Chapter 5
"Een hond gelijk alle andere honden? Kendet gij de geschiedenis van dien helschen dienaar, welken gij meent voor een beest te mogen aanzien, gij zoudt wel anders spreken. Maar waarom zou ik u die geschiedenis niet vertellen, terwijl gij toch niets te doen hebt dan te eten? Vrees niet, zij is schrikkelijk, doch kort. Welnu, luister. Het is tien jaar geleden, sedert den 13den Juli; mijn meester leefde wel eenzaam, maar de zaken gingen op Wildenborg niet als nu. Op eenen zekeren nacht werden wij onverwachts gewekt door een vreemd geraas in de lucht. Het was, alsof de aarde beefde, alsof er honderd wagens te gelijk door den hemel reden. Daarop begon het te bliksemen en te donderen, dat wij meenden de wereld te zien vergaan. Het vuur des hemels was zoo hevig, dat wij de handen voor de oogen moesten houden om niet met blindheid te worden geslagen. Vol schrik en angst loop ik met mijne vrouw naar het kasteel, en daar vinden wij mijnheer--die alsdan zich zelven nog niet opsloot--bezig met in een boek vol groote zwarte letteren te lezen. Het tempeest groeit aan, de donderslagen doen het kasteel op zijne grondvesten daveren; daar vallen eensklaps hagelsteenen zoo zwaar als duiveneieren, en de verbrijzelde schalien vliegen kletterend door de lucht.... Wij stonden nevens mijnheer te beven en te bidden, toen eensklaps een klagend noodgeroep, als van een stervend mensch, zich buiten het kasteel liet hooren. Mijnheer Reimond sprong met verrassing recht en zeide mij: "Jakob, er is iemand voor het hek, die om hulp roept. Hij smeekt om eene schuilplaats: ga opendoen en laat hem binnen." Hadde men mij op dit akelig oogenblik eenen hooiwagen vol goud willen geven, ik hadde geenen enkelen voet buiten gezet. Mijn meester zag het wel; want hij ging zelf naar het hek en keerde even ras terug met eenen hond, dit is te zeggen met den duivel, die zijn _Mistoffel_ moest worden. Nauwelijks was het gruwelijke beest binnengelaten, of een donderslag, als van honderd kanonnen, trof het kasteel en scheurde zijnen gevel tot in den grond. Ik schreeuwde om hulp en mijne vrouw viel buiten kennis op den vloer.... Het is sedert dan, dat de arme Peternelle half stom geworden is. Ziedaar, Willem, de geschiedenis van Nox. Is het zóó, dat een gewone hond ergens aankomt? Eilaas, in dien schromelijken nacht heeft mijn arme meester zijne ziel aan den zwarten man verkocht, en nu is zijn tijd om. Gelooft gij nu nog, Willem, dat ik niet weet wat ik zeg? Nox? Nox? Is dit een naam voor den hond van een Christenmensch, zeg?"
"Die naam is Latijn, en hij beteekent eenvoudig _nacht_," mompelde Willem, de schouders ophalende.
"_Nacht!_ Ziet gij wel, dat Nox een geest der duisternis moet zijn?"
De jongeling, die niet den minsten lust had om langer naar de vertelsels van den spreekzieken Jakob te luisteren, stond van de tafel op.
"Ik dank u, mijne vrienden, en u bijzonderlijk, goede Peternelle," zeide hij. "Het avondmaal was wel bereid, en het heeft mij uitmuntend gesmaakt. Het is nu bijna donker daarbuiten, ik gevoel mij vermoeid en slaperig. Wees zoo goed, Jakob, en leid mij naar mijne kamer."
Ondanks de pogingen, welke de hovenier aanwendde, om hem wat te doen blijven en onder het drinken van een glas bier een avondkoutje te houden, wilde Willem volstrekt naar bed gaan. Inderdaad, hij kon de oogen schier niet meer geopend houden van vermoeidheid.
