Part 7
"Ja, wèl vreeselijk. In geheel Leiden zelf bleef er geen glas heel, en 't was zelfs zóó erg, dat men uit Den Haag en andere plaatsen brood moest aanvoeren, omdat de Leidsche bakkers niet konden bakken, daar al hun meel vol glas zat. De slag deed in 's-Gravenhage en Gouda de glazen dreunen en de deuren openspringen en werd zelfs te Arnhem gehoord. Maar ook hier toonde zich de Nederlandsche weldadigheid weder schitterend: meer dan een millioen guldens werd er ingezameld tot leniging van de ramp. En wat ik niet mag verzwijgen, Ben, en wat je zeker machtig veel pleizier zal doen als je 't hoort: in Engeland, dat te dien tijde met ons in zekeren zin in oorlog was, werd een collecte voor Leiden gedaan, die vrij wat opbracht."
Ben's gelaat blonk van genoegen over de lofspraak, die Peter aan zijn volk bracht; want onder de deugden der Engelsche natie is er een, die zij somtijds zóó ver drijft, dat het een ondeugd wordt: nationaliteit.
"En heeft je papa je geen bijzonderheden van die ramp verteld?" vroeg Frits.
"O ja, en ik wil er je wel een paar van meedeelen, die ik nog onthouden heb, als ik de namen nog maar weet," antwoordde Peter. "Zekere mijnheer Van Staveren, bij wien papa dikwijls aan huis kwam, zat in zijn woonvertrek te schrijven, terwijl zijn vrouw met haar eenig kindje bij hem in de kamer was. Eensklaps ziet papa's vriend een licht, sneller dan dat van den bliksem, en op hetzelfde oogenblik is hij met al zijn huisgenooten onder het puin bedolven. Vreeselijk gekwetst worden zij er onder vandaan gehaald; doch het arme kind is verpletterd. Dominee Broes, bij wien papa op de catechisatie ging, en diens echtgenoote werden ook onder de puinhoopen van hun huis begraven: zij werden gered, maar hun dienstboden verloren het leven. Gelukkig, dat de departementale school juist uit was; anders had een menigte schoolkinderen het aantal slachtoffers aanzienlijk vermeerderd. Toch waren er nog een twaalftal die tusschen de morgen- en middagschooltijden overbleven, onder wie een zoontje van professor Van der Palm. Al die twaalf kinderen, benevens twee van den onderwijzer zelf, werden levenloos onder het puin vandaan gehaald. Onder de vreeselijke gevallen, welke papa zich nog herinnert, is ook dat van een gezelschap van veertien personen, dien morgen met een pleizierjacht uit Den Haag gekomen. Zij zaten juist aan een vroolijken maaltijd bij den heer Struick, toen eensklaps het huis boven hun hoofden instortte en ze allen in een oogenblik een prooi des doods werden. Gelukkig was de vacantie der academie nog niet uit en werd er geen student gemist: twee professoren echter, de heeren Luzac en Kluit, lieten bij het ongeval hun leven."
"Vreeselijk!" riepen Ben en Frits uit. "En hoeveel menschen kwamen er wel bij om?"
"Honderd en vijftig, en ongeveer twee duizend werden er gekwetst. Maar daar zijn wij aan het museum van oudheden."
Welke groote oogen zetten zij op bij het zien van die verzameling van mummies, van welke sommige wel drie duizend jaren oud waren!
"Zonderling denkbeeld!" riep Frits uit. "Die menschen hebben vóór drie duizend jaren door Thebe's straten gewandeld, hebben gesproken, gedacht, bemind en gehaat...."
"En hun gelijken onderdrukt, die voor hen in 't stof bogen...." voegde Peter er bij.
"En ze hebben thans geen macht, om een vlieg weg te jagen, die over hun neus loopt," zeide Lodewijk.
