De zilveren schaatsen

Part 8

Chapter 84,112 wordsPublic domain

"Hier bij dezen lantaarnpaal," vervolgde mijnheer Van Gent, "is 't Groene Zoodje. Hier stond het schavot, waarop Reinier van Groeneveld, Buat en Van der Graaff zijn onthoofd en de gebroeders de Witt zijn opgehangen en mishandeld. En daar, die groote keisteen met zeven strepen is er ter gedachtenis gelegd van den vreeselijken moord, aan Aleida van Poelgeest gepleegd, omdat zij graaf Albrecht tot de partij der Kabeljauwen had overgehaald."

"Maar kijkt nu eens recht uit," vervolgde hij na een poos. "Deze poort is de Gevangenpoort, vroeger Voorpoort van den Hove, en dit venster dat van den kerker van Cornelis de Witt."

"Zouden wij dien niet kunnen zien?" vroeg Peter.

"We zullen 't vragen. Zeggen ze neen, dan zijn we nog even ver."

Men ging de Gevangenpoort door en schelde aan. Het verzoek, om de vroegere gevangenis te zien, werd volgaarne ingewilligd. Met aandoening klommen zij de trap op, welke de gebroeders De Witt door het opgeruide gemeen waren afgesleept; met niet minder aandoening aanschouwden zij de kamer, waar beiden de laatste en vreeselijkste oogenblikken huns levens doorbrachten. En toen zij daarna in den kelder afdaalden en hun de pijnbank gewezen werd, op welke de Ruwaard van Putten werd gepijnigd, toen stond er in het oog van Lodewijk een traan, die hem waarlijk niet tot schande was.

Nadat mijnheer Van Gent de vriendelijke dienstmaagd, die hun een en ander had laten zien, met een ruime fooi beloond had, wandelde men naar het Buitenhof.

"Kijk nu eens recht voor u," zeide mijnheer Van Gent. "Uit deze ramen hield eens de snoode Tichelaar zijn redevoering tot het volk. En nu linksom. Dit standbeeld is dat van den ridderlijksten onzer vorsten, van den edelen Koning Willem II, die bij Quatre-Bras voor onze onafhankelijkheid streed en bij Waterloo zijn bloed voor ons veil had."

"'t Staat daar al heel mooi," zeide Frits. "En hoe sierlijk zijn die beelden aan den voet!"

"Dat zijn ze," hernam mijnheer Van Gent. "En nu slaan we linksom en gaan naar het Binnenhof, het oudste gedeelte van Den Haag en dat door drie poorten kan worden gesloten. Vroeger hingen hier de vaandels, in verschillende veldslagen op de vijanden des lands behaald. Doch die zijn tijdens Koning Lodewijk weggenomen en naar Amsterdam gezonden. Die, welke wij nu doorgaan en boven welke de appartementen der vroegere Prinsen van Oranje zich uitstrekten, heet de Stadhouderspoort."

"Die is, in het laatst der achttiende eeuw, tegen alle bepalingen aan doorgereden door Cornelis de Gijzelaar," zeide Peter. "En daar vandaan hebben de tegenstanders van het Huis van Oranje in dien tijd den naam van Keezen gekregen."

"Juist. En hier vlak over ons hebben wij het oudste gebouw van Den Haag: de Loterijzaal of liever de groote ridderzaal, door Willem II, graaf van Holland en Zeeland, in 1270 gesticht, en den oorsprong van Den Haag."

Zij bezichtigden nu de groote ridderzaal, toen nog niet herbouwd of liever gedeconstrueerd; verder de vergaderzaal van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, waar het Twaalfjarig Bestand werd gesloten en die daarom vroeger den naam van Trèves-kamer droeg. Zij is vooral bezienswaardig om haar schoone schilderijen, voornamelijk het schoorsteenstuk, hetwelk Prins Willem III ten voeten uit in koninklijk gewaad voorstelt;--en het gebouw, dat tot vergaderplaats dient van de Tweede Kamer, vroeger gebruikt tot danszaal voor de Prinsen van Oranje, maar onder Prins Willem V van hardsteen herbouwd en tot vergaderzaal voor de Staten-Generaal ingericht. Hier werd in 1796 de eerste Nationale Vergadering gehouden.

