De Ziel van het Noorden De Aarde en haar Volken, 1917

Chapter 3

Chapter 33,776 wordsPublic domain

In een wijde baai, de zoogenaamde Lyngenfjord, bleven we liggen. In een bootje werden we naar de landingsplaats geroeid, om van daar per wagen te worden gebracht naar een Lappenkamp in de nabijheid, dat zich over twee heuvels uitstrekte, en door den straatweg, die door het dal loopt, werd doorsneden. Dit was een gelukkig toeval; het gebeurt niet veel, dat reizigers zulk een Lappentroep in rust ontmoeten. In het volle middaglicht was het een bont gewemel van heldere kleuren. Ze hadden weer van alles te koop; messen, geweien, vellen, en aangekleede ledepoppen. De talrijke kudden graasden op de helling van den tegenoverliggenden berg. Hoe vrijer de rendieren worden gelaten in hun beweging, des te beter tieren zij. Hun weideplaatsen worden gekozen al naar de windrichting, daar ze verbazend te lijden hebben van het steken der muggen. Finsche honden liepen kwispelstaartend overal rond. Onafscheidelijke metgezellen zijn zij voor de Lappen, en trouwe kameraden. 't Is een levendig, ruigharig ras. Ze klauteren met gemak op de hoogste steilten, en drijven, zoodra het voer schaarsch wordt, de kudden samen op plekken, waar de herders ze met lasso's kunnen bereiken en bijeenhalen. En als in den ijzigen winterwind de Lap, gehurkt op zijn slede zijn rendier bestuurt, dan bewaakt de trouwe, er naast loopende hond het zooveel grootere dier, alsof hij wist, dat hij meer verstand heeft. Wanneer het rendier schuw wordt, en niet meer vooruit wil, of koppig is, slaat het niet zooals een paard met de achterpooten, maar keert zich om, en begint met de voorpooten op den rand der slede te slaan. Dan is het weer de hond, die het blaffend tegenhoudt, en weer op zijn plaats zoekt te brengen. Als 's nachts wolven de kudde aanvallen verdedigen de honden ze tot het uiterste. Het gebeurt dikwijls, dat rendieren in een vreemde kudde verdwalen. Om ze in dat geval te kunnen opeischen, maakt elke eigenaar, voor ze de bergen worden ingedreven, naar een zelfvervaardigde teekening insnijdingen in de oorlappen der dieren. Dat patroon bewaart hij op een blad papier, en schrijft zijn naam erover heen. In het interessante arctische museum te Tromsö zag ik meerdere zulke handteekeningen; de namen Persen, Nilsen, Volab, Olsen kwamen 't meest voor.

Ik ging een der tenten binnen. Midden in de zoldering was een opening voor den rook van het magere vuurtje. Het geraamte van de waterdichte tent bestond uit gladde berkenstammen, ook de vloer was met berkentakjes bestrooid. Zes menschelijke wezens zaten daar dicht opeengepakt, en er moest nog plaats zijn voor vier andere; daar de familie uit tien personen bestond. In een hoek knabbelde een jongen op een stuk gedroogd gezouten vleesch. Op twee ruw bewerkte kisten lagen tien bijbels; ieder lid van het gezin bezat zijn eigen exemplaar. Toen ik vroeg, of zij er veel in lazen, zeide het hoofd van 't gezin: "Iederen Zondag."--Ik kocht van de Lappen een mes, waarop in de kling omtrekken van honden, wolven en rendieren waren gekrast. Het was kort en breed, zooals als die wapens, welke dienen om den gevelden wolf af te maken. Ik liet den man, die 't mij verkocht, mijn degenstok zien. Toen hij dat lange dunne staal zag glinsteren, fonkelden zijn oogen, en de geest van krijgszuchtige voorvaderen scheen in hem op te leven. Zijn tien bijbels hadden hem nog niet geheel tot een man des vredes gemaakt. "Met zulk een wapen", zei hij, "zou ik den wolf bij den eersten stoot kunnen dooden, zonder hem eerst met den knuppel te moeten aanvallen". Hij kon de oogen niet afhouden van den stok.

Achter het Lappenkamp, op de steenachtige kust, hingen duizenden kabeljauwen, gespleten en aan den staart opgehangen.

