Chapter 7
"Gij ziet hem toch dikwijls, vermits gij van het dorp zijt?"
"Ik heb hem nooit gezien, mejuffer; en ik hoop, dat God mij zal toelaten, hem nooit te ontmoeten."
Deze woorden, op eenen zonderlingen toon gesproken, verwonderden het meisje.
"Wat wilt gij zeggen?" vroeg zij. "Ik begrijp u niet. Zijt gij vervaard van mijnheer Reimond?"
"Iedereen is van hem vervaard."
"Waarom? Is hij boos? Doet hij den lieden kwaad?"
"Integendeel, men zegt, dat hij veel goed doet aan de armen."
"Wat vreemde dingen zijn dit?" riep de maagd lachend uit. "Gij kent hem niet, hij is een goed mensch; en gij hoopt hem nimmer te ontmoeten? Verklaar mij toch dit onverstaanbaar raadsel."
"Beware ons God!" zuchtte de meid. "Ik begrijp het wel: er zijn dieven, struikroovers in dit leelijk bosch, en mijnheer Reimond is misschien het hoofd der bende!"
"Kom, Isabel, gij zijt zinneloos," spotte het meisje. "Mijn oom een struikroover! Waar zijn uwe gedachten?"
"Ja, mejuffer, gij kent uwen oom ook niet," zeide de meid. "Ik heb eens een boek hooren lezen van eenen kapitein der struikroovers, die de rijke lieden uitplunderde om de arme menschen te kunnen helpen. Wat gebeurd is, kan nog gebeuren. Hadde ik geweten dat wij, dus verre van alle dorpen en huizen, door een donker bosch zouden moeten gaan, ik ware zeker te huis gebleven."
"Welnu, mijn jongen," vroeg het meisje, "waarom vreest men mijnheer Reimond? Spreek niet met halve woorden. Gij zult mij verplichten; ik heb redenen om te weten, hoe de zaken op Wildenborg staan. Gij aarzelt? Het is dus wel schrikkelijk?"
"Ja, ja, mejuffer, zoo schrikkelijk, dat ik het niet durf zeggen!" zuchtte de jonge boer met eene uitdrukking van diepe benauwdheid.
"Ach, gij maakt mij angstig met uwe achterhoudendheid," kreet de maagd. "Spreek klaar, ik verzoek het u, ik zal er u dankbaar voor zijn!"
De jonge boer scheen door de zoete bede van het meisje overwonnen; zijne stem bedwingende, antwoordde hij:
"Mejuffer, het kasteel van Wildenborg is vol geesten en spoken. Volgens dat de lieden zeggen, gebeuren daar ijselijke dingen, die een Christenmensen niet kan bijwonen, zonder zijne zaligheid te verliezen."
De beide vrouwen zagen hem verbaasd aan.
"Maar wat heeft dit kindervertelsel gemeen met mijnheer Reimond?" morde de juffer.
"Kindervertelsel!" herhaalde de boer. "Vraag het aan de oudste en verstandigste lieden des dorps, en zij zullen getuigen, dat het waarheid is."
"Vermits gij vervaard zijt van mijnheer Reimond, beeldt gij u misschien in, dat hij zelf een spook is?" schertste de maagd.
"Erger, veel erger," murmelde de boer.
"Hij is een toovenaar en gaat met den duivel om."
Een schaterlach onderbrak zijne woorden; zoowel de meid als de juffer spotten luidruchtig met de verrassende uitlegging.
De boer aanschouwde hen met wijd geopende oogen. Het scheen hem eene ongehoorde zaak, dat vrouwen zoo ongeloovig konden zijn, en konden lachen met zulke ernstige dingen. Hij merkte wel aan de medelijdende uitdrukking der juffer, dat zij hem voor eenen onnoozele of voor eenen domkop aanzag. Dit kwetste hem.
"Ja, mejuffer," zeide hij op vinnigen toon, "de lieden uit de stad meenen, dat zij alles beter weten dan de buitenmenschen; maar het spreekwoord zegt: hij lacht het beste, die lacht ten leste. Gij gaat naar het kasteel van Wildenborg: vóórdat het avond is, zult gij misschien deze reis en uwe ongeloovigheid betreuren."
