Chapter 9
"Nu, vrienden, eindigt dien nutteloozen twist," viel Willem in. "Het is mij onverschillig, of mijne nicht leelijk zij of niet. Daarenboven, ik zal haast weten, wie van u beiden zich misgrijpt."
De oude Jakob, die de deur genaderd was, wierp eenen blik naar buiten; hij sprong terug in de kamer, greep den arm des jongelings, trok hem naar de deur en zeide:
"Daar is zij! Zij staat in den hof; ik geloof zelfs, dat zij naar hier komt! Zie, of ze niet vreemd en leelijk is."
Maar nauwelijks had Willem de maagd beschouwd, die droomend en met gebogen hoofde te midden van den hof stond, of hij deinsde achteruit en slaakte eenen versmachten schreeuw. Hij was bleek als een linnen en hij staarde met wijd geopende oogen rond de kamer als iemand, die duizelig is van verbaasdheid of van schrik.
"Niet waar, niet waar, het is de zwarte man? Gij hebt hem herkend?" zuchtte Jakob. "Ach, ik heb den dood op het lijf. Zie mij beven als een blad! God sta ons bij!"
"Onbegrijpelijk!" morde Willem. "Neen, het is geene begoocheling; mijne zinnen zijn niet ontschikt. Zouden er waarlijk vreeselijke dingen op Wildenborg gebeuren? Die vrouw, een schijn, eene valsche gedaante?"
Op dit oogenblik trad Theresia De Wit in de kamer.
Zoohaast zij den jongeling had gezien, bleef zij verrast staan, als door eenen geheimen slag getroffen; zij insgelijks verbleekte, maar even ras kleurde eene hooge rozetint haar wangen en voorhoofd. Met eenen blijden glimlach op de lippen zeide zij:
"Gij hier, mijnheer? Ha, misschien is het God zelf, die u zendt!"
"Rosa mystica!" kreet Willem met de handen opgeheven. "Mijne nicht? Onmogelijk, onmogelijk! Mijn hoofd is ontsteld, alles draait voor mijn gezicht. O, verlos mij uit dien schrikkelijken twijfel! Wie zijt gij?"
"Ik ben Theresia De Wit en, dank zij den hemel, waarschijnlijk uwe nicht."
"Maar, neen!" riep Willem met ziekelijke aan gejaagdheid. "Zijt gij de Rosa mystica, die ik van kindsbeen af heb bewonderd en bemind, dan is uw naam Flora. Mijne nichte Theresia De Wit kunt gij niet zijn."
"De verklaring van dit raadsel is gemakkelijk," antwoordde het meisje. "Toen ik, als onderwijzeresse der juffers de Bernavaux, op het kasteel van Everdaal kwam, vond men den naam Theresia te gemeen en men heette mij Flora."
"Ho, zou het toch mogelijk zijn!" galmde Willem met groote blijdschap. "En het kind, dat ik te Brussel in de processie voor een engel aanzag? De Rosa mystica?"
"Dat kind was ik, Theresia De Wit, uwe nicht."
Met eenen kreet van geluk liep Willem tot de maagd en greep bevend hare handen in de zijne.
"Gij zijt de bruid, die God zelf mij heeft voorbestemd," zeide hij. "Onze oom, zijn geest, wil, dat gij mijne vrouw wordet. Gij weerstaat den wil van het noodlot niet?"
"Ik heb geweigerd," was het antwoord.
"Geweigerd! Zoudt gij de hoop van mijn gansche leven verbrijzelen? O, heb medelijden met mij!"
"Ik kende u niet en schrikte terug van een huwelijk met iemand, dien ik nog nooit had gezien. Maar gij, mijnheer, gij, kozijn, gij hebt dus de hand eener onbekende aanvaard?"
"Neen, neen. Nu echter ga ik mijnen oom zegenen, mijnen oom en de bovennatuurlijke macht, die ons heeft beheerscht sedert onze kindsheid. Kwam nu slechts de goede Nox om ons te roepen! Wat zal onze oom blijde zijn, als hij zal weten, dat wij ons met geluk aan de beslissing van den geest onderwerpen!"
