De Ziekte der Verbeelding

Chapter 8

Chapter 83,976 wordsPublic domain

"Och, gij zijt zinneloos!" hernam het meisje op spijtigen toon. "Een man van jaren als gij! Hoe! zijt gij niet beschaamd, aan zulke dwaasheden te gelooven? Ik zal mijnen oom over u klagen en hem zeggen, dat gij den spot met mij gedreven hebt."

"Gij zult er den tijd niet toe hebben, mejuffer," mompelde Jakob. "Mijn arme meester heeft nog anderhalven dag te leven. Dan komt de zwarte man...."

Eensklaps vertoonde zich een groote, ruwharige hond in de deur. Het dier opende den muil en scheen te willen bassen, maar het bracht niets uit dan een heesch keelgegorgel.

"Zie, daar is Nox, zijn dienstknecht!" zuchtte de hovenier met eene uitdrukking van schrik.

Het meisje richtte zich op, ging met de hand vooruit naar den hond en zeide op zoeten toon:

"Nox, kom, mijn beestje, kom!"

En tot groote verbazing van den bijgeloovigen Jakob, liet de hond zich streelen, knorde vriendelijk en lekte zelfs de vingeren der maagd. Het dier keerde zich evenwel onmiddellijk om en liep de deur uit.

De hovenier aanschouwde de juffer met eene soort van afschuw en deinsde zelfs een paar stappen terug, toen zij scheen hem te willen naderen. Te oordeelen op zijne wijdgeopende oogen en zijne verschriktheid, moest hij het meisje zelf aanzien voor iemand, die in betrekking stond met de hel.

"Onnoozele droomer," zeide zij lachend, "gij zijt vervaard van een hinderloos beest."

"Hinderloos beest?" spotte Jakob. "Hij heeft nog nooit een Christenmensch vriendschap betoond. En schijnt hij u te kennen en te beminnen, mejuffer, hij moet weten waarom!"

"Ik wed, dat gij hem van uw leven nog niet hebt gestreeld."

"Beware mij God! Ik zal er mij wel voor wachten."

"Ziet gij? Door uwen schrik en uwe gekke grillen maakt gij het beest vervaard. Maar genoeg met deze kinderachtigheden. Vermits mijn oom nu spreekbaar is, leid mij tot hem."

Jakob liep met haast ter deur uit en deed van buiten teeken aan het meisje, dat zij hem zou volgen. Zij had moeite om hem in te halen: het was zichtbaar, dat hij haar vooruit wilde blijven.

Toen zij op het kasteel gekomen waren en het einde van eenen duisteren gang hadden bereikt, bleef de hovenier omtrent eene opene deur staan en wees met den vinger in eene zaal. Hij schikte zich tegen den overstaanden muur en maakte zich zoo klein mogelijk, om niet door de kleederen der juffer te worden geraakt.

"Daarbinnen is uw oom," fluisterde hij.

Bij het uitspreken dezer woorden was hij reeds teruggestapt in den gang.

De maagd bleef eene wijl voor de opene deur staan. Zij scheen hare kleederen en haar hulsel op te schikken, maar zij overwoog eigenlijk met snelheid, hoe zij zich jegens haren oom zou gedragen, ten einde, indien het mogelijk was, de ongelukkige gedachte zijns aanstaanden doods te bestrijden.

Met de blijde woorden: "O, mijn oom, mijn lieve oom!" sprong zij juichend ter kamer in.

Maar zij bleef getroffen en verbluft staan, zoohaast zij den uitgemergelden man zag zitten, die, met de hand op een doodshoofd, zijne glinsterende oogen beweegloos op haar hield gericht. Zij wierp tevens eenen vluchtigen blik op het geraamte, dat het uur aanwees, en op de zonderlinge werktuigen, die, half onder spinnewebben verborgen, op de berderen langs den muur stonden.

Ofschoon deze eerste indruk haar met eene soort van angst had geslagen, worstelde zij om den verloren moed terug te winnen. Zij moest eenigszins daarin gelukt zijn: want er verscheen een glimlach op hare lippen en zij stapte aarzelend vooruit in de zaal, onder het murmelen van eenen eerbiedigen groet.

