Part 6
Peter vertrok nu met Frits en Benjamin, onder het geleide van een kleinen jongen uit de herberg, die afschuwelijk plat Leidsch sprak en hem tot vervelens toe "menhair" noemde, maar hen toch goed terechtbracht. Zij vonden dokter Broekman niet in "De Gouden Engel". Hij was dien namiddag naar 's-Gravenhage vertrokken en zou eerst den volgenden dag tegen den middag terugkomen. Peter zei den kastelein, dat hij een brief voor den dokter zou bezorgen, dien de logementhouder hem beloofde, dezen terstond bij zijn aankomst ter hand te zullen stellen, wandelde met zijn makkers de Breestraat op en keerde daarna in "De Roode Leeuw" terug, waar Jacob een tukje zat te doen en de beide anderen hen met een lekker kopje thee zaten te wachten.
Intusschen waren onze drie jongelieden niet meer de eenigen, die zich in de gelagkamer bevonden. Er waren twee mannen gekomen, blijkbaar voerlieden, hetgeen men bemerkte aan de lange zweepen, die tegen den schoorsteenmantel stonden. Peter kon niet zeggen, dat hij dit gezelschap heel pleizierig vond, en hij zag wel aan het gelaat van zijn makkers, dat zij er ook zoo over dachten. Frits Verdam, die bij een boekverkooper op de Breestraat een plaat gezien had, waarop eenige struikroovers bezig waren, een reisgezelschap uit te plunderen, fluisterde Peter in het oor: "Die eene kerel lijkt net op den roover, die op de Breestraat de arme dame het pistool op de borst zette." Karel Schimmel, die dat hoorde, keek angstig naar den hoek van den haard, waar de mannen half zaten te slapen. En inderdaad, een van de beide nieuw aangekomenen had wel iets in zich, om vrees te boezemen. Naar het scheen was hij de knecht van den andere, die een rond, vriendelijk gelaat had en dapper snurkte. Of hij echter werkelijk sliep, dan of hij zijn loerende oogen tusschenbeide op de welgekleede knapen wierp, durf ik niet verzekeren; wel, dat zijn verwilderd haar, zijn ongeschoren baard, zijn mager beenig gelaat, gevoegd bij zijn haveloozen pijjakker, zijn gelapte broek en smerige klompen, bijzonder geschikt waren, de vroolijke gesprekken der knapen te doen verstommen, zoodat zij op 't laatst bijna fluisterend spraken. Gelukkig dat beiden, na een drietal glazen jenever gedronken, een paar pijpen stinkende tabak gerookt en hun avondeten gebruikt te hebben, den kastelein bevalen, hun hun slaapplaats te wijzen, en met hem de gelagkamer verlieten.
"Goddank, dat zij weg zijn!" riep Karel Schimmel uit, toen de deur achter hen dicht ging. "Als 't zoo laat niet was en wij hadden ons logies niet reeds betaald, dan zou ik er wel vóór zijn, om een ander logement op te zoeken. Die eene kerel is in staat, ons allen te vermoorden."
"Ik zou je bedanken," zeide Jacob, die zijn laarzen sedert lang had uitgetrokken en een paar pantoffels aangeschoten, welke hij van de dochter van den kastelein geleend had. "Ik ben waarlijk reeds blij, dat ik niet verder dan van hier naar onze slaapkamer behoef te gaan, en er dan nu nog op uit te snijden, om een logement te zoeken! Ik ben zoo bang niet voor dien man. Hij is misschien niet zoo kwaad als hij er wel uitziet."
"We moesten den kastelein, dunkt mij, maar zeggen, dat hij het avondeten op tafel zet," zeide Peter, "ofschoon ik er niet veel van gebruiken zal: want ik heb van middag copieus gegeten."
"Ja, dat is goed," zeide Jacob. "Ik begin mooi slaap te krijgen en naar bed te verlangen."