Hier zag ik ook enkele witte bloemen, op hooge slanke stengels, en op den achtergrond lagen op het zand getrokken visschersbooten, waarvan voor- en achtersteven even hoog zijn, als bij de venetiaansche gondels. Ze worden geroeid door acht man.--Toen onze sloep het schip weer naderde, was het dek leeg, en zooals het daar in het gulden middaglicht sluimerde, leek het mij een soort vliegende Hollander, een geestenschip, dat hier een korte poos te rusten lag, eer het weer door de golven zou worden voortgeslingerd naar een onbekende toekomst. Toen we verder voeren, fladderden stormvogels luid krijschend met ons mee, en bleven ons nog lang volgen, verwonderlijk behendig, met een forschen zwaai, uit het zog van onze boot elk toegeworpen kruimeltje oppikkend. Dien nacht, op weg naar Hammerfest, zagen we de middernachtzon op het allermooist. De kapitein had ons reeds verteld, dat wij het gelukkig zouden treffen, want de meeste reizigers aanschouwen de zonneschijf bij onbewolkte lucht slechts op prentbriefkaarten, of later, bij het vertellen, in hun eigen verbeelding. Een der leden van ons gezelschap, een fotograaf uit Hannover, stond wel een uur te voren met zijn camera op post, en zag elke minuut op zijn horloge; hij wilde wachten tot de wijzer op twaalf stond. Anders, vond hij, had de heele zaak "Keinen Sinn und keinen Zweck". Een collega van hem uit Marseille dacht er anders over; hij was al druk aan 't platen verwisselen, eer de ander nog zijn apparaat had opgesteld, en zette eindelijk, met een vrij oneerbiedig: "Là, je le tiens enfin, le gaillard!" zijn boeltje aan kant. En intusschen stond daar die onbewogen, gloeiende zonneschijf zich rustig te spiegelen in de golven, en liet zich "anstaunen" door ons nietige wezentjes. Wij verdrongen ons om den kapitein, en daar het schip zijn eerste reis naar het hooge Noorden deed, werd er natuurlijk champagne geschonken. Er waren twaalf verschillende naties in ons gezelschap vertegenwoordigd en er werd afgesproken, dat ieder een toast mocht houden in zijn eigen taal, doch in niet meer dan... twaalf woorden, op straffe van nog een zestal flesschen te moeten offeren. Zelden is er zeker puntiger en bondiger gespeecht dan op die bijeenkomst.

Ook den volgenden morgen aan 't ontbijt bleef de opgewekte stemming voortduren. Wij waren nu niet ver meer van de Noordkaap, en de gespannen verwachting, gepaard met de zekerheid, dat ons doel weldra zou zijn bereikt, gaf ons een blij gevoel. We luisterden met belangstelling naar het verhaal van iemand uit Torghatten, die ons de legende van den centaur vertelde, een berg, die werkelijk den vorm van een dier fabelwezens vertoont. Het heet, dat een centaur verliefd was geworden op eene noorsche jonkvrouw, Lekemoën. Toen hij haar niet tot vrouw kon verwerven, besloot hij, haar te rooven met geweld; hij vervolgde haar, en toen zij hem behendig wist te ontwijken, slingerde hij een steenblok naar haar, dat den Torghatten doorboorde, en onder het neervallen zich in een eilandje veranderde, dat nog thans Flesköen (de pijl) heet. De Torghatten heeft in het midden eene opening, zoo groot, dat men den blauwen hemel er door ziet schijnen. Toen we ons na het ontbijt op het dek begaven, zagen we lachende oevers, met huisjes waarvan de daken met groene zoden waren gedekt, en die als op stelten stonden, bovenop hooge steenen muren, als ruwe zuilen oprijzend uit het water. In de verte lagen eilandjes en landtongen, wier rustige omtrekken zich bevallig afteekenden tegen de lichte lucht.