"Is er iemand kwaad geschied op Wildenborg?" vroeg het meisje.
"Niemand nadert het kasteel," was het antwoord.
"En hoe kan men dan weten, wat er gebeurt?"
"Iedereen weet het."
Het meisje zag wel dat er uit den bijgeloovigen jongen geene gegronde reden te bekomen was. Zij haalde grimlachend de schouders op en bleef achter, om in zich zelve over deze wonderlijke inlichtingen na te denken.
Zoo gerust was de meid niet, alhoewel die geschiedenis van duivels en van geesten haar weinig had ontsteld. Hare bekommerdheid had eene andere oorzaak. Zij zweeg, totdat men het bosch genaderd was en zij van dichtbij het ondoordringbaar geboomte zag, in welks donkeren schoot het voetpad als in eenen afgrond scheen weg te duiken. Dan naderde zij meer tot den boer en vroeg met doffe stemme:
"Vriend, zeg mij oprecht, wonen er geene binders of dieven in dit bosch? Heeft men er nog geene menschen vermoord gevonden?"
"Ja wel," antwoordde hij, "ginder, op een honderdtal stappen van hier, staat een steenen kruis. Daar heeft men eene vrouw vermoord, die van de kerke kwam."
Een luide angstkreet ontvloog de meid. Zij verbleekte van schrik en zuchtte bevend:
"O, mijn God! wat zegt gij daar? eene vrouw vermoord? Ik keer terug; voor al het geld der wereld zet ik geenen voet in dit bosch!"
"Welnu, wat hebt gij, Isabel? Waarom blijft gij staan?" vroeg het meisje.
"Mejuffer," antwoordde de meid, "dit bosch is een kuil vol struikroovers en binders. De geschiedenissen van duivels en spoken hebben zij uitgevonden, om de lieden verwijderd te houden en den eenzamen reiziger in vrijheid te kunnen vermoorden. Laatst nog hebben zij, op honderd stappen van hier, eene ongelukkige vrouw gedood.... Neen, neen, zeg wat gij wilt, ik sterve nog liever hier op de heide, onder den blooten hemel, dan in dit donker bosch mij aan de wreedheid der bloedzuchtige dieven te gaan leveren."
"Gij hebt ongelijk, vrouw," zeide de boer, "het steenen kruis staat daar reeds meer dan honderd jaar. Sedert dan heeft men niet meer gehoord, dat iemand in het bosch is aangerand of mishandeld geworden."
De ontstelde meid wilde noch naar raad noch naar geruststellingen luisteren. Het scheen haar zelfs te verbitteren, dat de juffer met hare vervaardheid lachte; en zij had reeds de kartonnen doozen ten gronde gezet, om in het voetpad terug te gaan, toen de jonge boer eensklaps met blijdschap uitriep:
"Ha, daar komt mijnheer pastoor! Hij zal met ons door het bosch gaan, want hij begeeft zich naar het dorp. Nu is er niets meer te vreezen!"
De verschijning van den geestelijke deed hetzelfde uitwerksel op de meid; zij nam de doozen weder op en toonde zich bereid om in gezelschap van den priester de reis voort te zetten.
De pastoor, die nevens den boord van het bosch kwam aangestapt om het voetpad te bereiken, was een reeds bejaarde man met grijze haren. Hij volgde zijnen weg met gebogen hoofde en denkend; en hij bemerkte de lieden, die op hem wachtten, slechts op het oogenblik, dat hun eerbiedige groet zijne ooren trof.
"Goeden dag, mijne kinderen," zeide hij. "Het is zeer heet op de heide; maar vermits gij door het bosch schijnt te willen gaan, zult gij daar lommer en verfrissching vinden."
Intusschen bezag hij met bijzondere aandacht en als vragend de jonge juffer, die hem dankbaar toelachte.
"Mijnheer pastoor," sprak zij op zoeten toon, "wij zijn een beetje vervaard. Zult gij het kwalijk nemen, dat wij een eind weegs met u gaan?"
