Part 4
"Neen, jongeheer! Maar 't is erger met vader. U zult wel gehoord hebben, hoe vader sinds jaar en dag niet goed is. Dat is al sedert dien zwaren storm, toen hij van den dijk is gestort en door een val op zijn achterhoofd zijn verstand is kwijtgeraakt. Maar zijn lichaam is nog sterk. Nu lag moeder gisteravond voor den haard geknield, om het vuur wat op te rakelen: want hij ziet het zoo graag ferm branden. Eensklaps springt vader op haar af, en, eer zij in staat is zich te bewegen, houdt hij haar met een reusachtige hand vast, terwijl hij niets deed dan lachen en het hoofd schudden. Wij waren juist aan het schaatsenrijden op de vaart, toen ik moeder hoorde gillen. Ik liep zoo snel ik kon huiswaarts en zag daar een vreeselijk tooneel. Vader hield moeder vast en wilde haar niet loslaten. Haar goed rookte al en was op 't punt in vlam te raken, en als dat gebeurd ware, was mijn arme moeder verloren. Ik trachtte het vuur te blusschen, maar hij duwde mij met zijn eene hand terug, terwijl hij moeder met de andere vasthield. Er was op 't oogenblik geen water in de hut. Ik was wanhopig, terwijl vader al dien tijd lachte--o, zulk een ijselijken lach, niet luid, maar akelig. Ik poogde moeder weg te trekken; maar hij hield haar te sterk vast. Toen nam ik een stoel op en sloeg er vader mee; maar hij stiet mij van zich af. Wat er verder gebeurd is, kan ik mij niet herinneren. Ik zag moeders rok in vlam en--later, toen ik uit mijn bezwijming ontwaakte, lag ik in een hoek van het vertrek, waar vader mij had geworpen; vader zat weer op zijn plaats met een bord met eten vóór zich en moeder knielde bij mij neder. Griete heeft mij later verteld, hoe 't gegaan was. Vader had mij met reuzenkracht tegen een kast geworpen en bleef altijd moeder bij het vuur houden. Nog tien tellens en onze arme moeder ware verloren geweest. Daar schoot Griete een denkbeeld in. Snel liep zij naar de kast, waarbij ik lag, haalde er een bord met eten uit en liet het vader zien. Als een klein kind liet hij moeder los en kroop naar zijn stoel. Gelukkig had moeder zich niet gebrand. Maar vader was afgemat door de buitengewone inspanning. Den geheelen nacht heeft hij in een brandende koorts gelegen en heeft moeder voor zijn bed gezeten en hem opgepast. Hij sliep vast en snurkte akelig, terwijl hij tusschenbeide zijn hand tegen zijn hoofd drukte. Moeder zegt, dat hij dat vroeger meer deed, alsof hij daar pijn voelde. Ach, jongeheer, ik had u dat alles liever niet verteld! Toen vader nog bij zijn verstand was, zou hij geen dier kwaad gedaan hebben...."
Beiden zwegen eenige oogenblikken stil.
"'t Is vreeselijk!" riep Peter uit. "En hoe is je vader vandaag?"
"Doodziek, jongeheer!"
"Maar waarom ga je naar dokter Broekman, Hans? Daar zijn dokters genoeg in Amsterdam, die hem misschien even goed konden helpen. Dokter Broekman is een beroemd man, die slechts bij de rijken praktiseert, en dan gebeurt het nog dikwijls, dat hij geen tijd heeft om hen te helpen."
"Dokter Broekman heeft mij gisteren beloofd, dat hij vader binnen acht dagen zou komen bezoeken. Maar nu die verandering is gekomen, kan het niet wachten, anders sterft mijn arme vader. O, jongeheer, vraag hem toch, of hij niet de geheele week wil wegblijven, want dat vader op sterven ligt! Hij is zoo'n vriendelijk man!"
"Vriendelijk!" zeide Peter lachend. "Er is geen grooter brompot in het gansche land."
