De zilveren schaatsen

Part 13

Chapter 133,645 wordsPublic domain

"Kan dat de plaats ook zijn, vader? Bedenk u eens," smeekte Hans. "Birmingham? Was het soms Birmingham?"

"Ja.... a .... Birmingham! Zoo was 't," antwoordde Brinker eindelijk.

"Daar Hans, zet je pet op en rijd terstond naar Amsterdam," zeide zijn moeder.

De drie jongeheeren stonden op en wilden heengaan. Vrouw Brinker bemerkte haar onbeleefdheid.

"Neemt ons niet kwalijk, jongeheeren," zeide zij, "dat we daar zoo onbeleefd waren. Maar die Thomas Higgs is een kennis van ons--dien--ja, dien wij dachten, dat al gestorven was."

"Ja, we dachten dat hij dood was," zeide Rolf Brinker. "Ligt dat Birmingham in Engeland, als ik u vragen mag?"

"Ja wel, in Engeland," antwoordde Peter, "'t Moet zeker Birmingham in Engeland zijn."

"Ik doe dien man kennen," zeide Benjamin. "Zijn fabriek is niet vier mijlen van ons verwijderd. Een rare fellow hij is--stil als een oester--doet niet gelijken een Englishman. Ik dikwijls heb gezien hem--een deftig uitzicht--en mooie oogen. Hij heeft gemaakt een prachtige schrijfkist voor mij, om te geven aan Jenny op haar geboortedag.--O, hij maakt allerhande mooie dingen en heeft veel te doen ook."

Gelukkig, dat Hans nog niet weg was; want nu kon hij den dokter ook dat vertellen.

Wat wonder, dat nog vóór de avond gevallen was, dokter Broekman met Hans in de hut terugkeerde, om nadere bijzonderheden te vernemen. Wat wonder, dat hij, altijd met Hans bij zich, weder in het rijtuig stapte en den koetsier beval naar mijnheer Poot te rijden, waar hij verzocht om Benjamin Dobbs te spreken, dien hij gelukkig thuis vond. Van dezen vernam hij nog een menigte bijzonderheden omtrent zijn zoon, welke hem in de zekerheid bevestigden, dat het zijn eigen Laurens was, en welke bijzonderheden wij u willen mededeelen, zonder dat wij Ben sprekend invoeren, met wien de dokter, om den knaap te gemoet te komen, Engelsch sprak. 't Meeste, wat Ben vertelde, had deze bij overlevering.

"Ongeveer tien jaren geleden, toen Ben nog een kleine jongen was, woonde er, op ongeveer een uur afstands van de woning zijner ouders, een zeer knap werkman en fabrikant, Thomas Higgs, die goede zaken op Holland deed, vooral in chirurgijnsinstrumenten. (De dokter herinnerde zich dien naam wel en 't was hem nu duidelijk, waarom Laurens op het denkbeeld was gekomen, zich naar Higgs te begeven, daar de knaap dien naam verscheidene malen op de foedralen zijner instrumenten had kunnen lezen.) Nu tien jaren geleden was er op zekeren avond bij dien Thomas Higgs, die ongetrouwd was en slechts met een huishoudster leefde, een jongmensch als leerling gekomen. Niet, dat het zoo'n wonder was dat er een leerling bij Thomas Higgs kwam; maar die jongeling had spoedig de oplettendheid der buren gaande gemaakt, omdat hij zoo stil en afgetrokken was, nooit lachte en altijd even stroef voor zich keek. Daarenboven--en dat was een opmerking, die de dames maakten--kon hij geen Engelschman zijn, dat zagen zij wel, als hij Zondags met zijn patroon en juffrouw Todd, de huishoudster, in de kerk zat. En ofschoon men de laatste al eens gepolst had, liet zij zich nooit iets over hem ontvallen, dan dat hij een braaf oppassend mensch en waarschijnlijk een neef van mijnheer Higgs was, die ontzaglijk veel van hem scheen te houden. Zooveel is ten minste waar, dat de oude man den jongeling, nadat hij een jaar of vier in de zaak geweest was, tot zijn compagnon had aangenomen en hem, toen hij vier jaar later stierf, tot universeelen erfgenaam had benoemd. Sedert dreef de jonge man de zaken voor eigen rekening. Wat voor een landsman hij was, had men echter nooit kunnen gewaarworden. Sommigen hielden hem voor een Amerikaan, anderen voor een Duitscher, maar noch voor 't een noch voor 't ander had men eenigen grond. Hij sprak zuiver Engelsch, dat hij evenwel van den ouden heer Higgs had kunnen leeren, en behandelde zijn volk goed, ofschoon ze nooit een vriendelijk woord van hem hoorden, daar hij altijd even somber en afgetrokken bleef."