Niet lang daarna waren we te Hammerfest aangekomen. Die noordelijkste stad der wereld is omgeven door een doordringenden geur van walvischtraan, teer, schepen en zeilen.--Ook hier vond ik behalve de protestantsche, een katholieke kerk. De pastoor, die uit den Rijnpfalz kwam, nam zijn herderlijke plichten met grooten ijver waar. Ook in Alten, een plaatsje, dat nog dichter bij de Noordkaap ligt, had hij gemeenteleden te bezoeken, hetgeen hij geregeld deed, zelfs bij temperaturen, die de rotsen deden vaneensplijten door de vorst.--Heel Hammerfest wordt electrisch verlicht, en in Sadlen, een uitlooper van de stad, heeft de onderzoekingsreiziger Wellman een station voor draadlooze telegrafie ingericht, dat met een station op het Däne-eiland bij Spitsbergen is verbonden. Van 18 November tot 23 Januari wordt de stad door geen zonnestraal beschenen. Het electrisch licht komt dan goed te stade, en de vuurtoren, die op de smalle landtong van Fuglanaes verrijst, kan zich schadeloos stellen voor zijn lange zomerrust. Hier wordt men zich eerst recht bewust, hoe het zeeleven den mensch zóó geheel vervullen en zich als het ware met lijf en ziel van hem meester maken kan. Dikwijls stormt de zee hier met schuimende woede tegen die kille kusten, als wilde zij, nog niet tevreden met de vele offers, die zij voortdurend eischt, ook die uiterste vesting van dat handjevol menschen nog veroveren. Op den dag, dat ik er tusschen de rotsen omzwierf, was de zee rustig. De zon spiegelde zich in haar vriendelijk aangezicht en vergulde de tallooze blonde kopjes van de vele Hammerfester kinderen, die meest allen reeds den zuidwester van geolied wasdoek droegen, waarvan de klep laag in den nek neerhangt; hetzelfde hoofddeksel, waarin die kleine jongens slechts weinig jaren later den harden kamp met de elementen zullen moeten beginnen. Op den hoek eener straat stond ik voor de met een bronzen kogel bekroonde meridiaanzuil, die hier is opgericht ter gedachtenis aan de van 1816 tot 1852 hier ondernomen en uitgevoerde meting van den meridiaan van 25°21', door de geometers van drie rijken, onder de hooge bescherming van Oskar II van Zweden, en de keizers Alexander I en Nikolaas I van Rusland. De grenzen van dat groote werk vormden de IJszee en de Donau.--Aan het strand van Hammerfest trof ik den tachtigjarigen en nog krassen zweedschen baron Olaf Hermelin aan, die hier rustig een zeegezicht te schilderen stond.

Na Hammerfest beschreef onze boot een wijden kring en voer nog door verschillende fjorden. De boomgroei had nu geheel opgehouden, en ook de struiken werden schaarsch. Hier en daar groeiden nog bloemen, liefelijk om te zien; maar bestemd tot korten bloei.--Het licht omkleedde de hooge bergketens met een stralengewaad. Het scheen, alsof de wenk van een reuzentooverstaf een omhoogschuimende golf der felste branding had doen verstijven tot kristal. In het reine, alles doordringende licht onderscheidde men elken voorsprong, elke scherpgeteekende scheiding dier breede schaduwvlakken en felle lichtkanten, in hun verwonderlijke harmonie. De kristallen doorzichtigheid der lucht deed ons meenen, door een scherpen verrekijker te zien.--Weer luidde onze scheepsklok. Een vreemd geruisch vervulde de lucht; het was het gefladder en gekrijsch van een ontelbare menigte vogels. Wij voeren dicht voorbij de Stappenegroep. Deze bestaat uit vier steenachtige eilandjes, vol scherpe rotspunten, die myriaden gevederde bewoners tot broedplaats dienen.--Het snelle vleugelgeklepper deed ons vermoeden, dat het meerendeels stormvogels en wilde eenden waren. In Tromsö zijn ongeveer dertig van zulke vogelbergen, en in Finmarken eveneens. Men krijgt eerst een begrip van de massa's vogels, die hier aanwezig zijn, als men hoort van de ontzaglijke hoeveelheden eieren, die hier jaarlijks worden verzameld. De buit wordt bemachtigd door middel van netten en knuppels. Er zijn steile naakte rotswanden, waar die jacht de grootste gevaren medebrengt. De eierzoeker laat zich een touw om het lijf binden en wordt zoo langs den loodrechten bergwand boven duizelingwekkende kloven en spleten neergelaten. Hij slaat met zijn stok tegen de kalk- en granietrotsen, en doodt daarbij zooveel vogels, dat het schijnt, alsof hij dorre bladeren van een boom doet neer dwarrelen. Het gebeurt niet zelden, dat het touw, door het schaven langs de rotspunten beschadigd, of door 't gebruik versleten, breekt, en de stoutmoedige jager in den afgrond stort.