"Jij slaap te krijgen!" riep Frits lachend uit. "Je hebt den ganschen dag nog niets anders gedaan dan slapen. 't Is jammer, dat de tijd der toovernimfen over is; anders kon je naar de schoone slaapster in het bosch gaan en honderd jaren lang slapen."
"En dan zou ik wel de prins willen zijn, die in het bosch jaagde," zeide Frits.
"Om onzen dikken vrind wakker te maken," schertste Lodewijk. "Waarlijk, daar zou niet veel eer aan te behalen zijn."
"Neen, om de schoone prinses te doen ontwaken (want er moest natuurlijk een schoone prinses bij zijn) en dan met haar te trouwen."
"Ei, ei, je bent ook niet mal!" riep Lodewijk lachend uit. "'t Is maar jammer, dat er op Broek geen andere prinsessen zijn dan Hilda en Truida."
"Of Kato," voegde Peter er bij. "Maar daar komt de kastelein.--Wees zoo goed, ons avondeten klaar te zetten, hospes!" zeide hij tot dezen.
Onder vroolijke gesprekken ging de avondmaaltijd voorbij, en, ofschoon Peter niet veel honger had, deed hij dien toch tamelijk eer aan.
Onze knapen bleven, na het gebruik van het avondeten, niet lang meer zitten, maar lieten zich, zoodra zij gedaan hadden, naar hun slaapkamer brengen. Het was gansch geen vriendelijk vertrek, waar zij hun nachtverblijf zouden houden; een donker, smerig behangsel en een houten, lichtbruin geverfde vloer, terwijl de neteldoeksche gordijnen voor de ramen met kleine vuile ruiten, die het licht der maan, welke zoo pas opgekomen was, doorlieten, het kille van het vertrek nog kouder maakten. Maar onze jongens hadden te veel slaap, om zich lang uit te kleeden. Het duurde dan ook niet lang, of Peter, die 't laatst was opgebleven, deed den domper op zijn kaars en stapte in zijn bed, waarin Jacob zich reeds lekker in de dekens gerold had.
"Nacht, jongens!" zeide de kapitein, toen hij in het bed stapte.
Slechts vier stemmen antwoordden--Jacob alleen gaf antwoord door zijn snurken.
"Hoort eens, jongens," zeide Karel, die naast Lodewijk lag. "Je moogt wel niet snurken: want Lodewijk ligt al te beven van angst."
"Ja, van kou; ik zou niet weten, waarvoor ik bang zou zijn."
"Hou je nu maar goed, man," antwoordde Karel. "Ik weet toch, dat je benauwd bent voor dien roover van hedenavond."
"Nu, dan ben ik maar bang. Gelukkig, dat ik achteraan lig. Als hij ons dan vermoorden wil, pakt hij jou 't eerst bij de keel."
"Slapen gaan, jongens!" riep de kapitein. "We moeten morgen niet te laat op. Goeden nacht dus!"
Om de waarheid te zeggen, had Lodewijk te veel slaap om te disputeeren, en het duurde niet veel langer dan vijf minuten, of men hoorde uit de drie ledikanten slechts het gesnurk der schaatsenrijders.
't Was in 't holst van den nacht. De maan scheen helder op den vloer der kamer, op welken zich iets zwarts bewoog, dat de jongens geen van allen vermoedden of zagen. Slapende jongens denken aan geen gevaar. De dikke Jacob had zich intusschen al eens in zijn slaap omgedraaid en, ongelukkig voor Peter, juist naar die zijde, dat hij zich als een Egyptische mummie in de dekens rolde en daardoor het deel, dat zijn buurman in het dek toekwam, met zich nam. De mummie lag nu warm en wel naast den bevrozen Peter, die natuurlijk in zijn droom uit al zijn macht over de ontoegankelijkste ijsbergen schaatsen reed.
Zooals ik u reeds zeide, bewoog zich in het maanlicht een zwarte gedaante over den bruin geverfden vloer--langzaam en behoedzaam als een tijger, die zijn prooi beloert.
"Word toch wakker, Lodewijk! Dat is de roover, voor wien Karel zeide, dat gij bang waart."
