De Ziel van het Noorden De Aarde en haar Volken, 1917
Chapter 4
De archipel van Spitsbergen behoort aan niemand, is herrenlos, zooals de Duitschers het noemen. Ontdekt werd hij in 1592 door de Hollanders Barents en Heemskerk, bij hun pogen om den noord-oostelijken zeeweg naar Azië te vinden. In het jaar 1612 kwamen ook de Engelschen hier, die rijk gewin trokken uit jacht en visscherij. In de 17e eeuw ontstonden hier meermalen bloedige twisten tusschen engelsche, hollandsche en fransche walvischvaarders, totdat ten slotte Holland, Engeland, Denemarken en Noorwegen de heerschappij onder zich verdeelden over de wateren der uit zes groote eilanden bestaande Spitsbergen-groep. De eersten die hier waagden te overwinteren, waren de Russen. Noorsche jagers hebben onlangs hun voorbeeld gevolgd. In den winter is de eilandengroep volkomen afgesloten door ijsschotsen, die zich des zomers beperken tot de Noord- en Oostkust. Aan de andere beide zijden verhindert de golfstroom de ijsvorming. De gemiddelde maandtemperatuur stijgt in Juni tot 1° boven nul; in Juli tot 5°, in Augustus tot 3°. Sneeuw valt in alle maanden. Gedurende 124 dagen komt de zon in het geheel niet te voorschijn.
Dit "Ultima Thule" krioelt van scherpe rotspunten, waarnaar het dan ook zijn naam draagt. De reusachtige Dickson-gletscher schijnt een uit zee oprijzende ontzaglijke zilveren muur. De lucht is zoo zuiver, dat lijken hier niet tot ontbinding overgaan; maar eenvoudig uitdrogen.--Er groeit hier een soort poolwilg, en de benedenste gedeelten der rotsen zijn bedekt met mos, dat in geval van nood als voedsel kan dienen.
Toen wij omstreeks middernacht de westzijde van Spitsbergen naderden, sneeuwde het, terwijl de zon helder scheen, een aller wonderlijkste combinatie, het uur van den dag (of nacht) in aanmerking genomen. In de nabijheid der bocht waar wij aankwamen, bevond zich een troep Engelschen, die juist terugkwamen van de rendierjacht. Ze droegen noorsche oliejassen en sommigen hadden ook broeken aan van dezelfde stof, die de visschers van de Lofodden en Westeraalen dragen, als zij dagenlang bij stroomenden regen in hun open boot op de roeibank zitten. Anderen droegen hooge waterlaarzen, die men met riemen opzij aan de heupen bevestigen kan; een tweede riem wordt nog om het been boven den voet gewonden. Wij zwierven geruimen tijd op het groote eiland rond. In de Sassenbaai bij het IJsfjord zagen we dieren genoeg, maar nergens een struik, een plekje groen of een menschelijke woonplaats. Men voelde zich aan den drempel van een doodenrijk. Op een hoogte bij de Advent-baai zagen we twee graven en de overblijfselen van een hut.
Noorsche rendierjagers, die zich door de te vroeg verschuivende ijsvelden in October 1895 den terugweg zagen afgesneden, hebben in die hut gewoond en rusten in die graven. En ten slotte zagen wij, aan de overzijde van onbegaanbare ijsvlakten, de Virgo-baai, vanwaar de ongelukkige André zijn reis begon, toen hij in zijn luchtschip den weg zocht naar de Noordpool. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de sneeuwmassa's die zich verzamelden op het bovenvlak van den ballon, niet konden smelten, zoodat hij, onder hun last bezwijkend, als een uitgeputte vogel naar beneden stortte, en het omhulsel, dat hem door het luchtruim had gedragen, langzaam werd verteerd.