De chaos van vogels, die krijschend rondfladderen, geeft aan het noorsche landschap een zeer eigenaardig karakter, en verlevendigt op geheimzinnige wijze de bleeke eenzaamheid van het uitgestorven land, alsof een of andere oude heidensche godheid in deze verlatenheid een laatste toevlucht had gevonden.

Stappen beteekent "de zuil", en werkelijk rijst het naakte rotsgesteente omhoog in den vorm van kolossale zuilen, die wit zijn gekleurd door de uitwerpselen der vogels. De overigens onbewoonde eilanden doen in hun grillige lijnen aan de fantastische scheppingen van een Böcklin denken.--Het geluid dat de dieren maken met elkander geeft den indruk van een aanhoudend gerammel met ketens, en soms weer klinkt het als het eentonig, verdoovend stemmenrumoer, dat men hoort in de koopmansbeurzen der groote steden van Europa en Amerika.--Wij schoten met geweren in de massa. Sommige vogels vielen in het water; andere op het dek. Toen we nog wat nader bij de eilanden waren gekomen, richtten we een salvo tegen de ontzaglijke duistere spleet, die het grootste rotsblok in tweeën scheen te deelen. Verbazingwekkend was het effect. Uit de reusachtige opening schoten millioenen vogels te voorschijn, die de lucht deden weergalmen van hun gekrijsch en in donkere wolken naar alle zijden uiteenfladderden.

Wij naderden nu snel de Noordkaap. Een vreemd, onzeker schijnsel wierp over de rotsen wisselende tinten van rood, groen en oranje. Links van ons hadden we nu steeds het eindeloos oppervlak der zee; ter rechterzijde korte, wonderlijk puntige, spookachtige bergketens, als getuigen van de worsteling eener onrustige natuur in doodstrijd.

Daar lag dan dat geheimzinnig toppunt van het oude Europa, dat nimmer geheel zal worden vernietigd, en steeds zichzelf weer verjongt. Hoeveel andere landen en zeeën strekten zich uit, weer achter die hooge klippen. Hoeveel jacht en onrust van groote wereldsteden, hoeveel verborgen vrede en geluk op het stille land!

Daar rees de Noordkaap voor ons op. Een naakte, donkere rotsmassa, omringd door ijzige golven; een waar duivelseiland uit de fabel gelijk.

Toen het schip om de uiterste punt van de kaap was heengevaren en binnengeloopen in de kleine baai, die 's winters geteisterd wordt door hevige stormen, keerde ik mij om, om nog eenmaal den blik te laten weiden over den eindeloozen oceaan, die zich vóór mij uitbreidde onder het heldere, witachtige licht.

Een zwerm vogels vloog op van de Noordkaap en verdween in het niet, naar 't mij scheen, alsof die vreemde sphinx, die daar hoog boven ons te stralen stond, alle leven in zich opnam, zooals de sphinx van het ijs reeds zoovelen had gelokt en verzwolgen, die hier zochten naar wetenschap en roem.

De kapitein en zijn vrouw gingen met ons aan land. De paar zeelui, die met den bootsman de wacht hielden over het schip, lichtten het anker en voeren, daar de kapitein hun had opgedragen, voor de ontbijttafel den volgenden morgen te zorgen, een zeemijl verderop, om visch te vangen. Op de landingsbrug was het bepaald een gedrang. Nog twee andere booten, een engelsche, de Argonaut, en een hollandsche, de Thule, waren op dezelfde reede geankerd en hadden reeds verscheiden sloepen met passagiers van boord gezonden.

De Noordkaap, die uit zwartachtigen, met spleten doorsneden leisteen bestaat en steil afloopt in zee, ligt op den breedtegraad van 71° 40', en op den lengtegraad van 23° 40' 30''.

De hoogte bedraagt 300 meter. Ten noorden ervan ligt het eiland Magerö.

Natuurlijk was er geen enkele onder de reizigers, die het niet voor zijn plicht hield, deel te nemen aan de tamelijk moeilijke en inspannende beklimming. Grijze haren, gezetheid, niets scheen eene belemmering; alles klauterde, wat het klauteren kon. Dáárvoor was men nu niet hier gekomen, om te blijven steken aan den voet. Het was een hijgen en blazen zonder einde. Eerst werd de overjas uitgetrokken, dan de jas; daarna gingen de dassen eraan, en eindelijk zelfs de boorden. Nu en dan stond men in groepjes met bedrukte gezichten omhoog te zien naar het opwaarts kronkelend pad.