Maar Lodewijk wordt niet wakker.--Hij snurkte, alsof hij nooit wakker moest worden.
Hoort Karel 't dan niet? Die dappere Karel, die zooveel pleizier had, omdat hij meende, dat Lodewijk bang was?
Wel neen, Karel droomt van de hardrijderij.
En Jacob, Frits of Ben?
Ook zij hooren 't niet. Ook zij droomen van den wedloop. Kato zingt in hun droomen en Truida is boos, omdat Griete zal meedoen, en Ben hoort het groote orgel weer spelen, waarop de dikke Jacob als organist ageert.
En toch beweegt de zwarte gedaante zich, langzaam, behoedzaam, al nader en nader.
Peter! Kapitein Peter! Word toch wakker! Daar is gevaar!
Peter hoort ons roepen niet. Maar in zijn droom glijdt hij eensklaps van een ijsberg van ruim duizend voet in de diepte en wordt wakker door den schok.
Brr! Wat is dat koud! Hij trekt met wanhopige kracht aan de mummie. Tevergeefs. Laken, katoenen sprei en wollen deken, alles is als een muur om Jacob's dikke en slapende gestalte gewikkeld. Peter werpt een treurigen blik naar het door het maanlicht beschenen venster, daarna op den vloer.
"Heldere maneschijn!" denkt hij. "We zullen morgen mooi weer hebben op onze reis naar Den Haag. Sakkerloot! Wat is dat?"
Hij ziet de zwarte gedaante, die zich over den vloer beweegt of liever nu stilhoudt; want toen Peter zich bewoog, was zij onbeweeglijk gebleven.
Peter houdt zich doodstil en staart onafgewend op de donkere gedaante.
Weder beweegt zij zich, al nader en nader. Door het maanlicht kan de knaap haar duidelijk onderscheiden.
't Is een man, die op handen en voeten kruipt.
De kapitein wil een luid geschreeuw aanheffen; doch hij bedenkt zich bijtijds.
De kerel heeft een blinkend mes in de hand. Dat is een leelijke zaak; maar onze Peter verliest zijn tegenwoordigheid van geest niet. Als de vent zijn hoofd naar hen wendt, heeft hij de oogen gesloten; maar zoodra hij gevoelt, dat hij niet bespied wordt, is zijn blik scherp op elke beweging van den kruipende gericht.
Al dichter en dichter kruipt de dief naar het bed, waarop Jacob en Peter liggen. Op 't oogenblik is zijn rug naar den kapitein gericht. Zachtkens legt hij het mes op den vloer neder en strekt zijn arm behoedzaam uit, om de kleeren van den stoel bij Peter's bed naar zich toe te trekken.
Nu is 't Peter's tijd. Terwijl hij zijn adem inhoudt, springt hij op en werpt zich op den rug des roovers, die door het onverwachte en geweldige van den sprong voorover op den grond neervalt. Te gelijk grijpt hij het mes van den kerel, dat op den grond ligt. De roover begint tegen te worstelen, maar als een reus zit Peter op de neergestreken gedaante.
"Als je 't hart hebt, je te bewegen, schoelje," zegt de dappere jongen met zulk een barsche stem, als hij maar kon voortbrengen, "als je je maar een duim verroert, dan steek ik je het mes in je nek. Jongens! jongens! wordt wakker!" riep hij, terwijl hij den zwarten kop naar de laagte drukte en het scherpe mes vlak op den nek des roovers hield. "Helpt een handje! Ik heb den kerel! Ik heb hem!"
De mummie keerde zich om, maar gaf geen ander teeken van leven.
"Op, jongens!" schreeuwde Peter nog luider, terwijl hij den kerel, die begon te worstelen, met zijn mes in den nek prikte. "Lodewijk! Karel! Frits! Ben! Jacob! Ben je dan allemaal dood?"
Dood! dat waren ze in 't geheel niet.
Frits en Ben waren reeds uit het bed gesprongen.
"Wat schreeuw je toch?" riep Frits. "'t Is of het huis in brand staat."
