De Ziekte der Verbeelding

Chapter 6

Chapter 63,882 wordsPublic domain

"Zeker niet, van deze keus hangt integendeel het geluk des levens af. Wist de mensch slechts in deze gewichtige zaak het goede van het kwade te onderscheiden! Maar zijne stoffelijke zintuigen bedriegen hem zeer dikwijls, en dan moet hij, eeuwen lang misschien, de dwaling van een oogenblik betreuren en er voor boeten. De geest, die in het doodshoofd woont, heeft daarvan eene groote ondervinding. Weet gij wat het huwelijk is, Willem, ten minste wanneer het volgens de ware vereischten wordt gesloten? Het huwelijk is de samenvoeging van twee onvolledige zielen, die elkander bijbrengen wat aan elk hunner ontbreekt. Om klaarder te zijn, zij volledigen elkander en helpen elkander vooruit in de baan van den zedelijken voortgang. Lichaamsschoonheid en geldelijk fortuin doen er niets toe, integendeel, zij zijn meest altijd oorzaken van den beklaaglijksten misgreep. De voorwaarde, die men te vervullen heeft, is deze: de inborst der vrouw moet de vollediging zijn der inborst van den man. Zoo moet een zwakke man eene sterke vrouw hebben, een gierigaard eene vrijgevige, een treurder eene blijmoedige, een trotschaard eene nederige, en zoo wederkeerig. Indien men door hinderpalen, welke in het maatschappelijk leven bestaan, niet wederhouden was, zou men altijd en onfeilbaar de vrouw kiezen, die men behoort te hebben tot het volledigen van zijn zedelijk wezen, want er bestaat tusschen de zielen, die elkander betamen, eene geheimzinnige aantrekking, evenals de aantrekking, die de _electriciteit_ ons in de stoffelijke wereld doet ontdekken. De vrouw moet voor den man zijn wat in de natuur de _pole négatif_ is tot den _pole positif_. Begrijpt gij, mijn vriend?"

"Zeker, ik begrijp zeer wel, heer oom," antwoordde Willem met verwondering. "Ik zelf heb meer dan anderen misschien zulke onuitlegbare aantrekking ondervonden."

"Ik twijfel er niet aan," zeide mijnheer Reimond, "maar gij hebt u waarschijnlijk misgrepen. De geest heeft mij veropenbaard waar de eenige ziel is, die u gelukkig maken en u vooruit helpen kan naar de eindelijke volmaaktheid. Het is uwe nicht Theresia De Wit."

"Mijne nicht Theresia De Wit?" kreet Willem met eene uitdrukking van afkeer.

"Gij kent haar immers niet?"

"Neen, heer oom, ik heb haar nooit gezien."

"Des te beter."

"Ik zou mij toch eerst moeten kunnen overtuigen, dat zij wel de ziel is, die mijne ziel...." stamelde Willem op angstigen toon.

"De geest kent haar, hij bevestigt, dat zij alleen het geluk uws levens en het geluk uwer reis door de eeuwigheid kan verzekeren."

"Maar, oom lief, een huwelijk? Dit gaat zoo niet!"

"Ja, wel, het moet zoo gaan."

Het hoofd met eene soort van gekwetste fierheid oprichtende, vroeg de jongeling:

"En indien ik weigerde mij dus eene onbekende vrouw te laten opdringen?"

"Ik zou voor uw geluk zorgen, zelfs tegen uwen dank, Willem, en u dwingen den raad en den wil van den geest te volgen en te volbrengen. Het middel is eenvoudig, ik zou mijn testament veranderen en er in schrijven, dat gij en Theresia De Wit slechts mijne erfgenamen kunt worden, nadat uw huwelijk voltrokken zij. Intusschen zou het bureel van weldadigheid mijne goederen beheeren en ze behouden, totdat gij u beiden aan uwe ware bestemming zoudt hebben onderworpen. Overweeg en wedersta den geest niet nutteloos: zijne uitspraak is onveranderlijk!"