Behalve de mummies der volwassenen, zagen zij er van kinderen, katten, ibissen en andere dieren. Ook de mummie van de dochter van Koningin Cleopatra in haar groote kist. Verder allerlei huishoudelijke zaken, kleederen, sieraden, wapenen, muziek-instrumenten, kortom, allerlei dingen, die hun een klaar denkbeeld gaven van de zeden en gebruiken der oude Egyptenaren. Ook bezagen zij er verschillende overblijfselen van het oude Rome en Griekenland; ook enkele, die niet ver van Den Haag zijn opgedolven op Arentsburch, waar de Romeinen een legerplaats hebben gehad; daarna nog de afgietsels in gips van de schoonste voortbrengselen der Grieksche en Romeinsche beeldhouwkunst.
Van het museum van oudheden begaven zij zich naar dat van natuurlijke historie, waar zij zich vermaakten met het zien van de opgezette dieren en geraamten, der delfstoffen en fossiliën of overblijfselen uit de voorwereld. Daarna bezagen zij den plantentuin, waar zij gewassen uit alle oorden der wereld vonden, maar zich 't meest voelden aangetrokken door een boom, dien men zeide, dat Boerhaave zelf had geplant.
"Is dat die zelfde Boerhaave, die zoo'n groot dokter was?" vroeg Ben.
"Dezelfde," antwoordde Peter. "Hij had zulk een Europeesche beroemdheid, dat er eens een brief uit China kwam met het adres: aan Hermanus Boerhaave in Europa."
"En kwam die terecht?"
"Wel zeker. En wat het mooiste van alles was: uit alle oorden kwamen rijken en aanzienlijken hem als arts raadplegen; maar zij moesten steeds wachten, tot hij zijn armen-praktijk had bediend: want, zeide hij, dat zijn mijn beste klanten, omdat God voor hen betaalt."
Daar 't in het kortst van de dagen was en zij dus niet veel tijd te verliezen hadden, indien zij nog dien avond in Den Haag wilden zijn, begrepen zij, dat zij hun verder bezichtigen van Leiden tot nog twee zaken moesten beperken: het Stadhuis en "Den Burcht".
Het eerste, op de Breestraat staande en vooral beroemd door den tijd van het beleg, is een statig gebouw, uit Bentheimer steen opgetrokken, met een hooge steenen trap van twintig treden aan elke zijde, en bevatte, behalve de beroemde schilderij van den vermaarden Lucas van Leyden, voor welke Keizer Rudolf II eens zooveel dukaten heeft geboden als er noodig waren om haar te bedekken, nog een van den hongersnood gedurende het beleg, en een andere, waar Van der Werf wordt voorgesteld op het oogenblik, dat hij zijn heldhaftige taal tot de Leidsche burgerij richt. Ook bezagen zij daar met belangstelling overblijfselen van het beleg: den pot van Schaak, twee opgezette duiven, die als briefposten hebben gediend, het zwaard van Van der Does, alsook verschillende noodmunten, gedurende de belegering geslagen, zaken die thans meerendeels naar het Stedelijk Museum zijn verhuisd.
Na alles bezichtigd te hebben en een oogenblik te hebben stilgestaan bij de schilderij, voorstellende een moeder, die aan de pest sterft, begaven zij zich naar "Den Burcht", destijds een logement.
"Wij zullen hier koffie drinken," zeide Peter.
"En wat eten ook," zeide Jacob. "Want van al dat ronddrentelen heb ik mooi honger gekregen."
"Mij is 't goed," antwoordde Peter. "Alleen geef ik je in bedenking, of we ons maal niet zullen bederven, daar ze ons in "De Roode Leeuw" met het middagmaal wachten."
"Nu, een broodje met ossenvleesch zal ons maal niet bederven," zeide Karel, die ook zijn maag geducht voelde jeuken.
"Je hebt gelijk," hernam Peter, en dit zeggende, stapte hij met zijn makkers het hek van het zich aan den voet van "Den Burcht" bevindende logement in.