"Wees niet bevreesd, mijn kind!" zeide mijnheer Reimond. "Kom nader. Gij zijt mijne nichte Theresia De Wit, niet waar? Het verblijdt mij u te zien. Er was een tijd, dat ik mijnen lust had met u op mijne knieƫn te late rijden. Ik had u alsdan zeer lief, uwe moeder was mij eene beminde zuster en uw vader mijn beste vriend, maar zij hebben mij wreedelijk...."

"O, goede oom, gij herinnert u nog mijne kindsheid?" kreet het meisje, met opene armen tot hem springende. "Het kind heeft u honderdmaal omhelsd uit dankbaarheid, laat nu het meisje eenen dierbaren plicht vervullen: zij omhelst u in naam van haren armen vader!"

En hoe mijnheer Reimond ook worstelde, om haar te verwijderen en deze teedere uitstorting te beletten, de maagd hield hem omarmd en zoende hem herhaalde malen.

Dan trok zij eenen stoel bij, zette zich nevens hem, greep zijne hand en, deze drukkende, riep zij met eenen zoeten lach in de oogen:

"Gij zijt verwonderd, mijn goede oom? Misschien twijfelt gij aan de oprechtheid mijner liefde tot u? Mijne ouders lieten geenen dag voorbijgaan zonder mij van u te spreken...."

"Nichte, zet uwen stoel een beetje achteruit," mompelde mijnheer Reimond met eene soort van ongeduld, doch op vriendelijken toon.

"Ach, oom lief," smeekte zij, "gij hebt de kleine Theresia zoo teederlijk bemind! Het is nu vijftien jaar geleden, dat zij u niet meer heeft gezien. Verstoot mij niet, ik bid u. Gij waart eertijds de weldoener mijner ouders, gij hebt mij geroepen om mij een laatst en hoog bewijs uwer genegenheid te geven. O, laat mij u zegenen, laat mij de dankbaarheid mijns harten voor u uitstorten!"

Mijnheer Reimond aanschouwde droomend dit zoet maagdelijk wezen, dat door de uitdrukking eener diepgevoelde erkentenis scheen verlicht. En of de herinnering aan vroegere jaren hem beheerschte, en of de blauwe, glinsterende oogen van het meisje hem betooverden, hij bleef met eenen onduidelijken glimlach sprakeloos op haar staren, totdat eene siddering hem aangreep, als ontwaakte hij dan eerst uit zijne verstrooidheid. Hij rukte zijne hand los en schoof zijnen stoel achteruit.

Ditmaal hield Theresia zich stil en klaagde slechts door eenen smeekenden blik.

"Uw vader?" mompelde Reimond. "Wat zegt gij van uwen vader? Ja, ik heb gedurende vele jaren achting en genegenheid voor hem gevoeld, maar hij is ondankbaar geworden en heeft mij ten laatste bespot en gehaat. Gij hebt evenwel daaraan geene schuld, mijn kind."

"Oom lief, indien de schijn u niet had bedrogen, hoe onrechtvaardig zoudt gij zijn!" kreet het meisje. "Mijn vader heeft mij gelast, indien ik ooit het geluk had u te zien, u van zijne onverzwakte erkentenis te overtuigen. Laat mij toe, heer oom, deze heilige zending te vervullen."

"Vervul deze moeielijke zending, nichte, beproef het ten minste."

Het meisje greep een stuk doek, dat op de tafel lag, en wierp het over het doodshoofd.

"Wat doet gij daar?" riep mijnheer Reimond, met ontevredenheid opspringend om den schedel weder te ontblooten.

Maar Theresia hield zijne hand terug en smeekte:

"Neen, neen, mijn lieve oom, laat dit leelijk ding bedekt. Het maakt mij benauwd en het versombert mij den geest, ik wilde blijde zijn, omdat God mij toelaat u te zien. Zit neder en hoor mij aan!"