Willem liet het hoofd op de borst vallen en bleef zwijgend. Hij overwoog met snelheid zijnen neteligen toestand en de zonderlinge gril, waarvan men hem het slachtoffer wilde maken. Zijn oom had hem gisteren gezegd, dat hij den geest zou raadplegen over een middel om de goederen, die tot Wildenborg behoorden, onverdeeld te laten. Dat huwelijk was dus het gevonden middel. Het werd hem klaarblijkend, dat de geest niemand anders was dan zijn oom zelf, en dat deze in zijne krankzinnigheid het doodshoofd alles deed zeggen, wat hij verlangde te hooren. Er ontstond in het gemoed des jongelings nog eene hoop: hij zou pogen de beslissing zijns ooms met dezelfde wapens te bestrijden. Hij hoefde tot geene leugens zijne toevlucht te nemen, wat hij in zijn leven had ontmoet, geleek sterk genoeg naar de geheimzinnige aantrekking van twee zielen, meende hij, om dit tegen zijn huwelijk met Theresia De Wit te doen gelden.

"Worstel niet langer, aanvaard uw lot," morde mijnheer Reimond, ontevreden over het lange stilzwijgen van zijnen neef. "Uw erfdeel verliezen of u onderwerpen!"

"Ik zal niet worstelen, ik zal mij onderwerpen," antwoordde Willem, "indien gij mij toelaat, u de redenen mijner aarzeling te verklaren. Blijft gij, heer oom--of de geest--bij uwe beslissing, het zij zoo, ik zal denken, dat Theresia De Wit waarlijk bestemd is om mij gelukkig te maken."

"Ik luister," zeide mijnheer Reimond.

"Maar, oom lief, het is tamelijk lang. Zult gij mij met welwillendheid en geduld aanhooren?"

"Spreek, wij hebben tijds genoeg."