Wederkeerig sprak men elkaar moed in. "Een half uurtje nog...... straks na die bocht wordt het beter..... is dat daar niet een soort van leuning?..... ha, daar hebben we al een touw..." zoo klonk het nu hier, dan ginds. Opgeven deden ze 't niet. Ieder moest kunnen zeggen, dat hij op den top geweest was. De hoop op nog eenigen steun van buitenaf bleek niet ongegrond. Van uit een bepaald punt der kust was een soort van geïmproviseerde leuning van touwen aangebracht, waaraan de meesten zich dankbaar vastklampten. Er was iets huiveringwekkends in de omgeving; de geheele omtrek had een zoo afschrikkend en steriel voorkomen, dat men onwillekeurig onder den indruk geraakte van die troostelooze kaalheid en hardheid. De onverzettelijke kleine schare geleek wel een troep pelgrims op den lijdensweg. De eersten waren dan nu gelukkig aangeland op het plateau, waarvan de noordelijke rand steil in zee afvalt. Een volkomen kale vlakte, waaruit af en toe een vogel opfladderde, die met zijn schreeuw de stilte verbrak. Hier en daar had men een uitzicht op het met sneeuwvelden en plassen bedekte eiland Magerö. Dwars over het rotsplateau was een ijzerdraad gespannen naar de kiosk, die met het front naar zee staat. Dit was wel zeer noodig; daar de berg dikwijls in dichten nevel is gehuld, en men dan gevaar loopt, in kloven of spleten te storten. Een met groen getooide granieten zuil vermeldt, dat twee vorsten hier een bezoek gebracht hebben, Koning Oscar van Zweden op 2 Juli 1873, en Keizer Wilhelm II op 22 Juli 1891.

De lucht was bewolkt en somber, toen wij, aan de kiosk gekomen, uitzagen naar zee. Op een verschijnen van de zon viel bijna niet te hopen. Toch was het een grootsch gezicht, die sluimerende oneindigheid. Boven de wolken, die de zon bedekt hielden, schoten aan den verren horizon lichtlijnen omhoog, die op den diadeem van een overwinnaar geleken.

Het pavilloen was versierd met vlaggen van verschillende landen. Er lagen lijsten gereed, waarop wij allen onze namen teekenden. Champagnekurken knalden. Telkens gluurde men eens even naar buiten; maar de zon bleef weg. Wij verdreven ons den tijd met babbelen en prentbriefkaarten schrijven. Er waren vier verschillende afbeeldingen te koop van de Noordkaap. Ieder wilde natuurlijk die, waarop ook de zon te zien was. Als photo's waren de prentjes niet veel zaaks; maar ze kostten zonder postzegel nog een halve mark per stuk, zoodat een groet uit de Noordkaap op minstens 60 pfennig te staan komt. De verkooper vertelde ons dan ook tot zijn verontschuldiging, dat hij voor de pacht van de kiosk jaarlijks 300 kronen moest betalen, en zei naar waarheid, dat het "seizoen" hier wel buitengemeen kort was. Men werpt zijn kaarten in een bus aan den voet van den berg. Hier worden ze voorzien van den stempel "Noordkaap", en dan reist de geheele post met de schrijvers op dezelfde boot weer terug. In het pavilloen staan in een halven kring schrijftafels, keurig ingericht, met inkt, pennehouders en pennen, en vloeipapier. De dingen worden niet, zooals in andere landen, aan den lessenaar vastgemaakt; trouwens in dit jaargetij komt alle bedreven kwaad hier dan ook onverbiddelijk "aan het licht".