"In het geheel niet, mijn kind," antwoordde de pastoor. "Het zal mij zelfs verheugen, met u eenige woorden in het bijzonder te kunnen spreken. Indien ik mij niet bedrieg, ken ik u sedert lang."
"Gij zoudt mij kennen, eerwaarde? Het schijnt mij onmogelijk: ik weet niet, dat ik ooit van mijn leven de eer had u te zien."
"Uw naam is Theresia De Wit?"
"Inderdaad!" murmelde het meisje verwonderd.
Onderwijl was men in het bosch getreden.
De priester vertraagde zijnen stap, om den boer en de meid te laten vooruitgaan; en dewijl de juffer zijn inzicht merkte, bleef zij aan zijne zijde.
"Mijn voorgevoel had mij dus niet bedrogen," zeide hij. "Uwe moeder was de zuster van mijnheer Reimonds echtgenoote, en gij heet Theresia De Wit?"
"Ja, mijnheer pastoor, hoe kunt gij toch dit alles zoo nauwkeurig weten!"
"Het is, mejuffer, omdat ik in deze laatste tijden meer dan eens met uwen oom over u heb gesproken, en wist, dat hij u naar Wildenborg zou roepen. Gij kent uwen oom niet persoonlijk!"
"Ik herinner mij slechts, dat, toen ik een kind van drie of vier jaar was, er dikwijls een hoogstaltige heer ten onzent kwam, die mij streelde en mij speelgoed en lekkers gaf. Die man was mijn oom. Ik heb altijd dankbaar aan hem gedacht; mijn vader zaliger, tot den dag zijns doods, sprak mij onophoudend van hem."
"Uw oom schijnt tegen uwe ouders te zijn verbitterd geweest, bovenal tegen uwen vader; hij meent, dat uw vader hem haatte. Hij moet zelfs zijne vijandschap door daden bewezen hebben."
"Ach, eerwaarde," riep de maagd, "het is een beklaaglijke misgreep van mijnen oom. Mijn vader had meer vriendschap voor hem dan iemand anders. In deze zaak werd mijn vader het slachtoffer zijner verkleefdheid. Hij heeft het mij dikwijls genoeg met tranen in de oogen verteld. Gij moet weten, mijnheer pastoor, in dien tijd hield mijnheer Reimond zich bezig met verborgene wetenschappen, met magnetismus, met draaiende tafels en sprekende geesten. Hij droomde van niets anders dan van onmogelijke dingen, en beeldde zich in, dat de mensch middelen kan ontdekken om, evenals God zelf, de wetten der natuur te veranderen en mirakelen te doen. Dit hebben mijne ouders mij gezegd. Mijn vader, die een verstandig man was, bemerkte welhaast, dat een hoop bedriegers mijnen goeden oom omringden en hem in zijne dwalingen versterkten, om hem op allerlei wijzen het slachtoffer hunner hebzucht te maken. Zijne pogingen om hem daarover de oogen te openen, bleven vruchteloos. Mijnheer Reimond had alsdan eenen knecht of liever eenen vertrouweling, die vroeger hovenier was geweest bij zijne ouders. Mijn vader meende, dat deze knecht de voorname oorzaak was van de verblindheid zijns meesters, en hij deed lang moeite om hem door mijnen oom terug naar Limburg te doen zenden. Dit gelukte hem zoo weinig, dat de knecht bij mijnheer Reimond bleef wonen, en mijne ouders van dan af mijnen oom nooit meer hebben mogen zien."
"Die knecht heette Jakob Mispels, niet waar?"
"Hebt gij hem insgelijks gekend, eerwaarde?" vroeg het meisje met verwondering.
"Ik ken hem nog, mijn kind: hij woont op Wildenborg en hij is de hovenier des kasteels. Een zeer eenvoudig en onwetend man is hij; maar dat hij schuld hebbe aan de vreemde gedachten uws ooms, dit schijnt mij twijfelachtig."
