volgende ontmoeting.

Toen het beest door stokslagen van de handji's gedood was, vroeg ik den pandit, die zulk een moord afkeurt, of de slang vergiftig was, en in plaats van zich te bukken, om na te zien, hoe de vorm was en de kleur, gaat hij recht overeind staan op zijn pantoffels en met zijn neus in de lucht, kijkt hij naar het Noordwesten.... Toch was het een antwoord op mijn vraag, want de goede man moest dat in de wolken zoeken. Siva resideert namelijk op den Haramoek, draagt als arm- en halsbanden slangen en heeft in zijn hoedanigheid van beschermgod beloofd, dat de beet van zulk een dier nooit doodelijk zou zijn op een plek, waar men den besneeuwden top van zijn woning kon zien. Dus moest even worden gekeken, of men van hier den Hamaroektop kon onderscheiden. "Zoolang u dien kunt zien," voegde de pandit erbij, "kan u gerust wezen; maar anders is er wel gevaar..." Ik zal toch maar in elk geval op mijn hoede zijn.

Meer stroomop vertoont Pampoer den voet van een Hindoetempel, een moskee, een brug en velden, waar in het najaar saffraan zal bloeien. De oogst van deze geliefde lekkernij der Kaschmireezen is een staatsmonopolie, en men moet het goudpoeder uit de helmknoppen met zijn gewicht aan zilver betalen. Er worden te Pampoer ook uitstekende beschuiten gebakken, die op reis zeer te pas komen en naar mijn smaak met het beste brood kunnen wedijveren.

Ik zal niet alle halten van onze reis kunnen noemen, maar mij tot de belangwekkendste bepalen. Na Pampoer op den rechtschen oever ging het naar de zwavelbronnen van Vian en de ruïnen der tempels van Ladoe. Van Kakapoer op den linkeroever brengen twee uren wandelens u naar den kleinen tempel van Payech, die goed bewaard is gebleven, een juweel van de kaschmireesche kunst. Wat de tempels van Narasthan betreft, er is een goede dagreis noodig, om ze aan den voet der hooge sneeuwbergen te ontdekken; daarentegen liggen de vele ruïnen van Avantipoer aan de rivier, ten deele in de aanslibbingen verzonken.

Hooger krijgen wij de samenvloeiing van de Vitasta en de Vesjo, niet minder heilig in de oogen der Hindoes uit de streek dan die van de Vitasta en de Sindh. Aan den hoogen kant ziet men een plateau, dat zonderling door het water is uitgeslepen, en op dien top zou Kacyapa duizend jaren in overpeinzing hebben doorgebracht, vóór hij het dal liet verdrogen. Men zou hem intusschen kunnen verwijten, dat hij zijn werk maar ten halve heeft verricht.

Want als in het begin van den regentijd een hevig onweer komt opzetten, en zijn waterhoozen naar Kaschmir voert op het oogenblik van het smelten der sneeuw, wordt het Dal plotseling overstroomd en is dan bij gebrek aan een voldoend breeden weg van afvoer in gevaar, in een meer te worden veranderd. De overstroomingen van Juli 1893 waren noodlottig; die van Juli 1903 waren het niet minder, en men schat het verlies op een zesde van den oogst. De naga's hadden toen wel dorst, en ze schenen hun periodieke schadeloosstelling te moeten hebben.