"Dat torentje aan de linkerzijde der groote ridderzaal," vervolgde mijnheer Van Gent, toen zij uit de troonzaal kwamen, "is ook nog merkwaardig. Hier stond het schavot, waarop de grijze Oldenbarneveld het leven verloor onder beulshanden. En daar vlak over ons is een merkwaardige kapel, de oudste kerk van Den Haag, tegenwoordig in gebruik bij de Roomsen-Katholieken, onder den naam van Hofkerk. Zij heette vroeger de "kapel van Maria ten Hove" en is waarschijnlijk door Graaf Willem II gebouwd en door diens zoon Floris V voltrokken. In deze kapel woonden de vroegere graven van Holland en Zeeland de godsdienstoefeningen bij. Na de Hervorming werd zij tot een Gereformeerde kerk ingericht, waar, op last der Staten van Holland, in de landtaal en, sedert 1592 vooral ten genoegen van Louise de Coligny, ook in het Fransch werd gepredikt. Toen men bij het verbouwen in 1769, de fondamenten van den muur aan de zijde van het Binnenhof opbrak, vond men daar verscheidene houten en looden grafkisten, waarin zich het gebeente der Oudhollandsche graven bevond."

"En heeft men die beenderen bewaard?" vroeg Frits.

"Men kon 't niet. Zoodra zij met de buitenlucht in aanraking kwamen, vielen zij in elkander. Een der lijken echter, dat in een looden kist lag, was door een sterk vocht vrij wel bewaard. Uit de wonden, welke het aan den hals en in het gezicht had, veronderstelde men, dat dit het lijk van Willem IV moet zijn geweest, die in 1345 in den slag bij Warns tegen de Friezen is gesneuveld. In de kist van Jacoba van Beieren was het hoofdhaar nog ongeschonden bewaard; men heeft dat naar het museum gebracht en daar zullen wij het straks zien."

Daar het te koud was om lang stil te staan, waren zij tot genoemd huis doorgewandeld en beschouwden hier eerst het museum van Japansche, Chineesche en andere curiositeiten en eindelijk, in de laatste zaal, de historische overblijfselen. 't Meest werd de aandacht onzer knapen geboeid door het gewaad, dat Prins Willem I had aangehad, toen hij te Delft door Balthazar Gerards vermoord werd. Duidelijk kon men de plaats zien, waar de kogel was doorgegaan. Daar lag ook het hemd van den grooten man, nog gekleurd van het edel bloed, dat hij voor ons land veil had gehad, de uitgesneden kogel met een paar beentjes, die door het vuurwapen verbrijzeld waren, de pistolen van den moordenaar met zijn sententie, zooals die binnen Delft is uitgevoerd. Verder zagen zij er geuzennappen, geuzenpenningen, zilveren schotels, aan onze grootste zeehelden ten geschenke gegeven, groote haakbussen, oude pieken; ook uit later tijd, den stoel, waarop Chassé in de citadel heeft gezeten, en een geweer, afkomstig van het in de lucht gesprongen schip van Van Speyk.

Maar wat vooral Ben het meest belang inboezemde, was het Oudhollandsche huis in schildpadden kast, eens voor Czaar Peter van Rusland vervaardigd, en dat zulk een duidelijke voorstelling bevat van het ameublement onzer voorouders.

Daarna begaf men zich de trap op naar het schoone museum van schilderijen door oude meesters. Als de tijd niet gedrongen had, zouden de knapen gaarne langer hebben vertoefd voor de ontleedkundige les van Rembrandt, voor den stier van Potter, den veldslag van Wouwerman, en zoo menig stuk dat niet alleen groote kunstwaarde bezit, maar ook zelfs den oppervlakkigen beschouwer door zijn meesterlijk navolgen van de natuur boeit.