"Welnu, mijn goede oom, gij zult zien, dat ik niet tot heden hoefde te wachten, om door de geheime aantrekking der zielen beheerscht te worden.... Ik was schier nog een kind, en mijne moeder leefde nog. Eens vergezelde ik haar naar een voorgeborcht van Brussel, waar zij eene oude vriendin had. Dewijl ik alsdan de hoofdstad voor de eerste maal zag, wandelden wij tot 's avonds laat door de meest bevolkte straten, ik keek mij blind en dwaas op al de pracht en al den rijkdom, die in de magazijnen en winkels uitgestald lagen. Des anderen daags was mijne moeder onpasselijk van vermoeidheid. Het was de feestdag van Onze-Lieve-Vrouw, ik zou alleen ter kerke gaan en mocht, na de mis tot op den noen, met wandelen in het voorgeborcht mij vermaken. De lucht was wonderzuiver en de zon ongewoon glansrijk. Waarschijnlijk hadden de invloed van het schoone weder, het gevoel van vrijheid, of de schitterende dingen, die ik had gezien, op mijnen geest eenen diepen indruk uitgeoefend. Ik kende mij zelven niet meer, het hart klopte mij in den boezem, ik hijgde met machtige ademhalingen, mij dacht, ik was groot en sterk geworden te midden eener natuur, wier pracht en glans mij verbaasden. Eensklaps hoorde ik muziek en zag de burgers naar de voornaamste straat van het voorgeborcht loopen. Ik volgde hen, en op het oogenblik dat ik den hoek der zijstraat bereikte, naderde daar de processie ter eere van Onze-Lieve-Vrouw. O, wat scheen mij dit alles schoon en wonderbaar! Niet alleen de gouden vanen en de zilveren lantaarnen, welke het zonnelicht deed fonkelen, maar er waren wel tweehonderd kinderen in de processie, gekleed als engeltjes met vlerken, als maagdekens met bloemen gekroond, als pelgrims met kalebas en staf, als heiligen, als priesters, als kardinalen.--Terwijl ik, om zoo te zeggen, mijnen adem wederhield om niets van het verrukkend schouwspel te verliezen, zag ik in de verte al eene schaar hemelsche geesten opdagen, het waren jonge meisjes, iets grooter dan de andere kinderen. Zij waren gansch omhuld in sneeuwige tul of kant, en hun wazen sluier, lichter nog dan de lucht, vlotte op den onvoelbaren wind. Elk hunner droeg eene soort van staf, waarop in het Latijn een woord uit de litanie van Onze-Lieve-Vrouw blikkerde. Waarlijk, mijn getroffen verbeelding deed ze mij aanzien voor zoovele engelenhoofdjes, drijvend op witte, vlokkige wolken, tusschen welke de schoonste starren des hemels heenblikkerden. Toen deze schaar mij naderde, bemerkte ik wel, dat ik mij had bedrogen en al deze engelen slechts meisjes waren, kinderen als de andere, die mij reeds waren voorbijgegaan. De begoocheling mijner zinnen hield slechts stand voor eene enkele. Zij droog eenen gulden staf met de woorden _Rosa mystica_, _geheimzinnige Roos_. Dit was, dacht mij, geen menschelijk wezen, zoo bovennatuurlijk schoon, zoo vreemd, zoo onbegrijpelijk! Met neergeslagen oogen over den grond glijdend, zonder dat eene enkele beweging een stoffelijk lichaam onder den kanten sluier kwame verraden! Wat mij geschiedde, is mij nu nog onbekend: ik beefde van bewondering, nauwelijks kon ik ademhalen, het was als wilde mijne ziel mij verlaten om den engel te gemoet te vliegen.... _Rosa mystica_, als hadde zij de verborgene stem mijner ziel gehoord, hief het hoofd op, toen zij mij voorbijdreef, en sloeg in mijne oogen eenen stillen, diepen blik, die de kloppingen mijns harten onderbrak en mij terzelfder tijd met eenen onuitlegbaren schrik en met eene eindelooze blijdschap vervulde.... De processie was reeds verre, toen ik uit mijne dwaalzinnigheid ontwaakte. Door eene onbewuste kracht gedreven, en snakkend om het hemelsch verschijnsel nog eens te aanschouwen, liep ik al het volk vooruit en bereikte juist de kerkdeur op het oogenblik, dat de eerste standaard zich nog boog om er onder door te gaan. Ik zag de _Rosa mystica_ nog eens, en zij ook hief weder haren blik tot mij op. Zij scheen verrast over mijne uiterste verbaasdheid, doch glimlachte zoo zoet, dat het mij scheen, dat ik het hart mij in den jagenden boezem voelde wegsmelten. Hopende voor de derde maal haar te zien, bleef ik bij de kerkdeur staan. Al degenen, die de processie hadden vergezeld, kwamen er opvolgend uit. _Rosa mystica_ alleen verscheen niet weder, en eindelijk werd de deur des tempels gesloten. Voor mijn ontsteld gemoed was dit een ontegensprekelijk bewijs, dat ik mij niet had bedrogen. De engel, die zulken broederlijken glimlach mij had gegund, was terug naar den hemel!"

"Verwonderlijk inderdaad!" murmelde mijnheer Reimond, "Het was misschien de ziel van een kind, dat vroeger nog op dezelfde wijze in de processie had gegaan, en waaraan God had toegelaten, in zichtbaren vorm eene geliefde plechtigheid bij te wonen. De Rosa mystica ware dus geen engel geweest, maar een der geesten, die in de lucht op een nieuw leven wachten."

"Voor mij zou deze zaak geheimzinnig en onuitlegbaar gebleven zijn, heer oom, hadde ik haar later niet wedergezien onder eene andere dan eene engelengedaante."

"Gij hebt haar wedergezien?" vroeg mijnheer Reimond met aangejaagde nieuwsgierigheid. "Uwe geschiedenis boezemt mij veel belang in. Ga voort, ik bid u."