"Dat schijnt maar zoo, jongeheer! En dat komt, omdat hij altijd zooveel aan zijn hoofd heeft. Maar hij heeft een goed hart, dat weet ik. Vertel hem, als 't u belieft, wat ik u verteld heb en ik ben er zeker van, dat hij komen zal."
"Ik mag 't hopen, Hans, om jouwentwil. Maar ik zie, dat je haast hebt om naar huis te keeren. Beloof me, dat je, als je iemand noodig hebt, naar mijn moeder te Broek zult gaan. Zeg haar, dat ik 't je heb gezegd. En Hans, neem deze guldens aan, niet als belooning, maar als een geschenk."
Hans schudde vastberaden het hoofd.
"Neen, jongeheer, dat kan ik niet aannemen," antwoordde hij. "Als ik werk kon vinden in Broek of ergens op een molen, zou ik gelukkig zijn. Maar overal, waar ik kom, is het dezelfde historie: "wacht tot het voorjaar."
"'t Is goed dat je er van spreekt," gaf Peter ten antwoord. "Vader zal je terstond helpen. Je mooie ketting beviel hem zeer. "Die jongen snijdt machtig mooi in hout," zeide hij. Vader wil van den winter onzen nieuwen koepel van snijwerk voorzien; misschien durft hij 't jou wel opdragen: er is geld aan te verdienen. De teekeningen liggen bij ons aan huis."
"God is goed!" riep Hans opgetogen uit. "O, jongeheer.... dat zou al te veel geluk zijn! Ik heb nog wel nooit groot werk onder handen gehad--maar ik zou 't gerust durven wagen, en ben ik er zeker van, dat het mij gelukken zal."
"Nu, ik zal mijn vader zeggen, dat hij 't jou moet laten doen. Hij zal je zeker gaarne helpen."
Hans keek Peter aan.
"Ik dank u, jongeheer," zeide hij.
"Kom, kapitein," riep Karel. "Hier zijn we nu midden in Haarlem, en we hebben nog geen woord uit je mond vernomen. We wachten allen ongeduldig op je bevelen."
"Goed, jongens! Dan de schaatsen maar afgebonden!" riep Peter. "Jij zult toch meegaan, om iets te eten, Hans," ging hij voort, zich tot den knaap wendende, "daarna zal ik je niet langer ophouden."
Een oogenblik flikkerden de oogen des knapen van genoegen en Peter was verwonderd, dat hij er niet eer aan had gedacht, dat de arme jongen wel honger moest hebben. Maar 't was ook slechts een oogenblik, dat Hans er zich in verheugde, het andere hernam hij op treurigen toon:
"Ach, jongeheer! hoe gaarne ik uw vriendelijk aanbod zou willen aannemen, ik mag mij niet langer ophouden. Moeder mocht mij noodig hebben. Vaarwel! God zegene u!"
Dit zeggende, knikte hij Peter vriendelijk toe en--verdween.
Wij willen onze vroolijke knapen een oogenblik verlaten en met Hans naar Broek terugkeeren. Wij moeten daar, vooral ten gevalle onzer lieve lezeressen, eens een kijkje nemen bij de meisjes, die wij reeds vroeger ontmoet hebben, een kijkje in de jeugdige hartjes, die zoo warm en zoo snel onder de nauwe keursjes klopten.
Hilda de Bruyn--haar kent gij reeds, met haar warm, edel hart. Truida Korbes was vrij wat mooier dan Hilda, veel aanvalliger en zelfs meer gezocht, maar toch niet half zoo zonnig van binnen. In dat jonge hart hingen wolken van trots, ontevredenheid en wangunst, die dagelijks donkerder warden. 't Was natuurlijk, dat die wolken zich nu en dan evenals die aan den hemel ontlastten. Maar wie zag die tranen? Slechts haar dienstmaagd, haar ouders, haar jongere broeder, die haar zoo hartelijk liefhadden. Anderen bespeurden weinig van hetgeen er in dat jeugdige hart omging. In haar oog was het arme boerenkind Griete geen menschelijk wezen, niet evengoed een schepsel van God als zij--het was een onding, waaronder men niets dan armoede, lompen en morsigheid verstond. Zoo'n kind als Griete had geen recht om te gevoelen of te hopen; bovenal moest zij haar meerderen nooit in den weg komen, ten minste niet op een onaangename manier. Zulk volk mocht voor haar en haar gelijken werken en zwoegen, maar op een eerbiedigen afstand; zij mochten haar bewonderen, als zij 't met gepasten eerbied deden--meer niet. Verheffen zij zich--dan sla ik ze neer; lijden zij, wat gaat mij dat aan--dat was de leer van Truida Korbes. En toch--hoe mooi zij altijd gekleed was en hoe lief zij zich voordeed, jongens met een echt Nederlandsch hart, zooals Frits Verdam en Peter en Lodewijk van den Helm, konden haar niet velen.