Hoe ferm onze jongens ook tegen de kou konden praten--het rondwandelen door de kille zalen der museums had hen koud gemaakt, en, al waren zij in de trekkassen van den plantentuin een weinig bekomen, zij waren weer door en door koud geworden bij het bezoek op het Stadhuis. Recht aangenaam was hun dus de ferm gestookte kachel in het logement "Den Burcht", en met volle teugen genoten zij de dampende koffie, die hen, in vereeniging met de broodjes met vleesch, geheel en al restaureerde. Intusschen hadden zij 't gezicht op "Den Burcht".
"'t Schijnt te zijn een oud gebouw, die burcht," zeide Ben.
"Dat zou ik meenen," antwoordde Lodewijk. "Hij moet nog uit den tijd der Romeinen zijn, die hem gebouwd hebben, zooals zij 't andere dergelijke gebouwen deden, om het volk des lands van uit die burchten te onderdrukken. Tevens heeft hij nog een historische waarde: want het was op hem, dat Gravin Ada, de dochter van Dirk VII en Aleid van Cleef, belegerd is geworden."
"Dat was tijdens de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten, niet waar?" zeide Ben.
"Wel neen, mijn Engelsche vriend," zeide Lodewijk lachend. "Nu heb je 't heel en al mis. Onze gravin Ada leefde evenmin tijdens de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten als jelui Koningin Elisabeth tijdens den twist tusschen de Roode en Witte Roos. Gravin Ada werd hier in 1203 belegerd en de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten begonnen in 1349."
"En duurden tot 1493; dus bijna honderd en vijftig jaren," voegde Frits er bij, die ook eens zijn historische kennis wilde laten luchten. Daar ik vertrouw, dat mijn lezeressen en lezers wel wat op de hoogte zijn der geschiedenis van ons vaderland, zal ik hun het verhaal niet mededeelen, dat Lodewijk aan Ben deed van de korte, maar rampspoedige regeering der ongelukkige gravin.
Toen onze knapen genoegzaam gerestaureerd waren, beklommen zij de acht en zestig treden, langs welke men aan den zes ellen hoogen muur komt. Daarop traden zij door de met gebeeldhouwde wapens voorziene poort binnen en bestegen de hoogte, die langs den met zes en dertig kanteelen bezetten muur loopt, en van waar zij een uitlokkend gezicht over de stad Leiden hadden. Daarna bezagen zij den put, waarin door een machine het water werd gepompt, hetwelk door onderaardsche pijpen werd geleid naar de in 1691 gebouwde fontein op de Vischmarkt, die alle Zaterdagen springt.
"Van dezen put wordt nog een aardige bijzonderheid verteld, die gedurende het beleg in 1203 plaats had," zeide Lodewijk. "Toen genoegzaam alle leeftocht was uitgeput, ving een der soldaten in dien put een levenden visch, dien men den belegeraars toewierp, opdat zij mochten denken, dat de belegerden nog toevloed van buiten hadden en dan het beleg zouden opbreken. Maar 't hielp hun niet; een paar dagen later moesten zij zich toch overgeven."
"Er zijn allerlei dwaze vertelsels van dezen put," merkte Frits aan, "die echter geen van alle den minsten schijn van waarheid hebben. Zoo heb ik mij onder andere eens laten verhalen, dat deze put met een onderaardsche gang in verband stond, die tot Katwijk doorliep."
"Als dat was waar," zeide Ben, "Gravin Ada zou zich niet gevangen hebben laten nemen, zooals zij deed."
"Natuurlijk niet," hernam Frits.
Nadat zij "Den Burcht" genoegzaam bezien en hun vertering betaald hadden, wandelden zij naar "De Roode Leeuw" terug, waar zij, na het door de dochter van den kastelein lekker gereedgemaakte diner, nog een uurtje uitrustten en met hun waard afrekenden. Kort daarna stonden zij, met hun schaatsen ondergebonden, op de trekvaart, die van Leiden naar 's-Gravenhage loopt en den naam van "Vliet" draagt.