"O, Hemel!" riep het meisje eensklaps, "onze oom is bezig met het doodshoofd te raadplegen! Uit medelijden met mijn verdriet wil hij zijnen ingebeelden geest eene nieuwe beslissing afdwingen. Gebeurt het zoo, dan zal een even wreed vonnis tusschen ons geveld worden. Kom, kom, op Nox niet gewacht; loopen wij tot onzen oom; rukken wij hem van het doodshoofd weg, voordat eene nieuwe dwaling in zijn krank verstand zich hebbe geworteld!"
En beiden ijlden ter kamer uit.
Jakob Mispels stond te beven en veegde zich eenen traan uit de oogen, in de overtuiging dat de arme Willem onder de bekoringen des duivels was bezweken. Peternelle integendeel lachte en juichte.
Toen de jongelieden ongeroepen in de zaal des kasteels traden, riep mijnheer Reimond op vasten toon hun toe:
"Nutteloos, onmogelijk! Gij moet te zamen trouwen: de geest wil het!"
Willem sprong tot zijnen oom, omhelsde hem vurig en zeide:
"O, lieve oom, mijne dankbaarheid voor u is grenzenloos. Wij onderwerpen ons met vreugde aan den wil van den goeden geest. Ik trouw, hoe eerder hoe liever! De bruid, die gij mij hebt voorbestemd, is de Rosa mystica, het beeld, dat mijn gansche leven heeft beheerscht...."
"Hoe, wat zegt gij?" onderbrak Reimond verbaasd. "Zij? uwe nicht, de Rosa mystica, wier verrassende geschiedenis gij mij hebt verteld?"
"Ja, zij is de ziel, aan welke mijne ziel door eene geheimzinnige keten was verbonden. Dank, dank; ik zegen u; gij overlaadt mij met geluk: al mijne wenschen zijn vervuld als door eenen tooverslag!"
Mijnheer Reimond wreef zich de handen; zijne oogen glinsterden van zegevierende blijdschap.
"Ha ha!" juichte hij, "zoo bewijzen de geesten hunne wetenschap en hunne macht! Welnu, mijn zoon, twijfelt gij nog? De geheimzinnige invloed, die u heeft vergezeld gedurende geheel uw leven, om op een bepaald oogenblik u hier te zamen te brengen en u een voorspeld huwelijk als een opperst geluk te doen afsmeeken? Kunt gij dit alles wel verklaren, zonder de tusschenkomst van wezens, die bekend zijn met den wil van God?"
"Wonderbaar, onbegrijpelijk!" morde Willem. "Die goede, milde geest was misschien mijn engelbewaarder...."
"Neen, mijn vriend, het is eene dier wachtende zielen, die de ruimte vervullen en daar niet zelden, als boden des Heeren, tot de vervulling Zijner besluiten medewerken. Gij ziet wel, dat de openbaringen van den geest onwederroepelijk zich moeten vervullen; en alle tegenstand ijdel en nutteloos is."
"Ja, heer oom, ten mijnen opzichte is de verwezenlijking zijner openbaringen bereikt door geheimzinnige wegen, wier onfeilbaarheid mij doet verstommen."
"En gevolgelijk is mijne opvaart naar de andere wereld even onherroepelijk vastgesteld.... Maar gij, nichte, gij zwijgt en schijnt niet verheugd? Stemt dit huwelijk dan niet overeen met den wensch uws harten?"
Het meisje had bij zijne laatste woorden van verdriet of van schrik gesidderd. Zij antwoordde op treurigen toon:
"Ik aanvaard, niet van de geesten maar als eene gift van God, den bruidegom, dien Zijne goedheid mij sedert lang heeft voorbeschikt. Mijne vreugde is echter vergald door eene smartelijke vrees. Wat hier door eenen wonderlijken samenloop van omstandigheden geschiedt, zal u misschien bevestigen in de overtuiging, dat gij morgen moet sterven. Ik had besloten de wreede gedachte des doods in u te bevechten, en ik juichte reeds over de waarschijnlijke zegepraal."