Hoezeer Karel Schimmel 't meest in karakter met haar overeenkwam, hield die toch veel meer van de levendige Kato Lammers, wier aard veel had van de rinkelende bellen eener narreslede. Reeds als kind was Kato een coquette, als schoolmeisje was zij zoo coquet als ooit. Zij was coquet op haar moeder, op haar kleine broertje, zelfs op haar blonde krullen, die zij verachtelijk in den hals wierp, als ze haar verveelden. Iedereen mocht haar graag lijden, niemand hield van haar. Nooit kwam er een ernstig woord over haar lippen. De arme Kato! Met haar lief gezichtje, haar vroolijk hartje, haar aangename manieren, kon zij slechts een uur boeien. Wat zou er later van haar worden, als het werkelijke leven vol ernst kwam en de rinkelende bellen één voor één dof zou maken!
Karel Schimmel had dus wel gelijk, toen hij gezegd had, dat Kato en Truida woedend waren, omdat Griete mee zou doen in de harddraverij op schaatsen. Hij had Truida hooren zeggen, dat het "schandelijk, onteerend, gemeen" was. Kato had haar lieve kopje geschud en zachtkens nagepraat, dat het "schandelijk, onteerend, gemeen" was, ofschoon met zulk een lief stemmetje, dat men het nauwelijks met den naam van toorn zou mogen bestempelen. Dat was voor hem genoeg. Hij bedacht niet, dat, als Hilda en niet Truida haar 't eerst over de zaak had gesproken, dat zelfde stemmetje zou gezegd hebben: "zeer goed, opperbest, allerliefst". Maar nu oordeelde Kato, dat een boerenkind als Griete in staat was, de geheele pret te bederven. Daar Truida rijk was en machtig (altijd in den zin van een schoolmeisje) had zij een menigte volgelingen onder haar schoolkameraden, die òf te laf òf te zorgeloos waren, om voor zich zelf te denken.
Arme Griete! Zij en Hans hadden de geheele schaatsenpartij reeds uit hun hoofd gezet. Zij hadden wel aan wat anders te denken dan aan zilveren schaatsen! Ach! de hut van Rolf Brinker was tegenwoordig treurig en somber genoeg. De arme krankzinnige lag kermend op zijn hard bed en zijn vrouw bette zijn brandend voorhoofd en zijn droge lippen met koud water, weenend en biddend, dat hij niet mocht sterven. Hans was, zooals wij weten, in wanhoop naar Leiden gereden, om daar dokter Broekman op te zoeken en hem te smeeken, als 't kon, terstond bij zijn vader te komen. Griete, door een zonderlingen angst bevangen, had haar werk zoo goed verricht als zij kon, zij had de steenen vloer opgedaan, brandstof gehaald om het vuur te onderhouden, en zat nu op een laag stoeltje naast het bed, terwijl zij haar moeder smeekte, om toch een uur of wat te gaan slapen.
"Gij zijt zoo vermoeid, moeder," zeide zij. "Den geheelen nacht hebt gij geen oog geloken. Ik heb mijn bed voor u opgemaakt. Hier is uw jak. Doe die mooie japon uit, dan zal ik ze opvouwen en in de kast bergen, vóór gij gaat slapen."
Vrouw Brinker schudde treurig het hoofd, zonder heur oogen van haar man af te wenden.
