De zomer in Kaschmir De Aarde en haar Volken, 1907
Chapter 2
Dan waren er de dorpen met hun lage hutten, waarvan de veranda's op de platte daken waren; de bazars, waar nog oude munten gangbaar zijn met grieksche opschriften; de heiligdommen, aangewezen door driehoekige vlaggen van verschillende kleuren, om nog niet eens te gewagen van de drukte op de onderscheiden pleisterplaatsen. Bovendien zag ik onder een groepje struiken bij hun geiten en hun jongen hond, die tegen de tonga blafte, twee kleine, mooie herderskinderen, Daphnis en Chloë op den onschuldsleeftijd, en Chloë leunde teeder met haar zwart lakensch kapje tegen den vuilen tulband van Daphnis.
Zoo is de weg naar dit paradijs al heerlijk, en van Rampoer af kondigt alles aan, dat we Kaschmir naderen. De hellingen zijn bedekt met dennen en ceders, en langs den weg groeien populieren en platanen. Reeds te Brankoetri gaat men voorbij de ruïnen van een tempel. Die van Baniyar, die wat beter in stand is gebleven en die nog overeind staat midden op zijn vierkant plein, geeft een zeer goed denkbeeld van wat die oude gebouwen zijn geweest. Daar verschijnen ook al de irissen, die typische bloemen der streek. Plotseling is de rivier verstandig geworden en doet zich spiegelglad voor, en de lange kloof, waar wij nu al twee dagen doorrijden, komt op eens uit bij het "gelukkige dal" en wel door de nauwe poort van Baramoela, tegelijk de eenige uitweg voor het water van het dal.
Van Mari naar Baramoela heeft men 200 kilometers af te leggen, dus loopend negen dagreizen, en als men per post gaat, een dertigtal pleisterplaatsen. De in 1880 begonnen weg was in 1890 voltooid tot den ingang van het dal, maar het stuk tusschen Baramoela en Srinagar werd eerst in 1897 opgeleverd.
In 1896 waren de bruggen gereed en de stoomrol, die den weg effent en een beeld is van onze nivelleerende beschaving, verpletterde in het op den weg gebrachte puin menigen steen, ontleend aan oude hindoe-ruïnen. De weg gaat door de alluviale vlakte, waar men inderdaad geen enkelen steen zou vinden; het bergland is ver verwijderd, en de ondernemers vonden het gemakkelijker, de oude steden van het land als steengroeven te bezigen. In dat jaar reden de eerste rijtuigen door Kaschmir, door de boeren met meer nieuwsgierigheid aangestaard dan bij ons de automobielen. Thans rijden alle mogelijke soort van voertuigen naar Srinagar en laten halverwege de oude stad de tempelruïnen van Patan liggen. Als ge haast hebt, ga dan direct naar de hoofdstad door, maar houd dan ten minste stil op de brug, waar de weg over de rivier gaat en blaas een weinig uit.
Die Amira-Kadal is de eerste der zeven bruggen boven Srinagar en de eenige in europeeschen trant gebouwd; zij is de plaats van samenkomst geworden voor de nieuwtjesvrienden der stad. Daar behandelen ze de openbare zaak en verspreiden er alle weken het gerucht, dat de Afghanen in Lahore zijn binnengevallen en dat de Russen het Pamirplateau hebben overschreden. Wij zullen er even rondzien.
Er wordt aan beide zijden een markt gehouden, en het is een druk heen en weer loopen van groote kerels met gebruind gelaat, gekleed in een wollen kleed, dat zich eenmaal moet herinnerd hebben, wit geweest te zijn, en met een katoenen tulband. Het zijn brave menschen op de manier van den globetrotter, wel te verstaan, gezegd, die in een station van Pendsjab zijn boosheid op een onbeschaamden koelie niet eerder dorst luchten, vóór hij geïnformeerd had van welk ras de man was.
De Kaschmireezen zijn in dat opzicht van de goede soort; ze kunnen wat verdragen en buigen hun rug onder zweepslagen. Ze zullen niet als de Afghanen een slag beantwoorden met een doodelijken steek met een mes. Omdat de menschen van Kaschmir zoo sterk en zoo goedig zijn, hebben de Engelschen er het besluit uit getrokken, dat ze laf waren. Hadden ze misschien liever, dat het moordenaars en roovers waren? Het is waar, dat de Engelschen de Afghanen, wier dapperheid niet in twijfel kan worden getrokken, verraders noemen.