En zonder op de bemerkingen van haren oom acht te geven, omhelsde zij hem en trok hem met zacht geweld terug op zijnen stoel. Een zucht ontsnapte den verbaasden man, en hij scheen haar het raadselwoord te vragen van het meesterschap, dat zij op hem uitoefende. Hij was evenwel niet ontevreden en glimlachte, als meende hij te doen te hebben met een onnoozel kind, welks grillen men behoort te verschoonen.

Zij greep weder zijne hand en sprak:

"Heer oom, gij beschuldigt mijnen vader van ondankbaarheid. Het is integendeel zijne dankbaarheid en oprechte vriendschap die de eenige redenen zijn geweest van uwe verbittering tegen hem. Hij meende, ten onrechte misschien .... maar zijn inzicht was toch zuiver,--hij meende, dat valsche vrienden u op een gevaarlijk dwaalspoor brachten en u wetens en willens bedrogen. Hij achtte zich insgelijks overtuigd, dat de tegenwoordigheid van uwen hovenier, Jakob Mispels, voor u schadelijk kon zijn. Zeer wel begreep hij, dat hij gevaar liep uwe vriendschap te verliezen, indien hij eene worsteling begon tegen menschen en dingen, die gij bemindet, maar uit erkentenis, uit verkleefdheid voor u, heeft hij niet geaarzeld te doen, wat hij een plicht meende te zijn. Gij hebt alle familiebetrekking met mijne ouders afgebroken en hun verboden, nog ooit eene poging aan te wenden om tot u te naderen. Zij hebben gehoorzaamd en uwen onverbiddelijken wil geƫerbiedigd, maar wist gij wat zij daardoor hebben geleden! Mijne moeder is vroeg gestorven. Van mijnen vader alleen kan ik u spreken. Duizendmaal heeft hij mij verhaald, wat goede man gij waart en hoe gij, in pijnlijke omstandigheden, hem edelmoedig ter hulpe kwaamt. Soms stortte hij tranen, niet alleen over uwe verstoordheid tegen ons, maar meer nog uit medelijden met u. Hij verbeeldde zich, dat gij niet gelukkig kondt zijn, en hij betreurde uw droevig lot.... En, oom lief, om rechtuit te spreken en met de hand op het hart, mijn arme vader had gelijk! Vergeef mij mijne stoutheid: een gelukkig man ziet er toch geheel anders uit dan gij!"

"Gij gelooft het? Welnu, gij bedriegt u, nicht," zeide mijnheer Reimond met eenen lichten spotlach. "Ik ben gelukkig in den hoogsten graad, dien het der menschelijke ziel vergund is, in haar stoffelijk omkleedsel te bereiken."

"Ik zie nog mijnen arme vader, uitgestrekt op zijn smartelijk sterfbed," ging het meisje voort, "en ik hoor nog deze woorden van zijne bleeke lippen vallen: "Mijn kind, ik laat u alleen op de wereld. Hij, die u een tweede vader kon zijn, heeft, eilaas, eenen onrechtvaardigen haat tegen ons opgevat. Ik zal God daarboven bidden, dat Hij uwen oom de waarheid doe kennen en u eenen beschermer en eenen weldoener op aarde geve. Mocht hij hier bij mijn doodbed staan, hij zou de getuigenis van eenen stervende gelooven. Die voldoening is mij geweigerd. Misschien zult gij hem zien in uw leven, mijn kind. Geef alsdan getuigenis mijner dankbaarheid voor hem, zeg hem, dat ik hem zijnen misgreep heb vergeven, en vraag hem ook vergiffenis voor het verdriet, dat ik onwillens hem kan hebben aangedaan." Dit waren de laatste woorden van mijnen goeden vader, oom lief, en hij is tot God opgevaren met uwen naam op zijnen mond."

Het meisje weende bij de gedachtenis van den dood haars vaders, mijnheer Reimond, zonder dat hij het wist, had zich insgelijks door de weemoedigheid laten overmeesteren, en ook uit zijne oogen rolden eenige blikkerende tranen. Nu stak hij zelf de armen uit en trok zijne snikkende nicht tegen zijne borst.