"Welnu, morgen zult gij uitgerust zijn," zeide Jakob. "Uitgesteld is niet verloren--Peternelle, ga in den stal, haal de lantaarn en ontsteek het licht er in. Hoe, Willem, gij meent, dat er geene duivels zijn?"
"Ik heb dit niet beweerd," zeide de jongeling met ongeduld.
"Maar gij gelooft toch niet, dat de duivel zielen koopt of menschen weghaalt. Ik weet eene geschiedenis, die klaar bewijst dat gij u bedriegt, en ik ga ze u vertellen."
"Gij zijt onbarmhartig voor mij, Jakob. Vertel zooveel gij wilt, ik antwoord niet meer."
"Dit is mij gelijk, indien gij mij slechts laat spreken. Ziehier de zaak. In het dorp Neerglabeek waren eens boerenknechts, op eenen heiligendag onder de hoogmis, in eene herberg. Zij zouden gaarne met de kaart gespeeld hebben, maar daartoe moesten zij gevieren zijn, en zij waren slechts gedrieën. Er treedt een vreemdeling binnen, die een glas bier vraagt. Op het eerste voorstel der drie knechts stemt hij toe om de vierde man bij het kaartspel te zijn."
De vrouw verscheen met de lantaarn, Willem wenschte haar goedennacht en stapte ten huize uit, gevolgd door den ouden Jakob, die onderweg zijn vertelsel dus voortzette.
"Zij waren lustig aan het spelen, maar een der knechts stoot met zijne mouw het krijt van de tafel en bukt zich om het op te rapen. Wat ziet hij, o hemel! Hij ziet, dat de vreemde makker paardevoeten heeft!"
Ondanks zijne verveling kon Willem zich niet wederhouden van met de wonderlijke eenvoudigheid van zijnen ouden leidsman te lachen.
"De arme knechts lachten niet," hernam Jakob Mispels. "Zij sprongen kermend recht en wilden vluchten, maar er kwam een schromelijke donderslag, en al de kaartspelers waren verdwenen! Het stonk er in de kamer, als hadde men er honderd busselen solferstekken gebrand.... Zie, daar in dat achterpoortje van het kasteel moeten wij zijn. Ik heb uwe kamer gereed gemaakt, en ik hoop dat u niets zal ontbreken. Volg mij, ik zal u den weg wijzen."
Hij bracht den jongeling boven eene trap en voor eene kamer. Daar lagen op den grond twee half verbrande stokken, dwars over elkander, in de gedaante der letter X.
"Trap daar niet op en ontschik het niet," zeide de hovenier.
"Wat beteekent dit?" mompelde Willem.
"Dit is een onfeilbaar middel om u voor nachtelijk ongeluk te behoeden," was het antwoord. "Zulke houten zijn een onoverstapbare dwarsboom voor alle tooverheksen, duivels, spoken, kabouters, nikkers en ander helsch gespuis."
Van ongeduld schier buiten zich zelven, greep de jongeling de stokken van den grond en wierp ze tot beneden de trap.
"Gij zoudt mij eindelijk nog de koorts doen krijgen, of mij zoo dom maken als.... als een visch."
"Ho, word daarom niet kwaad, mijn lieve Willem," zuchtte de oude man vreesachtig. "Ik doe het met een goed inzicht; maar wilt gij liever gevaar loopen van iets schrikkelijks te zien, het staat u vrij."
"Dit is de kamer, waar ik den nacht moet doorbrengen, niet waar? Welnu, Jakob, ga naar huis en wees gerust, mij zal niets geschieden. Laat mij slapen zoolang het mij lust en wek mij niet ontijdig. Goeden nacht.... Wilt gij niet heengaan?..."
"Ja, ja, zeker, ik ga," zeide Jakob, de trappen langzaam afdalende. "Die steedsche menschen hebben harde koppen; maar zij weten het niet goed. Als ik nog denk aan hetgeen den zandboer van Hechtel is overkomen! Die meende ooit, dat men geene spooken moet vreezen, maar hij werd, och arme, deerlijk gestraft. Op eenen nacht zag hij eene witte gedaante--als een geraamte, met eenen witten lijkdoek op de schouders--die hem met den vinger wenkte. Halfdood van schrik en bevend...."