NEGENDE HOOFDSTUK.
HOE ONZE REIZIGERS IN DEN HAAG ONTVANGEN WERDEN.
"Ik dacht, dat je de reis hadt uitgesteld," zeide mevrouw Van Gent, de zuster van Peter en Lodewijk, toen de zes knapen door de dienstmaagd in de woonkamer waren gelaten. "Ik had je al voor den eten gewacht en stellig op je gerekend. En daar kom je me nu in den donker aanzetten."
"Wat zal ik je zeggen, Marie," zeide Peter. "We hebben den dag besteed, om Leiden eens te zien. Je bent er toch niet boos om?"
"Boos?--In 't geheel niet. Integendeel, ik ben heel blij dat je gekomen zijt. Maar gaat zitten. En zijn dat je kameraads? Nu, jongens, je moet je tijd maar goed besteden in ons mooi Haagje. Daar is ook wat te zien, dat verzeker ik je."
Nadat onze knapen waren gezeten en Peter alle vragen naar de familie had beantwoord, zeide mevrouw Van Gent:
"En nu zul je wel honger hebben ook. Ik zal zorgen, dat je binnen een half uur je middagmaal hebt."
"Doe maar geen moeite, Marie," antwoordde Peter. "We hebben te Leiden reeds gedineerd en dus geen behoefte aan middageten. Je zoudt ons meer pleizier doen met een paar boterhammen en een kop thee."
"Die zul je hebben," antwoordde mevrouw Van Gent, terwijl zij de meid schelde, om het noodige te brengen.
Toen onze jongens nu rondom de tafel zaten, bij de gezellige carcellamp en den niet minder gezellig vlammenden haard, kwam mijnheer Van Gent thuis.
"Welzoo, ben jelui toch gekomen?" zeide hij, terwijl hij ieder der knapen hartelijk de hand reikte. "Kom, dat is goed. Marie had je al uitgeschrapt. Toch niet van morgen pas van Broek gegaan, denk ik?"
"Gistermorgen, François," zeide Peter. "En wel vóór dag en dauw."
"Dan hadt je ook wel wat vroeger hier kunnen zijn, dunkt mij."
"Als er geen bijzonderheden te zien waren geweest in Haarlem en Leiden," zeide Lodewijk.
"Ha, zoo! Heb je daar je tijd aan besteed? Kijk, dat bevalt me. Nu, dan zal ik zorgen, dat je hier ook al het merkwaardige ziet. Je blijft toch zeker tot na Nieuwjaar?"
"Wij zijn van plan, om overmorgen vroeg weer te vertrekken," zeide Peter.
"Dat kun je begrijpen. Overmorgen! Daar komt niets van, beste vriend!"
"Maar ze wachten ons thuis," hervatte Peter.
"Dat doet niets tot de zaak. Je schrijft morgen een brief naar Broek en meldt daarin, dat je tot na Nieuwjaar hier blijft."
"Dat zouden we niet kunnen," hernam Peter. "We moeten den dertigsten te Broek zijn: want dan is er een groote wedren op schaatsen, en dien kunnen we niet verzuimen."
"Dat spijt me. In vredesnaam! Dan moeten we morgen onzen tijd maar goed besteden. Doch verhaal me nu eens, hoe je 't op je reis van Broek hierheen gehad hebt?"
De jongens verhaalden nu de lotgevallen, welke zij op hun tochtje gehad hadden. Toen zij aan hun nachtelijk avontuur kwamen, zeide mevrouw Van Gent:
"Maar hoe kon je ook zoo dwaas zijn, om in zulk een logement te kruipen?"
"Wat zal ik zeggen," antwoordde Peter. "We hadden ons door den voerman om den tuin laten leiden, en toen wij er eenmaal in waren...."
"Had Jacob geen lust om verder te zoeken," voegde Karel er bij.
"Alsof ik 't alleen was," zeide Jacob. "Er waren nog wel anderen, die even moe waren als ik."