Dat voortdurend gebruik van slechtklinkende, afkeurende aanduidingen toont alleen duidelijk aan, dat de Engelschen niemand goed vinden dan zichzelven.
Er zijn Kaschmireezen, die, getroffen door dat verwijt van lafheid, beweren dat hun lang kleed, 't welk hun nationaal costuum is, hun door de mohammedaansche overheerschers werd voorgeschreven, om ze te verweekelijken. Dat klinkt wel goed en zou overtuigend zijn, als zij, die het bedacht hebben, van hun kangri afstand konden doen. De kangri is de inlandsche warme stoof, een aarden pan, met riet eromheen en gevuld met kolen en asch, waar de Kaschmirees, zoodra het maar een beetje koud is, onafscheidelijk van is en die hem als zijn schaduw altijd vergezelt. Hij brengt heele dagen erop zittend door, houdt de stoof des nachts bij zich en door die gewoonte ontstaat menige brand in een woning, terwijl de litteekens van brandwonden er vaak aan zijn toe te schrijven. Nu heeft de kangri juist behoefte aan het lange kleed met wijde mouwen, waar men de stoof onder verbergt, en daar dr. M. A. Stein verzekert, dat er reeds sprake van is in oude kronieken, moet men afzien van het mooie sprookje van een Kaschmir, waar oudtijds alleen helden woonden, die allen zoo dapper waren omdat ze broeken droegen.
Maar ge begint al onder de voorbijgangers verschillende typen en kleederdrachten te herkennen. Ook als we de sikhs en de menschen uit Pendsjab er buiten laten en andere immigranten uit Indië, behooren de Kaschmireezen zelven niet allen tot denzelfden godsdienst, noch tot dezelfde kaste. In het algemeen kan men zeggen, dat ze Hindoes of Mohammedanen zijn. De laatsten zijn verreweg het talrijkst; van de honderd twintig duizend inwoners der hoofdstad zijn meer dan twee derden aanhangers van den Islam, en buiten de steden is de verhouding nog meer in het voordeel van de Mohammedanen. Het schijnt, dat die bekeering van de massa der bevolking, die van niet later dan de veertiende eeuw dagteekent, zonder eenig geweld is tot stand gekomen en niet het gevolg is geweest van een inval van veroveraars. De boeren en de arme menschen, die bij verandering enkel konden winnen, namen den nieuwen godsdienst aan; de Brahmanen, die er alles bij te verliezen hadden, hielden zich aan den eeredienst, hun door hun voorvaderen nagelaten en die de eenige rechtvaardiging hunner voorrechten was.
De Mohammedanen noemen hen afgodendienaars, maar zijn zijzelven wel zeker ware orthodoxe geloovigen te zijn? Werkelijk hebben ze alle indisch bijgeloof behouden onder een vernisje van den Islam, en de geleerden uit Mekka verketteren hen op hun beurt met den naam heiligenaanbidders. Ofschoon de Brahmanen in de minderheid zijn, hebben zij verreweg de meeste ontwikkeling en beschaving, al verdienen waarschijnlijk niet allen den naam van pandit of geletterde, dien ze elkander algemeen toekennen. Men kan hen dadelijk van hun muzelmansche landgenooten onderscheiden door het secteteeken dat ze op het voorhoofd dragen, aan den eigenaardigen vorm van hun tulband, en aan de sjerp om hun schouders.
Nu ge een eersten indruk hebt gekregen van de Kaschmireezen, zal het u interesseeren te weten, wie over hen regeert. Kijkt eerst eens stroomaf en dan stroomop. Daar vlak bij den linkeroever die opeenhooping van leelijke gebouwen, dat is de Sjer Garhi, zooals men het paleis van den maharadja betitelt, en ginder, hooger op den rechteroever, onderscheidt ge tusschen de populieren en platanen de elegante villa van den engelschen resident. Wie is nu de eigenlijke vorst in Kaschmir, de resident of de maharadja? Dat weten zelfs de kleine kinderen, en de grijsaards vergissen er zich niet in. Een honderdjarige Brahmaan, die ons alle regeeringen opnoemde, die hij had bijgewoond in zijn leven, gewaagde van de Afghanen, de Sikhs van Randjit-Singh, de Radjpoeti's van Goelab-Singh ... en de Engelschen van de koningin. Het is om de volledigheid haast jammer, dat hij er ook niet nog de Russen heeft zien heerschen.
