Part 5
"Algemeen zelfstandig naamwoord, vrouwelijk enkelvoud eersten naamval," antwoordde Jacob, die gedroomd had, dat hij op school bezig was aan het grammaticaal analyseeren.
"Als aangesprokene," voleindigde Peter, "behalve, dat Jacob een eigen naamwoord en mannelijk is."
Jacob was nu geheel wakker geworden en moest lachen om zijn eigen dwazen praat.
Benjamin was zóó verrukt over hetgeen hij gehoord had, dat hij niets kon zeggen dan: "Glorious! Glorious!"
"Ja, Ben," hernam Peter, terwijl zij de kerk verlieten, "'t is inderdaad heerlijk. Je hebt zeker wel eens gehoord van Händel, den grooten componist. Nu, die bezocht Haarlem eens en wenschte natuurlijk het orgel te bespelen. Hij kreeg daartoe vergunning en was druk aan den gang, toen de gewone organist, die verre van onbekwaam was in zijn vak, de kerk binnentrad. Zulke muziek had hij nog in zijn leven niet gehoord. "Wie is daar op het orgel?" riep hij uit. "Als 't geen engel of duivel is, dan moet het Händel zijn." En toen hij zag, dat het Händel was, stond hij nog meer verwonderd.
"Hoe heb ik het toch?" vroeg hij, "gij hebt het onmogelijke gedaan. Tien vingers en twee voeten kunnen de passages niet spelen, welke gij hebt laten hooren."--"Gij hebt gelijk," gaf Händel bedaard ten antwoord, "en daarom ben ik tusschenbeide verplicht geweest, toetsen met de punt van mijn neus in beweging te brengen."--"Je kunt begrijpen, hoe de organist stond te kijken." [4]
"Dat laat zich hooren," zeide Frits. "Maar waar zullen wij nu heen?"
"Hoort eens, jongens!" hernam Peter. "Wij moeten nu even raadsvergadering houden omtrent onze verdere plannen."
"Heel goed," antwoordde Karel Schimmel. "Wat is hier nog meer te kijken?"
"O, heel veel," gaf Frits ten antwoord. "Vooreerst de schilderijen hier op het stadhuis, ten tweede niet minder dan acht en twintig liefdadige hofjes, waar oude vrouwen het eind van haar leven rustig doorbrengen en van welke het Teylers- en Staats-zen-hofje de mooiste, en zoo ik meen, de rijkste zijn; ten derde, het physisch museum van Teyler, waar men onder andere zulk een groot electriseermachine vindt, dat men met één vonk een paling kan doodslaan; ten vierde, het huis van Jan de Lapper, op het Spaarne bij de melkbrug."
"Jan de Lapper? Wie was dat?"--vroeg Ben.
"Een schoenlapper, die hier in 1652 woonde, en toen het land in nood was, doordien wij oorlog met uw volk gekregen hadden, ter zee ging varen en zulk een heldenmoed toonde dat de Staat hem een gouden keten en 500 gulden vereerde. En toen het land uit den nood was, ging onze Jan weer even bedaard aan 't schoenflikken als te voren. Later weer in dienst getreden, stierf hij den heldendood. Een zijner nakomelingen heeft in het huis, vroeger door den dapperen schoenlapper bewoond, een blauwen steen met een opschrift doen plaatsen. Ten vijfde kunnen wij naar Kraantje-Lek gaan en den Blinkert beklimmen, op welken Witte van Haamstede [5] eens den Hollandschen liebaard plantte en van welks top wij een heerlijk gezicht over de blauwe Noordzee hebben. Ten zesde kunnen wij den Hout bezoeken."
"Den Hout? Wat is dat?" vroeg Ben.
"Een fraai bosch, dat met het Haagsche en Alkmaarder waarschijnlijk één geheel heeft uitgemaakt. Het is in 1822 door den architect Zocher in den bevalligen toestand gebracht, waarin het nu is. Ten zevende kunnen wij in dien Hout het monument van Koster gaan kijken, of het fraaie paviljoen, nog door een landgenoot van u, den bankier Hope, gebouwd, later door Koning Lodewijk voor drie ton gekocht en, na het vertrek der Franschen, domeingoed geworden. Er bevindt zich thans een heerlijk museum van schilderijen; ten achtste...."
