De Ziel van het Noorden De Aarde en haar Volken, 1917
Chapter 2
Om de mijnschachten te bereiken, moet men na aankomst in het station Malmberg een steile helling beklimmen. Overal op den bergrug loopen de vertakkingen van een net van spoorwegrails. Onder het klimmen hoort men telkens een naderend geluid, eerst dof en vaag, dan steeds sterker, tot het even geregeld weer afneemt en wegsterft. Het zijn twee, drie of vier karren, hoog beladen met ijzererts, die naar beneden komen rollen, en vervangen worden door een evengroot aantal leege karren, die omhoog gaan. Geen mensch is daarbij aanwezig; alles gaat automatisch in zijn werk, en terwijl ik zat te rusten en er naar keek, trof mij als iets zeer vreemds het bezig gedoe van die willooze werktuigen. Heel boven op de bergweiden zag ik vrouwen bij haar vee, die soms een koppige koe bij de horens pakten. Ze droegen donkere kleeding, doch een witten doek om het hoofd, en een rooden halsdoek.--Er zijn tien schachten waarin gewerkt wordt, in denzelfden berg. Aan den rand van de grootste, die Koning Oscar heet, kwam ik het eerst aan. Van bovenaf gezien is het een merkwaardig schouwspel. Drie geweldige, concentrisch vernauwende kringen, die in hun grootsche verhoudingen aan de schilderingen van Dante herinneren. De aderen teekenen zich loodrecht af in het gesteente der bergwanden en laten duidelijk de geologische formatie onderkennen. Ik stond juist in beschouwing verdiept, toen een arbeider kwam aanloopen en mij haastig in een uit balken ruw opgetrokken hutje duwde. De signaal-klok had reeds geluid eer ik aankwam, en van de plaats, waar ik stond, kon men de roode vlag niet zien, die, vóór de ontploffing zal plaats hebben, wordt gezwaaid. Iederen dag wordt een honderd ton dynamiet verbruikt voor wel een duizendtal ontploffingen. Juist waren wij onder dak, toen de uitbarstingen begonnen; enkele zoo dichtbij, dat het scheen, of de aarde spleet boven onze hoofden. Overal in de rondte vielen steentjes, als een hagelbui, die aan 't aftrekken is. Toen het gedaan was, luidde weer de bel, en wij slopen uit onzen schuilhoek. Ik liep langs den uitersten omtrek van den schachtrand en zag van een hooggelegen rotspunt in het rond. Het land scheen, als een zeef vol gaatjes, doorboord met de ronde openingen van kleine meren. Alles baadde in licht tot in de verste verten; maar wijd in het rond heerschte de meest volslagen eenzaamheid. Het was, alsof de bodem een schatkamer was, waarin ongekende rijkdommen lagen opgehoopt, van welke men slechts tersluiks waagde, hier en daar iets weg te nemen. Bij een uitstekende rotspunt waren met kolossale letters in het gesteente uitgehouwen de letters en cijfers: "Oscar. 1894 3/8". Het deed mij vermoeden dat gewillige arbeidershanden in der haast dit aandenken aan koning Oscar's bezoek hier hadden gegrift in den steen. Dicht bij den rand van het grootste bekken stonden eenige hutten, waarvan de voegen tusschen de ruw getimmerde planken met afval van rendier- en geitenleder waren gedicht. Ik ging binnen in een dier gebouwtjes, dat als cantine diende voor de arbeiders in die schacht. Er zaten een tiental mannen op de banken langs den wand. Het rook er sterk naar koffie; alcoholische drank wordt hier niet gebruikt. In 't geheel arbeiden in deze mijnen 1500-2000 arbeiders, meest Zweden, Noren en Finnen zijn er ook bij; maar geen enkele Laplander. Ze zouden het werk niet uithouden, zeide mij de hoofd-ingenieur der onderneming. Het verlangen naar een vrij en zwervend leven ligt hun in 't bloed. Ze hebben van tallooze voorouders hun stalen beenspieren geërfd, maar hun armen zijn tegen een zoo groote krachtsinspanning niet opgewassen.