"Wel, ik heb hier een roover gevangen," zeide Peter koel. "Lig stil, schurk of het mes gaat er in!--Jelui ledikant is met een touw aan elkander gebonden. Haalt dat er af, om den schelm te binden. Doe 't maar op je dooie gemak; want als de kerel het hart heeft, om spul te maken, is hij een kind des doods."
Dat Peter zoo kordaat was, kwam, omdat hij gevoelde, dat hij, met dat mes in zijn hand, voor den kerel op 't oogenblik meer dan duizend pond woog. De vent bromde en vloekte, maar bewegen durfde hij zich niet.
Op dit oogenblik sprong ook Lodewijk uit zijn bed. Hij had een ferm knipmes in zijn broekzak. Dat kon nu goeden dienst doen. In een oogenblik waren de gordijnen van het ledikant omhooggeslagen en zagen zij het touw, dat van voren en van achteren aangeknoopt was.
"Ik zal het lossnijden," zeide Lodewijk, terwijl hij met zijn mes den knoop doorzaagde. "Hou hem maar goed vast, Peter!"
"Heb daar maar geen vrees voor," antwoordde de kapitein, terwijl hij den roover de punt van zijn mes liet voelen.
't Duurde niet lang, of het touw was van het ledikant; het was een mooi lang eind.
"Nu, jongens!" beval de kapitein. "Licht nu de armen van den schurk op. Bindt hem de handen op den rug. Zoo is 't goed--neemt mij niet kwalijk, dat ik zoo in den weg zit--bindt hem maar stevig vast."
"Ja, en zijn voeten ook, den schurk!" riep Lodewijk. En zij bonden hem zóó stevig, dat de kerel van pijn kermde.
Thans veranderde de man van toon.
"Ach, lieve jongeheeren!" smeekte hij. "Spaart toch een armen, kranken man, die een slaapwandelaar is."
"Zoo, mannetje!" zei Frits, die nog bezig was om een knoop in het koord aan 's mans been te leggen. "Was je in slaap? Nu, dan zullen we je wel wakker maken."
De kerel mompelde een paar voermansvloeken; toen riep hij op deerniswekkenden toon: "Maakt die touwen los, lieve, beste jongeheeren! Ik heb vijf kleine kinderen thuis. Bij al wat heilig is, ik zal u ieder vier rijksdaalders geven, als gij mij loslaat!
"Niet onaardig," riep Peter lachend uit.
Toen begon de kerel te dreigen en wel zóó verschrikkelijk, dat Lodewijk er bang voor werd. Maar zij bleven hem toch maar dapper binden.
"Houd je mond, mijnheer de huisbreker," zeide Frits. "Bedenk, dat je mes vlak op je hals is. Als je onzen kapitein zenuwachtig maakt, dan sta ik er niet voor in, wat er gebeuren kan."
't Scheen, dat de roover die bedreiging ter harte nam; hij zweeg ten minste.
Juist op het oogenblik bewoog zich de mummie in Peter's bed en richtte hij zich op. "Wat voer jelui toch uit?" riep hij, zonder zijn oogen open te doen.
"Wat we uitvoeren, Jacob?" zeide Lodewijk. "Kom, sta op! Daar is werk voor je aan den winkel. Ga jij eens op den rug van dien kerel zitten, totdat wij onze kleederen hebben aangeschoten; want we bevriezen bijna van de kou."
"Welken kerel?"
"Leve Poot!" riepen de jongens, toen de dikzak met dek en al het bed uitkwam, met een enkelen blik de zaken overzag en nu met zijn zware lichaam naast Peter op den rug des roovers ging zitten.
Nu eerst kermde de kerel terdeeg.
"Ziezoo, blijf jij nu maar op hem zitten," zei Peter.
"Je zult toch geen kou vatten met je dekens om 't lijf. Intusschen zal ik mij aankleeden en met Frits naar de politie gaan. Sakkerloot! Ik ben zoo koud als een visch geworden."