Er liepen geruchten, dat zich bij de Bereneilanden walvisschen hadden vertoond. Daar ik zeer verlangde, de jacht van nabij gade te slaan, begaf ik mij aan boord van een der walvischvaarders die naar die streek vertrok. Het stoomschip droeg vóór op den boeg het kanon, waarvan men zich thans bedient om de dieren te dooden. Vroeger vervolgde men den walvisch met booten, waaruit de onverschrokken jagers den harpoen wierpen, doch waarbij zij het grootste gevaar liepen, door de beweging van het water, veroorzaakt door de stuiptrekkingen van het dier, te worden omgeworpen en in de diepte gesleurd. In de 17de eeuw kwamen de Hollanders op het denkbeeld het werptuig uit een geweer te schieten. Toen omstreeks 1860 in Indië de jute ontdekt werd, een vezelplant, die zeer in waarde wint door een behandeling met walvischtraan, werd ook de walvischvangst weer met ijver bedreven. Een eenvoudige robbenjager, de noorsche kapitein Svend Foyn uit Tonsberg, vond het middel, om den harpoen uit een kanon te schieten, zóó, dat het werptuig door een lang touw aan het schip blijft verbonden, en het dier, eenmaal getroffen, niet meer ontsnappen kan. In den regel sterft het aan de bekomen verwondingen. Het geschut is draaibaar; wordt door een man bediend, en van voren geladen. Vóóraan is de harpoen bevestigd, die bestaat uit twee sterke, een meter lange staven, met een ring in het midden, waaraan een touw bevestigd is, en die aan de buitenzijde zijn voorzien van scherpe weerhaken, die zich diep in het vleesch boren van den kolos. In het jaar 1867 doodde kapitein Foyn op die wijze zijn eersten walvisch; in het volgende jaar maakte hij er reeds een dertigtal buit; waarna hij patent nam op zijn uitvinding en een groot vermogen verwierf. In het jaar 1878 ving hij niet minder dan 100 walvisschen, die elk 40000 kronen waard waren. Hij bleef echter bij zijn eenvoudige levenswijze en vestigde zich op zijn 70e jaar te Vadsö, waar hij in een ruw-houten huisje woonde en ijverig in den Bijbel las. Zijn groot vermogen liet hij na aan liefdadige instellingen. Later werden meerdere maatschappijen opgericht, die de walvischvangst in het groot ondernamen, in 1886 waren ruim veertig booten hiertoe in gebruik, verdeeld over 22 stations. In het jaar 1885 werden aan de laplandsche kust 1400 walvisschen gevangen. Door die rustelooze vervolging zijn de dieren schuw geworden. Zij nemen thans de vlucht als zij een walvischvaarder zien naderen, 't geen zij vroeger niet deden; het bewustzijn van gevaar schijnt dus door overerving te worden voortgeplant.
Lang zwierven we rond zonder iets anders te zien dan een menigte dolfijnen van allerlei grootte, die rondom het schip dartelden, totdat eindelijk een der matrozen, die gespannen in de verte tuurden, bij het eerste morgengrauwen uitriep: "en Hwal!"--De boeg van het schip wendde zich in de richting waar het dier zich vertoonde, en met een vaart van 20 mijlen in het uur ging het voorwaarts. Nu en dan verdween de reus, dan weer zagen wij een zuil water omhoog spuiten. Hij moest ons hebben bespeurd; want hij scheen te vluchten. Doch wij haalden hem in en kregen hem onder schot. Daar vliegt uit den loop van het dreunend kanon de harpoen, die in den breeden rug blijft steken. De visch duikt onder en komt weer boven, het schip voortslepend, dat bij iederen stoot kraakt in zijn voegen. De golven zijn rood gekleurd. Nog een laatste slag met den staart, een bruisend geweld--en de buit is vermeesterd.
Ik keerde terug op de Hedda, als de allerlaatste passagier. Nòg hooger naar het Noorden stevenden wij, tot aan den rand dier geweldige witte woestenij van nimmer smeltend ijs, waarin de pool ligt. Had door een wonder die muur kunnen vaneensplijten, dan zouden wij, langs open water, in enkele etmalen het veel omstreden punt hebben bereikt. Want wij bevonden ons thans op 81°1'12'' N.B.
Lang stond ik stil, zonder een woord te spreken, roerloos. Alle besef van eigen lichamelijkheid was verdwenen, om plaats te maken voor de loutere gedachte.--In dezen kerker had Frithjof Nansen verwijld, terwijl Noorwegen wachtte op dien sterken strijder voor haren roem en hare onafhankelijkheid. Hierheen drong Lodewijk van Savoye om nieuwe wegen te ontdekken in Italië's naam. Hier bleef zijn trouwe metgezel Francesco Querini, noode gemist door zijn vaderstad Venetië, la buona madre, getrouwelijk wachtend op hare zonen, die zij niet met eigen oogen sterven zag....
In dat uur, bij dien aanblik, zonk voor mij al het kleine en drukkende, alle bitterheid van het leven weg, om plaats te maken voor blijmoedige berusting.
AANTEEKENING
[1] Tekst en illustraties zijn ontleend aan Gino Bertolini. Die Seele des Nordens. Berlijn, Dietrich Reimer (Ernst Vohsen).
End of Project Gutenberg's De Ziel van het Noorden, by Gino Bertolini