"Wij moeten naar huis, jongens," zeide mijnheer Van Gent, "anders krijgen wij knorren van mijn vrouw en--wat erger is--koude koffie."

"Is dit huis gebouwd door Prins Maurits, die vocht in het slag at Newpoort?" vroeg Ben, toen zij de trappen van het museum afgingen.

"Neen, Ben. Het is gesticht door Johan Maurits van Nassau, den held van Brazilië, en gebouwd door den beroemden Jacob van Kampen, den bouwmeester van het paleis van Amsterdam, en Daniël Stalpert. Maar zie nu eens hier. Dit is het standbeeld van Willem den Zwijger, denzelfden, wiens ruiterstandbeeld gij in het Noordeinde hebt gezien."

"En wiens kleeren op het Prins-Maurits-huis waren," zeide Jacob.

Toen zij bij mevrouw Van Gent kwamen, zat deze hen reeds met de koffie te wachten, of liever, ter eere van Benjamin en ten genoegen van den eetlust der vijf andere jongens, met een soort van luncheon of Engelsch ochtenddiner. Onder het vertellen van wat men gezien had, werden verdere plannen voor dien dag besproken. De jongens, zeide mijnheer Van Gent, moesten hun schaatsen medenemen, dan zou men, na eerst de kanongieterij te hebben bezien, een wandeling door het Bosch doen en vervolgens, te midden van de beaumonde van Den Haag, op de vijvers schaatsen rijden. Daarna zou men een bezoek brengen aan het Huis ten Bosch en vervolgens naar huis rijden om te dineeren, terwijl mevrouw Van Gent als voorwaarde stelde, dat zij het verdere van den avond zouden uitrusten en in den huiselijken kring slijten, als wanneer zij ze op een glas warmen wijn met bisschop en wentelteefjes zou trakteeren.

"En dan gaan jelui morgen per spoortrein naar Amsterdam terug," eindigde zij.

"Per spoortrein, Marie?" vroeg Peter. "Dan zal men ons in Broek uitlachen."

"Laat men lachen," zeide Jacob, die alweer meer trek had om rust te nemen, dan zich in te spannen. "Ik vind het voorstel van mevrouw Van Gent lumineus."

"'t Zou een schandelijk eind van onzen tocht zijn," zeide Frits.

"Mevrouw Van Gent is in 't gelijk," zeide Ben. "Wij moeten gaan per railway. Otherwise wij zullen niet zijn in staat om overmorgen te rijden."

"'t Best is, dat wij er ons op beslapen," hernam Lodewijk.

"Ik ben verzekerd, dat mijn voorstel wel zal worden aangenomen, als de jongens van middag gedineerd hebben," hernam mevrouw Van Gent, die berekende, dat ons zestal na den tocht naar het Bosch wel van idee veranderen zou.

"Als mevrouw Van Gent het mij veroorlooft, dan zou ik haar gaarne gezelschap houden, in plaats van mede naar het Bosch te gaan," zeide Jacob, die tamelijk vermoeid was van de morgenwandeling.

"Geneer je niet, Jacob," antwoordde mevrouw Van Gent, die zeer goed begreep wat de reden van Jacobs wellevendheid was. "Ik mag je niet van je fortuin afhouden. Ga gerust mee. Kanongieten heb je nog nooit gezien en een partijtje op de vijvers in het Bosch is ook niet te verwerpen."

"Maar dan zit Mevrouw den geheelen namiddag alleen," hervatte Jacob.

"Inderdaad, geneer je niet," hernam mevrouw Van Gent. "Ik ben wel gewoon aan de eenzaamheid. Mijn man is een groot deel van den dag uit."

Jacob zat er geducht in, toen zijn gewaande beleefdheid zoo werd gerefuseerd. Gelukkig dat Ben hem uit den nood hielp. "Mijn neef is zoo vermoeid," zeide hij. "En daarom hij wenscht te profiteeren van het gezelschap van Mevrouw, because het hem behaagt veel."

"Je slaat den spijker op den kop," hervatte Jacob, die nu maar ruiterlijk voor de waarheid uitkwam.