Wat het wonderlijkst was, 't scheen dat de jongeheer geen familie had: "want, hoeveel brieven hij ook uit den vreemde ontving, 't waren altijd brieven over zaken," zeide zijn boekhouder. "Kennis hield hij met niemand: noch met zijne buren, noch met andere fabrikanten. Hij scheen geheel voor zijn zaak te leven en zijn voorganger te willen navolgen, die nooit getrouwd was geweest. Maar overigens was zijn levensgedrag onberispelijk."

Verder gaf Benjamin dokter Broekman een beschrijving van den jongeheer Higgs en de dokter kon er niet meer aan twijfelen of 't was zijn verloren zoon. Hij bedankte dan ook Benjamin hartelijk voor zijn mededeeling, zeide hem, dat de heer Higgs een bloedverwant van hem was, in wien hij belang stelde, en reed met Hans naar de woning van Brinker terug, waar hij dezen afzette, om alleen, in aangenaam gepeins, den weg naar Amsterdam te vervolgen.

't Was een sneeuwachtige dag in 't midden van Januari. Rolf Brinker was nu geheel en al hersteld en juist van zijn werk thuis gekomen. Hans had den koepel van mijnheer Van den Helm tot diens genoegen afgewerkt, en was evenals Griete, op vader Brinker's uitdrukkelijk verlangen, weder naar school gegaan. Wat hem aangaat, hij vond dat recht pleizierig; want hij leefde slechts, als hij in de boeken kon snuffelen; doch Griete kon haar weerzin tegen de schoolbanken maar niet overwinnen, ofschoon zij zich gedwee aan vaders wensch onderwierp en aanvankelijk zeer haar best deed.

Beiden waren zooeven van school thuis gekomen en Hans zat alweer te lezen in een boek, dat hij van een der jongens ter leen had gekregen; terwijl Griete vaders pijp stopte--want zij was onuitputtelijk in kleine diensten voor den goeden man, als poogde zij te vergoeden, wat zij vroeger verzuimd had ten aanzien van den vader, voor wien ze toen bang was. Vrouw Brinker was druk bezig aan den pot: want er waren vier hongerige magen, die naar eten verlangden.

Eensklaps kijkt Hans op. Het geratel van een rijtuig wekt zijn aandacht.

"Daar is de dokter!" roept hij en vliegt naar de deur.

"De dokter! Wel, wat komt die hier doen!" zegt vrouw Brinker, terwijl zij door het raam kijkt. "Ik geloof, dat je gelijk hebt, Hans."

Maar Hans hoorde 't niet meer--hij was reeds de deur uitgesneld en naar den overkant der vaart.

"Die Hans, die Hans!" riep vrouw Brinker, glimlachend het hoofd schuddende. "Zou men niet denken, dat de dokter zijn tweede vader was? Als de jongen maar den naam. van dokter Broekman hoort, komt er al een lach van vreugde op zijn gelaat. Nu, hij mag dan ook wel veel van hem houden."

"En wij allen, Mietje," zeide Rolf Brinker, terwijl hij zijn pijp aanstak. "Naast God hebben wij aan dien goeden man ons tegenwoordig geluk te danken."

"De dokter is niet alleen," vervolgde vrouw Brinker vroolijk.

"Hij heeft een jongmensch van vijf of zes en twintig jaren bij zich. Dat is vast zijn Laurens. O, dat is lief, om met hem ons te komen bezoeken. Kijk, daar geeft hij Hans de hand. Wat schudt hij die vriendelijk! 't Is waarlijk of de jongen zijn gelijke is."