"Ik kan immers wel op vader passen," hernam Griete, "en ik zal u dadelijk wakker maken, als hij zich beweegt. Gij ziet zoo bleek en uw oogen zijn zoo rood. Toe, moeder! doe 't maar!"
Het kind smeekte tevergeefs. Vrouw Brinker wilde haar post niet verlaten.
Griete keek haar aan met een onrustig stilzwijgen, terwijl zij dacht, dat het toch heel slecht van haar was, dat zij meer van haar moeder hield dan van haar vader, voor wien zij bang was.
"En Hans houdt zoo veel van vader," zuchtte zij.
"Waarom kan ik 't niet doen? Toch was ik zoo bedroefd, toen hij verleden week dat mes beetpakte en zich zoo vreeselijk sneed en zoo bloedde. En 't gaat mij door de ziel, nu ik hem zoo hoor steunen. Misschien houd ik toch veel van hem en ben ik niet zulk een slecht kind als ik dacht. Ja, ik houd van mijn armen vader--bijna zooveel als Hans; want Hans is sterker en is niet bang voor hem. O, zal dat gesteun dan nooit ophouden! Arme moeder! Wat is zij geduldig! Nooit mort zij over het geld, dat op zoo'n zonderlinge manier is weggeraakt. O, kon vader maar eens voor een oogenblik zijn oogen opslaan en ons aanzien zooals Hans doet, en zeggen, waar de guldens gebleven zijn--dan kon mij de rest niet schelen--de rest.... ja toch. Ik zou niet graag zien, dat mijn arme vader stierf."
Diep in gedachten staarde zij naar de zonderlinge figuren, welke de vlammen aan den haard vormden, daarop telde zij de gebroken en geplakte ruiten van het bouwvallige raam, eindelijk bleven haar oogen rusten op een fraai gesneden plank, waarop de quarto-bijbel met koperen sloten stond, nog een erfstuk van vrouw Brinker's vader.
"Wat is die Hans toch knap!" zeide zij. "En zoo sterk! Als hij hier was, kon hij vader eens omkeeren en dan hield het gesteun op. Ach! Ach! Als vader zoo ziek blijft, zal ik nooit meer schaatsen rijden. Ik zal mijn schaatsen maar teruggeven aan die mooie jonge dame. Hans en ik zullen de harddraverij wel niet zien."
En Griete's oogen vulden zich met tranen.
"Huil maar niet, Griete," zeide vrouw Brinker. "Je vader is wel eens meer zoo ziek geweest."
Griete barstte in tranen uit.
"O moeder, dat is het niet alleen! Gij weet nog niet alles--ik ben zeer slecht en goddeloos!"
"Jij Griete, jij, die zoo geduldig en zoet zijt? Maar huil zoo hard niet, kindlief, of je zoudt vader wakker maken."
Griete verborg haar gelaat in den schoot harer moeder en poogde niet hard te schreien.
Zij legde haar klein, mager bruin handje in de ruwe hand harer moeder. Kort daarna keek zij op met een vriendelijken, rustigen blik en zeide met een bevende stem:
"Vader heeft u willen verbranden--ik heb het gezien en hij lachte er om."
"Zwijg, kind!"
Vrouw Brinker zeide die woorden op zulk een snellen en scherpen toon, dat Rolf Brinker, levenloos als hij was voor al wat om hem voorviel, zich zacht op zijn bed bewoog.
Griete sprak geen woord meer, maar plukte treurig aan het brandgat in haar moeders japon. Gelukkig, dat de japon van wollen stof was!
ZESDE HOOFDSTUK.
WAT DE JONGENS ZOO AL IN HAARLEM ZAGEN.
Verzadigd en verkwikt kwamen onze knapen uit het koffiehuis, waar zij zich van het noodige voorzien hadden, juist toen de klok twee uren sloeg.
"Heb je je slaapmuts niet vergeten, grootvader?" riep Lodewijk van den Helm tot den kapitein, die in gedachten verzonken was over de treurige historie, welke Hans Brinker hem had medegedeeld, en daardoor half droomend medeliep.