Ik dacht aan de roodhuiden in N. Amerika, die langzaam uitsterven, sedert de Angelsaksers en de toevloed van andere landverhuizers hen terugdrongen binnen een beperkt gebied, en hun het vrij en zwervend leven beletten, dat zij sedert eeuwen hadden geleid.
Toen er een pauze ontstond in de reeks ontploffingen, maakte ik van de gelegenheid gebruik, om in de diepte af te dalen. Langs de grauwe rotswanden leidden op sommige plekken lange smalle trappen naar beneden, waarvan de eene leuning op meerdere plaatsen was weggesleten, gebroken en vermolmd. Hoeveel vereelte bruine handen waren daar ook al niet langs gegleden! Zoodra door de ontploffing de rotsblokken zijn uiteengespleten, wentelen eenige arbeiders de losse blokken in de diepte. Daar worden ze door anderen stukgeslagen en op lorries geladen, die ze naar de opslagplaatsen vervoeren binnen in het gebergte, langs de rails. In de diepte der schacht zag ik ter eener zijde twee in den rotswand geboorde gangen, waardoor de karren passeeren; vóór zij de helling bereiken, waarlangs het erts naar beneden wordt afgevoerd. Ik volgde ze; knarsend gleden de zware lasten uit het duister in het licht, en ik begreep dat daar bij de flauwe verlichting door enkele fakkels en lantaarns meermalen ongelukken moeten gebeuren.
Ik was blijde toen ik weer in de frissche lucht trad, en boven mij de leeuwerikken hoorde jubelen.--Het loon der arbeiders van Gellivare bedraagt 3-13 kronen per dag. Ze zijn ingedeeld in twee ploegen; de eene werkt van vier uur 's morgens tot twaalf uur; de andere van twee uur 's middags tot 's avonds tien. Vrouwen werken er niet, en de enkele jongens, boven veertien jaar, verrichten lichtere bezigheden. Aan acht zweedsche ingenieurs is de leiding van het werk toevertrouwd. Stakingen zijn in tien jaar niet voorgekomen, hoewel het meerendeel der arbeiders socialistisch gezind is. Er worden gemiddeld 900000 ton erts jaarlijks gewonnen. Het erts wordt per spoor naar Lulea en vandaar over zee naar de verschillende plaatsen van bestemming gebracht. Negen tiende ervan gaat naar Duitschland. De plaatsen Malmberg, Gellivare en Kiruna breiden zich ontzaglijk uit; voortdurend worden er nieuwe huizen gebouwd, kleine, bont en vroolijk geschilderde huisjes, die dikwijls reeds worden betrokken, eer het omliggende land bebouwd is. De bloei dier plaatsjes herinnert aan den snellen groei van sommige steden in Amerika.
De trein, die van Narwik kwam, hield 's avonds in Kiruna op; om den volgenden morgen vroeg de reis voort te zetten naar Abisko, dat in zekeren zin het glanspunt is van zweedsch Lapland. Langs de spoorweglijn verheffen zich gekartelde bergtoppen, die een dolomitisch karakter dragen. De plantengroei wordt steeds schraler; men bemerkt, dat men de grens nadert van het boomgebied. Naaldhout wordt bijna niet meer gezien, en zelfs de taaie zilveren berkenstammen zijn hier dun en klein gebleven. Wij naderen thans Abisko. Reeds strekt zich rechts van ons het geweldig groote, wegens zijn stormen beruchte Torneträsk-meer uit. Boven dat uitgebreid water-oppervlak, 62 mijlen lang en 10 mijlen breed, verrijzen hier en daar eilanden. Twee ervan verdienen bijzondere vermelding, Abisko Suolo en Kaisanhiemi.
Abisko is een voor Lapland merkwaardig beschut gelegen plaatsje. De rijkdom aan verrukkelijke gezichtspunten doet denken aan het prachtige dal, dat zich uitstrekt van St. Moritz naar Maloja. Hier echter zijn onder den magischen invloed van het noordelijk licht, in den zomer de licht-effecten veel tooverachtiger en fantastischer. Als de zon den groenen boog verguldt der beide berghellingen, die als het ware de poort en omlijsting van Abisko vormen, dan is dat een aanblik, zoo onvergelijkelijk schoon, dat slechts enkele der in licht gedrenkte landschappen van het Oosten hiermede kunnen wedijveren.