"Eenvoudig meisje, waarom nog gestreden tegen eene onverwinbare macht? Wist gij, hoe mijne ongeduldige ziel zucht en snakt naar het oogenblik, dat zij tot de wereld der geesten, haar waar vaderland, zal mogen opklimmen!"
Na eenige oogenblikken stilte voegde Theresia de handen te zamen en zeide met tranen in de oogen:
"Oom lief, heb toch medelijden met mij! De gedachte, dat gij morgen zoudt kunnen sterven, verbrijzelt mij het hart. Gij, uit wiens milde hand wij met het stoffelijk welzijn een gansch leven van geluk en zielsgenoegen ontvangen, gij zoudt morgen voor altijd aan onze dankbaarheid worden ontrukt? O, gij moet leven, opdat wij onze schuld jegens u zouden kunnen betalen!"
"Nutteloos, alles is nutteloos," morde Reimond.
"Maar, Willem," kreet het meisje, "blijf niet zoo werkeloos; laat mij niet alleen tegen die wreede begoocheling worstelen. Onze weldoener zou morgen sterven? Neen, neen, dit kan niet dit mag niet zijn: wij moeten hem danken, hem beminnen, hem gelukkig maken tot het natuurlijk einde van een lang en vroolijk leven."
De jongeling hoopte niet, dat de dwaalgedachte zijns ooms nog te overwinnen was, hij zeide evenwel:
"Heer oom, luister naar de liefderijke bede van Theresia. Blijf op aarde om uw werk te zien en ons geluk te deelen!"
"Welke dwaze gedachten verduisteren uw verstand?" viel Reimond ontevreden uit. "Meent gij dan, dat mijne toestemming voldoende kan zijn om den geest tot eenen leugenaar te maken? Ho, gij lastert en hoont den geest, die uw geluk heeft voorbereid."
Theresia, wier dankbaar hart geweldig in opstand kwam bij de overtuiging, dat de beschermer harer ouders, dat haar edelmoedige weldoener het slachtoffer van een beklaaglijk dwaalbegrip ging worden, verhief het hoofd en zeide met zekere stoutheid:
"Maar oom, verontschuldig mij en laat mij toe, u te zeggen wat ik de waarheid meen te zijn. Er woont geen geest in het doodshoofd; uw lichaam is niet krank en niets verplicht u te sterven. Uwe verbeelding alleen is ziek."
"Aldus, gij waant mij zinneloos?" morde Reimond met droeven spot. "Het is zóó dat gij mij wilt beloonen, evenals uw vader deed?"
"Mijn vader vervulde zijnen plicht en ik wil den mijnen vervullen tot het einde. Gij zult niet sterven, gij hebt noch voor God nog voor de menschen het recht om u zelven te dooden. Indien gij morgen ophoudt te leven, zal hier niet de uitspraak van ingebeelde geesten volvoerd zijn; neen, maar de vertoornde hemel zal eenen akeligen zelfmoord aanschouwen. Ach, heb medelijden met uwe arme ziel; lever ze niet schuldig aan het oordeel van den oppersten Rechter!"
Reimond zag haar, het hoofd schuddende, aan.
"Nicht, nicht!" zeide hij, pijnlijk aangedaan, "waarom martelt gij mij door dien laster tegen de geesten? Uwe woorden doorvlijmen mijn hart als messen. Ik zou mij moeten vergrammen, u verwijderen misschien om zulke plechtige taal niet meer te hooren; maar ik begrijp, dat een gevoel van dankbaarheid en en van liefde u doet verdwalen. Ongelukkig kind, gij vreest dus niet, dat de wraak der geesten al het geluk vernietige, dat anders u op de wereld stond te wachten?"
"Gij bedriegt u, mijn oom; uwe verbeelding doolt," zeide de maagd.
"Heb medelijden met haar, oom lief!" smeekte de jongeling.
"Gij ook, Willem, gij blijft in uw hart loochenen, dat de geest van het doodshoofd vooruitziet in de toekomst?" kreet Reimond verbaasd en gram.