Het Kaschmir van de Sikhs heeft Jacquemond in 1831 bezocht en het onderkoningschap werd er hem, naar men zegt, aangeboden. Wees maar niet bang, dat uw bescheidenheid op een dergelijke proef zal worden gesteld; die gelukkige tijd is voorbij! Op den heen- en terugweg had onze landgenoot de gelegenheid gehad een Radjpoet te ontmoeten uit den stam der Dogra's, die door de gunst van Randjit-Singh het tot radja van Djammoe had gebracht. Reeds wierp Goelab-Singh, zoo heette de avonturier, begeerige oogen op Kaschmir. Zoo lang Randjit-Singh leefde, die den bijnaam had van den leeuw of zooals Jacquemond zegt, den vos van Pendsjab, ziet men hem er omheen zwerven, zonder dat hij er binnenkomt. Achter elkander verovert hij de aangrenzende landen, Kitsjwar, Ladakh, Skardo, en na den dood van den leeuw weet hij slim zich te handhaven in de gunst van Sikhs en Engelschen beiden. Eindelijk staat bij een verdrag van 16 Maart 1846 de engelsche regeering aan den maharadja Goelab-Singh en zijn mannelijke afstammelingen de geheele bergachtige streek ten oosten van den Indus af en ten westen van de Ravi..... In ruil betaalde de nieuwe maharadja de som van 75 lakh roepijen en verbond zich, om jaarlijks een schatting te betalen in paarden, geiten en shawls. Er wordt beweerd, dat die laatste nog worden ingeleverd en dat keizerin Victoria er haar niet dure bruidsgeschenken van maakte. Dat verdrag was van Goelab-Singh een meesterstuk. Men zegt, dat hij binnen enkele jaren in de opbrengst van het dal de som terugkreeg, die hij ervoor had uitgegeven.
Nooit praat men den Kaschmireezen uit het hoofd, dat om zulke voordeelige voorwaarden te bedingen, Goelab-Singh de Engelschen had doen gelooven, dat al het hem afgestane land niets anders was dan onvruchtbaar heuvel- en bergland, en de redactie van het tractaat doet daar wel aan denken. Inderdaad was het hun bedoeling, Goelab-Singh af te scheiden van de zaak der Sikhs en in hem een bondgenoot tegen die laatsten te krijgen; drie jaren later, toen in 1849 Pendsjab definitief werd ingelijfd, bleek het, dat ze vlak naast zich een bijna onafhankelijk koninkrijk in het leven hadden geroepen, en een, dat nog wel grensde aan chineesch en russisch grondgebied.
Maar genoeg over politiek. Ge zult een zeer goed onderkomen vinden in het hotel, dat te Srinagar geopend is ter gelegenheid van de inwijding van den nieuwen rijweg. Maar men komt niet in Kaschmir, om zich in een hotel op te houden zooals in Zwitserland, en men kan nooit iets van het land en zijn bekoorlijkheid te weten komen, als men zich niet vrij beweegt en overal rondkijkt in dit prachtige hoekje van Hoog-Azië, zoodat men er min of meer het nomadenleven leidt van onze hypothetische voorouders, de Ariërs. Dat is, of men het wil bekennen of niet, de eigenlijke charme van een verblijf in Kaschmir, die onafhankelijkheid van belachelijke en hinderlijke voorschriften van onze maatschappij, waar alles tot overtreding wordt, van het houtsprokkelen in het bosch tot het water putten uit den oceaan. Hier is de verwezenlijking van wat sinds het Paradijs de roeping en de droom van den mensch is gebleven, koning te wezen te midden van een bevriende natuur; hier vindt men de voldoening, uiting te kunnen geven aan dat instinct van vagabondage, dat in ons allen leeft en ons tot onbewuste nomaden stempelt. Het teeken en misschien ook het losgeld voor dien terugkeer tot de zeden der primitieve menschheid is de enorme belangrijkheid, die het probleem van onderdak en voeding aanneemt, een vraagstuk, dat ons geen oogenblik bezighoudt in het kunstmatige leven in de beschaafde wereld.