"'t Mocht je anders weer eens zoo gaan als eergisteren," zeide Karel. "En dan zou je een mal figuur maken op de vijvers in het Bosch."

Toen de knapen het luncheon gebruikt hadden en wat uitgerust waren, gingen zij, behalve Jacob die thuis bleef, met hun schaatsen in de hand naar de kanongieterij, waar mijnheer Van Gent toegang had gekregen en waar men juist aan het gieten was. Daarna wandelden zij het Bosch in, dat, ofschoon van zijn groen beroofd en dus vrij wat minder schoon dan in den zomer, er toch statig genoeg uitzag, om hun bewondering te wekken.

Nadat zij langen tijd in dat heerlijke gedenkstuk van den ouden tijd gewandeld hadden, welks westelijk gedeelte nog eenig denkbeeld geeft, hoe 't er in den tijd van de Batavieren en Kaninefaten uitzag, bonden zij de schaatsen aan en vermaakten zich te midden van een talrijk en uitgezocht publiek van schaatsenrijders, waarbij zij hun oogen uitkeken naar de bonte rij van wandelaars uit de eerste standen des lands, die zich langs de vijvers bewogen.

Daarop bezichtigden zij het Huis ten Bosch, door Amalia van Solms, de weduwe van Prins Frederik Hendrik, ter eere van haar gemaal gesticht: een mausoleum uit den nieuweren tijd. Vooral de Oranjezaal boeide hen lang. Het is een achthoekige zaal met een rond koepeltje in het dak, hetwelk haar een eigenaardig licht schenkt. Terstond bij het binnentreden wordt men getroffen door de heerlijke voorstelling van Frederik Hendrik op zijn triomfwagen met vier witte paarden door Pallas en Mercurius gemend; terwijl de overwinning zijn hoofd met een lauwerkrans kroont en de faam de pijlen afweert, waarmede de dood den held bedreigt. Niet minder trof hun het beeld van den grijzen tijd en de afbeelding van de stichtster zelf met haar dochters, levensgroot en ten voeten uit. Al had men geen andere overblijfselen der Oudnederlandsche schilderschool dan die heerlijke schilderijen uit de Oranjezaal, dan nog zouden deze genoegzaam zijn om den naam onzer oude kunstenaars te vereeuwigen.

Maar 't wordt tijd, dat wij met de jongens naar huis gaan. Ik laat aan de verbeelding mijner lezeressen en lezers over, hoe het diner hun smaakte, hoe genoeglijk zij den avond bij de familie Van Gent doorbrachten, hoe zij naar Amsterdam spoorden en hoe zij toch op schaatsen van de hoofdstad naar Broek reden. Ook wij keeren derwaarts terug.

TIENDE HOOFDSTUK.

DE GEVAARLIJKE OPERATIE.

't Wordt tijd, dat we weder eens een kijkje nemen in de hut van Rolf Brinker, van wien we 't laatst hebben gehoord, toen Hans op weg naar Leiden was.

Wij vinden er dokter Broekman, die, toen hij het briefje van Peter ontvangen had, nog denzelfden dag naar Amsterdam was vertrokken om hulp toe te brengen, waar hij die zoo hartelijk beloofd had. Wij zien hem in een hoek van het vertrek zacht spreken met een jongmensch, student in de medicijnen en zijn assistent. Hans is ook in het vertrek, eerbiedig wachtende, totdat hij zou worden aangesproken. Van hun gesprek verstond hij niets, daar het eensdeels fluisterend werd gevoerd, anderdeels zoo met Latijnsche woorden doorspekt was, dat het toch voor hem geheel onverstaanbaar zou zijn geweest, al hadden zij ook luide gesproken. Maar zooveel begreep hij wel aan hun ernstig gelaat, dat er van iets zeer gewichtigs sprake was, en daarin werd hij versterkt door de woorden van den student:

"Indien er iemand in Holland den armen man kan redden, dokter, dan zijt gij het."