't Duurde niet lang, of de dokter trad met den jongen man de woning binnen. Wat zag hij er thans vroolijk en vriendelijk uit! 't Was, of hij een geheel ander mensch was geworden--niemand ten minste zou in hem den vroeger onaangenamen, strengen dokter herkend hebben.

"Ziezoo, Brinker," begon hij opgeruimd. "Nu kom ik je mijn kwaden jongen eens laten zien. Zou je hem nog wel herkennen?"

Rolf Brinker was opgestaan.

"Wel ouder geworden," zeide hij, terwijl hij de aangeboden hand van Laurens aannam. "Maar toch nog dezelfde oogen. Ach, mijnheer! dat ik zoo buiten mijn schuld de oorzaak ben geweest van uw verdriet en dat van uw braven vader. God weet, hoe ik 't anders gewild had."

"Spreek daar niet van, brave man," zeide Laurens. "Wat je gewild hadt, dat toont de aanbeveling, die je aan je vrouw hadt gegeven. Ook jou, brave vrouw, moet ik mijn dank zeggen, dat je zoo trouw je woord gehouden hebt, en, ondanks de nijpendste armoede, het horloge niet van de hand hebt gedaan. Had je het verkocht,--nooit had ik mijn goeden vader weergezien. Daarom kun je op mijn dankbaarheid rekenen."

"Spreek van geen dankbaarheid, mijnheer," zeide vrouw Brinker. "'t Is waar, dikwijls heb ik het horloge in de hand gehad en mij zelve afgevraagd, of ik wel goed deed, om mijn arme kinderen honger te laten lijden, terwijl ik voor dat horloge brood had kunnen krijgen. Eens vooral, toen zij ziek waren, was de verzoeking sterk. Maar toen borg ik het zóó diep weg, dat ik het haast niet meer vinden kon; want ik dacht altijd om de laatste woorden van mijn braven man, die mij had aanbevolen, om voor dat horloge te zorgen."

"En daarom heeft God ook gewild, dat ik weer in het leven ben gekomen," zeide Rolf met bewogen stem. "En daarom heeft Hij uw braven vader hier gezonden, die mij zoo belangeloos geholpen heeft. Waarlijk, mijnheer, als gij iemand te danken hebt voor het geluk, dat gij thans geniet, dan is 't uw brave vader...."

Veel, heel veel werd er nog gesproken en de dokter vertelde hoe hij geschreven had, en Laurens, hoe blij hij met zijns vaders brief geweest was. 't Was of de dokter en zijn zoon oude vrienden waren, zoo gaven zij hun harten lucht.

"En nu, Rolf Brinker," zei de dokter eindelijk. "Ben ik nu geen gelukkig man? Begrijp eens, mijn zoon zal zijn fabriek te Birmingham verkoopen en een magazijn in Amsterdam openen. Dan heb ik altijd mijn brillenhuisjes voor niemendal. Dat zal een profijt zijn, hè?"

"Hoe! een magazijn!" riep Hans uit, die in stil genoegen daar had neergezeten en al die vroolijke gesprekken zwijgend had aangehoord. "Een magazijn, mijnheer? En zal mijnheer uw zoon dan niet weder uw helper, en eens uw opvolger zijn?"

Een oogenblik betrok het gelaat van den dokter; maar hij bedwong zich.

"Neen, Hans. Laurens heeft er zijn buik vol van. Hij is liever koopman."

Hans scheen verbaasd en teleurgesteld. Hij zweeg.

"Waarom zwijg je, mijn jongen?" zeide de dokter vriendelijk. "Vindt ge er iets vernederends in, om koopman te zijn?"

"O, neen, mijnheer!" stamelde Hans. "Niets, maar--maar--."

"Maar wat?"

"Wel, het andere beroep is zooveel beter," antwoordde hij nog steeds aarzelend, "zooveel edeler. Wat mij aangaat, mijnheer," voegde hij er met vuur bij, "ik vind uw vak zoo schoon, zoo heerlijk.... om de zieken en gebrekkigen te genezen, menschenlevens te behouden, in staat te zijn om te doen wat gij voor mijn vader gedaan hebt--dat is het grootste, het schoonste, het verhevenste, wat er op aarde is!" De dokter zag hem ernstig aan. Hans scheen teleurgesteld. Een paar heldere tranen stonden in zijn oogen.