"Gij zult het wellicht niet gelooven, heer oom, maar dit eenvoudig voorval heeft eenen grooten invloed op mijne inborst en op mijn leven uitgeoefend. Van dan af werd ik eenzaam en droomend, altijd waarde het zoet verschijnsel voor mijne oogen, en glansde in licht en in duisternis de onvergetelijke glimlach mij tegen. Ik werd godvruchtig bovenmate, en zoodanig tot het gebed geneigd, dat mijne moeder, uit vrees voor het verlies mijner gezondheid, deze ziekelijke ontheffing des geestes meende te moeten bestrijden. Welke was mijne beweegreden? Hoopte ik nader tot den engel te komen door mij geheel aan den dienst des Heeren toe te wijden? Ik weet het niet.--Met de jaren verzwakte toch deze herinnering, en de dood mijner goede moeder, waardoor ik alleen in de wereld bleef, bracht veel bij om mij andere gepeinzen te geven. Zoo bereikte ik den ouderdom van achttien jaar, ik dacht nooit meer aan den engel, dan op die zeldzame oogenblikken, wanneer de ziel als het ware terugkeert in het leven, en wij droomend ons verleden zich als een tooverdoek voor onze oogen zien ontrollen. Het is omtrent dien tijd, dat ik klerk werd bij mijnen eersten meester. Op eenen Zondag vergezelde ik hem naar het dorp Hemixem, waar hij familie had. Ik was alleen tot op den oever der Schelde gewandeld, en stond zonder doel naar de stoomboot van Temsche te kijken, die de kaai naderde om eenige reizigers af te zetten en er andere op te nemen. Daar ontvliegt mij een doffe schreeuw, ik staar bevend op eene jonge juffer, die van achter het beschot der boot met wijdgeopende oogen mij verwonderd aanziet. Het was de _Rosa mystica_, eenen anderen naam wist mijn geheugen haar niet te geven. Zij was het! Hadden mijne oogen haar niet herkend, de onstuimige sprongen mijns harten hadden mij er van overtuigd. Terwijl ik daar stond als in een steenen beeld veranderd, gaf de dampklok het sein, de stoomboot bewoog hare raderen en het verschijnsel werd mij voor de tweede maal ontvoerd.--Deze ontmoeting leende natuurlijk nieuwe kracht aan de bijna uitgewischte herinnering, en ik moet bekennen, dat na dien dag allengs iets min bovennatuurlijks zich mengde in de onbegrepene neiging, welke ik voor .... voor de _Rosa mystica_ gevoelde. Zij kwam mij niet meer voor als een engel, zij was eene juffer, eene jonge maagd, een aardsch wezen als ik. Weder bleef ik twee jaren zonder haar terug te zien, en weder had ik schier de ontmoeting vergeten, toen ik, op den ijzeren weg zijnde, haar herkende op den tocht, die in de statie van Contich ons voorbijreed.... Veel later zag ik zo eens te Mechelen, tusschen het volk, dat zich verdrong om den prachtigen ommegang van Onze-Lieve-Vrouw van Hanswijk te bewonderen. Ik woelde door de menigte naar de plaats, waar ze stond, doch ontwaarde haar niet meer, ik doorliep markten en straten tot den laten avond, doch vruchteloos.... Nu ongeveer twee maanden geleden, van Waalhem naar Mechelen gaande, om eene boodschap van mijnen meester te volbrengen, hoor ik achter mij een verwittigend zweepgeklets en het gedaver van snel rollende wielen, ik loop terzijde van den weg en keer mij om. Daar zie ik de _Rosa mystica_ met eene oude dame en twee jongere juffrouwen in eene opene koets zitten, in eene rijke heerenkoets! Zij, in het voorbijrijden, groet mij stil en ingetogen, doch met minzaamheid, dunkt mij. Ik, door een gevoel van droefheid aangegrepen bij het gepeins, dat zij tot eene rijke familie behoort, neem den hoed werktuiglijk af, wanneer zij reeds voor mijne oogen onzichtbaar is geworden.... Erken, oom lief, dat dit alles buitengewoon is, dat er iets moet zijn, dat ons immer na lange scheiding weder op dezelfde plaats brengt, opdat wij elkander niet zouden vergeten. Daarenboven, dat eene geheimzinnige macht, een verborgen wil, ons belet elkander te naderen of elkander aan te spreken, voordat het vastgestelde uur zij geslagen?"