De dokter keek min of meer knorrig over dien lof; want hij wist maar al te wel en had het in zijn langdurige praktijk slechts al te dikwijls ondervonden, dat de kunst wel kan te gemoet komen, wel kan helpen, maar dat er slechts één is die kan redden, en dat is God. Hij wenkte dus Hans, om nader te komen.

"Hoor eens, mannetje," zeide hij op denzelfden vriendelijken toon, als hij vroeger te Buiksloot tegen hem had aangeslagen. "Daar is maar één middel om je vader te helpen, maar ik moet je vooraf zeggen, dat hij onder de handen kan dood blijven; 't is een operatie."

Hans keek den dokter angstig aan.

"En u zegt, dat vader onder uw handen kan sterven," zeide hij met sidderende stem.

"Ja, 't is er op of er onder. Maar ik heb alle hoop, dat de operatie zal gelukken. Intusschen, jij en je moeder moeten decideeren. De operatie is te gevaarlijk, dan dat ik die zonder uw beslissing zou willen ondernemen. Vraag jij dus aan je moeder, hoe zij er over denkt. Want er moet spoedig een besluit genomen worden, daar mijn tijd kostbaar is."

Hans ging naar zijn moeder, vertelde haar wat de dokter hem gezegd had, en eindigde:

"En nu moeder, hoe wilt gij? De dokter wacht op antwoord."

"Ach, Hans, ik weet het niet," zeide zij met bewogen stem. "Beslis jij voor mij en voor jou."

"Maar moeder, hoe kan ik dat?"

"Ach kind! Wat zal ik antwoorden? Je zegt, dat vader onder de handen kan dood blijven."

"Dat kan hij. Maar hij kan ook beter worden."

"Ik weet het niet, Hans, ik weet het waarlijk niet."

"Welnu, antwoord dan, zooals God u dat in 't hart geeft, moeder."

Vrouw Brinker sloeg het betraande oog naar boven, als vroeg zij God om raad. Uit het binnenste van haar ziel steeg een gebed naar den troon des Almachtigen. Een oogenblik later wendde zij zich tot den dokter.

"Gods wil geschiede, mijnheer!" zeide zij. "Ga uw gang!"

Met kalme bedaardheid deed nu dokter Broekman een lederen étui open, waaruit hij verschillende scherpe, blinkende instrumenten haalde, terwijl hij Hans beval, een kom met frisch koud water en eenige doeken te brengen.

Griete had al wat er gebeurde met angstig stilzwijgen gadegeslagen. Toen zij nu den dokter die scherpe instrumenten voor den dag zag halen, vloog zij naar haar moeder toe, sloeg haar armen om den hals der reeds zoo geschokte vrouw en riep uit:

"Ach moeder! ze zullen vader gaan vermoorden--dat zullen ze."

"Ik weet het niet, kind!" schreide vrouw Brinker. "'t Is wel mogelijk!"

"Hoor eens, vrouwtje," zeide dokter Broekman ernstig, terwijl hij tevens een doordringenden blik op Hans wierp, "dat kan zoo niet gaan. Jij en het meisje moeten het huis uit. De jongen kan blijven."

't Was, of er in vrouw Brinker eensklaps een andere geest voer. Zij droogde haar tranen, hief het hoofd fier op en zeide op vasten toon:

"Neen, mijnheer, ik verlaat mijn man niet. Ik blijf bij hem in de ure des gevaars."

Dokter Broekman keek vreemd op. Hij was niet gewoon, dat zijn bevelen in den wind werden geslagen. Maar toen hij de vrouw aanzag en haar vasten, beslissenden blik opmerkte, toen zeide hij kalm:

"Je kunt blijven, vrouw Brinker."

Griete was al verdwenen. Verborgen achter een kist, die in een donkeren hoek van het vertrek stond, bevend over al haar leden, bespiedde zij al wat er in de hut voorviel.

Dokter Broekman en zijn assistent trokken hun overjassen uit. Hans bracht een kom vol water, welke hij op bevel van den geneesheer naast het bed plaatste, en vrouw Brinker kreeg een paar beddelakens uit de kast, overblijfsels van vroegere tijden en braaf versleten, doch voor het gebruik, dat er van gemaakt moest worden, des te beter geschikt.