"Houd op!" riep Peter. "Als wij alles zouden willen bezien, dan mochten we nog wel een dag langer hier blijven. Wij zullen ons maar bepalen tot twee zaken: den Hout en den Blinkert, of Leiden?"
"Leiden!" riepen allen, behalve Ben, die wel lust zou gehad hebben, om den Blinkert te beklimmen en van daar een kijkje op de zee te nemen.
"'t Is zoo maar 't best ook," zeide Frits Verdam tegen Benjamin. "Want als je Haarlem op zijn mooist wil zien, dan moet je er in den zomer komen, wanneer 't een groote bloemtuin is."
"Komt dan, op reis!" riep Peter uit. En men wandelde de Zijlstraat door, het Zijlhek uit en naar de Leidsche vaart, waar zij hun schaatsen aanbonden en den tocht naar de stad van Van der Werf aanvingen.
"Jongens! Wie weet er nu wat van Haarlem te vertellen?" zeide Peter. "Dat kort den weg op."
"Ik wil wat mededeelen," zeide Frits Verdam. "Laat ons dan wat langzaam en naast elkander rijden."
"Dat is goed," riepen allen en Frits begon:
"In heel veel vroeger tijden stond bij Haarlem een oud, sterk kasteel, welks slotheer een ware tiran was voor de poorters der stad en de omliggende dorpers, die allen van hem afhingen. Dit werd zóó geweldig, dat deze in opstand kwamen, zijn kasteel omringden en het belegerden. De nood op het slot steeg dermate, dat de wreedaard geen ander uitzicht had, dan zich aan het woedende volk over te geven, hetwelk hem in stukken zou hebben gescheurd. Daar verscheen op een der kanteelen een liefelijke gestalte, de vrouw van den slotheer. Was haar echtgenoot slecht voor zijn onderdanen, zij daarentegen was steeds een moeder voor hen geweest; geen arme, die haar om hulp had gevraagd, zou zij weggezonden hebben; zieken en nooddruftigen had zij verzorgd. Zoodra het volk haar zag, liet het de armen slap hangen, die het reeds had opgeheven, om den pijl te richten, welke het hart van den krijgsknecht moest doorboren, die 't wagen durfde, op den trans te verschijnen. "Ik ben altijd goed voor u geweest," zeide zij. "Welnu, veroorloof mij een vrijen uittocht en sta mij toe, zooveel van mijn kostbaarheden mede te nemen als ik op mijn schouders kan dragen." "Dat is u toegestaan," riep men haar toe.--De poort gaat open, en daaruit komt de burchtvrouw, die op haar schouders torst.... Wat denkt gij?"
"Wel, haar juweelen en beste kleederen," zeide Karel.
"Neen--haar snooden echtgenoot, den wreeden burchtheer," hervatte Frits. "En haar daad was des te mooier, daar de wreedaard ook voor haar steeds een tiran geweest was."
"En wat deed het volk nu?" vroeg Peter.
"'t Was getroffen door die edele daad en liet den burchtheer vrij; maar het kasteel werd vernield."
"Kom, dat is nooit gebeurd!" riep Karel Schimmel uit. "Hoe zou een zwakke vrouw zoo'n grooten kerel hebben kunnen dragen!"
"Nu, de vrouwen van Weinsberg hebben het toch ook wel gedaan," verzekerde Frits.
"Ik geloof het wèl," zeide Jacob Poot. "Ik ten minste zou geen vrouw willen hebben, die niet hetzelfde voor mij zou doen."
"Ik zou haar beklagen, Jacob," antwoordde Peter lachend, "indien zij zulk een vracht moest dragen als jij bent. Drie man zouden werk hebben om je voort te sjouwen."