Hij was reeds beneden de trap, en zijne stem werd onvatbaar voor Willem, die binnen de kamer was getreden en in aller haast zich ontkleedde.
Een oogenblik daarna lag de vermoeide jongeling reeds onder de lakens, op een bed, dat hem goed en zeer zacht scheen.
Hij sloot de oogen en twijfelde niet, of hij zou onmiddellijk in slaap vallen; maar naarmate zijn hoofd verzwaarde, scheen zijn geheugen of zijne verbeelding eene onwillekeurige werkzaamheid te krijgen. Hij zag allerlei vreemde dingen in de duisternis voor zijne oogen wemelen: spoken, geesten, duivels, zwarte honden, geraamten, doodshoofden. Ofschoon hij wel wist, dat dit slechts eene begoocheling zijner ontstelde zinnen was, stond niettemin het koude zweet hem op het aangezicht en klopte zijn hart van zenuwachtigen angst.
Eindelijk toch bezweek hij onder de afgematheid en viel in eenen diepen slaap.
IV.
Des anderen daags 's morgens was de oude Jakob vroeger dan naar gewoonte opgestaan. Hij was zichtbaar bekommerd, en ging uit het huis en keerde weder, zonder doel of reden, evenals iemand, die vervolgd wordt door eene angstige gedachte. Zijne vrouw bleef wel een uur sprakeloos, en scheen geene acht op zijne ongerustheid te slaan. Toen zij hem eindelijk vroeg, wat hem dus over en weder deed dwalen, vertelde hij haar, dat hij eenen leelijken droom had gehad en nog beefde van het akelig gezicht, dat hem had verschrikt.
"Ach, Peternelle," zeide hij, "ik lag gerust te slapen. Eensklaps werd ik wakker en hoorde iemand om hulp roepen op eenen toon, zoo klagend en zoo scheurend, dat het mij als een mes door het harte sneed. Het is te begrijpen, ik herkende de stem van Willem!.... Ik spring van het bed en open het venster, mijne haren rijzen te berge op mijn hoofd, ik moet mij vasthouden om niet van vervaardheid neder te storten. Schromelijk schouwspel, dat voor mijne oogen voorbijschiet! Daar zie ik den zwarten man, die lachend door de lucht vliegt. Met zijnen klauw houdt hij een mensch bij het haar, terwijl hij met den anderen hem het vleesch van de leden rukt. Het arme slachtoffer schreeuwde om hulp, dat gansch Wildenborg er van weergalmde. Eilaas, het was Willem, die dus door den boozen geest werd weggehaald!"
"Om 's hemels wil, Jakob, waarom mij altijd doen beven met uwe ijselijke vertelsels?" zeide de vrouw verstoord.
"Hebt gij niets gehoord, Peternelle?"
"Wat zou ik gehoord hebben, vermits gij het hebt gedroomd?"
"Maar indien het eens eene verwittiging was?"
"Laat mij gerust," knorde de vrouw. "Gij breekt u des nachts het hoofd, om mij des daags te kunnen verschrikken. Ik moet werken, het huis opschikken, de koe verzorgen en aan het ontbijt van mijnheer Willem denken."
"Geve God, dat hij uw ontbijt nog noodig hebbe," zuchtte Jakob.
"Babbel zooveel gij wilt, ik luister niet meer naar uwe kinderachtigheden," zeide de vrouw, terwijl zij eenen emmer greep en zich naar den stal begaf.
Jakob bleef nadenkend op de achterdeur staren en schudde met ontevredenheid het hoofd.
Na lang wachten keerde hij zich om, ging met tragen stap in den hof, naderde allengs tot het achtergedeelte van het kasteel en bleef daar, met de armen op de borst gekruist, in de hoogte zien naar een gesloten venster.