"'t Is een zware taak, het beroep van arts, knaap," hervatte de dokter met gefronste wenkbrauwen. "'t Vereischt groot geduld, veel zelfopoffering en volharding."

"Daarvan ben ik zeker," antwoordde Hans opnieuw in vuur. "Het vereischt ook veel wijsheid en achting voor Gods werk. O, mijnheer, het moge zijn moeilijkheden en teleurstellingen hebben, maar u meent niet wat u zegt: het is niet zoo zwaar--maar het is groot en edel. Vergeef mij echter, mijnheer! 't Past niet, u zoo in 't gezicht tegen te spreken."

Dokter Broekman was blijkbaar uit zijn humeur geraakt. Hij keerde Hans den rug toe en sprak zacht met Laurens. Vrouw Brinker keek Hans heel boos aan. Zij wist maar al te goed, dat zulke groote lui als de dokter niet konden velen, dat geringe menschen hen tegenspraken.

Eensklaps wendde de dokter zich om.

"Hoe oud ben je, Hans Brinker?" vroeg hij.

"Vijftien jaren, mijnheer," was het verschrikte antwoord.

"Zou je graag een dokter willen worden?"

"Ja, mijnheer!" antwoordde de knaap, terwijl hij over zijn gansche lichaam beefde.

"Zou je, als je ouders 't je toestaan, er lust in hebben, je op de studie toe te leggen, naar de hoogeschool te gaan en tevens mijn assistent te wezen?"

"Ja, mijnheer."

"Zou je, denk je, niet ongeduldig worden en niet van zin veranderen, juist op 't oogenblik misschien, als ik er mijn hart op gezet had, om je tot mijn opvolger te maken?"

Hans' oogen schitterden.

"Neen, mijnheer! Ik zal nooit veranderen."

"U moogt hem op dat punt gelooven, mijnheer de dokter," zeide vrouw Brinker, die zich niet langer bedwingen kon. "Hans is als een rots, als hij eens iets besloten heeft, en, wat de studie aangaat, eten, drinken, slapen, alles zou hij vergeten voor zijn boeken."

"Nu, Hans," vervolgde de dokter vriendelijk. "Dan zie ik niet, dat er iets ons plan in den weg staat en dat ik je gerust kan meenemen, als je vader er in toestemt."

"Hoor eens, mijnheer," zeide Rolf. "Om u de waarheid te zeggen, had ik liever gezien, dat mijn zoon een werkman was geworden. Maar als hij nu graag voor dokter studeert, en het geluk heeft van uw recommandatie om hem in de wereld voort te schoppen, dan is 't mij ook goed. Het eenige is, dat het misschien wat veel geld zal kosten; maar 't zal mogelijk zoo heel lang niet meer duren en ik heb, Goddank, weer een paar fiksche, stevige armen om...."

"Ho, ho, vriend! als ik je rechterhand wegneem, dan moet ik ook den kost voor hem betalen en dat zal mij pleizier doen ook. 't Zal mij nu zijn, alsof ik twee zoons heb, niet waar, Laurens? De een een koopman en de andere een dokter--ik zal de gelukkigste man in geheel Nederland zijn! Morgen kom je bij me, Hans, en dan zullen wij de zaak verder bespreken."

Hans boog. 't Was hem onmogelijk een woord uit te brengen.

"Hoor eens, Brinker," hernam de dokter tot Rolf. "Mijn zoon Laurens heeft een vertrouwd, ferm man noodig, als hij zijn magazijn in Amsterdam opent, iemand die het opzicht over de zaken houdt en maakt dat de wagen recht rijdt. Iemand die-- --maar, waarom zeg jij 't hem zelf niet, Laurens."

Laurens nam nu het woord en het duurde niet lang, of zij waren de zaak volkomen eens.

"'t Zal me wel aandoen, als ik de dijken moet verlaten," zeide Rolf Brinker. "Maar uw aanbod is zoo aanlokkelijk, mijnheer, dat ik zou meenen, mijn huisgezin te kort te doen, als ik het afsloeg."

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

BESLUIT.