"Troost u, mijn kind," zeide hij, "uwe ouders zijn in eene gelukkige wereld. Sterven beteekent niets, het is slechts een overgang tot een beter leven. Ik heb mij ten hunnen opzichte misgrepen waarschijnlijk. Hebben zij verdriet gehad, zij zullen er om geloond worden. Het verblijdt mij in alle geval, dat ik den laatsten wensch uws vaders gedeeltelijk kan vervullen. De erfenis, die ik u zal nalaten, Theresia, zal toereikend zijn, om u tegen alle levensmoeilijkheid te behoeden. Kom, zit recht en bedwing u. Gij ontstelt mij te diep. Sedert vijftien jaar is dit nu de eerste maal, dat mijne oogen zich door ontroering des harten bevochtigen. Ik weet niet, mijne ziel moet u wel innig bemind hebben, vermits uwe stem alleen nog eene onbegrijpelijke macht op mijn gemoed uitoefent. Ween niet meer, lieve nicht, laat ons van andere zaken spreken. Weet gij, dat ik morgen zal sterven?"

Het meisje herinnerde zich haar doel: zij veegde hare tranen af en antwoordde met eenen glimlach van volstrekte ongeloovigheid:

"Men heeft mij van zulk iets gesproken, maar, oom lief, het is scherts, niet waar? Gij sterven? Morgen? En gij zit daar vol leven, zonder ziekte of lichamelijke ongesteldheid? Gij kunt niet zoo, op een gesteld uur, sterven, tenzij gij u zelven wildet dooden, maar daaraan is niet te denken: gij gelooft aan een ander leven en gij vreest God."

"Strijd niet tegen eene onveranderlijke waarheid, nicht. Morgennacht verlaat mijne ziel haar stoffelijk omkleedsel. Ik betreur, dat ik u niet eerder naar Wildenborg heb geroepen, maar nu is het te laat. Wanneer het oogenblik onzer opvaart nadert, kan niets het noodlottig uur vertragen. Gij moet er u aan onderwerpen en er u in troosten, mijn kind. De dood is geen ongeluk, integendeel, het is een stap naar de eindelijke en eeuwige zaligheid."

"Maar, oom lief, wie toch heeft u wijsgemaakt, dat gij morgen zult sterven? Een bedrieger, zeker?"

"Een bedrieger? Ho, ho, nichte, spreek met eerbied! Hij, die mij het uur mijns doods openbaarde, is een geest, eene zuivere, klaarziende ziel, voor wie de toekomst ontsloten ligt als een open boek."

Theresia zag haren oom met verwondering en medelijden aan. Na eene poos stil zwijgens greep zij hem bij de hand en zeide:

"Van geesten of zielen ken ik niet veel, en ik wil er niet meer van kennen dan wat de godsdienst mij heeft geleerd. Maar dit weet ik goed, oom lief, dat dit alles slechts een inbeeldsel is, en dat gij zeker niet wel doet met aldus uwe gezondheid door ziekelijke hersenschimmen te krenken."

"Ik vergeef u, mijn kind," zeide mijnheer Reimond, "het zijn dingen, die uw verstand te boven gaan. Wij zullen er niet meer van spreken. Wanneer gij morgennacht, juist op het vastgestelde uur, mij zult zien sterven, zal het u bewezen zijn, dat de geesten weten, wat voor den mensch in stoffelijke gedaante is verborgen."

"Liet gij mij meesteresse op Wildenborg zijn, hoe zou ik u integendeel bewijzen, dat ik meer macht heb dan al uwe geesten te zamen!" riep het meisje.

"Zoo? en wat zoudt gij doen?" lachte Reimond.