"Nu Hans, kan ik op je rekenen?" vroeg de dokter.

"Dat kunt u, dokter."

"Zeer goed. Ga jij nu daar staan, dan kan je moeder naast je zitten."

"Hoor eens, vrouwtje," ging hij tot vrouw Brinker voort. "Ik moet je verzoeken, geen kik te geven en niet flauw te vallen."

Vrouw Brinker antwoordde hem slechts met een blik. Hij was tevreden.

Hij wenkte den student. Deze nam de vreeselijke instrumenten van de tafel af en ging er mede naar het bed van den zieke.

Nu kon Griete 't niet langer uithouden. Zij kwam uit haar schuilplaats te voorschijn en snelde de hut uit.

't Was vol op het ijs van de vaart. Waarom ook zouden de kinderen van Broek hun vacantietijd laten voorbijgaan, zonder ruimschoots hun geliefd wintervermaak te genieten? Daar waren er een aantal, al waren onze zes jongens er ook niet bij, en onder deze ook Frans van Bree, de dappere aap zonder staart, zooals Jacob hem genoemd had.

"Wat is dat daar ginds?" riep Frans eensklaps uit, terwijl hij stilstond.

"Wat? Waar? Wat bedoel je?" riepen een dozijn stemmen te gelijk.

"Wel, dat zwarte ding daar bij de hut van den gekken Rolf," hernam Frans.

"Ik zie niets," zeide een der kinderen.

"Ik wel," antwoordde een andere, "'t Lijkt wel een hond."

"Ben je mal? Een hond? 't Is niets dan een hoop oude lorren," hernam Frans.

"Een hoop oude lorren?" herhaalde een ander.

"Je hebt warempel gelijk, Frans, en als ik mij niet bedrieg, is 't die meid uit de hut."

"Ze is het," bevestigde Frans. "Heb ik dus geen gelijk gehad, dat het maar een hoop oude lorren is?"

"'t Is goed, dat haar broer Hans er niet bij is," meende een ander lachende, "anders zou je zoo niet spreken, Fransje."

"'k Ben nog al bang voor hem!" riep Frans dapper uit, daar hij Hans in geen velden of wegen zag. "Zoo'n voddenraper! Hij moest me eens durven aanraken, 'k Ben nog niet bang voor een dozijn zooals hij en voor jou ook niet."

"'k Hou je aan je woord!" riep de andere en reed op Frans toe; maar deze, die zich in zijn bluf wat vergaloppeerd had, koos, tot groot pleizier van de anderen, het hazenpad gevolgd door den vroolijken troep, die de harddraverij wel eens wilde zien.

Eén echter van deze gelukkige kinderen dacht aan die zwarte kleine gedaante daar bij de hut van Rolf Brinker, aan de arme, kleine Griete. De arme Griete! Zij dacht niet aan hen, ofschoon hun vroolijk gelach haar in de ooren drong en haar door de ziel moest snijden: ach! zij hoorde die schaterende tonen slechts als in een droom. Zij hoorde slechts het gekerm daar achter het donkere venster. Hoe! als die vreemde mannen haar vader eens doodden!

Die gedachte deed haar van afgrijzen opstaan.

"Neen, neen," riep zij snikkend uit. "Moeder is er immers, en Hans ook. Zij zullen er wel op passen! Maar wat zagen ze allebei verschrikkelijk bleek! Zelfs Hans stonden de tranen in de oogen."

Een oogenblik later vervolgde zij, terwijl zij schuw naar de hut keek:

"Waarom heeft die oude, knorrige dokter hem laten blijven en mij weggezonden! Ik zou moeder hebben kunnen kussen en haar troosten. Zij houdt zooveel van mij, meer.... Maar wat is 't nu stil in huis. O, als vader sterft, dan gaat moeder ook dood en Hans misschien ook, en wat moet er dan van mij worden!"

En zij verborg haar schreiend gelaat in haar handjes.

Toen kwamen er nieuwe gedachten in haar op.