Mijn vertelling is zoo goed als geëindigd. Alleen zien mijn lezeressen en mijn lezers mij nog vragend aan. En ik weet het, er zijn nog zoo enkele zaken, die moeten verteld worden, zullen zij mijn boek niet eenigszins onvoldaan uit hun handen leggen. En dat zou mij spijten: want niets is mij aangenamer, dan anderen genoegen te geven, en wel vooral u, die al wat uit mijn pen komt, met zooveel graagte ontvangt. Daartoe diene dan dit laatste Hoofdstuk.

Er is een heele tijd voorbijgegaan, sedert Laurens met zijn vader een bezoek in de hut aan de Broeker vaart aflegde. Die tijd heeft groote veranderingen opgeleverd voor de familie Brinker. Hans heeft zijn studiejaren goed besteed, alle moeilijkheden, die hem in den weg kwamen, weten te overwinnen en met al de geestkracht, die hem eigen was, naar het doel gestreefd, dat hij zich voor oogen had gesteld. Ofschoon de weg wel eens hobbelig was, nooit heeft hij een enkel oogenblik in zijn besluit gewankeld. Somtijds herhaalde hij met zijn goeden ouden vriend de woorden, die deze lang geleden in de hut te Broek sprak: "'t Is een zware taak, het beroep van arts," maar dan klonk het ook altijd in zijn hart: "het beroep van arts is groot en edel! Het vereischt veel wijsheid en achting voor Gods werk!"

Wanneer gij heden ten dage Amsterdam bezoekt, dan kunt gij den beroemden dokter Brinker in zijn koetsje zien rijden om zijn patiënten te bezoeken, of als er 's winters goed ijs is, hem met zijn jongens en meisjes op het IJ of den Amstel met de schaatsen onder de voeten vinden. En dat hij dan geen van de minste rijders op de baan is, durf ik u verzekeren. Als gij soms te Broek kwaamt en gij vroegt daar naar zekere Annie Bouman, dan zou men u schouderophalend aanzien en u zeggen, dat er wel eens van zijn leven een meisje van dien naam bestaan heeft, maar dat die al sedert jaar en dag mevrouw Brinker heet en de vrouw is van dien knappen dokter Brinker, die zooveel patiënten over het IJ heeft. En als gij er Hans naar vroegt, dan zou hij u zeggen: "Mijn Annie is nog altijd dezelfde--behalve dat zij als 't kan nog liever, nog wijzer en nog meer gelijk aan de toovergodin van vroeger is."

Ook Peter van den Helm is sinds lang getrouwd. Met wie? Nu, dat behoef ik niet te zeggen. Maar dikwijls, als hij met zijn lieve Hilda in het koepeltje zit, dat hij van zijn ouders heeft geërfd, beschouwt hij met genoegen het fraaie beeldhouwwerk, dat Hans gemaakt heeft en dan zegt hij: "'t Is toch jammer voor de kunst, dat onze goede Hans geen beeldhouwer is geworden; hij zou 't ver in die kunst gebracht hebben en een beroemd man zijn geworden." Maar dan antwoordt Hilda: "Jammer voor de kunst, maar niet voor de menschheid, want als dokter Brinker is hij voor haar tot grooter zegen, dan hij als beeldhouwer zou zijn geweest."

Een tijd lang geleden hoorde ik, dat Karel Schimmel en Kato Lammers geëngageerd waren. Gelukkig echter voor onze Kato is dit engagement verbroken en is zij tot heden toe ongehuwd. Wat Kato zelf aangaat, zij is in 't geheel zoo vroolijk niet meer als voorheen en sommige klokjes hebben reeds al hun klank verloren. Toch is zij nog altijd de ziel van hen, die met haar omgaan. Het ware te wenschen, dat zij van tijd tot tijd wat ernstiger ware, maar dat ligt niet in haar aard. Heeft zij smarten en zorgen, dan wordt het geluid der klokjes voor eenige oogenblikken gestoord; dieper en ernstiger muziek doen zij nooit hooren.

Truida Korbes is in al die jaren ernstig geworden. Ook zij is ongehuwd gebleven en houdt zich met letterkundigen arbeid bezig. Men wil, dat zij onder een aangenomen naam zeer goede verhalen in een onzer eerste maandwerken schrijft. En inderdaad, wanneer men die verhalen leest, zoo vol geest en gevoel, maar ook zoo vol godsdienstige beginselen, dan zou men er weinig onze vroegere Truida in herkennen, die zoo trotsch haar neusje optrok voor de arme Griete.