"Inderdaad, gij zijt beiden onder eenen invloed, die bovennatuurlijk schijnt," bemerkte mijnheer Reimond, "maar het kan wel een toevallige samenloop van omstandigheden zijn. Eindigt daar uwe geschiedenis?"

"Ho, neen, heer oom, ware het zoo, ik zou het der moeite niet waard hebben geacht, om uwe welwillende aandacht zoo lang te misbruiken."

"Gij hebt haar diensvolgens nog gezien?"

"Ja, en met haar gesproken; gij zult het gaan hooren. Eergisteren zegt mijn meester, dat hij naar naar het kasteel van Everdaal moest rijden, om er met de gravin De Bernavaux te spreken, en dat ik hem zal vergezellen. Op het kasteel aangekomen, treedt mijn meester in eene zaal met de gravin, en geeft mij vrijheid om in de dreve en in den tuin te wandelen, totdat hij mij doe roepen. Ik dwaal schier een half uur onder het hooge geboomte en nader tot eenen muur, waarachter ik juichende stemmen hoor van jonge meisjes of van kinderen, die zingen en spelen en lachen. Eéne stem is er, die mij wonderzoet en blijmoedig schijnt; hare galmen betooveren en ontroeren mij; maar daar springen van achter den muur drie juffrouwen, en, door mijne tegenwoordigheid verrast, bekijken zij mij ondervragend. Ik, gansch buiten mij zelven, en niet wetende wat ik doe, hef de armen in de hoogte en roep uit: "_Rosa mystica!_" Zij was het! Beschaamd over mijne vermetelheid, blijf ik haar zwijgend aanschouwen. Zij insgelijks wordt rood.--"O, hemel, mijnheer," murmelt zij, "reeds twaalf jaar, en gij hebt het niet vergeten?"--"En gij, juffrouw?" verstout ik mij te vragen.--"En ik ook niet," antwoordt zij verbaasd. "Het is een onuitlegbaar raadsel!" Op dit oogenblik trad de gravin, door mijnen meester gevolgd, uit het kasteel. "Flora, Flora!" riep mevrouw De Bernavaux, "kom haastig hier, ik heb u noodig!"--Zij heet dus Flora? Op mijne vraag of Flora hunne zuster was, zeiden de jonge juffrouwen mij, dat Flora als gezelschapsjuffer op het kasteel woont. Mijn meester wilde onmiddellijk vertrekken; ik moest gehoorzamen. Onderweg maakte ik allerlei ontwerpen. Nu wist ik waar zij woonde, de maagd, wier herinnering en beeld mijn gansche leven hadden beheerscht. Zij was niet rijk, ten minste niet genoeg om mij alle hoop op een huwelijk met haar te ontzeggen. Ja, ja, het gepeins aan een huwelijk ontstond gansch klaar en volledig in mijnen geest. Zij insgelijks had twaalf jaar mijne herinnering behouden. Het was eene bekentenis, en ik had de overtuiging dat sedert onze kindsheid er een geheimzinnige band tusschen onze zielen had bestaan, en God zelf ons voor elkander had bestemd. Mijn voornemen was, dit alles aan mijnen meester te openbaren en zijne edelmoedige hulp in te roepen; maar toen wij ten zijnen huize afstapten, vond ik uwen brief, die mij naar Wildenborg riep. Ik ben onmiddellijk vertrokken."

Er heerschte eene wijl stilte, gedurende welke mijnheer Reimond het hoofd schudde en tegen een lastig gepeins scheen te worstelen.

"Niet waar, oom lief," zeide Willem, "indien er ooit eene aantrekking tusschen twee zielen bestond, dan is het tusschen Flora en mij geweest? Gij zult deze bovennatuurlijke stem niet willen miskennen, en mij niet dwingen tot een huwelijk met mijne nicht Theresia De Wit, die ik niet ken en niet kan beminnen?"