"Nu, hou je maar niet groot, vriendlief," zeide Frits. "Trouwens, 't is je niet kwalijk te nemen. Je hebt vrij wat meer mee te sleepen dan wij."
"Dat heeft hij," bevestigde mevrouw Van Gent. "En nu--wat zijn de plannen voor morgen?"
Mijnheer Van Gent ontwikkelde zijn plan voor den volgenden dag. Daar wij echter ons zestal op de uitvoering daarvan zullen vergezellen, wil ik dat niet mededeelen en zullen wij ook de verdere gesprekken van dien avond niet beluisteren, maar laten wij liever de jongens wat tijdig naar bed gaan, om den volgenden morgen vroeg bij de hand te zijn.
"Je zult je wat moeten behelpen, jongens," zeide mevrouw Van Gent. "Ik ben niet ingericht op zes logés en dus zul je twee aan twee moeten slapen. Ik heb gedacht, als Peter en Lodewijk, Jacob en Ben, Karel en Frits samen wilden slapen, dan zou dat heel goed gaan."
"Opperbest!" zeide Peter, die den hemel dankte, dat hij niet weer naast de mummie zou behoeven te liggen en van een ijsberg van duizend voet zou droomen.
Ook de anderen vonden die schikking goed, en zoo trok men reeds om tien uur naar bed. Dat was een ander logies dan den vorigen nacht. Ieder tweetal had een afzonderlijke kamer, keurig gemeubeld en van een ledikant voorzien, zóó ruim, dat er wel drie jongens naast elkander hadden kunnen liggen, zonder elkander te hinderen. En dan zulke heerlijke bedden en zoo'n lekker dek! En op elke kamer een brandend nachtlicht--hetgeen den jongens trouwens niet kon schelen, daar zij toch met hun oogen toe sliepen en in het donker net zoo goed konden zien als zonder licht. 't Duurde dan ook niet lang, of zij lagen te slapen als rozen en droomden.... doch hoe zal ik u de droomen van zes levenslustige knapen vertellen? Daarenboven--droomen is bedrog.
't Was nog niet geheel en al licht, toen mijnheer Van Gent onze knapen kwam wekken. En ofschoon zij zich nog gaarne eens hadden omgekeerd en Jacob wel een weinig bromde, toen Ben hem een paar fiksche stompen gaf om hem geheel en al wakker te maken, waren zij toch spoedig uit hun bed en deed het hun veel genoegen, dat de kachels op hun logeerkamers reeds ferm snorden en zij zich op geen koude vertrekken behoefden aan te kleeden.
"Wel, hoe hebt jelui geslapen?" vroeg mevrouw Van Gent, die hen reeds aan de ontbijttafel zat te wachten, toen zij al heel spoedig, nadat ze geroepen waren, beneden kwamen.
"O, uitmuntend," antwoordde Frits. "Alsof we thuis waren."
"En heeft Jacob u niet bloot gewoeld, Ben?"
"Neen, hij heeft gedragen zich fashionably" antwoordde Benjamin.
"En jij bent van geen ijsberg van duizend voet gevallen, Peter?"
"Ik heb veel te warm gelegen, Marie, om van ijsbergen te droomen," antwoordde de aangesprokene.
Onder vroolijke gesprekken ging het ontbijt voort. Toen men geëindigd had, keek mijnheer Van Gent op zijn horloge.
"'t Wordt onze tijd," zeide hij. "Komt, jongens, maakt je klaar! Het rijtuig zal wel dadelijk voorkomen en we moeten zorgen, dat de paarden geen koude voeten krijgen; anders mochten ze wel elk vier stoven onder hun beenen hebben."
Er behoefde geen tweede sein te worden gegeven. Als een troep wilde ganzen stormden de jongens naar hun kamers en kwamen kort daarop gekleed en gereed binnen, waar zij ook mijnheer en mevrouw Van Gent in de kleeren vonden.