"Waar is Karel?" vroeg Lodewijk, die zijn slaapkameraad miste.
Allen keken rond--Karel was nergens te zien.
"Lieve Hemel!" riep Frits. "Misschien heeft hij den kerel op de trap ontmoet en heeft die hem doodgestoken. Er was toch geen bloed aan het mes?"
"Hij lag nog in het bed, toen ik er uitsprong," zei Lodewijk.
"Maak je maar niet ongerust over hem," zeide Peter lachend, terwijl hij zijn dikken pijjakker vastknoopte. "Kijk maar eens onder de ledikanten."
Dit deden zij; maar Karel was er niet.
Op dit oogenblik hoorden zij een beweging op de trap en een paar seconden later kwam de waard, gewapend met een zwaren ijzeren pook. Zijn dochter volgde hem met de blaaspijp in de eene hand en een brandende kaars in de andere, en daarachter--zoo bleek als een doode en met het angstigste gezicht, dat men zich kan voorstellen--de dappere Karel in zijn hemd.
"Daar is de kerel al, kastelein," zeide Peter, terwijl hij op den gevangene wees.
De kastelein hief zijn pook op om den kerel een slag te geven en de dochter gaf een gil, terwijl Jacob, vlugger dan men van hem zou verwacht hebben, van den rug des gevangenen afsprong.
"Sla hem niet," zeide Peter. "Hij is aan handen en voeten gebonden. Laat ons hem op den rug draaien en zien, wie hij is."
Karel stapte moedig voorwaarts en zeide op dapperen toon:
"Ja, laat ons hem omdraaien, of 't hem bevalt of niet. Gelukkig, dat we hem gesnapt hebben."
"Hé, ben jij daar, Karel? zeide Lodewijk spottend. "Waar heb je toch gezeten, man?"
"Waar ik gezeten heb? Wel, ik heb alarm gemaakt. Mij dunkt, dat dit noodig was."
De jongens keken elkander glimlachend aan; maar zij waren veel te blij en te opgewonden, om Karel verder te plagen. Karel was moedig genoeg. Hij hielp dapper mede aan het omkeeren van den kerel.
Toen de roover nu met het gezicht naar boven lag, nam Lodewijk de kaars uit de hand van het meisje en hield die vlak bij het gelaat van den gevangene.
"Nu moet ik hem toch eens goed zien," zeide hij. "Inderdaad--het is de kerel, die van avond achter de kachel zat."
"Waarlijk, hij is het!" zeide Peter.
Intusschen was de dochter van den kastelein de kamer uitgegaan. Zij kwam een oogenblik daarna weer binnen met een paar smerige klompen.
"Kijk, vader," zeide zij, "'t is dezelfde kerel, die van avond zoo laat met zijn baas hier kwam. 't Was heel onvoorzichtig van ons, dat wij hem zoo dicht bij de jongeheeren lieten slapen."
"Die schurk!" kreet de kastelein. "Hij heeft mijn logement in miskrediet gebracht. Ik ga terstond om de politie."
In minder dan een kwartier waren er twee stevige nachtwachts in de kamer. Nadat zij den kastelein gezegd hadden, dat hij den volgenden morgen vroeg met de zes jongeheeren op het politiebureau moest komen, om hun getuigenis af te leggen, gingen zij met den gevangene heen.
Nu zoudt gij misschien denken, dat de kapitein en zijn volk het verdere van dien nacht geen oog meer loken. Dat weten mijn lezers wel beter. Het kruid is nog niet uitgevonden, dat een jongen, die een goed geweten heeft en vermoeid is, kan beletten om te slapen. 't Duurde niet lang of zij waren allen te bed (dat van Lodewijk en Karel, waarvan de onderlagen waren losgeschoten, lag op den vloer), hadden roover, politie, wedloop, alles vergeten en sliepen allen behalve Karel, die 't maar niet kon vergeten, dat hij zich zoo laf had aangesteld, doch ook spoedig het voorbeeld der anderen volgde en in slaap viel.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
WAT ONZE KNAPEN AL ZOO IN LEIDEN ZAGEN.