"Gij laat u door uwe verbeelding misleiden," antwoordde mijnheer Reimond op strengen toon, "en, zooals de meesten doen, begrijpt gij de zaken op de wijze, die met uwe voorbestaande wenschen overeenkomt. Wat is er dan toch zoo wonderlijks in deze geschieden? Gij ziet eens een jong meisje, dat eenigen indruk op u uitoefent. Op twaalf jaar tijds ontmoet gij ze nog drie of vier keeren. Weet gij wat er wonder is? Dat gij ze niet honderdmaal hebt ontmoet."

Een zucht ontsnapte Willem bij deze koele uitlegging zijns ooms. Mijnheer Reimond wist de voorvallen wel zonder begoocheling te beschouwen, wanneer het zijne eigene grillen niet gold. De arme jongen had diensvolgens zijn doel niet bereikt. Zijn oom liet hem den tijd niet om daaraan te twijfelen, dewijl hij nu zeide:

"Gij moet trouwen met Theresia De Wit. De geest van het doodshoofd heeft het bevolen: zijne uitspraak is een onherroepelijk vonnis."

"Maar, mijn lieve oom," kreet Willem met wanhoop, "gij zult mij toch niet zoo onmeedoogend tot een gansch leven van treurnis veroordeelen!"

"Integendeel, gij zijt het zelf die uw geluk wilt verbrijzelen, niet alleen voor dit tegenwoordig leven, maar voor vele toekomstige levens. Verkiest gij naar de hand van die Flora te staan en uwe ziel, duizend jaar verre misschien, in de baan der eeuwigheid achteruit te drijven, gij zijt vrij. Ik van mijnen kant ken mijnen plicht, en ik zal hem volbrengen. Laat hooren, onderwerpt gij u aan de wil der geesten of niet? Ik wacht een antwoord. Gij zwijgt, Willem? Het is dus eene weigering?"

De genster van een plotselijk gepeins lichtte eensklaps in des jongelings oogen.

"Oom, mag ik mijne beslissing uitstellen tot morgen?" vroeg hij.

"Tot morgenavond, indien gij het verlangt."

"Ik dank u; misschien zal dezen nacht de geest, uit medelijden met mij, u eene edelmoedige inspraak geven."

"Hoop het niet, mijn vriend, en martel u zelven niet door eene vruchtelooze worsteling tegen iets, dat onveranderlijk moet blijven."

"Ach, misschien zal ik de noodige kracht tot de onderwerping vinden."

"Het zal mij grootelijks verblijden; want ik bemin u, Willem. Ondanks de betrekkelijke onvolledigheid uwer ziel zijt gij een goede, brave jongen; en ik zou uw geluk willen verzekerd zien, vooraleer ik opvaar tot een nieuw leven."

"Gij blijft dus altijd bij de schrikkelijke gedachte, dat gij gaat sterven?"

"Overmorgen, den 31sten Augustus."

"En indien gij bij geval den 1sten September nog leefdet? Zoudt gij dan niet bekennen, dat de geest u heeft bedrogen? Zoudt gij mij dan nog met mijne nicht willen doen trouwen?"

"Ho, hoe zou ik het betreuren! sterven van schaamte en van smart!" zuchtte mijnheer Reimond met eene soort van afgrijzen. "Wat! mijn gansche leven zou eene krankzinnigheid geweest zijn? Die hooge wetenschap eene ijlhoofdigheid? De geesten schimmen, door mijne zieke hersens geschapen? Zwijg daarvan, Willem; gij doet mij ijskoud worden van schrik. Gelukkig dat gij dwaalt. Mijn dood op het vastgestelde uur zal van het bestaan der geesten en van de waarheid hunner leering getuigenis geven!"

De ontmoedigde jongeling zag eene korte wijl zijnen oom met verslagenheid aan; doch hij stond welhaast recht en, knikkende, als bevestigde hij zich zelven in een genomen besluit, zeide hij:

"Heer oom, toen ik naar Wildenborg kwam, liet ik mijn reispak te Hasselt. Ik heb hier geen linnen, en mij ontbreken vele noodige dingen. Indien gij de goedheid hadt, mij het toe te laten, zou ik gaarne over en weder naar Hasselt rijden, om mijnen koffer te halen."