"Het kan zijn, mijnheer pastoor, dat mijn vader zich hebbe misgrepen: maar zijn inzicht ten minste was oprecht. Hij kende mijnheer Reimond sedert zijne kindsheid, en hij was in staat om te oordeelen over de eerste oorzaken der gevaarlijke richting zijns geestes. Mijn oom was in de eenzaamheid dezer streek, om zoo te zeggen, door Jakob Mispels opgevoed geworden. Van den avond tot den morgen had de hovenier met het kind gespeeld, en dus eenen grooten invloed op zijn wordend verstand uitgeoefend. Volgens dat mijn vader zeide, was er op de wereld geen bijgelooviger mensch dan deze Jakob Mispels, en hij had het hoofd van mijnen oom zoo vol gestoken met allerlei vertelsels van spoken en geesten, dat het kind op zijn twaalfde jaar zelfs bij klaren dag geen oogenblik meer alleen dorst blijven. Moest zijn gezelschap niet hoogst schadelijk zijn voor mijnheer Reimond, en had mijn vader, die vreesde, dat het verstand mijns ooms met verzwakking of met verdwaling was bedreigd, geene redenen om de verwijdering van Jakob Mispels te wenschen?"
De pastoor scheen na te denken over de woorden der juffer en knikte bevestigend met het hoofd.
"Het is mogelijk, inderdaad," zeide hij, "dat de tegenwoordige geestestoestand van mijnheer Reimond slechts eene wijziging van de denkbeelden zijner kindsheid zij. Wonder toch, te moeten gelooven, dat de eerste indrukken, welke door het menschelijk gemoed worden ontvangen, tot zooverre onuitwischbaar blijven, en dat in mijnheer Reimond de wetenschap, de studie en zelfs de overgeleerdheid het onderwijs van eenen onwetenden en eenvoudigen hovenier niet hebben kunnen versmachten. O, mejuffer, indien God u ooit de opvoeding van kinderen toevertrouwt, waak bij hunne wieg en bij hunne eerste stappen; want, zooals zij uit de handen hunner moeder of hunner voedster gaan, zoo zullen ze waarschijnlijk blijven."
"Wees gedankt voor uwen welwillenden raad, heer pastoor," antwoordde de maagd. "Ik ken al de waarde eener goede, eener doelmatige opvoeding; want ik ben onderwijzeresse."
"Het is eene edele, eene gewichtige roeping.... die gij, mejuffer, evenwel na dezen dag ongetwijfeld zult verlaten."
"Hoe meent gij het, eerwaarde? Ik hoop integendeel deze roeping zeer lang te blijven vervullen."
"Maar, mijn kind, vermoedt gij dan niet, waarom uw oom u verzocht naar Wildenborg te komen? Hij wil u zijn testament laten kennen: gij gaat een nog al aanzienlijk fortuin erven."
"Ik een fortuin erven!" kreet het meisje met blijdschap. "Zou het waar zijn? Mijn schoone droom zou zich dus verwezenlijken? O, gebeurde mij zulk geluk, hoe zou ik den milden God zegenen tot het einde mijns levens!"
"En die droom is?" murmelde de priester, die eenigszins door de overmatige blijdschap der maagd was verwonderd.
"Die droom?" riep zij, "ik zou eene groote kostschool voor jonge juffrouwen oprichten! Tot nu toe was ik slechts hulponderwijzeresse, en ik moest vele dwalingen aanzien en aan vele verkeerde richtingen gehoorzamen; maar dan zou ik vrij zijn en al het goede kunnen stichten, dat mijn hart mij inboezemt."
Zij scheen eensklaps te verbleeken, en vroeg met eene uitdrukking van angst:
"Maar, maar, o hemel, waar zijn mijne zinnen! Een testament? Gaat mijn arme oom dan sterven!"
De pastoor knikte bevestigend.
"Hij is dus zeer ziek?"
"Op deze vraag is het mij moeielijk te antwoorden," zeide de oude priester. "Uw oom is wat men noemt een ingebeelde zieke. Zijn lichaam is niet krank, en evenwel gaat hij sterven. Indien hij zich in zijne berekening niet heeft bedrogen, zal hij zelfs de zon van overmorgen niet meer zien opgaan."