Laat mij daarover nog eenige aanwijzingen geven. Gij zult in de winkels te Srinagar, gehouden door de onvermijdelijke Parsi's, alle ingemaakte voedingsmiddelen kunnen krijgen uit Europa; maar beter doet ge u te voorzien, zooals trouwens de meeste leden der vlottende vreemdelingenkolonie doen, op de naburige markten van de brug Amira-Kadal. Natuurlijk vindt ge er geen rundvleesch, noch voor geld, noch voor goede woorden, tot verdriet der Engelschen, die zich schadeloos stellen door massa's corned beef te verorberen. Het verbod van rundvleesch wordt streng gehandhaafd door de regeerende Hindoedynastie, en het dooden van een koe, dat vroeger met den dood werd gestraft, zou thans een inboorling nog op een gevangenisstraf van vijftien jaar komen te staan, terwijl een Europeaan erom uit het land zou worden gezet.
Maar ook zonder dat vleesch, dat verboden is, omdat het te heilig is, en varkensvleesch, dat uw mohammedaansche kok met tegenzin voor u klaar maakt, omdat het niet heilig genoeg of te wel onrein is, zal uw tafel nog ruim voorzien kunnen zijn van uitmuntend schaapsvleesch, sappig wild, groenten, eieren en versche boter; dat is alles op den bazar te krijgen. Wees niet onthutst, als uw kok de etenswaren van de markt thuis brengt in een stuk berkenschors; dat is het oude papier van dit land, zooals uit oude manuscripten blijkt, en men maakt er nog veel gebruik van voor huiselijke dingen.
Wenscht ge ten slotte nog iets van de prijzen te weten, die wel zullen stijgen, als de stroom van toeristen sterker gaat vloeien, dan zij gezegd, dat een kip zes of tien stuivers van ons geld kost; een pond boter of een dozijn eieren vier en de rest naar evenredigheid. En toch ontmoet men nog menschen, die klagen over de duurte der levensmiddelen en pochen op den tijd, toen men voor één roepij een heel schaap kon krijgen.
Ziedaar iets over de tafel. Wat de huisvesting aangaat, als ge niet vooraf uw maatregelen hebt kunnen treffen te Lahore, doet ge het best van een der agentschappen te Srinagar te koopen of te huren de noodige tenten en kampmeubelen. Dan laat ge uw linnen huis, dat veel geriefelijker is dan ge kunt gelooven, als ge het nooit hebt geprobeerd, opslaan aan den oever der rivier of in de buurt der residentie onder de schaduw van de boomen der baghs of parken voor Europeanen gereserveerd. Daar is de Moensji-Bagh, een boomgaard aan de Djhilam, bestemd voor gehuwden en dames alleen; verder de Tsjinar-Bagh, een prachtig bosch van platanen aan den uitgang van het meer ten gebruike van ongetrouwde mannelijke personen; zoo is het koren van het kaf gescheiden. Vooral moet ge zorgen de beschikking te krijgen over een dier inlandsche booten, die doenga's worden genoemd; die kan u tegelijk als huis en als voertuig dienen bij uw eerste uitstapjes. Op deze eerste lentedagen, nu het water nog zoo hoog is, kan de boot u door de rivier en de meren in allerlei richting naar de interessantste plekken van het dal voeren. Voor wie in de tonga heeft gereden over den hobbeligen weg en geradbraakt is door schokken, verdoofd door den hoorn en half gestikt door het stof, is de ruil niet kwaad van een tonga tegen een doenga.
II.
Door het "Gelukkige dal" in een doenga.--Roeiers en roeisters.-- Van Baramoela naar Srinagar.--De hoofdstad van Kaschmir.--Een beetje staathuishoudkunde.--Boven Srinagar.
De doenga is een boot, die, plat van onderen, aan beide uiteinden puntig uitloopt en tien meter lang is, terwijl er een dak van gevlochten riet over is gespannen. Andere matten, die naar believen opgerold kunnen worden als stores, sluiten de ruimte aan de kanten af en vormen ook de deur en de afscheiding tusschen de binnenruimten. Aan de voorzij bevindt zich een kleine veranda; dan volgt een vertrekje, dat in mijn boot juist vier meter lang en 1.80 M. breed was, en eindelijk een hutje, dat als cabinet de toilette dienst doet. Bij den achtersteven is het gezin van den roeier gehuisvest en slaapt in een ongeloofelijk kleine ruimte.