't Was tien uren, vóór ons zestal den volgenden morgen beneden kwam.
"Laat hen maar slapen," had de dochter van den kastelein tegen haar vader gezegd. "De moedige jongens mogen hun rust wel hebben na de vermoeienissen van gisteren en den schrik van dezen nacht. En als zij beneden komen, zullen zij een goed ontbijt hebben--daar kunnen zij op rekenen. En wat warms ook."
Nu, zij hadden dan ook ruimschoots gebruik van de gelegenheid tot slapen gemaakt en gevoelden zich recht verfrischt, ja, zelfs Jacob Poot kon niet begrijpen, dat hij den vorigen dag een tocht van Broek naar Leiden had gemaakt. Over 't geheel konden de jongens zich niet voorstellen, dat zij gisterochtend nog in het hartje van Noord-Holland waren; er was dan ook zóóveel gebeurd, dat het hun was, als waren zij reeds een week op reis geweest.
"Goeden morgen, heeren!" zeide de kastelein, toen zij beneden kwamen. "Nu, dat noem ik een gat in den dag slapen. Maar 't is de schuld van mijn Betje. Zij wilde niet, dat Gerrit u riep. Intusschen--gaat nu maar spoedig aan het ontbijt, en, als gij daarmede klaar zijt, dan gaan we naar het politiebureau: want het is hoog tijd, om ons daar heen te begeven.--'t Is waarachtig een mooi geval voor een fatsoenlijk logement. Gij zult echter wel naar waarheid getuigen, heeren, dat gij goed logies en fatsoenlijke behandeling in "De Roode Leeuw" gehad hebt, niet waar?"
"Dat zullen wij," antwoordde Karel. "En tevens, welk aangenaam gezelschap wij er gevonden hebben ook. Jammer dat het op zoo'n ongelegen uur kwam."
De kastelein keek mooi beteuterd toen Karel dat zoo zeide; maar zijn dochter nam het woord en voegde er tamelijk scherp bij:
"Zoo aangenaam was 't u toch niet, jongeheer, als ik bedenk, hoe hard en in welk toilet gij zijt weggeloopen."
Karel Schimmel beet zich op de lippen en mompelde iets, dat niemand verstond; maar hij wachtte zich wel, een woord meer te zeggen.
Na het ontbijt wandelden onze zes jongens, in gezelschap van den kastelein en zijn dochter, naar het bureau van politie. De getuigenis van den kastelein kwam hierop neer, dat een roover, zooals er den afgeloopen nacht een in de kamer zijner loges was binnengedrongen, een ongehoorde zaak voor "De Roode Leeuw" was; dat zijn logement een respectabel logement was, zoo goed als een in Leiden tusschen zijn vier muren stond. Ieder van de jongens legde op zijn beurt getuigenis af en bevestigde, dat de kerel, die werd voorgebracht, dezelfde was, die dezen nacht op hun kamer was geweest. Toen Karel hem zag, sloeg hij de handen ineen, dat de man niet grooter was dan een gewoon mensch; want in zijn getuigenis had hij een reus van hem gemaakt met breede schouders en een vreeselijk uitzicht. Jacob had getuigd, dat hij wakker geworden was door het stampen, dat de roover deed op den houten vloer; maar Peter en de overigen hadden medegedeeld, dat de kerel geen vin verroerd had van het oogenblik, dat hij de punt van het mes op zijn nek voelde, totdat men hem had omgekeerd, om hem van aangezicht tot aangezicht te zien. De dochter van den kastelein dwong den commissaris een glimlach en een der knapen een blos af, toen zij verklaarde, dat, als die knappe jongeheer er niet geweest was, zij allen in hun bed zouden zijn vermoord geworden: "want de schurk had een groot, blinkend mes, bijna zoo lang als uwés arm," en zij geloofde, dat "de knappe jongeheer werk genoeg had gehad om hem onder zich te krijgen; maar de jongeheer was te zedig, om er zich op te beroemen."