Waarom had Hans 't alleen aan moeder gezegd, wat de dokter ging doen en niet aan haar? 't Was toch haar vader, net zoo goed als de zijne. Zij was geen klein kind meer. Zij had haar vader eens een scherp mes afgenomen, waarmee hij zich een ongeluk zou hebben toegebracht, als zij het niet belet had. En op dien akeligen avond, toen Hans, zoo groot als hij was, daar bewusteloos in een hoek van het vertrek lag, toen had zij vader van het vuur gelokt en 't was door haar toedoen, dat moeder niet in brand gevlogen was. Waarom moest zij nu behandeld worden, alsof zij er niet bij hoorde?--Ach! wat was het koud! hoe bitter koud! Haar voeten waren als steenen!

Toen ging Griete weer zitten op de plaats, van welke zij was opgestaan, en keek rondom zich en verwonderde zich, dat de lucht zoo helder blauw was en dat het zoo stil in de hut bleef en....

"Wat heeft die dokter een rare lip!" zeide zij eensklaps. "'t Lijkt net een schaats! En wat blonken die messen, welke hij uit dien leeren zak haalde. Misschien nog mooier dan de zilveren schaatsen. Had ik mijn nieuw jacketje maar aangedaan, dan zou ik 't zoo koud niet hebben! Dat nieuwe jacketje is zoo mooi, 'k heb nog nooit zoo iets moois gehad!--God heeft zoo lang voor mijn vader gezorgd; Hij zal 't nu ook wel doen, als die twee mannen maar weg waren.--Kijk, daar staan ze allebei op het dak van ons huis!--Neen, 't zijn moeder en Hans. O, neen! 't zijn maar een paar vogels."

En weder hield Griete beide handjes voor haar oogjes en schreide zóó luid, dat men 't wel in de hut had kunnen hooren.

Eensklaps voelde zij een vreemde hand op haar schouder leggen.

"Sta op, Griete," zeide een vreemde stem. "Sta op kind! Anders heb je nog kans om te bevriezen."

Griete keek verschrikt op. 't Was de lieve Hilda de Bruyn.

"Sta op, Griete, en ga in de hut," vervolgde het lieve meisje. "Is dat nu weer, om buiten op de steenen te zitten?"

"O, neen, juffrouw," zeide het kind, terwijl zij opstond en tegen Hilda aanleunde, "ik ga niet in de hut, want de dokter is er in en hij heeft mij weggestuurd."

"Zoo, welnu, dan moet je wat gaan loopen, Griete. Want je bent verkleumd van de kou. Ik zag je daar straks wel zitten, maar ik dacht, dat je aan 't spelen waart. Waarom heb je ook je jacketje niet aangedaan?"

"Daar had ik geen tijd voor, juffrouw, want ik ben zoo hard als ik kon de hut uitgeloopen."

"Kom hier, doe mijn jacketje zoo lang aan, totdat je weer in de hut kunt komen," hervatte Hilda, die reeds pogingen deed, om zich van haar eigen winterkleed te berooven. "Als de dokter wist, hoe koud je 't hier hebt, zou hij je wel weer in de hut laten."

"O, juffrouw," riep Griete smeekend uit, "doe als 't u belieft uw jacketje niet uit. Ik ben wel koud, maar zal wel weer warm worden, als ik maar wat beweging neem."

"Nu, 't is goed, Griete. Sla je armen dan maar over elkaar. Maar zeg me, is er een dokter bij je in huis? Is je vader dan erger?"

"Ach, juffrouw! Ik geloof, dat hij sterft!" riep Griete weenend uit. "Er zijn op 't oogenblik twee dokters bij hem, die hem zullen vermoorden. Kunt u hem hier niet hooren kermen? Ik kan 't niet hooren, door het fluiten van den wind."

Hilda luisterde, maar vernam niets.

"We zullen eens door het venster zien, hoe 't met uw vader is," hernam zij. Dit zeggende, ging ze met Griete naar het raam der hut. Maar eensklaps bedacht zij zich.