Eene wijl mompelde hij in zich zelven, schudde het hoofd en maakte stille gebaren, maar, als nam hij een plotselijk besluit, hij verliet deze plaats, greep onderweg eene spade en ging in eene soort van moeshof, waar hij een afgemaaid klaverbed begon om te spitten.
Het was zichtbaar, dat hij onder den arbeid evenzeer vervolgd bleef door aanjagende en kommervolle gepeinzen, want niet zelden onderbrak hij zijn werk, om van verre tot het gesloten venster op te zien, en dan ontsnapte hem telkens een gemor van ongeduld of van angst.
Zijne ongerustheid werd grooter en grooter, en toen hij ongeveer gedurende een uur zijn werk met vele onderbrekingen had voortgezet, plantte hij zijne spade in den grond en zeide:
"Neen, ik kan het niet meer uithouden! Reeds sedert drie uren is de zon aan den hemel--en nog niet opgestaan? Het is niet natuurlijk. Was mijn droom eene waarschuwing? De vrees, de twijfel doet mij vergaan. Hij heeft mij verboden hem te wekken, maar is mijne komst hem bij geval onaangenaam, wat beteekent het in vergelijking van de benauwdheid, die ik doorsta? En daarenboven met eens op de teenen naar boven te gaan, zal ik hem niet wekken, indien hij waarlijk slaapt. Het is gelijk, dit gewicht moet mij van het hart!"
Terwijl hij deze woorden sprak, had hij den moestuin verlaten en naderde nu het achterdeel van het kasteel. Hij opende de deur zeer langzaam, opdat ze, draaiende, niet op hare hengsels zou knarsen, en stapte met looze treden in den gang.
Aan den voet van de trap bleef hij eensklaps staan, hief zijne handen omhoog, deinsde verbleekend terug en morde huiverend:
"Hemel! het riekt hier naar de solfer! Zou er een ijselijk ongeluk geschied zijn? Mijn droom? Vluchten wij!"
Maar waarschijnlijk twijfelde hij zelf aan den waren aard van den reuk, dien hij meende gewaar te worden, want na eene wijl naderde hij de trap en klom voet voor voet naar boven.
Hij bemerkte tot zijnen grooten schrik, dat de deur der kamer gansch openstond. Dit gezicht gaf hem een akelig voorgevoel, en het was met kloppend hart en aarzelend, dat hij binnen de kamer sloop.
Daar ontvloog hem een schreeuw, hij sprong, bleek als een doode, terug tot tegen den muur, en waggelde op zijne beenen van verschriktheid.
Het bed was ledig en het deksel lag half ten gronde, als hadde men den slapende met geweld van zijne rustplaats weggerukt.
Zoohaast de arme hovenier den adem en het bewustzijn terugkreeg, sprong hij huilend ter kamer uit, viel schier van al de trappen, vluchtte door den hof en liep in zijn huis, waar hij zich op eenen stoel liet zakken en kermend uitriep:
"Peternelle, Peternelle, water en azijn: laaf mij, of ik val van mij zelven! Eilaas! eilaas, men wil mij niet gelooven, daar hebt gij het nu! Die ongelukkige, die arme Willem! Hadde hij nooit den voet op dit vermaledijd kasteel gezet! Zulk einde en nog zoo jong!"
"Water en azijn? Wat is er gebeurd? Hebt gij weder iets uitgevonden om mij vervaard te maken?" vroeg de vrouw verbleekend.
"Neen, neen, Peternelle, ditmaal is het ernstig waar," antwoordde Jakob.
"Is mijnheer Reimond overleden? Eilaas, het moest er toch eens van komen. God zij zijne arme ziel genadig!" zuchtte de vrouw, haar voorschoot aan de oogen brengende.
"Veel erger, veel erger, Peternelle! Laat mij adem scheppen, laat mij een beetje bekomen. Houd u sterk, vrouw lief. Het is om daar neder te vallen en nooit meer op te staan."
"Welnu, indien onzen meester niets overkomen is, wat nieuw inbeeldsel ontstelt er dan uwe zinnen?"