"Nu dan, 't zou mij genoeg zijn, als zij 't wilde doen," hervatte Jacob.
"Dus zou je den wil voor de daad nemen?" vroeg Peter. "Doch wie weet er nog een historie, Haarlem betreffende?"
"Meen je van het beleg?" zeide Lodewijk.
"O, neen, daar hebben we in het boekje van Andriessen [6] reeds zooveel van gelezen, dat het voor ons geen nieuws meer is."
"Ik weet nog iets, dat ik eens in een boek gelezen heb," zeide Jacob. "'t Is een heel mooie historie."
"Nu vertel dan!" riepen allen te gelijk.
"Goed, maar dan moeten we nog wat zachter rijden," antwoordde de dikkerd. "Anders kan ik onmogelijk vertellen."
"Best," antwoordde Peter. "Jongens! Wat meer piano aan."
"Jaren geleden woonde in Haarlem een blondharige knaap, wiens vader den post van sluiswachter vervulde. Op zekeren schoonen namiddag in den herfst nu, toen het knaapje omtrent acht jaren oud was, kreeg hij verlof van zijn ouders om pannekoeken te brengen aan een blinden grijsaard, die in den polder woonde aan den kant van den dijk. Het knaapje bracht een uur bij zijn dankbaren ouden vriend door en ging, nadat hij afscheid van hem genomen had, vroolijk naar huis terug.
"Terwijl hij zoo over den dijk ging, bemerkte hij, hoezeer het water daar langs gezwollen was, en dacht hij aan de stevige sluisdeuren van zijn vader en hoe boos het water op dezen moest zijn, dat hij het zoo tegenhield. O, als het eens losbrak en den dijk vernielde of de sluizen doorbrak, en dat schoone vruchtbare land overstroomde; hoe zou 't dan met vader of moeder gaan? Vreeselijk zou het dan wraak nemen op zijn vader, die het zoo lang in toom had gehouden. Nu eens hield hij stil, om een paar bloempjes te plukken, die daar in het wild groeiden, dan weder plukte hij een kaars, die hij in de lucht blies, dan bleef hij stilstaan, om nog eens terug te zien naar het hutje van zijn ouden vriend, waarvan de glazen gloeiden in het rood der ondergaande zon, alsof het in lichtelaaie stond.
"Eensklaps bemerkte ons knaapje tot zijn verdriet, dat hij zich te lang had opgehouden en dat de zon op het punt was van onder te gaan. Hij was nog een heel eind van huis verwijderd en reeds werden de blauwe bloempjes op den dijk grauw en zag hij, dat zijn lange schaduw niet meer op het gras viel. Hij verhaastte dus zijn stap, om gauwer thuis te zijn. Op eens echter bleef hij weder staan, daar hij iets gehoord had, dat hem het bloed in de aderen deed stollen. 't Was het geluid van neersijpelend water. Waar kwam dat vandaan? Hij onderzocht het en zag een klein gat in den dijk, waardoor het water als door een smal gootje liep. Men moest het kind van een sluiswachter zijn, om te weten, wat er in dat woord lag opgesloten: een gat in den dijk! Als het water bleef doorsijpelen, dan zou het gat grooter en grooter worden en een vreeselijke overstrooming ten gevolge hebben.
"Dadelijk begreep de achtjarige knaap wat hem te doen stond. Hij wierp zijn bloemen weg en klom van den eenen steen op den anderen, totdat hij aan het gaatje kwam. Bijna onwillekeurig stopte hij er zijn vingertje in. Het sijpelen hield op. "Ha!" riep hij met kinderlijke vroolijkheid uit. "Dat booze water kan er nu niet door. Haarlem zal niet overstroomd worden, zoolang ik hier ben."