Toen wij in het stadje Abisko aankwamen, was het vol met Laplanders, terwijl hun rendierkudden heel boven op de met sneeuw bedekte bergweiden waren gezonden, om te bekomen van de zomerwarmte. Zoo ver waren ze weg, dat het scheen alsof de glanzende witte hellingen met kleine donkere vlekjes waren bezaaid.--De laplandsche herders kwamen ons hun eigenaardige messen te koop aanbieden, waarvan de gesneden beenen heften met rendieren, beren en wolven waren versierd. Ze dragen dat mes om de heupen gegord aan een korten riem en maken er de wolven mee af, die ze hebben neergeschoten of met stokken halfdood geslagen. Ze maakten den indruk van luchthartige "desperado's" en het viel mij op, hoe ongegeneerd ze babbelden in hun mongoolsch idioom, tusschen de talrijke vreemdelingen. Hun schoenen, van binnen met stroo doorvlochten, zijn gemaakt van rendierleder. In den zomer dragen ze een waterdichte, donkerblauwe kleeding, met roode randen. Rood is ook de zonderlinge kwast, die aan hun muts bengelt. Toen ik mij gereed maakte, een groep te photografeeren, kreeg er plotseling een het te kwaad, en ging uit bijgeloovigen angst aan den haal, zoodat op de plaat alleen zijn rug werd ontrukt aan de vergetelheid. Toen later de middernachtzon door den nevel gloeide en de lucht en de bergen den rooden brand weerkaatsten, haastten zich twee Stockholmer schilders, die opzettelijk voor dat schouwspel waren hier gekomen, dien indruk vast te houden, zoo goed hun penseel dat vermocht. Doch het was een ondankbaar werk, want niets laat zich moeilijker weergeven, dan een overgang, die, hoe langzaam ook zich bewerkstelligend, telkens weder nieuwe schoonheden openbaart.
De boot, waarmee ik naar Noorwegen zou reizen, de Hadsel, voer iederen Zaterdag, tusschen 29 Juni en 20 Juli, naar Narvik.--Narvik heeft langen tijd Victoria geheeten, daar de engelsche eigenaars der laplandsche mijnen het naar hunne koningin hadden genoemd. Doch voor kort werd de plaats wel een noorschen naam waardig gekeurd, en herdoopt. Een andere boot, de Adenaes, vaart van 20 Juni tot 25 Juli geregeld van Narvik naar de Noordkaap. Een derde, de Westeraalen, doet die reis van Trondhjem uit. Beide hebben twee dagen noodig voor den tocht. De schepen, die de fjorden van het hooge Noorden bevaren, zijn niet groot. In die beschutte inhammen en bochten heerscht vaak windstilte, en zoo sluipen de vaartuigen haast tersluiks van kust tot kust, van eiland tot eiland, en glijden behendig door het labyrinth van doorgangen en kanalen, terwijl zij de talrijke klippen met groote zekerheid weten te ontwijken. Op enkele punten is de vaart buitengewoon moeilijk. Gevaarlijk is vooral de Malström, de sterke zeestrooming, die het onbewoonde Mosken-eiland omvat, en de eilandengroep der Lofodden doorsnijdt. Drie groepen eilanden hier zijn beroemd wegens hun visscherijen, de Lofodden, Westeraalen en Senjen.--Naar de Lofodden komen elk jaar geweldige scholen van kabeljauwen, bij de vervolging van een door hen zeer gewaardeerd en begeerd vischje, de kapelaan geheeten (osmerus arcticus) dat uit het tusschen Groenland, IJsland, Jan Majen en Spitsbergen gelegen gedeelte der IJszee naar deze streken trekt, en terwijl het zoekt te ontkomen aan zijn vraatzuchtige vervolgers, worden deze weder voortgedreven door de op hen beluste walvisschen, die deerlijk onder hen huishouden. Zoo woedt hier ieder jaar een driedubbele slachting, die de mensch zich weet ten nutte te maken. Het is hem natuurlijk te doen om de roofvisschen, den kabeljauw en den walvisch. Het kleine vischje dient hem enkel als lokaas. Jammer is het, dat de eene rooftocht de voorwaarde is voor den ander, en toch dien tegelijkertijd