Op eens klonken van alle zijden luide uitroepen: "De zon! De zon!"--Wij geleken wel allen op Oswald uit Ibsen's "Spoken" op dat oogenblik. Het geheele paviljoen kwam in beweging en wij stormden naar buiten. Alleen de prentbrief kaarten man bleef rustig zitten. Hij had die veelbegeerde zon naar zijn zin zeker al dikwijls genoeg onder de oogen gehad.--Ik zal den indruk niet licht vergeten, dien ik nog ontving, al was het slechts een korte afscheidsgroet, dien de zon ons toewierp, eer zij zich weer aan onzen blik onttrok. Tot beschouwingen was het overigens de tijd niet; met koortsachtige haast werden de kodaks gegrepen, en overal klepperden de deksels der camera's. De beste opnamen krijgt men bij korte belichting. "Gauw, een groep vormen!" riep iemand opgewonden. We vlogen allen haastig naar de zuil en konden ons nog juist groepeeren, zoo goed dat in der haast ging, eer de lichtende kogel zich weer aan ons oog onttrok.--Weer breidde zich de vale, arctische schemering uit over de rotsen, de sneeuwvelden, de verre plassen en moerassen en de enkele rondvliegende vogels. Het werd koud, en huiverend maakten wij ons gereed voor den terugtocht. Boven aan den rand van het plateau ontmoetten wij de achterblijvers die onderweg hadden gerust en nu het beste bleken gemist te hebben. Welgemoed trokken zij echter mantels en jassen dichter om zich heen, in 't bewustzijn dat zij het doel ten minste hadden bereikt.

De reis naar Spitsbergen wordt in den regel ondernomen van uit Hammerfest. Hier nam dan ook de pastoor van Drontheim afscheid van ons, met andere reisgenooten, die ons lief geworden waren op den tocht, en slechts weinig passagiers bleven over, die op onzen noorschen schoener de reis naar Spitsbergen mee wilden maken. Urenlang gleden wij, als door den wind gedragen voorwaarts, totdat laat in den namiddag beweging kwam in de rustige golven.

"De wind slaat om", klonk de stentorstem van den kapitein van de brug. Onmiddellijk begonnen de matrozen de zeilen te reven. Tijd om de naaste kust te bereiken was er niet meer. De storm brak met geweld over ons los en dreef ons uit alle macht naar het westen. Het duurde uren, eer het weêr bedaarde, en toen de Hedda weder macht kreeg over de golven, waren wij niet ver meer verwijderd van de IJslandsche kust. Daar het noodig was, de door den storm aangerichte schade te herstellen, besloot de kapitein een haven binnen te loopen. Over twee uur zouden we voor anker gaan.

Daar lag het nu werkelijk vóór ons, dat eenzame eiland, dat ons steeds zoo onbereikbaar ver weg was toegeschenen; als een door de zee omgeven kluizenaarswoning kwam het ons voor, doch een kluizenaarsverblijf, zoo groot als Baden, Wurtemberg en de Beiersche Rijnpfalz met elkaar.

Het scheen een schoon land met zijn diep in de kust snijdende fjorden, zijn lachende dalen en schuimende watervallen; zijn geweldige gletschers, en zijn honderden vulkanen en geysers. Geen bosschen echter waren er te zien. Slechts wat magere berkenstammen teekenden zich af tegen den horizon. Dat wegsterven van den plantengroei in het Noorden wordt vergoed door den rijken bloei der fauna, zoo te land als te water. Terwijl men het aantal schapen hier op 90.000 en dat der paarden op 40.000 schat, laat het aantal rendieren, waarvan de eerste paren in 1700 werden ingevoerd, en waarmede het ging als met de konijnen in Nieuw-Zeeland, zich niet eens vaststellen, wegens de verbazend groote hoeveelheid.

De 80.000 bewoners van het eiland zijn van skandinavischen oorsprong. In het jaar 860 werd IJsland ontdekt door dezelfde Noormannen, die in 876 Groenland en in 1000 Nieuw-Engeland ontdekten. In Reykjavik, de geheel van hout gebouwde hoofdstad, woont een luthersch bisschop. In het jaar 1000 had IJsland een republikeinsch bestuur. Toen het later onder de heerschappij van Denemarken kwam, bewaarde het den zin voor vrijheid en onafhankelijkheid, die het trotsche land nog thans eigen is. De reis van IJsland naar Spitsbergen duurde vijf dagen. Vijf dagen te midden van de heerlijke kleurenpracht der steeds wisselende tinten der golven onder het telkens weer veranderende licht. Eens, toen wij in bewondering verzonken op het dek stonden, hoorden wij, geheel onverwacht, de klanken eener viool. Beneden in zijn hut ontlokte de kapitein aan zijn instrument de tonen van een zwaarmoedig, poëtisch lied van Grieg. Het was als de openbaring der diepe noorsche volksziel, de ziel van bergbewoners en zeevaarders.