"Wat ik zou doen, heer oom? Ik zou beginnen met dat doodshoofd, dat daaronder ligt, naar het kerkhof en dat leelijk uurwerk naar den zolder te doen dragen. Deze zaal zou behangen worden met rozevervig papier en met sneeuwwitte gordijnen. Hier kwame een bont tapijt, fraaie stoelen, blinkende meubels. De tuin zou vol bloemen staan, en nette wegeltjes zouden door lieve lustboschjes heen slingeren. Gij zoudt knechts en meiden hebben, eene koets en een paard, vogelen, dieren, schilderijen. Ik zou uwe dochter zijn, ik zou u beminnen, u vermaken en u geenen tijd laten om aan die sombere, onmogelijke dingen te denken. Wij zouden wandelen den ganschen dag, God onder zijnen schoonen hemel danken voor de wonderen der natuur en voor het vroolijk leven, dat Hij ons heeft geschonken. En des avonds, bij onzen terugkeer, zou ik muziek spelen op de piano en u de schoonste stukken der beroemde meesters voorzingen, want, oom, ik ben eene goede toon kunstenares.... of ik zou u iets voorlezen uit een vermakelijk boek, of wij zouden kouten over alles wat gij wildet, zelfs over geesten en zielen, indien het u behaagde. En zoo zou het zijn alle dagen, een hemel op aarde, en elken avond zouden wij elkander omhelzen en te zamen den hemel bidden, dat Hij uw dierbaar leven en ons geluk geliefde te verlengen. Zeg, oom lief, ware dit niet beter dan in volle gezondheid te gaan sterven? Kom, verjaag die ijselijke gedachte. Laat mij uw kind zijn, ik zal uwe oude dagen beglanzen met het licht der vreugde, der dankbaarheid en der liefde!"

Zij had de handen opgeheven en smeekte om een gunstig antwoord, maar mijnheer Reimond, die over het vraagpunt zijns aanstaanden doods niet te overwinnen was, zag haar met eenen stillen twijfellach aan, en murmelde:

"Wat gij daar zegt, is schoon, nichte. Ik dank u voor uwe genegenheid. Er is niet aan te doen: morgen te middernacht zal mijn uur slaan.... Laat dit zoo; ik heb u van iets bijzonders te spreken. Gij gaat de helft mijner goederen erven. Nogtans er is eene voorwaarde te vervullen. Kent gij uwen kozijn Willem Reimond?"

"Neen, oom, ik herinner mij niet, hem ooit te hebben gezien."

"Hij is een fraaie jongen; hij heeft tamelijk verstand en een goed hart. Evenals gij, zal hij de helft van mijn fortuin erven. Gij moet met hem trouwen, Theresia."

"Hoe zegt gij, heer oom, ik begrijp niet."

"Gij moet met Willem Reimond trouwen."

"Ho, dit is toch niet ernstig!" kreet het meisje verbaasd. "Ik trouwen met iemand, dien ik nog nooit heb gezien!"

"Gij zult hem zien, heden nog. Ik verlang uwe beslissende toestemming, voordat ik sterve."

"O, God, wat eischt gij van mij! Ik mag die toestemming niet geven. Mijn hart is verbonden sedert lang; met mijnen kozijn zou ik ongelukkig zijn: ik zou hem nimmer kunnen beminnen. Wierd ik zijne vrouw, mijne ziel zou desniettemin met ongeneeslijke treurnis aan eenen anderen man blijven denken. Het ware een schuldig leven en een schrikkelijk lot!"

"Gij bedriegt u, nichte; indien gij niet met Willem Reimond trouwt, zult gij ongelukkig zijn op aarde, en in de andere wereld voor uwe dwaling eeuwen lang te boeten hebben misschien.... Neen, worstel niet nutteloos tegen uw onvermijdelijk lot. De geest, die mij de verborgene waarheden openbaart, heeft het gezegd: gij zult trouwen met Willem Reimond; en zoolang deze verhevene ziel mij niet verklaart, dat God zijn besluit heeft veranderd, is er niets te doen dan zich te onderwerpen: want geene macht op aarde kan beletten, dat zijne voorspellingen worden verwezenlijkt."

"Onmogelijk!" zuchtte het meisje. "De hemel zelf heeft mij eenen anderen bruidegom voorbeschikt. Ik beef, ik ben benauwd; het denkbeeld alleen van ontrouw te worden aan het dichterlijke liefdegevoel, dat zoolang mij het hart vervult, slaat mij met schroom en smart."

"Welnu, dan is alles tusschen ons gedaan, en gij erft niet!" riep de oom verbitterd.