"Mijn oom, die mij rijk en gelukkig wil maken zonder dat ik mij aan die weldaad verwachtte? Eilaas, hij zou sterven!" zuchtte het meisje. "Ik zou geenen tijd hebben om hem mijne dankbaarheid te bewijzen? Ik zou slechts naar Wildenborg gekomen zijn om bij zijn doodbed te bidden? O, neen, neen; het fortuin ware mij bitter en pijnlijk; God zal hem laten leven?"
En pijnlijk zuchtend, liet zij het hoofd op de borst zakken.
"Kom, gij moet u troosten en u sterk houden, mijne dochter," zeide de pastoor. "Sterven is het lot aller menschen; de dood van mijnheer Reimond, hoe beklaaglijk ook, zal toch een zeer zachte dood zijn."
"Maar, eerwaarde," riep de maagd, "mijn oom gaat sterven zonder ware ziekte, en omdat hij zich verbeeldt, dat zijn einde is gekomen? Heeft de ongelukkige dan geene vrienden gevonden, om die dwaling zijns geestes te bevechten en te overwinnen?"
"Hij heeft ten minste éénen vriend gevonden en aanvaard," antwoordde de priester. "Die vriend heeft sedert vijf jaar alles gedaan wat mogelijk was, om zijnen geest tot het besef der waarheid en der wezenlijkheid terug te brengen. Redenen van godsdienst, redenen van wetenschap, redenen van menschelijken aard, alles bleef machteloos. Integendeel, de worsteling verergerde het kwaad."
"En de dokters, eerwaarde, konden dezen hem niet helpen?"
"Ik geloof het niet, mejuffer, de ziekten der verbeelding laten zich moeielijk genezen. Daarenboven, mijnheer Reimond leeft opgesloten en wil volstrekt niemand dan mij alleen op Wildenborg toelaten. Sedert tien jaren heeft hij nog geen ander bezoek dan het mijne willen aanvaarden."
"Ik begrijp," zuchtte het meisje. "Hoe schrikkelijk toch! Mijn arme oom is krankzinnig! Eilaas, misschien zal hij zelfs mijne dankzeggingen niet verstaan. Was het zóó dat ik den man moest terugzien, die mij in mijne kinderjaren zoo liefhad en die mijne ouders zoo edelmoedig heeft geholpen, toen oneer en armoede hen kwamen bedreigen?"
"Overdrijf niet, mijne dochter," zeide de priester. "Er zijn menschen, die over alles, behalve over een enkel punt, de helderheid des verstands behouden. Zoo is mijnheer Reimond, hij heeft een goed en edelmoedig hart, hij redeneert met wijsheid over de meeste zaken: maar zoohaast zijne gepeinzen zich op het bovennatuurlijke keeren, dan verdwaalt hij in grenzenlooze beschouwingen en schept zich eene wereld der onmogelijkste hersenschimmen. Vrees echter niet, hij is de goedheid zelve en zal u zeer welwillend en minnelijk zijn."
"En hij gaat sterven?"
"Ja, ik twijfel er niet aan. Wat mij echter troost, is de hoop, de overtuiging dat God hem de dwaling zijns geesten niet zal aanrekenen, dewijl zij klaarblijkend het gevolg eener ziekelijke ontschikking der hersens is."
Het meisje deed eenige stappen zonder spreken. Dan zeide zij overwegende:
"Begrijp ik u wel, eerwaarde, dan zou mijn oom sedert tien jaar, buiten uwe bezoeken, geene andere menschen gezien hebben dan Jakob Mispels?"
"En zijne vrouw."
"Mijn vader had gelijk! Dit was voor hem een verderfelijk gezelschap. Zie, mijnheer pastoor, gij zult het misschien verwaand of overmoedig vinden, maar ik ben zeker, dat het mij niet onmogelijk geweest ware, mijnheer Reimond te genezen, indien hij mij slechts eenige maanden vroeger naar Wildenborg had geroepen."
De priester schudde het hoofd met ongeloof.