"Dit ging in 't eerst wel goed; maar de nacht viel al meer en meer, er kwam een vochtige damp op. Onze kleine held begon van koude en angst te beven. Hij schreeuwde luid: "Komt hier, komt hier!" maar niemand kwam. Hij werd hoe langer hoe kouder, een verstijving, beginnende met zijn vinger en voortgaande over zijn hand en arm, maakte dat hij spoedig pijn over zijn gansche lichaam voelde. Hij riep nogmaals: "zal er dan niemand komen? Moeder! Moeder!" Helaas, zijn moeder, zijn goede lieve moeder, had de deur reeds gesloten en besloten, haar zoon morgen braaf te beknorren, omdat hij den nacht bij den ouden blindeman was gebleven. Hij wilde fluiten--misschien zou de een of andere rondzwervende knaap het teeken hooren, maar zijn tanden klapperden zoo, dat het hem niet doenlijk was. Toen bad hij God om hulp en nam het vaste besluit: "Ik wil hier tot morgen blijven."
"De maan kwam op en bescheen de kleine gedaante, die daar eenzaam en verlaten op een steen zat, halfweg de glooiing van den dijk. Zijn hoofdje hing hem op de borst, doch hij sliep niet; want nu en dan wreef hij den uitgestrekten arm, die als vastgeketend was aan den dijk--en meermalen keerde zich het bleeke, betraande gelaat plotseling om, bij een wezenlijk of denkbeeldig geluid.
"O, wat leed de knaap in dien langen en vreeselijken nacht. Hoe dikwijls wankelde hij in zijn voornemen, als hij aan het warme bedje bij zijn ouders dacht, aan zijn broertjes en zusjes, die al gerust sliepen, en daarbij aan den kouden treurigen nacht! Maar als hij zijn vinger wegtrok, dan zou het verbolgen water, dat hoe langer hoe toorniger werd, weer doorsijpelen, het gat zou grooter worden en niet tevreden zijn, vóór het de stad overstroomd had! Neen, hij zou het tegenhouden, tot het daglicht aankwam, indien hij ten minste zoo lang leefde. Hij was er niet zeker van, of dat zoo lang zou duren; want wat beteekende dat vreemde gesuis in zijn ooren? En was 't niet of hij van hoofd tot voeten met messen werd geprikt?
"Met het aanbreken van den dag kwam er een geestelijke, die dien nacht aan het bed van een stervende gewaakt had, den dijk langs en meende een zacht gekerm te hooren. Hij boog zich voorover om te zien wat het was en zag een kind, dat van pijn in elkander kromp.
"In 's Hemels naam, jongen! Wat doe je daar?" riep hij uit.
"Ik houd het water tegen, dat door den dijk sijpelt," antwoordde het kind met flauwe stem. "Zeg, dat zij gauw komen." [7]
"Ik behoef u niet te zeggen, dat er spoedig hulp kwam en dat Haarlem zoo door een kleinen knaap gered was," eindigde Jacob.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
HOE GOED HET KAN ZIJN, ALS MEN IN EEN KOUDEN WINTERNACHT ZONDER DEK LIGT.
Nadat Jacob Poot zijn verhaal geëindigd had, gaf de kapitein bevel om harder te rijden, en voort ging het langs de gladde baan als hadden zij de vleugels van Mercurius onder de voeten gebonden. Hoe verder zij van Haarlem zich verwijderden, hoe minder het ijs bevolkt was; doch toen zij de Piet-Gijzenbrug waren doorgereden, bemerkten zij door het meer en meer aanwassend aantal schaatsenrijders, dat zij langzamerhand Leiden naderden. Onder vroolijke gesprekken, nu eens twee aan twee dan tusschen drie, dan door alle zes te gelijk gevoerd, kwamen ze al dichter en dichter bij de stad, toen er iets gebeurde, dat de pret in treurigheid dreigde te veranderen. Jacob Poot, die zeker eenige ponden meer had mee te dragen dan zijn makkers, had reeds een paar malen in stilte aan zijn neef geklaagd, dat hij zoo moe werd, en om zijnentwil hadden de anderen ook al eens hun vaart ingekort. Maar zooals het gaat met jongens, die schaatsen rijden en nog geen vermoeienis gevoelen, zoolang zij ten minste op het ijs zijn, telkenmale waren zij weer vlugger aan 't rijden gegaan, toen op eens Frits Verdam, die zich onwillekeurig omkeerde, uitriep:
"Goede Hemel! Daar gaat Jacob van zijn stokje."