"Neen, ik gevoel mij de macht niet meer om het langer te miskennen," antwoordde Willem aarzelende; "maar wat uwen dood betreft, is zijn vonnis zoo wreed, dat Theresia's dankbaar hart het weigert te aanvaarden."
"Willem, ik bezweer u, wees oprecht in dit opperst oogenblik!" riep de maagd. "Waarom veinst gij aan het bestaan van dien kwaden geest te gelooven? Dit is het middel niet om onzen oom van zijne noodlottige dwaling te genezen."
"Zwijg, nichte, zwijg!" gromde Reimond, de handen in de hoogte heffende. "Onvoorzichtig en vermetel kind, wilt gij dan eenen hopeloozen strijd tegen de geesten voeren? In deze onmogelijke worsteling moet gij bezwijken."
"Welnu, heer oom, laat mij den strijd ten minste beproeven. Ik zal u bewijzen, dat ik machtiger ben dan uwe geesten. Wildet gij doen wat ik u zou aanraden, binnen eene week wandeldet gij reeds lachend en juichend met ons in den hof!"
"En wat zou ik moeten doen?" spotte Reimond.
"Ten eerste, gij zoudt goed voedsel moeten nemen, dat ik zelve en onmiddellijk u zou bereiden. Vleesch, ossenvleesch."
"Ho! vleesch? Gij zijt zinneloos!" kreet Reimond met afgrijzen.
"Brood dan, eieren, melk."
"Mijn lichaam is reeds half gestorven; het weigert alle voedsel."
"Laat dan ten minste geneesheeren op Wildenborg komen. Willem zal ze in de naastgelegene dorpen gaan opzoeken."
"Geneesheeren? Ik zou opstaan tegen de geesten en hen laten gelooven, dat ik twijfel aan de onveranderlijkheid hunner besluiten? Vreemdelingen op Wildenborg? Valsche geleerden, die de menschelijke wetenschap aanbidden en de wetenschap der geesten bespotten en loochenen?"
"Ik smeek u, oom lief, verwerp mijne bede niet, ik zal u beminnen en dankbaar zijn, mijn leven lang!" zuchtte het meisje, hem teederlijk omhelzende.
Maar mijnheer Reimond, die over haar aandringen diep was verstoord, wierp hare armen van zijne schouders en zeide op strengen toon:
"Verwijder u, nichte. Te lang heb ik uwe zinnelooze taal aangehoord, ik hoopte zulke smart niet meer te moeten onderstaan vóór mijne opvaart naar de wereld der zielen. Ik vergeef u, in aanzien uwer onwetendheid. Ga, Theresia, verlaat deze zaal; uwe tegenwoordigheid is mij pijnlijk."
Het meisje, in stede van te gehoorzamen, liet zich op eenen stoel vallen, legde de handen voor de ogen en begon overvloedig te weenen.
"Ach, heer oom," smeekte Willem, "heb deernis met mijne arme nicht! Het denkbeeld uws doods verscheurt haar het hart. Al wat zij zeide, werd haar ingesproken door de dankbaarheid, door de zucht om iets tot uw geluk op aarde te mogen bijdragen. Nu verstoot gij haar en jaagt haar weg! Zij kan dwalen, maar zulke wreede straf toch heeft zij niet verdiend."
"Kom, nichte, ween niet meer," zeide Reimond. "Blijf nog met mij, ik heb u van ernstige dingen te spreken; maar geef wel acht op de voorwaarde, die ik stel, zoowel voor Willem als voor u. Zoohaast één uwer nog een woord rept over hetgeen gij mijnen dood noemt, of over voedsel of over geneesheeren, verwijder ik u onverbiddelijk uit mijne tegenwoordigheid. Die voorwaarde wil ik geëerbiedigd zien, niet alleen heden, maar insgelijks morgen, tot het uur mijner opvaart naar de wereld der zielen. Aanvaardt gij Theresia? Antwoord mij, of vertrek oogenblikkelijk van hier!"
"Eilaas, kan het niet anders zijn, ik zal mij aan het wreede noodlot onderwerpen!" klaagde de maagd.