Nadat er proces-verbaal was opgemaakt van het getuigenverhoor en dit door den kastelein en zijn dochter, als de eenige mondige getuigen, was onderteekend, werd de schuldige weggebracht en konden onze knapen naar huis gaan.
"De schurk!" riep Karel. "'t Is ferm, dat hij naar de gevangenis gaat. Ze moeten hem maar een jaar of wat geven. Als ik in jouw plaats geweest was, Peter, zou ik den kerel het mes door den hals gejaagd hebben."
"Gelukkig, dat hij dan niet in jouw handen gevallen is, Karel," antwoordde Peter kalm. "Die arme kerel zal er waarschijnlijk slecht genoeg afkomen, daar 't mij uit het verhoor is gebleken, dat hij al vroeger in handen der justitie is geweest, en de omstandigheid, dat hij van nacht een mes bij zich gehad heeft, nogal verzwarend schijnt te wezen."
"Arme kerel!" mompelde Karel luid genoeg, om door Peter verstaan te worden. "Je praat er warempel over alsof 't je broer was."
"Is hij dan mijn broer niet?" vroeg Peter. "Hij is 't net zoo goed van jou als van mij. En kun jij zeggen wat wij onder gelijke omstandigheden zouden gedaan hebben? Schier van onze geboorte af aan, hebben onze ouders ons van het kwade teruggehouden. Was die man in een goed huisgezin en door zorgvuldige ouders opgevoed, wie weet, welk een braaf mensch er van hem geworden was."
"Dat is nobel van je gesproken, Piet," zeide Frits Verdam, terwijl hij hem de hand drukte. "Maar Karel heeft het zoo kwaad niet gemeend."
"Ik was hardvochtig," zeide Karel, terwijl hij Peter de hand reikte. "Je bent beter dan ik, Piet!"
"Kom, laat ons daar maar niet over twisten. Waar zullen we 't eerst heengaan? Laat Ben dat nu eens beslissen."
"Naar het Egyptian museum," antwoordde deze.
"Dat is op de Breestraat," zeide Peter. "Dan gaan wij de ruïne over."
"De ruïne? Wat is dat?" vroeg Ben, die niets anders dacht, dan dat hij een steenklomp zou zien, zooals bijvoorbeeld de ruïne van het huis te Brederode.
"Daar heb je haar reeds," zeide Jacob, toen zij een prachtig met boomen beplant en tot wandelplaats ingericht plein overgingen.
"Maar dat in 't geheel niet doet gelijken op een ruïne," zeide Ben met een gezicht, als meende hij, dat zijn neef hem voor den gek hield.
"En toch is de naam zeer juist. Want hier en aan den overkant der gracht, stonden, in den morgen van den 12den Januari 1807, tal van huizen die alle in een enkel oogenblik tot puin vielen," antwoordde Peter. "Papa was toen juist in Leiden en hij heeft het mij dikwijls verteld."
"Hé, dan moest je 't ook eens vertellen," zeiden de andere jongens. "Dat zou aardig wezen, net dat we op de plaats zelf zijn."
"Met veel genoegen," hervatte Peter. "Weet dan, dat hier, evenals op het andere gedeelte van het Rapenburg tal van aanzienlijke huizen stonden met geringere buurten er achter."
"Daar kunnen er nogal wat gestaan hebben," merkte Frits op. "'t Is hier een ruimte."
"Zoo wat van driehonderd, en de ledige oppervlakte is ver over de vijf bunders groot," hernam Peter. "Nu was er, door welke onvoorzichtigheid weet ik niet, een schip met veertig duizend pond buskruit op den morgen van den 12den Januari door de stad gekomen en hier op het fraaiste gedeelte blijven liggen--ook al een ongehoorde zaak. Eensklaps--door welke oorzaak weet natuurlijk niemand--barst het schip met een donderenden slag uiteen en storten door de plotselinge uitzetting der lucht, drie honderd huizen in puin."
"Vreeselijk!" riep Ben uit.