Bij dien kreet hielden al de jongens eensklaps op en snelden naar Jacob toe, die bleek en roerloos als een lijk op het harde ijs was neergevallen.
"Jacob! Jacob! Wat scheelt je?" riep Ben in 't Engelsch.
"Wat scheelt je, Jacob?" herhaalde Peter in 't Nederlandsch.
"Maar, al hadden ze Sanskritsch gesproken, de arme Jacob Poot zou het evenmin verstaan hebben als hij het Engelsch of Nederlandsch deed. Peter en Karel trachtten den bezwijmde op te helpen, maar hij was nu nog zwaarder dan anders. Tal van menschen verzamelden zich om hen. De een zeide dit, de ander dat; ieder wist raad, zooals het trouwens altijd in zulke gevallen gebeurt.
"Wrijf zijn handen," riep een vrouw op schaatsen.
"Zet hem op zijn beenen," zeide een ander.
"Geef hem een slok brandewijn," riep een man. "De kou zal hem bevangen hebben!"
"Ja, ja, geef hem wat brandewijn!" riepen wel twintig stemmen te gelijk.
"Ja, brandewijn! brandewijn," schreeuwden Peter en Karel.
"Heeft niemand hier wat brandewijn?"
"Maakt toch maar zoo'n leven niet, jongeheeren," zeide een dikke Leidenaar, die de hand in zijn jaszak stak als om er wat uit te halen. "Wat doet die jongen zoo mal te zijn, om flauw te vallen als een meissie?"
"Brandewijn!" riep Lodewijk smeekend. "Anders sterft hij nog."
"Hij is al dood!" zeide een van de omstanders.
Benjamin lag bij zijn neef neergeknield en ondersteunde met tranen in de oogen diens hoofd.
't Was akelig om te zien hoe doodsbleek dat anders zoo blozende gelaat was en hoe pijnlijk die straks nog zoo vriendelijke en goedige trekken stonden.
"Hier," zeide de dikke Leidenaar, die eindelijk zijn veldflesch met brandewijn had gevonden. "Giet hem daarvan wat tusschen de lippen."
Dankbaar nam Peter de veldflesch aan en deed wat de man zeide. En die brandewijn deed goede uitwerking. Jacob loosde een diepen zucht, deed de oogen open en keek verwilderd rond. Toen hij echter Ben zag, die hem met tranen in de oogen aanstaarde, en zijn makkers, die rondom hem stonden, scheen hij te begrijpen, wat er met hem gebeurd was. Met behulp van Peter en Karel richtte hij zich op.
"'t Was de vermoeienis," zeide hij flauw.
"We moeten zien, dat we hem in een dier groote sleden krijgen, die hier telkens voorbijrijden," zeide Karel.
Over 't algemeen is onze natie een hulpvaardig volk. Vooral vindt men onder de geringere burgerklasse een medelijden, dat inderdaad treffend is. Laat iemand op straat wat overkomen, terstond zijn er tien, twintig handen gereed, om hem bij te springen, al is ook de ongelukkige in lompen gewikkeld--en 't is aardig om te zien, hoe ieder volgaarne zich inspant, om toch maar te helpen of om raad te geven. Nauwelijks had Karel den wensch geuit, of reeds waren er drie sleden aangehouden, van welke een ledig en groot genoeg was, om ons zestal te bevatten: want zij wilden hun makker niet alleen laten--en, om u de waarheid te zeggen, "zij waren niet moede, behalve in hun beenen," en vonden 't dus niet onaardig, op zulk een gemakkelijke wijze in Leiden te komen.