't Was dan ook hoog tijd: want op hetzelfde oogenblik kwam er een heerlijke barouchette voor, waarvan de glazen natuurlijk alle toe waren. De tocht ging naar Scheveningen.
"Wij zullen eerst den nieuwen weg nemen, die langs 't Kanaal is aangelegd," zeide mijnheer van Gent.
En zoo deden zij en reden den over de duinen gebaanden weg op, die langs het groote kerkhof loopt en recht tegenover het badhuis uitkomt. Hier gebruikten zij wat en wandelden langs het strand tot aan het dorp Scheveningen, waarheen het rijtuig vooruitgezonden was.
Al de jongens waren opgetogen over de zee, die op dat oogenblik echter al te kalm naar hun zin was, en het speet Ben, dat hij geen verrekijker bij zich had, die vèr genoeg droeg, om Engeland aan de overzijde te zien, waarover allen hartelijk lachten.
"Dat is het paviljoen, in 1826 door Koning Willem I voor zijn gemalin gesticht," zeide mijnheer Van Gent. "'t Is in Toskaanschen stijl gebouwd."
Veel pret had ons zestal in de kleeding der Scheveningers, vooral in die der kleine meisjes, die volmaakte miniatuur-Scheveningsters waren.
"In vroegere eeuwen," zeide mevrouw Van Gent, "hadden de Scheveningers er pret in, hun vrijsters te doopen en in te zouten."
"In te zouten!" herhaalden vier stemmen te gelijk.
"Ja, in te zouten. In de maand Mei, als wanneer men nog op Scheveningen een feest houdt voor het verhuizen van de eene pink op de andere, noodigden de jonge knapen hun vrijsters uit, om met hen naar het strand te gaan en een zeeluchtje te scheppen. Dan was het strand gezaaid met menschen. Op 't onverwachts echter nam iedere knaap zijn meisje op de armen en droeg haar, ondanks haar tegenspartelen, een geheel eind in zee. Daar gekomen, doopte hij haar in het water, zoodat zij droop, en droeg haar vervolgens naar de duinen, waar hij haar in het zand rolde."
"Die meisjes zullen er fraai hebben uitgezien", zeide Jacob. "Maar die gewoonte bestaat nog in Zeeland; ten minste zij bestond nog ten tijde van Bellamy."
"Die 't ons in zijn "Roosje" zoo naïef beschrijft," voegde Peter er bij.
"Daar is echter het inzouten, voor zoover mij bewust is, niet in de mode," zeide mijnheer Van Gent. "Ook geloof ik niet, dat zij er hun vrijsters doopen. Dit gebruik hier echter, dat al zeer oud moet zijn en niet meer in zwang is, kostte eens een adellijke dame van een onzer eerste geslachten het leven."
"Inderdaad," zeide Ben. "O, pray, doe vertellen dat eens."
"'t Was een jonge gravin van Egmond. Met haar verloofde, een Duitschen Graaf, aan het strand wandelende, had zij veel vermaak in die Meipret. Op eens neemt de graaf, die zeker wilde toonen, hoe weinig bang hij voor het groote water was, en wel te galant zal geweest zijn, om zijn adellijke beminde den zeedoop te doen ondergaan, de gravin op en draagt haar in zee. Door haar tegenspartelen bezeert zij zich aan zijn degen--en deze wond, waarin het koud vuur kwam, kostte haar het leven."
Aan het dorp gekomen, stapte men weer in het rijtuig.
"Die kerk," zeide mevrouw Van Gent, "stond vroeger midden in het dorp."
"Is zij dan verzet?" vroeg Frits.
"Wel neen, maar bij de verschillende hooge vloeden, door welke Scheveningen geteisterd is, zijn al de huizen, die aan den zeekant stonden, weggespoeld."
"Vreeselijk!" riep Jacob uit.