"Welnu, luistert dan; want ik ben zeer moede en ik snak om alleen te zijn. In de lade dezer tafel zult gij na mijn vertrek van de aarde een eigenhandig testament vinden, dat u beiden instelt tot erfgenamen mijner goederen. Ik zal aan Jakob Mispels en aan zijne vrouw een legaat maken, om hunne lange en trouwe diensten te beloonen; gij zult hen in bezit dezer gift stellen zonder moeielijkheden en zonder kosten voor hen, en, willen zij in hun huis op Wildenborg blijven wonen, verdrijft ze nimmer. Mijnen hond Nox beveel ik aan uwe zorg. Hij was mijn eenige vriend in de lange eenzaamheid. Dat hem niets ontbreke zoolang hij leeft; herinnert u, dat, indien het arme beest wierd mishandeld of gebrek leed, mijne ziel in de andere wereld er om zou treuren. Gij belooft dezen mijnen wensch getrouw te vervullen?"
"Ja, heer oom," antwoordde Willem, "wij zullen voor Nox zorgen met liefde, niet alleen omdat hij een trouw en verkleefd gezel van onzen weldoener was, maar tevens in de overtuiging, dat onze bezorgdheid voor hem u in de wereld der zielen zal verblijden."
"Dank, dank, mijn goede neef," zeide Reimond met innige tevredenheid. "Gij zult eens in de verborgene wetenschap dringen; uwe natuur is niet verre van de noodige zuiverheid. Ho, welk geluk, indien ik, ofschoon niet stoffelijk levend, door u kon gehoord worden en met u kon spreken! Ik laat u alleen en persoonlijk het doodshoofd tot erfdeel. Houd het in waarde, het is een kostelijker voorwerp dan de kroon eens konings. Wanneer gij na uw huwelijk de rust des gemoeds zult teruggevonden hebben, trek u dan somtijds in eenzaamheid terug, zet u neder voor het doodshoofd en doe met aanhoudendheid en vasten wil wat ik u heb geleerd. Bekomt gij de macht om den geest van het doodshoofd te zien en te hooren, dan zult gij tevens machtig genoeg geworden zijn, om mijne ziel op te roepen. Ik zal komen, en wij zullen te zamen spreken van wonderbare, verborgene dingen, en mijn raad zal u en uwe echtgenoote wapenen tegen alle verdriet en tegen alle wederwaardigheid. Reikt mij nu de hand, kinderen, en verdrijft alle smart, zijt vroolijk als ik. De dag van morgen is een feestdag. Het afscheid van eenen goeden vriend, die vertrekt om een eindeloos geluk te gemoet te gaan, mag u niet pijnlijk vallen.... Kom, Theresia; gij aarzelt om mij de hand te geven? Het is geen beslissend vaarwel: morgen zullen wij elkander nog zien."
De maagd naderde langzaam; de hand, die zij haren oom toereikte, scheen te beven.
"Heb moed, mijne dochter," zeide Reimond. "Uwe meening aangaande den dood is eene menschelijke dwaling. Sterven is het einde eener lastige taak bereiken, het is de vrede na den oorlog; de verlossing eener ziel uit de stof, die hare verhevene natuur verduisterd hield. Maar genoeg daarover, vermits het u bedroeft.... Nichte, gij kunt op het kasteel niet slapen en zult in het dorp moeten vernachten. Er is daar, in het Gulden Paard, goede herberg bij brave, godvreezende lieden. Jakob Mispels zal u vergezellen. Ik zal hem een briefje medegeven voor den pastoor; deze goede priester zal over u waken en u zeggen wat gij te doen hebt. Gaat nu, mijne vrienden, en blijft helder van gemoed en gerust van hart tot morgen."
De beide jongelieden verlieten zwijgend de zaal. Willem zuchtte, Theresia weende.
In den hof voor de deur van den gang bleef het meisje staan en zeide tot haren kozijn:
"Ach, ik kan mij aan de schrikkelijke gedachte zijns doods niet gewennen, Er moeten middelen bestaan om dit ongeluk te voorkomen; maar hoe deze middelen ontdekt, zoo alleen en verre van de menschen? Gij, Willem, gij zijt man; hebt gij niets gevonden, niets beproefd om onzen armen oom het leven te behouden?"