schijnt uit te sluiten. Toen op de kabeljauw zoo overdreven heftig werd jacht gemaakt, bleek het dat de walvisschen zich niet zoo veelvuldig meer vertoonden, en de poging om zooveel mogelijk walvisschen te dooden, had weer tengevolge dat de kabeljauwen, nu ze niet zoo werden in 't nauw gedreven, ook in minder grooten getale verschenen. Er werd gewaarschuwd; de schrik sloeg den menschen om het hart; het parlement bemoeide zich er mede; er werd eene commissie benoemd, zooals dat overal gebruikelijk is, en ten slotte werd de walvischvangst in bepaalde streken verboden. Soms komen de kabeljauwen in zulke massa's, dat het dieplood niet kan worden uitgeworpen. Aan deze vischvangst nemen op de Lofodden alleen ruim 25000 menschen deel, met 2000 booten, die uit alle deelen van Noorwegen hier samenkomen. Het visscherij-seizoen heet in 't algemeen Vaer (lente); doch de vangst begint reeds in 't eind van Januari. Een groot gedeelte der noorsche bevolking trekt mede naar het terrein. Men heeft wel beweerd, dat de kabeljauw het manna van het Noorden is, zooals het goud het manna van Californië en Australië. Vele doktoren en geestelijken sluiten zich aan bij die menigte. De termijn voor het eind van de vangst is 14 April. Tot zoolang heerschen in de Lofodden bijzondere regels en wettelijke voorschriften. Een net van telegraaf- en telefoonleidingen verbindt gedurende die periode talrijke punten der eilanden, en zoodra een school kabeljauwen de kust nadert, wordt de omtrek onverwijld verblijd met dat verheugend bericht. Daar er op de weidegronden der eilanden niet voldoende veevoeder groeit, wordt de kabeljauw ook aan anders planten-etende dieren tot voedsel gegeven. Zij zijn daaraan zóó gewend, dat de koeien, wanneer ze langs een opgestapelden hoop visschen komen, daar haastig een tusschenuit pogen te trekken. Herodotus reeds meldt, dat ook in Thracië het vee met visch werd gevoederd.
Het geheele lichaam van den kabeljauw wordt nuttig gebruikt. Versch gegeten, smaakt het goed, heeft iets van baars. Overigens bereidt men uit de lever traan, evenals bij den walvisch, de kop dient ter vervaardiging van kunstmest, en de rest, goed gedroogd, levert den stokvisch, die op alle markten ter wereld wordt aangetroffen. Er zijn twee manieren om kabeljauw te drogen. Men kan hem aan den staart ophangen aan een horizontalen stok, een paar handbreedten boven den grond aangebracht; vandaar de naam stokfisk, die dus niet aan het product wordt geschonken wegens zijn leerachtige taaiheid en stijfheid, maar naar den stok, waaraan het hangt. De andere manier bestaat hierin, dat men de visch op platte steenen in de frissche lucht te drogen legt, in welk geval hij klipfisk wordt genoemd. (Klippe is steen in het Noorsch.)
De kabeljauw wordt in de Lofodden gevischt op omstreeks een engelsche mijl van de kust, in een diepte van 50-500 meter. Soms wordt de visschersvloot door den storm van de kust afgedreven. Dan is terugkeeren naar de eilanden niet mogelijk. Men moet den breeden zeearm van het Westfjord doorkruisen. De storm jaagt de lichte booten voort. Het wordt eene ontzettende tragedie, die haar hoogtepunt bereikt in het omslaan van vele der vaartuigjes. In het ijskoude water klemmen zich de mannen vast aan ringen en haken, of, als zij geen ander houvast kunnen krijgen, steken zij het mes, waarmede zij anders de visschen de keel afsnijden, in den rand van de boot. Krampachtig omklemmen zij het heft, tot zij het door uitputting moeten loslaten. De boot drijft aan land, en de messen in den rand wijzen als grafkruisen het aantal en de namen der dooden aan. "Gebleven", zooals de korte lijkrede der noorsche visschers luidt.