"Gij zult morgen terug zijn?"

"Ja, heer oom."

"Welnu, reis naar Hasselt. Ik was toch voornemens, dezen ganschen dag alleen te blijven. Mijn tijd wordt kort; ik moet lang met den geest spreken en schikkingen nemen voor mijn vertrek naar de wereld der zielen. Ga, mijn vriend, en bedroef u niet door eene vruchtelooze worsteling tegen de uitspraak des geestes. Theresia De Wit zal uwe bruid zijn, of uwe dwalende ziel het wille of niet!"

De jongeling drukte zwijgend de hand zijns ooms en verliet de zaal onder het murmelen van een treurig vaarwel.

Hij vond de vrouw des hoveniers op den dorpel harer deur en zeide haar:

"Peternelle, ik ga naar Hasselt, en verder nog, indien het moet zijn. Ik wil weten, of er geen hoegenaamd middel bestaat, om mijnen oom te genezen of ten minste zijn leven te verlengen. Denk eens, hij wil, dat ik onmiddellijk trouwe met mijne nicht!"

"Met Theresia De Wit?" kreet Peternelle verschrikt.

"Ja; zeg daar niets van aan uwen man; ik ga naar Hasselt om mijnen koffer te halen. Vaarwel tot morgen."

Eenige oogenblikken daarna stapte Willem door de dreve, om de baan te bereiken, die over de heide naar den steenweg van Hasselt liep.

V.

Bij een schoon en zonnig weder stapten twee vrouwen over de heide. Zij waren voorafgegaan door een boer, die eene kleine reismaal op den schouder droeg.

Eene der vrouwen was eene jonge juffer, wier zachtvervig zomerkleedsel, eenvoudig doch smaakvol, de onbenevelde blijheid van een zuiver maagdelijk gemoed scheen te verkondigen.

Ze had blonde haren, die boven haar voorhoofd in eene kunstmatige verwarring tot eene soort van top waren gekrinkeld; daaronder glinsterden als blauwe parelen hare kleine, doch ongemeen beweegbare oogen. Op hare lippen speelde bestendig een stille, teedere glimlach, als beschouwde zij de oorspronkelijke natuur, die haar omringde, met vreugde des harten en met liefde.

Alhoewel er nog iets onbedwongens, iets kinderlijks in gansch haar opzicht was, getuigde evenwel de snelheid van haren blik en de vastheid harer gebaren, dat het dezer bevallige jonge maagd noch aan gemoedssterkte noch aan helderheid des geestes kon ontbreken.

Gedurende zeer langen tijd scheen zij de tegenwoordigheid van hare gezellin en van haren leidsman te vergeten. Vroolijk en nieuwsgierig sprong zij over de heide, om eene haar onbekende bloem te gaan plukken, of huppelde eenen vlinder achterna, of sprak juichend tot zich zelve, of lachte of zong met luider stemme, als dwong de overvloed van kracht en leven haar tot onophoudende beweging. Wanneer zij dan bemerkte, dat zij verre achteruitgebleven was, nam zij hare vlucht en liep, snel en licht als eene hinde, totdat zij haar gezelschap was genaderd. De andere vrouw was ongetwijfeld eene dienstmeid; zij droeg aan elke hand eene groote kartonnen doos en scheen vermoeid. Alhoewel zij den boer van dichtbij volgde, had zij hem nog niet eens het woord toegestuurd.

Toen de jonge juffer in de verte den donkeren klomp der bosschen uit de naakte heide zag opdagen, kwam zij terzijde van den boer en vroeg:

"He! jongen, zeg mij, ik bid u, wat is dat ginder? Het gelijkt naar eenen zwarten berg."

"Dat? Het is Wildenborg," was het antwoord.

"Ha, daar woont mijnheer Reimond?--In dat duister bosch?"

"In het diepste van het bosch."

"Gij kent mijnheer Reimond, niet waar?"

"Neen, mejuffer."