"Ik kom van Hasselt en van Leuven," antwoordde hij. "Twee of drie goede geneesheeren heb ik bezocht; geen enkele wist mij raad te geven. De tijd is te kort, zeiden zij, en die ziekten overwint men niet in eenen dag."
Op dit oogenblik schoot de hond met geweld tusschen de beenen des jongelings door en deed hem schier vallen. Het beest liep recht naar het huis van den hovenier.
"Het is Nox, die den ouden Jakob gaat roepen," mompelde Willem.
"En meenen de geneesheeren, die gij hebt geraadpleegd, dat mijnheer Reimond morgen zal sterven?" vroeg het meisje.
"Zij achten het mogelijk, nicht, maar zijn er niet zeker van. Evenwel, volgens de inlichtingen, welke ik hun gaf, waren zij eenparig van gevoelen, dat hij niet lang meer kan leven."
"Welke ziekte meenen zij, dat hem naar het graf leidt?"
"De ziekte der verbeelding, nichte. Deze ziekte moet volgens hen reeds sedert lang de hersens van onzen oom ontstoken en er iets vernietigd hebben. Zij beschouwen zijne kwaal als biedende zeer weinig kans tot genezing."
"En gij, Willem, gij schijnt zoo moedeloos?"
"Ik acht alle verdere pogingen overbodig en onderwerp mij aan het lot met smartelijke verduldigheid."
Daar naderde de hovenier, die achter den hond naar het kasteel kwam. De oude man opende zijne oogen wijd en zag den jongeling met treurnis en verbaasdheid aan. Hij scheen hem zijne onvoorzichtigheid te verwijten en gromde onverstaanbare woorden, terwijl hij hem voorbijging.
"Eilaas, er is dus geene hoop meer!" zuchtte Theresia. "Wij zullen machteloos hem moeten zien sterven?"
"De geneesheer van Leuven hoeft mij wel een fleschje gegeven, dat volgens hem ten minste den dood van onzen oom kan vertragen," zeide Willem, "maar sedert mijnen terugkeer op het kasteel is mijn vertrouwen gansch weg, en ik weet zelfs niet, of ik het geneesmiddel wel zou gebruiken."
"Waarom niet, kozijn? Men moet worstelen tot het einde."
"Het is, ziet gij, nichte, dat er heden iets onverklaarbaars met ons is geschied. Dat ik u hier vind, u, de Rosa mystica mijner kinderlijke begoochelingen, dat gij, die ik leerde kennen onder den naam van Flora, nu eensklaps mijne nichte Theresia De Wit geworden zijt, dat het huwelijk, waartoe mijn oom mij wilde dwingen, integendeel al mijne wenschen moest vervullen,--zulke samenloop van wonderbare omstandigheden, uitwerksels van geheimzinnige oorzaken, dit alles komt mij onbegrijpelijk voor. Het zij nu de wil van God, de veropenbaring van eenen geest of de schikking van het nootlot, althans wij zijn beheerscht door eene bovennatuurlijke macht. En indien het orakel van het doodshoofd zich voor ons heeft bewaarheid, waarom zou het dan niet even onfeilbaar zijn voor onzen oom?"
Het meisje bezag hem verwonderd.
"Wat wilt gij zeggen? Ik begrijp u niet!" murmelde zij.
"Ik wil zeggen, dat het wreed zou zijn, eene harde worsteling tegen den wil van onzen oom te beginnen, om hem een machteloos geneesmiddel te doen nemen. Overweeg, dat wij hem den inhoud van het fleschje niet mogen ingeven dan een uur vóór middernacht. Waarom zouden wij zijnen doodsstrijd bitter maken door hem een ijdel en vruchteloos geweld aan te doen?"
"IJdel en vruchteloos?" herhaalde het verraste meisje. "Gelooft gij dan insgelijks aan de wetenschap en macht der geesten, Willem?"