Behalve kabeljauw wordt ook veel haring hier gevangen, die versch, gezouten of gerookt gegeten wordt. Soms komen ze in zulke dichte scholen, dat men ze met groote schoppen uit het water kan scheppen. Wie dat aanschouwt, denkt aan het bijbelsch verhaal der wonderbare vischvangst. In den zomer wagen zich de visschers van de Lofodden, Westeraalen en Senjen zelfs tot de verwijderdste punten der kust van Finmarken.
De kosmopolitische stroom van reizigers vergenoegt zich over 't algemeen met een bezoek aan de voornaamste steden: Stockholm, Upsala, Göteborg, Christiania en Bergen. Daardoor zijn de booten die van het Zuiden of midden van Noorwegen naar de Noordkaap, IJsland of Spitsbergen varen, zelden overvol, en ik kon rustig rondwandelen op het bijna leege halfdek, mij verbeeldend de eenige passagier te zijn. Het was zacht in de lucht. De noordelijke en westelijke kusten van Noorwegen verheugen zich,--in tegenstelling met de oostelijke kust van Zweden,--in een zacht klimaat, daar zij door den golfstroom worden bespoeld. Molde, met zijn weelderigen plantengroei, ligt op denzelfden breedtegraad als de onbewoonde vlakten van oostelijk Siberië en de ijsvelden van N.-Amerika, waar Franklin's expeditie haar einde vond; en in het toch zoo noordelijk gelegen Bergen heerscht eene temperatuur als in Zuid-Bulgarije. Wij bleven den nacht op het dek, klaar wakker. Dat zachte, vreemde licht is te ongewoon en te verleidelijk om er afscheid van te nemen en zich vrijwillig op te sluiten in kunstmatige duisternis. Om 6 uur 's morgens was ik juist begonnen, zoodra de Hadsel in de wijde baai van Tromsö het anker had laten vallen, een poging te doen om de verloren nachtrust in te halen, toen in de deur van mijn hut een blonde dame verscheen. Verschrikt richtte ik mij op, en hoorde haar in gebroken Duitsch zeggen: "Is u de Katholieke professor Theodor Fischer uit Breslau?"
"Ik ben Italiaan", was mijn antwoord, "en katholiek. In Breslau heb ik wel vrienden wonen; maar prof. Fischer is mij onbekend". "Hier in de buurt is een katholieke kerk. Om 8 uur begint de mis. Zeven jonge meisjes doen haar eerste communie. Morgen komt de bisschop van Noorwegen hier. Buiten wacht een gids, die Noorsch spreekt."
Daarmee verdween zij, en ik bleef verbaasd achter. Ik vond bezoek en bezoekster origineel; maar 't meest frappeerde mij het feit, dat mij hier in het hoogste Noorden en in een land, waarvan de twee en een half millioen inwoners slechts 2000 katholiek zijn, juist deze verwelkoming ten deel viel. Ik wreef dapper den slaap uit de oogen, en vergenoegde mij, om de gemiste rust te vergoeden, met het stevig noorsch ontbijt aan den uitlokkenden skandinavischen disch, die meest met groen is versierd, en beladen met schotels koud vleesch, visch, groente, ingemaakte vruchten en beschuit.--Van den gids vernam ik, dat er in Tromsö maar negentig katholieken waren, doch dat de bisschop, die in Christiania woont, voor deze gelegenheid zou overkomen. Noorwegen bezit zes protestantsche bisschoppen, die hun zetels hebben te Christiania, Christiansund, Hamar, Bergen, Drontheim en Tromsö. In Zweden zijn er twaalf, naar het voorbeeld der apostelen, met een aartsbisschop aan het hoofd. Het aardige kerkje lag rustig in de zon en was goed bezet. Ik zag er veel gerimpelde voorhoofden en door weer en wind gebruinde gezichten; maar de zeven knielende jonge meisjes, allen blond en blank, geleken een rij engelen van Fra Angelico. Na den dienst ging ik met den vriendelijken geestelijke naar zijn pastorie, waar ik op thee en gezouten visch werd onthaald, en nog twee reizigers aantrof, den pastoor van Drontheim en een hollandsch priester, uit Groningen, die ook naar de Noordkaap wilden, en later aangename reisgenooten bleken.--In het stadje Tromsö leefde nog de herinnering aan den hertog der Abruzzen en de "Stella Polare"; en de menschen spraken nog, als van een sprookjesheld van "dien mooien prins, die uit Italië kwam".