"Zwijg, spreek zoo niet, Peternelle. Uwe ongeloovigheid zou u een ongeluk over het hoofd kunnen halen. Peternelle, ik ben gaan zien naar de kamer.... naar de kamer van Willem, en--God beware ons!--het bed is ledig!"
"Het bed is ledig?" morde de vrouw. "Dit is zonderling en verwonderlijk, inderdaad."
"Niet waar? Die arme jongen! Het deksel lag verward, en men kon zien, dat er een schrikkelijk geweld.... O, hemel, mijn droom van dezen nacht was dus waarheid!"
"Lagen de kleederen van Willem in de kamer?" vroeg Peternelle, die geweld deed om tegen de verschriktheid te worstelen.
De hovenier wreef zich het voorhoofd als om zijn geheugen op te klaren.
"Zijne kleederen?" herhaalde hij. "Neen, die heb ik niet bemerkt."
"Gij ziet wel, Jakob, dat gij u alweder door uwe verbeelding laat verleiden en mij nutteloos den dood op het lijf jaagt?"
"Hoe dat?"
"Wel, begrijpt gij niet, sukkelaar, dat, indien mijnheer Willem in zijnen slaap door Gods vijand ware verrast geworden, zijne kleederen toch in de kamer zouden gebleven zijn?"
"Dit is niet zeker, Peternelle. Ik weet eene geschiedenis van eenen smid, die zijne ziel aan den zwarten man had verkocht en toen Lucifer kwam om hem te halen, gaf hij hem den tijd om zich eerst te wasschen en op te kleeden."
"Kindervertelsel! Het was zeer vroeg, toen mijnheer Willem gisteren te bed ging. Hij zal zijne kamer verlaten hebben, om eene morgenwandeling te doen. Misschien is hij buiten het kasteel en in het bosch. In stede van hier te blijven beven, ga, zoek naar mijnheer Willem, gij zult hem vinden en van uwe ijdele benauwdheid verlost worden."
"Gij meent het, Peternelle? O, mocht gij u niet bedriegen! Ik ga, ik loop, ik zal het gansche kasteel en zijne omstreken doorzoeken, en roepen en schreeuwen.... maar, eilaas, ik vrees, dat het er weinig zal aan helpen. Arme jongen, arme jongen!"
En het hoofd met moedeloosheid schuddende, liep hij de deur uit.
De vrouw hernam haar huiswerk en schonk de koffie op, zij legde eenige eieren in een keteltje met ziedend water, en spreidde een ammelaken over de tafel.
Alhoewel zij zich sterkmoedig had getoond in het bestrijden der bijgeloovigheid van haren man, was zij evenwel niet zonder eenige ongerustheid. Zij had een kruis gemaakt en prevelde een stil gebed tusschen het gaan en keeren, om haren arbeid te verrichten.
"God zij geloofd, daar is mijnheer Willem!" riep zij eensklaps uit, den jongeling vroolijk toelachende.
"Goeden dag, Peternelle," zeide Willem. "Hoe verblijdt u mijne komst! Gij ziet er bekommerd en angstig uit?"
"Zit neder, mijnheer. Hebt gij wel geslapen?"
"Zeer wel, uiterst wel; ik was ook zoo vermoeid."
"En gij hebt niets gezien? Niets?"
"Wat zou ik gezien hebben, mijne lieve Peternelle?"
"Ach, mijn man heeft mij vervaard gemaakt, hij is naar uwe kamer gegaan, heeft het bed ledig gevonden en meende, dat u een schrikkelijk ongeluk moest overkomen zijn."
De jongeling haalde medelijdend de schouders op.
"Waar is Jakob?" vroeg hij.
"Hij is naar u gaan zoeken, op het kasteel, in de velden, in het bosch. Hij zal mij nog van benauwdheid doen sterven met zijne dwaasheden. Daar is uw ontbijt, mijnheer, denk niet meer aan onze gekke vrees."