Zij lieten dus hun Spartaansch besluit, om Leiden op schaatsen te bereiken, varen, om een ander Spartaansch besluit uit te voeren, dat zij wel eenigszins hoog opvijzelden: "hun makker niet verlaten". Zij bedankten dus den dikken Leidenaar, die voor zijn brandewijn geen geld wilde aannemen, vriendelijk, en stapten in de slede, een kales, waarvan de wielen waren afgenomen en die op twee met ijzer beslagen balken was bevestigd. Zooals zij vernamen, had de voerman er eenige heeren en dames mee naar een buitenplaats gebracht en keerde hij ledig naar Leiden terug. Voor een gulden zou hij de knapen naar de stad brengen.
"Hoe is 't nu, Jacob?" vroeg Benjamin, toen men eenige oogenblikken zat en de paarden in vollen draf waren.
"O, veel beter," antwoordde deze met een paar oogen, zoo lodderig als van een kabeljauw, die op een warme stoof zijn testament maakt.
"Je moet niet gaan slapen, Jacob," zei Frits. "'t Is te koud om in de open lucht te slapen. Je weet zelf zoo goed als ik, hoe gevaarlijk dat is."
"Ik denk aan geen slapen," antwoordde Jacob op goedigen toon, en twee minuten later sliep hij als een os.
Peter en Lodewijk moesten er om lachen.
"We moeten wakker maken hem," zeide Ben, terwijl hij den dikkerd aan den arm schudde. "Jacob! Jacob!"
Daar drie van de jongens Ben hielpen om Jacob wakker te schudden, begreep kapitein Peter, dat hij er zich mee bemoeien moest.
"Laat hem slapen, jongens! Ben je mal, om hem zoo te schudden. Zóó snurkt men niet, als men doodvriest. Bedekt hem met iets warms. Koetsier," zeide hij, "geef den pijjakker eens waar je op zit, om dien jongeheer voor de kou te beschutten."
Deze voldeed hieraan.
Peter bedekte Jacob met den pijjakker.
"Ziezoo," zeide hij, "laat hem nu maar slapen. Als hij wakker wordt, zal hij geheel en al beter zijn. Hoever zijn wij nog van Leiden?"
"Een klein half uurtje," antwoordde de voerman.
Toen zij Leiden's toren in 't gezicht kregen, werd Jacob wakker.
"Hoe is 't nu, Jacob?" vroeg Ben.
"O, ik ben weer beter, maar doodmoe," antwoordde hij.
"Nu, dat zijn wij ook," zeide Frits openhartig. "Zoolang wij op schaatsen waren, voelden wij geen vermoeienis; maar nu wij gezeten hebben, voelen wij onze beenen."
"Weet je een goed logement, niet te duur, koetsier?" vroeg Peter.
"In "De Roode Leeuw," gaf de voerman ten antwoord. "Daar heeft men 't goed en ze halen je het vel niet over de ooren."
"Kun je ons tot zoover brengen?"
"Tot bijna voor de deur."
"Goed zoo, dan zul je een fooi extra hebben."
Het duurde niet lang, of de knapen stapten de slede uit en het hotel in, waar "De Roode Leeuw" uithing.
De kastelein, een klein, dik mannetje, stond met zijn lange pijp in de deur van zijn logement en groette onze jonge reizigers beleefd, die zulk een grooten honger hadden, dat hun eerste vraag was:
"Kastelein, heb je wat voor ons te eten?"
"Om de heeren te dienen. Wat zullen de heeren gebruiken?"
"Maak maar wat klaar," antwoordde Peter, die vrij wat in zijn schik was, dat zij heeren genoemd werden.
"Mag ik dan den heeren maar verzoeken binnen te gaan," hernam de kastelein, terwijl hij de gelagkamer opendeed, waar de kachel lekker gloeiend stond.
"Ik kan niet zeggen, dat de koetsier ons juist een fijn logement heeft aangewezen," zei Peter, toen de kastelein vertrokken was. "'t Lijkt hier wel zoo'n voermanslogies."
"Wanneer wij gegeten hebben, kunnen wij hem betalen en een ander logement opzoeken," meende Lodewijk.
"Laat ons maar hier blijven," zeide Jacob, die weinig lust gevoelde, om over de straatsteenen te gaan en een ander logement op te zoeken.