"Vergeef het mij, ik bid u, eerwaarde. De eenzaamheid van mijnheer Reimond, het gezelschap van den bijgeloovigen Jakob Mispels, de afgelegenheid des kasteels, dit alles deed mijnen oom in eene troosteloze somberheid leven. Wat was er noodig om dien nacht op te klaren? Licht, licht des harten, opgeruimdheid, vreugde, liefde! Ha, ik hadde hem dit licht gebracht: ik ben jong, ik heb vertrouwen in het leven en vertrouwen in Gods goedheid."
De oogen der maagd fonkelden zoo zonderling, dat de oude priester haar met verwondering aanzag.
"Misschien, misschien!" mompelde hij. "Nu is het evenwel te laat."
"Zijn lichaam is niet ziek?"
"Niet anders dan door de verbeelding."
"En indien men deze verbeelding kon overwinnen?"
"Onmogelijk, mijn kind, uwe hoop is ijdel."
"Ik zat het beproeven nogtans, al kon ik slechts zijn leven eenige dagen verlengen, het ware reeds eene gelukkige belooning. Ik zou ten minste den tijd hebben om mijnen weldoener te bedanken en zijne ziel met de gedachtenis mijns vaders te verzoenen."
Zij gingen de dreve van het kasteel naderen.
"Daarginder moet ik u vaarwel wenschen, mejuffer," zeide de pastoor. "Alhoewel ik geene hoop heb, zal ik echter God bidden, dat Hij uwe liefderijke poging met genade aanzie. Waarschijnlijk zult gij erfgename worden, zoo niet van het kasteel, ten minste van verscheidene goederen, die op ons dorp gelegen zijn. Ik durf de noodlijdenden onzer gemeente uwer milddadigheid aanbevelen, en indien uw hart u inspreekt iets te doen voor ons arm kerkje, ik zal de hand zegenen, die den tempel des Heeren versiert."
"Wees zeker, eerwaarde, noch uwe kerk noch uwe armen zal ik vergeten. Ach, bleve mijn oom leven, ik maakte van hem eenen kwistigen beschermer van alwie nood heeft. De weldadigheid is het helderste licht voor droeve zielen!"
Dewijl men nu de dreve des kasteels was genaderd, nam de pastoor afscheid van haar en zette zijnen weg door het bosch voort.
Het was niet zonder bekommerdheid, dat de meid den pastoor achter de boomen zag verdwijnen. Zij aarzelde een oogenblik, maar toen zij aan 't einde der dreve het ijzeren hek bemerkte, dat haar de tegenwoordigheid van menschen aankondigde, schepte zij weder moed en verhaastte haren stap.
Op een half boogschot van het hek bleef de jonge boer eensklaps staan, zette de reismaal ten gronde en zeide met koddigen ernst:
"Ik ga niet verder. Het is de eerste maal van mijn leven, dat ik het kasteel zoo nabij durf komen. Wist ik niet, dat de pastoor nog in het bosch is, ik hadde geenen voet in de dreve gezet. Betaal mij en laat mij vertrekken."
De juffer lachte luid met die vreemde doenwijze, de meid verstoorde zich en noemde den jongen boer eenen dommen sukkelaar. Er was niets aan te doen, hij eischte zijn loon, verwijderde zich in aller haast en liet de beide vrouwen, met koffer en met doozen te midden van den weg staan.
Op het gerucht dezer korte betwisting was Jakob Mispels met zijne vrouw achter het hek verschenen.
"Beware ons God!" morde hij spijtig, "daar hebt gij Theresia De Wit met eene meid en eene volle lading reisgoed. Gelooft zij misschien, dat Wildenborg eene openbare herberg is? Boe! welke windmaakster! Dit is gekleed als eene barones.... Zonder de hulp van mijnheer Reimond zou haar vader broodsgebrek geleden hebben misschien. Hoor ze lachen, de zottin!"
"Ziet gij niet, Jakob, dat men u door teekens verzoekt, ginder te gaan helpen om den koffer te dragen?" zeide Peternel. "Ga, steek eene hand uit."
"Ik? Voor Theresia De Wit, die ons heeft willen doen wegjagen? Wel ja!"
"Wat schuld heeft deze Theresia daaraan? Zij was nog een onnoozel kind, toen het gebeurde."