De jongeling begon de koffie te nuttigen en at langzaam het brood en de eieren, die hem waren voorgezet. Zijn geest moest insgelijks door droeve overweging beneveld zijn, want hij onderbrak soms zijn ontbijt, zuchtte en schudde het hoofd met mismoed.
"Gij zijt treurig, mijn goede Willem," bemerkte de vrouw. "En gij zegt nogtans, dat gij wel hebt geslapen?"
"Ja Peternelle," was het antwoord, "ik ben treurig. Dezen morgen, toen ik wakker geworden was, kwamen allerlei pijnlijke gedachten mij bestormen. Ik heb mijne kamer verlaten om onder de opene lucht verkwikking te zoeken, achter het kasteel ligt er een groote boom, die, door den wind uitgerukt, over de gracht gevallen is. Langs daar geraakte ik in de bosschen. Die wandeling heeft mij weemoedig gemaakt.... Geloof gij insgelijks, Peternelle, dat mijn oom overmorgen zal sterven?"
"Eilaas, hij zal sterven!" zuchtte zij.
"En meent gij ook, gelijk Jakob, dat de duivel, of ik weet niet welke bovennatuurlijke oorzaak, daarmede bemoeid is?"
De oude vrouw schudde ontkennend het hoofd.
"Ha, gij gelooft het niet? Gij hebt een gezond verstand, gij Peternelle?" riep de jongeling. "Welnu, wat is uwe gedachte over de onbegrijpelijke ziekte mijns ooms?"
"Mijne gedachte is, dat onze arme meester, door het eeuwig studeeren en zoo gansch opgesloten te leven, zijne zinnen eenigszins heeft gekrenkt. Ik heb het altijd gevreesd, maar mijn man maakt mij zoo vervaard met zijne ijselijke droomen en zijne akelige vertelsels, dat ik zelve niet goed meer weet, of ik nog bij mijn volle verstand ben."
"Arme Peternelle, gij moet niet veel vermaak van uw leven gehad hebben op Wildenborg. Is hier nooit een geneesheer gekomen?"
"Mijnheer Reimond wil van geene dokters hooren spreken, en hij heeft gedreigd ons van Wildenborg te doen verhuizen, indien wij ooit eenen dokter op Wildenborg toelieten."
"Alzoo, Peternelle, gij zijt zeker, dat mijn arme oom gaat sterven, en gij hebt geene de minste hoop meer op de behoudenis zijns levens?"
"Eilaas, niet de minste. De pastoor van het dorp zegt het insgelijks, er is niets aan te doen!"
"Ha, de pastoor komt somwijlen op Wildenborg?"
"Hij komt er dikwijls, hij is de eenige mensch, die tot mijnheer Reimond mag naderen. Zij zijn goede vrienden. Zoohaast de arme menschen in het dorp nood hebben, komt de pastoor op Wildenborg, en onze meester schenkt hem telkens eene milde, zeer milde aalmoes. Ook voor de kerk is mijnheer Reimond vrijgevig, hij heeft eene aanzienlijke somme gelds geschonken, om eenen kelk en een groot kruis van louter zilver te doen maken. Die kostelijke juweelen versieren op de hoogtijden het autaar, en, wees zeker, er is in twintig uren in het rond niets rijkers of schooners te zien."
"Zonderling!" mompelde Willem, "en uw man gelooft, dat zulk godvruchtig en goedhartig mensch betrekkingen heeft met den duivel!"
"Mijn man is een sukkelaar," antwoordde Peternelle. "Hij was zoo van zijne kindsche dagen af, hij droomt van niets dan van spoken en geesten. Vroeger lachte ik daarmede, en zijne dwaze vertelsels ontstelden mij niet, maar nu word ik oud en vreesachtig, mijn goede Willem. Evenwel, indien gij hier bleeft, zou uw gezelschap mij den verloren moed teruggeven, ik ben er zeker van, ik gevoel mij reeds verjongd en geheel veranderd, sedert gij hier zijt."