Boot en bemanning huurt men per maand voor een twintigtal roepijen, en men kan het er wel naar zijn zin hebben, als men zorgt, de geheele ruimte aan boord inderdaad voor zich te hebben en die naar eigen smaak te kunnen inrichten. De bedienden volgen in een andere boot, waar gekookt wordt. Als het uur van de maaltijden slaat, komt de tweede boot op zij, en ge wordt uit uw drijvende keuken bediend, zonder dat ge u behoeft op te houden.
Een klein, licht bootje, sjikara genoemd, dient voor de jacht op watervogels en voor snelle tochten en maakt uw vlootje compleet, waarmee ge u nu kunt bewegen op de rivier en de meren van Kaschmir. De mode van zulke zware drijvende woningen, die de Engelschen house-boats noemen, is ook wel van de Theems naar de Djhilam overgebracht, maar, al kan men ze bij de agentschappen in uitstekenden staat huren, dat komt veel duurder, en het zijn zulke logge machines, dat als het water een beetje laag is, men ieder oogenblik gevaar loopt vast te raken; ook heeft de doenga meer locale kleur, en ontkomen aan de handji's kan men toch niet.
De handji's zijn de roeiers van Kaschmir; een kaste, die misschien verachtelijk, maar stellig veracht is, ofschoon ze een groote rol in het volksleven spelen. Tot in de allerlaatste jaren gaat al het vervoer te water, en de rivier is steeds vol schepen, van de groote vrachtbooten af tot de lichte doenga's voor passagiers toe. De handji's van die laatste slaan in den slechtsten reuk; er wordt veel kwaad van hun vrouwen gezegd; maar ook haar schoonheid wordt geprezen. Ze zullen in haar jeugd wel een tijd van frischheid hebben gehad, maar ik moet zeggen, dat het harde leven haar die fraîcheur dan gauw heeft ontnomen. Zij roeien altijd door of boomen of trekken aan het touw; verder moeten ze rijst stampen en maïs in zware houten vijzels, en dan moeten ze nog een heelen hoop kinderen grootbrengen, allerliefste kinderen trouwens.
Een heel vertier voor de handji's zijn de kibbelpartijen met collega's van andere booten; die twisten zijn in Kaschmir spreekwoordelijk geworden. Het répertoire van scheldwoorden is volgens het zeggen van diegenen, die ze verstaan, nog veel uitgebreider dan dat van de parijsche koetsiers. Meestal doen de vrouwen dapper mee of ook wel is het aan haar alleen overgelaten, terwijl de mannen al rookend toeluisteren en lachend aanhitsen. Soms valt de avond en duurt de strijd nog voort; dan werpt ieder der strijdenden een ketel over boord vóór aan de boot ten teeken, dat de twist daaronder gedurende den nacht bewaard blijft; des morgens wordt het ding omgekeerd, en de vrouwen trekken weer van leêr.
Bij Baramoela al heb ik kennis gemaakt met de naïeve opdringerigheid van die zoo belasterde handji's. Ik moest uit de vloot van aan den wal vastliggende booten er een paar kiezen. Van alle kanten werden aan mijn adres smeekbeden en aanroepingen gericht; sommigen wierpen zich in het stof aan mijn voeten of veegden met hun voorhoofd over mijn schoeisel, kortom de gansche comedie werd opgevoerd, die ze in dergelijke gevallen gereed hebben. En altijd klonk één woord boven de andere uit: "Kiline, Hazoer, kiline!" Dat is hun manier, om het engelsche woord clean uit te spreken, want zindelijkheid is natuurlijk het eerste vereischte voor de uit Europa aangekomenen. Toen ik een keuze had gedaan, staakten de andere bootslui dadelijk hun aandrang; een anderen keer zouden zij gelukkiger wezen.
Ik heb mij niet over mijn volkje te beklagen gehad, behalve dat ze als al hun collega's de verfoeilijke gewoonte hadden, dag en nacht te babbelen en geen notitie te nemen van mijn "tsjoep! tsjoep!" het hindoesche woord voor "stilte, stilte!" Er waren ook wel oneenigheden tusschen de vrouwen van de verschillende booten; maar ze durfden mij daar niet veel van te laten merken, en het was vermakelijk, soms als ze zich onopgemerkt waanden, de woedende gezichten te zien, waarmee ze af en toe tegenover elkander op den grond spuwden, om de wederzijdsche minachting te uiten.