"Gisteren nog lachte ik met deze dingen als met grillen eener zieke verbeelding. Nu weet ik niet meer wat ik geloof. De innige blijdschap, het geluk, de droefheid, de wanhoop, dit alles ondereen maakt mijne zinnen duizelig. Er zijn dingen, die het menschelijk verstand te boven gaan. Wij weten zoo weinig van de stoffelijke wereld!"
"Kom, geef mij het fleschje en spreek er niemand van, bovenal Jakob niet. Hij zou zijnen meester kunnen verwittigen. Vertrouw op mij: onze oom zal het geneesmiddel nemen, al moest ik hem met geweld den mond openen. Faalt uw moed, ik zal worstelen tegen den nijdigen dood, zoolang er eene vonk der hoop voor mijne oogen glinstert. Wat is er in dit fleschje?"
"Ik weet het niet. De dokter had er zelf niet veel betrouwen in, en hij gaf het mij slechts als iets, waarvan hij niet veel verwachtte."
Jakob Mispels trad uit het kasteel, ontdekte zich het hoofd en zeide tot Theresia, terwijl hij op zekeren afstand van haar bleef staan:
"Mejuffer, mijnheer Reimond heeft mij bevolen u naar het dorp te leiden. Het is erg genoeg voor mij, ik ben gewond aan den voet en kan schier niet meer gaan. Indien het Willem geliefde ons te vergezellen, anders zal ik mijne vrouw Peternelle medenemen. In het eenzaam bosch, men weet niet wat men kan ontmoeten. Gij moogt hier niet langer blijven, mejuffer; mijnheer zegt, dat ik u onmiddellijk naar het dorp moet brengen."
Zij volgden beiden den hovenier en verdwenen met hem in zijne woning.
VII.
Het was nacht. In eene groote bovenzaal van het kasteel Wildenborg lag mijnheer Reimond met gesloten oogen op een bed. Bleek als een linnen en mager als een geraamte, had hij geheel het voorkomen van een lijk. Op een paar stappen van het bed stond eene tafel met een crusifix, een wijwatervat en twee kaarsen van geel was, wier waggelende vlammen slechts in hunne nabijheid een twijfelachtig licht verspreidden. Aan het voeteneinde zat de pastoor, lezend in een boek. Theresia hield zich bij het hoofdeinde en weende in stilte, met de handen voor de oogen, Willem stond nevens haar en staarde ten gronde, de oude Peternelle zat geknield met den rozenkrans aan de hand, en prevelde een gebed.
Een paar stappen verder en schier in de duisternis zat Jakob, de hovenier. Zijne wijdgeopende oogen dwaalden angstig en vragend rond; doch telkens na zulk een vluchtig onderzoek, keerde hij het hoofd af en staarde met mistrouwen in het donkere einde der zaal, waar hij wijlen een zonderling gerucht, als de ratel in de keel van een stervend mensch, zich liet hooren. Dit vreemd gegrol, wanneer het door toevallige toonverandering eene bijzondere aandoening scheen te verraden, deed den armen Jakob sidderen en verbleeken.
Nox was in de zaal. Van tijd tot tijd naderde hij het bed, zette zijne voorste pooten er op en lekte zijns meesters hand, die boven het deksel lag. Dan verroerde de zieke nog de vingeren, als om het beest te toonen, dat hij nog leefde; en Nox keerde terug naar het donkere gedeelte der zaal, waar hij, dof knorrende, zich in eenen hoek nederlegde.
Dit gaan en komen van den hond en zijne verrassende doenwijze vervulden den bijgeloovigen Jakob met eenen onzeglijken angst. Ondanks de tegenwoordigheid van den pastoor, twijfelde hij niet, of het ijselijke beest zou op slag van middernacht in duivelsgedaante verschijnen, om de ziel zijns meesters in bezit te nemen en ze mede te voeren naar de hel.
De doodsche stilte, welke er onverbroken heerschte, sedert mijnheer Reimond iedereen het zwijgen had bevolen of afgesmeekt, bracht niet weinig bij, om de verschriktheid van den armen Jakob te vermeerderen.