Theresia slaakte eenen pijnlijken zucht, liet het hoofd op de borst zakken en begon overvloedig te weenen.

Er heerschte eene lange stilte. Mijnheer Reimond hield den blik op de droeve maagd gevestigd, eerst met gramschap, dan met verdriet en eindelijk met medelijden.

Zij sprong op, legde hem weenend de armen om den hals en zuchtte:

"O, mijn goede oom, zie af van uw wreed besluit! Waarom toch zulke noodlottige opoffering eischen van een onnoozel meisje? Heb medelijden met mij! Spreek niet meer van huwelijk of van erfenis. Laat ons liever denken aan de middelen om u te genezen, om u de gezondheid des lichaams en de blijdschap des harten terug te geven!"

"Maar de geest, de geest....?" mompelde Reimond.

"Uw geest heeft u bedrogen, of gij hebt hem niet wel begrepen, oom lief; gij zijt edelmoedig; gij kunt mij niet tot levenslange smart veroordeelen. Ik smeek u met gevouwene handen, dwing mij niet tot een huwelijk, dat mij ongelukkig maken moet!"

"De geest heeft mij bedrogen, of ik heb hem slecht begrepen?" herhaalde de oom, het hoofd schuddende. "Dit laatste ten minste is niet volstrekt onmogelijk...."

"Dank, dank!" kreet de maagd met het licht der blijdschap in de oogen.

"Ik geloof echter niet, nicht lief, dat ik mij over den waren zin zijner openbaring kan hebben misgrepen. Het is gelijk, mijn medelijden met uw verdriet drijft mij tot eene vermetele poging. Ik zal den geest nog eens raadplegen en hem dwingen zijnen wil uitdrukkelijk te verklaren. Wat ook ditmaal zijne veropenbaring zij, gij zult u zonder morren er aan onderwerpen of oogenblikkelijk van Wildenborg vertrekken."

Hij ontdekte het doodshoofd, legde zijne rechterhand er op en vestigde zijnen blik in de diepe oogholten, terwijl hij nog zeide:

"Theresia, heb geduld, hoe lang mijne poging ook moete duren: ik doe het uit genegenheid voor u. Misschien zal uwe tegenwoordigheid mij hinderen; ik zal het haast weten. In dat geval zult gij voor eenigen tijd mij alleen laten en naar het huis van den hovenier gaan, totdat ik u doe roepen. Nu geen woord meer!"

De diepste stilte heerschte in de zaal; mijnheer Reimond verroerde de lippen en scheen met het doodshoofd in eene geheime taal te spreken.

Hoe sterkmoedig het meisje ook was, het werd haar ten laatste bang om het hart, zonder dat zij eigenlijk wist waarom. Evenwel, zij dorst haren oom niet storen; in de hoop op een gunstig antwoord, weerhield zij haren adem en bleef roerloos den zonderlingen man aanschouwen, wien welhaast het zweet der inspanning op het voorhoofd glinsterde.

VI.

Terwijl Theresia, nevens haren oom zittend, zwijgend en met kloppend hart op het beslissend antwoord van den geest wachtte, kwam Willem van zijne reis naar Hasselt terug.

Hij deed den man, die zijnen koffer voerde, voor het hek stilhouden, betaalde hem zijn loon en riep op den hovenier.

Jakob Mispels kwam buiten, droeg den koffer in huis en zeide dan tot den jongeling met eene uitdrukking van geheimzinnigheid en schrik:

"Willem, zij is op het kasteel."

"Wie? mijne nicht?"

"Zij zegt ten minste, dat zij uwe nicht is en Theresia De Wit heet; maar God beware ons, zij schijnt veeleer de nicht of de zuster van Nox!"

"Zij is dus zeer leelijk?" vroeg de jongeling in gepeinzen.

"Afgrijselijk, Willem! Zij heeft haar, dat te berge staat boven haar voorhoofd: hare oogen fonkelen als gloeiende kolen; haar mond is nijdig en boos. Wanneer zij u beziet, dringt haar blik u tot in het binnenste der ziel en doet u ijskoud worden."