Frits Verdam en Lodewijk van den Helm hebben samen een compagnieschap aangegaan en zijn bewoners der hoofdstad geworden. Frits Verdam, die een prachtig huis op de Keizersgracht bewoont, denkt nog dikwijls aan Kato Lammers, die hij eens ten huwelijk heeft gevraagd, maar die hem een blauwtje heeft doen loopen. En hij is er heel blij om, dat de zaak zich zoo gekeerd heeft, want hij heeft een allerliefst vrouwtje in Ben's zuster Jenny, die hij op een reis naar Birmingham heeft leeren kennen en met wie hij recht gelukkig is.

Karel Schimmel is niet vooruitgegaan in de wereld. Zijn vader heeft, door een opeenhooping van tegenspoeden, bankroet geslagen en niets uit de puinhoopen zijner fortuin kunnen redden. Karel is tegenwoordig boekhouder bij de firma Verdam en Van den Helm, en mag zich gelukkig rekenen, dat zijn patroons hem altijd met achting behandelen en veel voor hem over hebben.

Onze kleine Frans van Bree is een deftig Broeksch heer geworden, die wat goede zaken doet en sedert eenige jaren aanzoek gedaan heeft om de hand van Griete Brinker, welke deze niet geweigerd heeft. 't Kostte vader en moeder heel wat, om zich van het vroolijke, altijd zingende vogeltje te scheiden, en dokter Brinker en zijn vrouw waren in 't eerst wat boos op Frans, dat hij de lieve Griete van hen weghaalde. Maar die boosheid moest vanzelf overgaan en wie er nu wel eens boos is, is de koetsier, die dokter Brinker rijdt, als hij in den omtrek van Broek moet wezen: want als de dokter daar is, rijdt hij bij zwager Van Bree aan, en, of 't koud is of niet, laat hij de paarden zoo ongehoord lang wachten, dat de koetsier wel eens de vrees geuit heeft, dat zij met hun pooten aan den grond mochten vastvriezen. En als Griete eens met haar kindertjes in Amsterdam komt logeeren, dan is 't een feest bij de oude lui aan huis, dan is 't of vader Rolf weer jong is, dan speelt hij met die kleinen en dan zegt moeder, terwijl zij in de handen slaat: "Zie me zoo'n man eens aan!"

Van al onze Broeksche vrienden is er slechts één, die het tooneel dezer wereld verlaten heeft: 't is Jacob Poot. Tot zijn dood toe even goedhartig en onbaatzuchtig, wordt hij nog even hartelijk betreurd, als hij bemind was, toen hij op aarde beminde en lachte. Vóór hij stierf, was hij broodmager geworden, nog magerder dan Benjamin Dobbs, die nu een gezeten Engelschman is.

En wanneer gij ooit te Broek komt en gij krijgt er toegang tot de familie De Bruyn, spreek dan eens over de hardrijderij van den 30sten December, dan zal de oude mevrouw u met glinsterende oogen verhalen, hoe heerlijk die was en hoe er onder de rijderessen zich een klein meisje bevond, dat zóó snel reed en zóó verlegen was, dat ze niet eens het foedraal meenam van den prijs, dien zij gewonnen had, van

"DE ZILVEREN SCHAATSEN."

AANTEEKENINGEN

[1] John Bull, de scheldnaam dien de Amerikanen aan de Engelschen geven--dezen noemen daarentegen hun overzeesche naburen: Brother Jonathan.

[2] Gids, geleider.

[3] De naam van de kerk, of liever van den heilige, aan wien zij gewijd was.

[4] Ik laat deze anekdote voor rekening van de schrijfster van wie ik haar heb overgenomen.

[5] Zie mijn "Schildknaap van Gijsbrecht van Amstel".

[6] Adolf en Clara.

[7] Ik laat deze lieve legende voor rekening van de Schrijfster.

[8] Zie mijn "Huisgezin van den Raadpensionaris."

End of Project Gutenberg's De zilveren schaatsen, by Mary Mapes Dodge