Ook van den amerikaanschen onderzoeker Wellman wisten ze te verhalen, wiens ballon en Siberische honden iedereen had kunnen bekijken, toen hij zich meerdere dagen in de stad ophield.--Van mijn blonde berichtgeefster was geen spoor meer te ontdekken, en niemand begreep, wie zij kon geweest zijn. Ik liet voor alle zekerheid mijn kaartje achter, om op die onvoldoende wijze mijn dank te betuigen voor haar raad, die mij eenige aangename uren verschaft had.--Juist toen wij het anker zouden lichten kwam nog een troep donkerblauwe Lappen de valreep opstormen. Toen nog eenige achterblijvers aankwamen, zagen we hun eigenaardige wijze van begroeten, die zoo hygienisch mogelijk is. Ze geven elkaar geen hand; maar raken wederkeerig met de vingers elkaars onderarm aan. De handdruk wordt voor zeer bijzondere gelegenheden bewaard. Ook deze lieden waren wel geen dwergen, (zooals wel wordt beweerd), maar toch klein van gestalte. Het ras wordt minder, daar zij steeds onder elkaar huwen. Weer viel mij hun eigenaardige trots op; ze nemen van vreemdelingen niet de geringste notitie; doen alsof ze niet bestaan.
En nu gleed de wijde baai van Tromsö weg uit onze oogen en wij genoten van het stralende licht, dat alles in het rond verheerlijkte. Nooit had ik zoo wèl begrepen hoe de Skandinavische gedachte, voor "zee" en "tuin" hetzelfde woord (hav) te bezigen, had kunnen ontstaan. Elk golfje scheen een bloem; al wat doorzichtig was glansde en gloeide van een inwendig licht. Bij het luiden eener bel haastten wij ons allen naar het dek. De boot voer tusschen spitse klippen door. Het scheen, alsof er geen ruimte was voor den boeg, dien zij bijna aanraakten. En het panorama, dat zich thans voor ons uitbreidde was beroofd van elk spoor van vruchtbaarheid of groen. Het gaf den indruk, alsof een zondvloed alle dalen van een wijdvertakt bergland had gevuld en wij tusschen de allerhoogste Alpentoppen doorstoomden. Hoe diep wringt zich de zee naar binnen tusschen deze kusten! Het is alsof zij met de aarde heeft geworsteld om elke handbreed gronds, om ten slotte een grootsche zege te behalen. Geen wonder, dat die strijd haren stempel heeft gedrukt op de gansche bevolking van dezen eindeloos langen zeezoom.
De noorsche fjorden geven volkomen den indruk van bergmeren. Als men zoo uren lang, tusschen bergen door, op steeds weer nieuwe berggroepen is afgevaren, zijn er oogenblikken waarop het eenvoudig onmogelijk schijnt, dat plotseling een ontzettende storm kan losbarsten uit de richting vanwaar wij zooeven gekomen zijn; daar, waar op mijlen afstand zich de poorten openen van den onvertrouwbaren oceaan. Plotseling bleef het schip stil liggen. Ter rechter zijde glinsterde een reusachtige gletscher, de Strupen, die zich uitstrekt tot aan de oppervlakte der zee. De geweldige sneeuwmassa bedekt den ganschen bergrug, en breidt zich aan de landzijde mijlenver uit. Van de omringende bergen storten schuimende beken naar beneden. Men herkent in zee, duidelijk afgebakend, den troebelen stroom, die aanhoudend nedervliet van uit die kristalheldere pracht daarboven. Wij stonden allen stil en eerbiedig rond te zien; we hadden gelukkig geen drukke en spraakzame sightseers in ons midden. Doch toen kwamen de kodaks voor den dag, en onze Drontheimsche pastoor was daarbij in de voorste rijen werkzaam.