"Volstrekt niet, Lodewijk," antwoordde Peter, en zich tot de anderen richtende, commandeerde hij: "Vooruit, jongens! Deze straat in!"
"Zie je dat aardige, roode speldenkussentje daar wel aan die deur hangen?" vroeg Frits Verdam aan Ben.
"Ik doe het zien. Maar wat is de meening van het?" vroeg de aangesprokene.
"Wel, dat zal ik je zeggen. Zoo'n ding noemen ze een klopper, en die beteekent, dat daar een kind geboren is. Is het kussentje geheel en al effen, zooals dit, dan wil 't zeggen, dat het een jongetje is. Is er daarentegen een wit papiertje ingeschoven, dan kan men er op aan, dat er een dochter is geboren."
"Very vreemd!" riep Ben uit, terwijl hij naar den klopper bleef kijken, die rijk met kant omzoomd was. "En doet gij kennen den oorsprong van dat gebruik?"
"Ieder Haarlemmer," zeide Frits Verdam, die er bij was gekomen, "zal u kunnen vertellen, dat dit afstamt van het jaar 1573, toen Haarlem, na een hardnekkige en moedige verdediging van zeven maanden, zich eindelijk aan den Spanjaard moest overgeven. De Spaansche bevelhebber, Frederik van Toledo, zou, naar men zegt, aan de bewoners van elk huis, waar zich een kraamvrouw bevond, veroorloofd hebben om een lint aan hun klopper te winden, welk huis daardoor van plundering zou verschoond blijven. Dat is echter slechts een sprookje: 't is niets anders dan een gewoonte, die, eenigszins gewijzigd, in geheel Noord-Holland in zwang is."
"Komt, jongens!" riep nu de kapitein. "Je weet wat de kastelein gezegd heeft: dat het groote orgel vandaag bespeeld wordt en dat wij daar naar toe moeten. Verkijkt je tijd dus niet aan wat anders."
"Je hebt deugdelijk gelijk," antwoordde Frits. "'t Is maar jammer, dat we de damiaatjes ook niet kunnen hooren."
"De damiaatjes, wat zijn zij?" vroeg Benjamin.
"Dat zijn kleine klokjes, die in den toren hangen en elken avond van halftien tot tien uren geluid worden, 't Is een akelig gerinkinkel, dat tinge, tinge, tinge. 't Heeft mij wat verveeld, toen ik van den zomer hier logeerde. Maar de Haarlemmers zijn er zeer grootsch op en weten u te vertellen, dat de stad die klokjes present heeft gekregen van Graaf Willem I, die in 1219 Damiate, aan den Nijl gelegen, op Sultan Saladijn veroverde, bij welke verovering hun voorvaderen zich zoo dapper moeten hebben gedragen."
"Niet minder dan de Dokkumers," viel Jacob Poot hem in de rede. "Daarboven heb ik altijd gehoord, dat de tegenwoordige damiaatjes niet meer die zijn, welke de Haarlemmers van Graaf Willem hebben gekregen, maar nog overblijfsels van de zilvervloot van Piet Hein."
"Van Piet Hein?" vroeg Ben.
"Een onzer grootste zeehelden, die in 1628 de Spaansche zilvervloot veroverde en het volgende jaar in een gevecht tegen de Duinkerkers sneuvelde," zeide Peter van den Helm. "En wat die verovering van Damiate aangaat, daar hangen nog kleine scheepjes tot gedachtenis van dat feit in de kerk, die modellen moeten zijn van de bij deze verovering gebruikte vaartuigen. Over 't geheel zijn de Haarlemmers zeer trotsch op hun stad en weten u verscheidene bijzonderheden te vertellen, van welke er eenige slechts op overleveringen berusten."
"Nu, de Haarlemmers hebben wel recht om trotsch op hun stad te zijn," meende Lodewijk. "Voor zulk een kleine plaats is zij waarlijk rijk aan bijzonderheden."
"Ha! wiens beeld is dat?" riep Benjamin uit, toen zij op de Groote Markt kwamen.