Na een oogenblik overweging zeide Willem:
"De pastoor meent insgelijks, dat mijn oom overmorgen zal sterven? Het is niet mogelijk. Dat hij ziek is, dit kan men niet miskennen, maar of hij niet maanden lang nog zal leven, wie zou dit kunnen verzekeren?"
"Het is gemakkelijk te begrijpen," antwoordde de oude vrouw. "Hij is niet ziek, maar hij laat zich zelven sterven van honger."
"Zoo! wat zegt gij daar, Peternelle?"
"De waarheid, zeg ik, Willem. Sedert zes maanden, dat mijnheer zich ingebeeld heeft, dat hij het uur zijns doods kent, is hij begonnen met minder en minder voedsel te nemen. Deze laatste vijftien dagen gebruikte hij niet genoeg om eenen vogel in het leven te houden."
"Maar dit is niet voldoende, om hem juist op een voorzegd oogenblik te doen sterven."
"En het hoofd dan, Willem?"
"Ja, Peternelle," zuchtte de jongeling, "het hoofd, de verbeelding. Zou er dan geen hulpmiddel overblijven?"
"Ik denk het niet: de pastoor zegt, dat wij met verduldigheid ons aan de besluiten van God moeten onderwerpen."
Willem zweeg eene wijl en scheen door de treurnis gansch overmeesterd.
Daar stormde de oude Jakob in de kamer, en vloog met tranen van blijdschap den jongeling aan den hals.
"Den hemel zij dank!" juichte hij. "Ditmaal ten minste heb ik mij bedrogen! Ho, het ware toch te schrikkelijk geweest. Willem, Willem, gij zijt nog levend? Ik voel mij schier bezwijken van blijdschap!"
"Wel, wel, mijn goede Jakob, in uwe eenvoudigheid hebt gij gaan denken, dat de duivel...."
Maar de hovenier onderbrak zijne woorden en zeide met haast:
"Neen, neen, spreken wij daar nu niet van. Het is reeds een kwart uurs geleden, dat Nox mij in den hof is komen zeggen, dat uw oom op u wacht. Ga spoedig naar het kasteel, hij zou verstoord kunnen zijn."
De jongeling, die niet zonder vreugde aan de dwaasheden van den hovenier ontsnapte, ging ter kamer uit en bevond zich eenige oogenblikken daarna in tegenwoordigheid van zijnen oom. Deze, na eenen hartelijken morgengroet, zocht hem aan zich bij de tafel neder te zetten, legde de hand op het doodshoofd en sprak op ernstigen toon:
"Mijn vriend, ik heb schier den ganschen nacht doorgebracht met den geest over u en over uwe toekomst te raadplegen. Uwe ziel is voor alsnu nog niet sterk genoeg om onmiddellijk in gemeenschap met de wereld der geesten te komen. Wij zullen dus niet nutteloos de proefneming van gisteren voortzetten, maar beloof mij, dat gij, na mijnen overgang tot een ander leven, nieuwe en herhaalde pogingen zult inspannen, om den geest, die in het doodshoofd woont, te zien en te hooren. Gij antwoordt niet, Willem? Weigert gij mij deze belofte?"
"O neen, oom lief, ik zal het pogen, zelfs zonder hoop," stamelde de jongeling.
"De hoop en de overtuiging zullen komen, vriend. Ik zal u het doodshoofd tot erfdeel nalaten. Het is een kostelijker voorwerp dan mijn fortuin. Nu wil ik u onderhouden over eene verrassende openbaring, welke de geest mij dezen nacht heeft gedaan. Willem, om gelukkig te zijn op aarde en uwe ziel vooruit te helpen in den weg naar de volmaaktheid, moet gij zonder uitstel trouwen."
"Trouwen?" herhaalde de jongeling met verbaasdheid.
"Deze gedachte verschrikt u, vriend?"
"Ho, neen, heer oom, maar om te trouwen is er eene bruid noodig, en gij zult bekennen, dat de keus geene onverschillige zaak is?"