Men reed nu den schoonen, met boomen beplanten weg langs, naar het plan van Constantijn Huijgens aangelegd, en gedacht bij het voorbijrijden van "Zorgvliet" aan onzen volksdichter Jacob Cats, die deze plaats heeft aangelegd, wiens gedichten bij onze voorouders in huis- en pronkvertrek een plaats hadden naast den Staten-Bijbel en van wiens zinrijke spreuken er nog ten huidigen dage in den mond van het volk leven. Daarna reden zij het schoone Willemspark met zijn prachtige villa's door, bewonderden de Alexanderstraat en de Mauritskade, en lieten zich brengen tot aan het oude paleis in het Noordeinde, waar zij uit het rijtuig stapten, dat mevrouw Van Gent naar huis zou brengen, nadat deze haar man wèl op 't hart gedrukt had, om toch tegen het koffiedrinken thuis te zijn, daar de jongens anders flauw zouden vallen van den honger.
"Hier staan wij nu tusschen twee paleizen," zeide mijnheer Van Gent, nadat het rijtuig was weggereden. "Dat aan uw linkerhand is het oude huis van Van Wassenaar Obdam en heeft zijn front op den Kneuterdijk."
"Is dat van den admiraal Van Wassenaar Obdam, die in den tweeden Engelschen oorlog in de lucht vloog?" vroeg Peter.
"Van denzelfden. Een graftombe is voor hem opgericht in het koor der Groote Kerk."
"Daar hij wel toch zelf niet ligt onder," zeide Ben.
"Natuurlijk niet. Het paleis aan onze rechterhand is dat van onze tegenwoordige koningin. Jammer, dat H. M. thans in Den Haag is; anders zou ik het u laten zien. Het is prachtig en vorstelijk gemeubileerd, dat kan ik u verzekeren. Dat ruiterstandbeeld is van Willem den Eersten, den grondlegger onzer vrijheid. Het werd hier geplaatst door Koning Willem II en munt uit door zijn schoone vormen en stoute conceptie."
Toen zij het Heulstraatje doorgewandeld waren, bleef mijnheer Van Gent staan.
"Ziet nu aan uw linkerhand, daar in den hoek staat het voormalig paleis van Willem II; een paar huizen verder ziet gij het huis, waarin Oldenbarneveld gewoond heeft; die kerk op den hoek van dat straatje is de Kloosterkerk, waarin Prins Maurits ging om de voorkeur te doen zien, welke hij den contra-remonstranten wilde betoonen, en verder op is een schoon hardsteenen gebouw met breede trap, waarin eens een beruchte prefect van het Departement der Zuiderzee, baron De Stassart, woonde en dat tegenwoordig is ingericht tot koninklijke bibliotheek en bewaarplaats van een aanzienlijke verzameling gouden, zilveren, bronzen en koperen munten. Als gij langer bleeft, zou ik èn de bibliotheek èn het penningkabinet eens met u bezoeken; nu echter gaan wij den Kneuterdijk op."
"Is hier niet het huis van den Raadpensionaris Jan de Witt?" vroeg Peter. "Ik meen ten minste te hebben gelezen, dat dit op den Kneuterdijk stond" [8].
"En ik herinner mij, dat Gijsbert Karel van Hogendorp ook op den Kneuterdijk gewoond heeft," voegde Frits er bij.
"Dan moeten we ook kort bij de Gevangenpoort en 't Groene Zoodje zijn," zeide Karel.
"Wacht maar, ik zal je alles wijzen. En misschien nog meer dan je wel weet," antwoordde de heer Van Gent, die er recht schik in had, dat de jongens zooveel historische kennis en zooveel lust tot onderzoeken hadden. "Hier aan onze rechterhand heb je het huis van Van Hogendorp, en daarnaast is de woning van onzen onsterfelijken Jan de Witt, waarin ook zijn zwager Van Swijndrecht woonde."
Met aandoening beschouwden onze knapen het huis, waarin eens zulk een groot man geleefd, gedacht en gewerkt had. Zoo ging men voort tot op de Plaats.