"Dat is het standbeeld van den uitvinder der boekdrukkunst, Laurens Janszoon Koster, die in 1423 of 1425 deze nuttige kunst voor 't eerst uitoefende. Behalve dit standbeeld heeft men een gedenkteeken voor hem in den Hout opgericht, dat echter door leelijkheid uitmunt, ofschoon de Haarlemmers het fraai noemen om zijn eenvoudigheid."
"Wij Engelschen willen gaarne toegeven u, dat uw Koster heeft uitgevind drukkunst," zeide Benjamin. "Maar de Duitschers doen betwisten die eer aan u."
"Zij zeggen, dat Gutenberg de uitvinder was, en hebben hem te Mainz een metalen standbeeld opgericht," antwoordde Frits. "De Franschen daarentegen geven die eer aan hun Faust, dien ze te Straatsburg door een standbeeld vereerd hebben. Doch wij Hollanders houden er onzen Laurens Janszoon Koster voor, ofschoon 't wel jammer is, dat het eerste werk, hetwelk hij gedrukt heeft, "de Spiegel onzer behoudenis", van geen jaartal voorzien is. Kijk, daar, waar dat borstbeeld in den gevel staat, zegt men, dat zijn huis is geweest. Volgens de overlevering was hij koster van deze kerk en een aanzienlijk man."
"En wat is dat voor een antiek gebouw?" hernam Ben.
"Dat is het oude stadhuis van Haarlem, thans tot hoofdwacht gebruikt," zeide Lodewijk. "Zie maar, daar staat nog het opschrift in den gevel:
"Wanneer de graef hierop het sant, Syn princenwoning had geplant, Soo was dit loflick out gesticht, Tot Haerlems raethuis ingericht."
"Het zand is de tegenwoordige Groote Markt, die toen door een smal watertje, de Beek genaamd, werd doorsneden en op hetwelk menig tornooi is gehouden."
"En welk gebouw is dat, met die groote hardsteenen trap?"
"Dat is het tegenwoordige stadhuis," antwoordde Frits, "vroeger het paleis der graven, in de dertiende eeuw door Graaf Willem II gesticht. Er zijn mooie schilderijen in, van groote meesters en van hooge waarde."
Thans traden zij de Groote Kerk in, waar het orgel reeds aan den gang was.
"Dit orgel," zeide Karel Schimmel, die nu toch ook eens wat vertellen wilde, "heeft een Europeesche vermaardheid. Het is dertig meters lang en veertien breed. In 1735 door den Amsterdamschen orgelmaker Christiaan Muller vervaardigd, munt het door zijn grootte en zijn rijkdom van tonen boven alle andere uit. Het moet 8000 pijpen hebben, van welke er sommige zóó dik zijn, dat er wel een man kan doorkruipen, andere zoo dun als het fluitje aan de zilveren bel van een klein kind. Er zijn niet minder dan zestig registers op."
"Vooral de vox humana (een nabootsing van de menschelijke stem) is mooi," zeide Frits. "Maar laat ons intusschen de kerk eens rondwandelen. Ik ben hier nogal bekend en zal dus maar voor cicerone [2] spelen."
"Dat is goed," zeiden Lodewijk en Peter.
"Als je 't mij niet kwalijk neemt, ga ik een beetje in die bank rusten," zeide Jacob Poot. "We hebben nog een heelen tocht te doen en ik wou me niet graag te veel vermoeien. Daarenboven, ik heb de St. Bavo [3] al meermalen gezien."
"Hier heb je nu de scheepjes," begon Frits, "opgehangen ter herinnering aan de verovering van Damiate. Ziet gij op die geelkoperen grafplaat wel dat roode spijkertje?" vroeg hij een oogenblik later.
"Welnu, wat zou dat?"