"'t Is misschien een aardig avontuur op onzen tocht," zeide Frits.
"'t Is juist niet altijd het aardigst, als men alles zoo tout-à-fait heeft."
"Kom, laat ons dan de stemmen opnemen," zeide Peter. "Waarvoor stem jij, Lodewijk?"
"Voor hier blijven."
"Jacob Poot?"
"Vóór, sterk vóór!"
"Benjamin Dobbs?"
"Buiten stemming."
"Frits Verdam?"
"Vóór!"
"Karel Schimmel?"
"Tegen."
"En ik ben er vóór. Alzoo vier stemmen vóór, één tegen, één buiten stemming. Dus blijven we hier."
"Uitmuntend," zei Frits. "Jammer echter, dat wij niet aan het spreekwoord gedacht hebben, hetwelk hier inderdaad te pas komt, dat men niet buiten den waard moet rekenen. Wij hebben buiten den waard gerekend en zullen dus eerst moeten wachten, of hij ons logeeren kan."
Frits schelde.
"Zeg eens, kastelein," zeide Peter. "Kunnen wij hier van nacht logeeren?"
"Indien de heeren zich met drie bedden willen vergenoegen, dan heb ik een mooie kamer voor hen."
Peter keek een weinig bedenkelijk en zeide:
"Hoor eens, kastelein, op voorwaarde, dat we je kamer eerst eens zien en de bedden inspecteeren mogen."
"Als de heeren eerst willen eten, dan zal mijn vrouw in dien tijd de bedden opmaken, antwoordde de kastelein.
"Heel goed," antwoordde Peter.
De kastelein vertrok met een buiging.
"Daar heb je verstandig aan gedaan, Peter, dat je de conditie maaktet om eerst de kamer te zien en de bedden te inspecteeren," zeide Frits.
"Wel zeker; al zijn we 't beter gewend, is 't niet onaardig om ons eens te behelpen. Maar zij moeten ons in geen smerige bedden stoppen, daar zou ik voor bedanken," antwoordde Peter.
"En ik," hernam Frits. "Maar de waardin zal er nu wel op passen dat alles in orde is."
Het eten was niet slecht, en de jongens deden den maaltijd eer aan. Koud rundvleesch, ham en warme karbonade met goede zandaardappelen, appelmoes en andijviesla deden zich goed smaken door ons zestal, dat sedert twee uren niets had genuttigd en hetwelk de koude lucht en de meer dan gewone inspanning geducht hongerig hadden gemaakt.
Toen de maaltijd gedaan was, zeide Peter:
"Nu ga ik dokter Broekman opzoeken.--Weet je ook, kastelein, waar die logeert?"
"In "De Gouden Engel" op de Breestraat," antwoordde de kastelein. "Ik zal mijnheer iemand meegeven; anders mocht hij den weg niet vinden."
"Dat is goed," antwoordde Peter. "Wie van jelui heeft lust, mij te vergezellen? Dan kunnen wij Leiden eens bij den avond zien."
"Ik ga mee," zeide Ben. "Ik ben begeerig om te zien Leiden."
"Ik blijf Jacob gezelschap houden," zeide Lodewijk.
"En ik ben te lui, om nu over de straatsteenen te gaan loopen," voegde Karel Schimmel er bij.
"En jij, Frits?" vroeg Peter.
"Wel, laat ons deelen. Drie blijven er thuis, dan gaan er drie naar dokter Broekman. Ik zal de derde wezen."
"Zorgt dan, dat jelui ons met een kopje thee wacht," zeide Peter. "Schaatsenrijders zijn altijd dorstig, vooral wanneer zij zulk een goed middagmaal hebben genoten."
"Willen de heeren niet eerst de kamer zien?" vroeg de kastelein.
"Dat is waar ook," zeide Peter. "Wie gaat er mee op dien tocht?"
Allen, behalve Jacob, vergezelden hem op de expeditie, die zeer wel ten genoegen van het vijftal afliep.