"Welk portret maakt gij daar van mijne nicht!"

"Indien zij uwe nicht is, Willem."

"Gij twijfelt er aan? Wat wilt gij zeggen?"

"Ik weet het zelf niet. Gij zult met mij spotten, evenals Peternelle. Sedert gij op het kasteel gekomen zijt, gebeurt er iets met mijne arme vrouw, dat mij onuitlegbaar schijnt. Zij gelooft aan niets meer!"

"Wat gij zegt, Jakob, schijnt mij nog veel onuitlegbaarder. Theresia De Wit zou mijne nicht niet zijn?"

"Lach met mij zoo gij wilt; maar het zou mij niet verwonderen, Willem, dat in de plaats uwer nicht een tweede duivel op Wildenborg ware gekomen, om tegenwoordig te zijn bij het helsche feest, dat, eilaas, morgen hier zal worden gevierd."

"Begint gij alweder met uwe dwaasheden?" viel de jongeling hem in de rede. "Wees toch redelijk, ik bid u."

"Dwaasheden?" kreet Jakob Mispels. "Heeft de booze geest niet dikwijls genoeg de gedaante eener vrouw aangenomen, om de menschen in zijne strikken te vangen? Is het niet waar misschien, dat eertijds een graaf van Vlaanderen, zonder het te weten, gedurende vijf jaar met den duivel of met eene duivelin is getrouwd geweest? Ach, mijn arme Willem, ik doe geweld om niet te weenen. Gij ook moet trouwen met het onbekende schepsel, dat beweert uwe nicht te zijn! Indien mijn schrikkelijk vermoeden eens gegrond ware! Gij, echtgenoot van eenen helschen geest? Het denkbeeld alleen doet mij sidderen van hoofd tot voeten."

"Heeft mijn oom u van dit huwelijk gesproken?"

"Ja, tot mijn groot verdriet. Hij wil noch gebeden noch smeekingen aanhooren. Het doodshoofd zegt, dat gij met Theresia De Wit moet trouwen, en de zwarte man...."

Zijne vrouw Peternelle, die op dit oogenblik uit den stal kwam, hoorde zijn laatste woord en riep verstoord uit:

"Zwijg, zinnelooze die gij zijt. Ik had u verboden, mijnheer Willem met uwe dwaze grillen te vervelen, en daar zijt gij weder volop aan den gang.... Geloof hem niet, Willem. Hij zal u alle soorten van gekheden wijsmaken en u zeggen, dat uwe nicht leelijk is, maar hij bedriegt u. Theresia De Wit is een schoon, lieftallig en vroolijk meisje; en, mocht men de menschen aan bovennatuurlijke wezens vergelijken, dan zou men veeleer moeten zeggen, dat zij een engel is."

"Een engel! Waar zijn toch uwe zinnen, vrouw," riep Jakob met verontwaardiging. "Heeft een engel zulk rechtstaand haar en zulke fonkelende, venijnige oogen? En hebt gij niet gezien, hoe minnelijk Nox haar de handen lekte, als ware hij verblijd eenen ouden vriend of eene oude vriendin terug te vinden?"

"Kinderachtigheden altemaal," hernam Peternelle. "Vermits mijnheer Willem met Theresia De Wit moet trouwen, wensch ik hem geluk, dat het lot hem eene fraaie en bekoorlijke bruid heeft bestemd."

"Ik bedank u, goede Peternelle," zeide de jongeling met eenen glimlach. "Uw wensch is evenwel ijdel; want ik zal niet trouwen."

"Bravo, dan zal de duivel bedrogen zijn!" juichte Jakob.

"Maar, Willem," bemerkte Peternelle, "indien gij weigert te trouwen, zal uw oom u onterven. Gij hebt groot ongelijk: uwe nicht is eene bevallige juffer, en honderden in uwe plaats zouden juichend zulke schoone bruid aanvaarden."

"Schoon?" gromde Jakob. "Zij is terugstootend en leelijk, zeg ik u!"

"Zij is minzaam en bekoorlijk."

"Zij heeft oogen gelijk Nox!"

"Zij heeft levendige blauwe oogen."