"Dat spijkertje wijzen alle oprechte Haarlemmers aan hun jonge kinderen en vertellen daarbij, dat onder dit graf een kindje begraven is, hetwelk zijn moeder geslagen heeft, en dat nu tot straf het vingertje, waarmede het haar heeft aangeraakt, niet is kunnen verrotten, maar door het koper is heengekomen.--Hier op den muur ziet gij een steen, aan onzen grootsten dichter, Willem Bilderdijk, gewijd; die twee afmetingen daar zijn van den grootsten en den kleinsten man, die Haarlem heeft opgeleverd: den grootsten, langsten, namelijk Cajanus en den kleinsten, Simon Jane Paap, die echter te Zandvoort geboren was."
"Papa heeft mij wel eens verteld, dat hier in vroeger tijd ook een Sparenwouder reus rondgewandeld heeft, die Klaas van Kieten heette en familiaar zijn pijp aan de stadlantaarns aanstak," zeide Peter.
"Ik doe niet recht verstaan dat woord," zeide Ben. "Wat is dat voor een soort van reus, een Sparrewou?"
"Dat wil zeggen een bewoner van het naburige dorp Sparenwoude, hetwelk wij in de verte aan onze rechterhand zagen liggen, toen wij over de vaart reden."
"Die kogel daar in den muur is nog van den tijd van het beleg in 1573," zeide Frits. "De Haarlemmers vertellen u, dat de Spanjaards, die hun kanonnen op het huis te Kleef geplant hadden, aan een boer vroegen, waar de preekstoel was, omdat zij dan zoo den dominee konden doodschieten. De boer wees opzettelijk een pilaar te ver en daardoor schoten zij mis. Gij begrijpt echter wel, dat het een sprookje is: het huis te Kleef is veel te ver, om hier te raken. De kogel is echter wel van den tijd van het beleg, maar tot gedachtenis hier in den muur gemetseld."
Intusschen bespeelde de organist het orgel, terwijl de knapen, evenals het Haarlemsche publiek, door de voetpaden wandelden en naar de muziek luisterden.
't Was een schoon stuk, dat de kunstenaar uitvoerde: een heerlijken zomermorgen moest het voorstellen, waarbij het orgel zijn liefelijkste tonen deed hooren, afgewisseld door het gefluit der vogelen en de zuiverste akkoorden, die vriendelijk door de kerkgewelven rolden en waarbij de wandelaars als onwillekeurig stilstonden, om door het geslijfer hunner voetstappen zich zelf en anderen niet te hinderen. Maar eensklaps veranderde dat tooneel. 't Was of de stormwind door het kerkgebouw begon te loeien, de vogels zwegen, luider en luider werd de storm, vreeselijk rommelde de donder en daarbij hoorde men duidelijk het luiden der noodklok. De knapen hielden hun adem in en staarden elkander verbaasd aan. Want daar klonken op eens de stemmen der vox humana, en 't was of duizend angstkreten door de St. Bavo weergalmden.--Maar--daar ruischt een zacht geluid, als een stem des engels--de storm bedaart--de liefelijke tonen zwellen als op de vleugelen der zefirs--de vogelen beginnen weder te zingen en alles wordt besloten met een psalm van lof en dank, die de harten tot aanbidden stemt.
Het orgel zweeg--en nog stonden de knapen daar beweging- en sprakeloos. 't Was alsof zij aan den grond genageld waren. Karel Schimmel was de eerste, die het stilzwijgen afbrak.
"Hoe lang zul je daar nog staan kijken, kapitein?" vroeg hij, terwijl hij Peter aanstiet, "'t Wordt hoog tijd, om op te stappen."
"Je hebt gelijk," antwoordde de aangesprokene, terwijl hij op zijn horloge keek. "Laat ons Jacob dan in het voorbijgaan aanroepen."
De dikke Jacob Poot echter was niet meer op de plaats, waar zij hem gelaten hadden. De bank, waarin hij was gaan zitten, was hem niet gemakkelijk genoeg en hij had een andere, meer afgezonderde opgezocht, waar zijn kameraads hem vonden, in de armen van Morpheus gezonken.
"Slaapkop!" riep Peter, terwijl hij hem wakker schudde. "Hoe kun je bij zulke heerlijke muziek snurken, Jacob?"