Maar toen ik eenmaal onderweg was, wat was het toen een genot, des morgens in de doenga te ontwaken, die onmerkbaar over de rivier glijdt, die mooie rivier met het klare, stille water! Als een enkel lui uurtje reeds zijn waarde heeft, dan kan men begrijpen, wat het was, in de vroegte, onder de opgetrokken stores door, de groene oevers voorbij te zien glijden. Om de waarheid te zeggen, heeft het landschap niets vreemds, en mogelijk komt de populariteit van deze reis wel grootendeels doordat ze den Engelschen hun Theems herinnert.
Wij zijn den eersten dag gevaren van Baramoela naar Sopoer in dat zachte, nevelachtige weer, dat onze noordelijke zomers dikwijls aanbieden; de verte verdween in witten damp, en dichterbij vormden de schaduwen, de vette weiden, waar de kudden graasden, de mooie, goed bebouwde velden en de wijde vergezichten een landschap, dat even goed in Middel-Europa had kunnen liggen.
Tegen den middag scheurde het waas, dat als een tulen gordijn den horizon bedekte, en in de nu doorschijnende lucht verschenen, eenig om te zien, de met sneeuw bedekte toppen, die het dal insluiten, een smaragd in zilver gevat, en die aanblik was alleen de reis wel waard.
Zonder eenige inspanning kan men op deze reis de merkwaardige en beroemde ruïnen van Kaschmir bewonderen. Alle oude hoofdsteden en bijna alle godsdienstige stichtingen der koningen, waarvan de kronieken gewagen, liggen aan de rivier, die de hoofdader van het land is, en kunnen dus op de gemakkelijke vaart worden bezichtigd.
Een primitieve brug, kleine hindoesche heiligdommen, een moskee, een dorpsbazar, zoowat achthonderd huizen met spitse daken en geen platte, als in Indië, ziedaar Baramoela en ziedaar ook, maar in kleiner afmeting, Sopoer. Vooral de bruggen trekken door nieuwheid de aandacht. Ze zijn geheel van hout gemaakt; de pijlers zijn niet anders dan rijen afwisselend op elkander gestapelde balken in de lengte en in de breedte. Uit de verte zou men ze kunnen houden voor een hoop planken, die liggen te drogen.
Beneden aan den kant, van waar de stroom komt, is een soort van uitsteeksel van stevige planken, bezwaard met dikke steenen, dat de kracht van den stroom moet breken. Naar boven toe worden de palen al breeder en breeder, en de daarover geworpen stukken hout komen al dichter en dichter bijeen, tot ze eindelijk dicht genoeg elkaar genaderd zijn, dat de dwarsbalken van den vloer der brug er gemakkelijk over gaan. Zulke holle bruggen hebben buiten het voordeel van hun goedkoopheid en eenvoudigheid nog het gemak, dat ze tegen de hooge vloeden kunnen, die door de holten heenstroomen, zonder schade aan te richten. Vroeger stonden er veel gebouwtjes en winkels op de bruggen, net als op de Beursbrug in Parijs in den ouden tijd en op de Ponte Vecchio in Florence; maar overal zijn die bouwsels verbrand en men is er niet toe overgegaan, ze weer op te bouwen.
Achter Sopoer krijgt men het Voelar, het grootste meer in Kaschmir, te zien. Als er niet enkele open plekken met mooi helder water waren, zou men eerder denken aan een onmetelijke weide van vochtminnende grassen, vol vogels met schitterende vederen. Overal ziet men waternoten, Trapa natans, daar singhara's genoemd, een der voortbrengselen van het meer en in tijden van schaarschte door de Kaschmireezen zeer op prijs gesteld als voedsel. In platboomde booten zamelen de oeverbewoners ook voedsel in voor hun vee op die reuzenweiden van waterleliën en lotusbloemen. Zij zingen onder het werk, terwijl ze met hun handen de natte bladeren afrukken van de met een kleverig vocht gevulde stelen, en de wind voert de zich eindeloos herhalende, melancholieke hindoesche liederen zeer ver mee.
De schippers zijn bang voor de Voelar, want het meer wordt dikwijls bezocht door hevige onweders en stormen, die van de bergen neerdalen en die zeer gevaarlijk worden voor hun platte en hoog geladen schuiten. Ze kunnen dan niet anders doen dan maar zoo gauw mogelijk den oever trachten te bereiken, vóór de golven in de boot slaan. Het heet, dat Goelab-Singh in zoo'n storm omkwam.