"Het is mij gelijk: ik verroer geenen vinger voor die kale steedsche juffer. Meent zij hier de meesteresse te komen spelen? Wij erven zoowel als zij. Wil zij knechts vinden, zij zoeke ze elders."
"Och, gij zijt onverstandig," snauwde Peternel met ongeduld. "Weigert gij uwe hulp, dan zal ik zelve gaan."
Zij stapte buiten het hek. Jakob, misschien beschaamd over zijne barschheid volgde haar en mompelde onderweg aan haar oor:
"Deze Theresia De Wit mag niet lang op Wildenborg blijven. Wie weet, of zij anders door arglistige treken mijnheer Reimond niet tot onrechtvaardigheid zou verleiden. Nu reeds wil hij de helft van zijn fortuin aan den goeden Willem onttrekken, om ze aan die onbekende praatmaakster te geven.... Ho, welke gedachte! Peternel, laat mij eens doen, en wederspreek mij niet: ik zal ze zoo vervaard maken, dat ze van Wildenborg zal wegvluchten, alsof ze den zwarten man in persoon hadde gezien. Gij keurt mijn voornemen af? Geschieden er geene ijselijke dingen genoeg op Wildenborg, en kan ik misdoen met de waarheid te zeggen?"
"Kom, laat die dwaasheden achter, en poog een beetje beleefd te zijn," zeide Peternelle.
"Ha, ha! wat zijn dit hier voor zonderlinge en vreesachtige lieden!" riep het meisje lachend. "De boer, die onzen reiskoffer tot hier heeft gedragen, dorst het hek niet naderen, hij meent, dat Wildenborg krielt van kwade geesten en spoken. Gij toch, vrienden, schijnt menschen te zijn: ik bedank u voor uwe dienstwilligheid."
De hovenier maakte een kruis en slaakte eenen hollen zucht. Zijne vrouw, die zijn inzicht merkte, gaf hem eenen stoot met den elleboog en gromde:
"Jakob, wilt gij u wel stilhouden met uwe grillen? Wees betamelijk en pak den koffer aan."
De beide vrouwen volgden den hovenier tot in zijn huisje. Peternel bood hun eenen stoel aan en vroeg, of ze geenen lust hadden om iets te eten, maar de juffer, die reeds haren naam had doen kennen, betuigde haar ongeduld, om zonder uitstel bij haren oom te worden toegelaten.
"Het kan niet zijn," morde Jakob. "Hij is in samenspraak met de geesten."
En daar hij zag, dat de juffer met zijne woorden spotte, herhaalde hij:
"Uw oom is in samenspraak met geesten, met dwalende zielen, met doofdshoofden en met spoken. De deuren des kasteels zijn langsbinnen gesloten, en indien...."
"Ik bid u, doe mij den kostelijken tijd met zulke kinderachtige vertelsels niet verliezen," onderbrak de maagd. "Mijn oom heeft mij ontboden, hij zal verstoord zijn, omdat gij mij niet onmiddellijk tot hem hebt geleid. Ga, meld hem mijne komst."
"Onmogelijk."
"Uwe vrouw is redelijker dan gij: zij lacht insgelijks met uwe grillen. Zij schijnt verstandig en minzaam, en zal mijnen oom wel gaan verwittigen."
"Hij is inderdaad opgesloten, mejuffer. Niemand kan hem naderen," antwoordde Peternelle. "Wilt gij intusschen iets eten of een kopje drinken, het is u van harte gegund."
"Wees gedankt, wij hebben in de afspanning bij den steenweg gegeten. Al wat ik wensch, is mijnen oom te mogen zien."
"Gij moet wachten, totdat de geesten vertrokken zijn," snauwde Jakob.
"En zal dit nog lang duren?"
De hovenier zag op naar het uurwerk en zeide:
"Het oogenblik nadert. Nog eenige minuten, nog een kwart uurs, ik weet het niet. Nox zal mij komen verwittigen."
"Zoo? mijn oom heeft nog andere dienaars dan gij? Nox is een knecht?"
"Ja, ja, zijn Mistoffel, de booze geest, die hem dient."