De Ziekte der Verbeelding

Chapter 4

Chapter 43,797 wordsPublic domain

Mijnheer Reimond schoof zijnen stoel nader en begon dus op langzamen, plechtigen toon:

"Ziehier wat de geesten leeren. Voordat onze wereld bestond, zag God--het eenig eeuwig, geheel zuiver, volmaakt en almachtig wezen--dat de onmeetbare ruimte van het heelal ijdel was. Hij schiep de engelen--en Hij schiep ze in onnoembaar getal--om die ledigheid te vervullen, der ruimte leven te geven en Hem in zijne majesteit te loven en te dienen. De engelen waren betrekkelijk zuivere geesten; maar geheel volmaakt waren ze niet, anders zou elk hunner zooveel zijn geweest als God zelf, die alleen volmaakt kan zijn. Het gebeurde, dat een dier geesten, Lucifer geheeten, door den hoogmoed verleid, met honderden millioenen zijner gezellen tegen den eenigen God wilde opstaan; maar zijne vermetelheid ontving eene verschrikkelijke en verdiende straf. Hij werd nedergebliksemd en veroordeeld om eeuwiglijk van het aanschijn des Heeren verwijderd te blijven en zonder einde in duisternis te treuren en te lijden. Dan wilde God de opengevallene plaatsen in de scharen zijner trouwgeblevene dienaars aanvullen; maar Hij zou rondom zijnen troon geene andere dan beproefde geesten toelaten. Daarom schiep Hij den mensch. De mensch is een onvolmaakte engel, die door de bekoring en de overwinning, door het lijden en den moed, door de worsteling en de sterkte, in éen woord door arbeiden en door strijden, tot de volstrekte macht en zuiverheid moet geraken, ten minste voor zooveel een geschapen wezen zuiver en machtig kan zijn naast God.... Begrijpt gij dit, mijn vriend?"

"Ho, zeer wel, oom lief," antwoordde de jongeling, die met verbaasdheid luisterde.

"Welnu, God schiep ook de aarde en de gansche wereld, met hare kruiden en dieren, met hare schoonheden en hare gebreken, met hare verlokkingen, haar geluk, hare rampen, hare vreugde, haar verdriet, hare vijandschap, hare liefde, omdat de mensch tusschen al deze tegenstrijdigheden zou te worstelen hebben, en zijne zedelijke natuur door opvolgende overwinningen zou beproefd en gelouterd worden.... Hier is nu de reden van het bestaan der geesten: het lichaam des menschen is slechts aarde, een stoffelijke vorm, die den waren mensch, dat is te zeggen de ziel, den geest omkleedt. Anders kon hij toch zijne bestemming niet vervullen; want een ongevleesde geest heeft geene zintuigen en kan met de stof niet in aanraking komen of van de stof eenige aanvechting onderstaan. Diensvolgens, om te kunnen lijden en worstelen, moest de ziel des menschen in eenen aardelijken vorm gewikkeld worden, ten einde bij middel der stof in aanraking met de stof te komen en haar zelfs gedeeltelijk onderworpen te worden. Dit zegt u ook, dat evenwel de eigenlijke mensch in de ziel bestaat en hij zijn lichaam kan verliezen, zonder dat hij ophoudt te wezen.--Vat gij deze redeneering, neef?"

"Zij wordt mij wel iets of wat duister, heer oom," mompelde de jongeling.

"Ik zal pogen duidelijker te zijn, Willem. Op de volgende wijze verklaart de geest de bestemming van den mensen voor de eeuwigheid. Al de menschelijke zielen werden bij duizenden millioenen en op hetzelfde oogenblik geschapen, maar zij kregen niet altezamen een stoffelijk omkleedsel. De eerste, die de proeve op aarde onderstond, was Adam, en opvolgend na hem, tot den dag van heden, een onnoembaar getal anderen. Een mensch leeft meer dan één leven, er zijn er wel, die honderdmaal reeds de beproeving opnieuw hebben begonnen en bij gebrek aan kracht, aan deugd en aan voortgang, nog veel malen zullen te herleven hebben. Vooronderstel, dat vele honderdduizenden menschen op een jaar sterven. Waar meent gij, dat hunne zielen gaan?"

"De godsdienst laat daarover geenen twijfel," bemerkte de jongeling.

"Inderdaad niet," antwoordde mijnheer Reimond. "Op het einde zal het zijn, zooals de godsdienst ons leert, maar in afwachting van het vergaan der wereld?"

"Zulke dingen zijn moeielijk om te begrijpen," mompelde Willem, die niet meer wist wat te antwoorden.

"Inderdaad, maar gij zult ze eindelijk wel doorgronden," hernam de oom op aanmoedigenden toon. "Zijn er tusschen die honderdduizenden zielen eenige, welke de noodige zuiverheid hebben bereikt, deze worden opgenomen in den hemel, en elk hunner krijgt de plaats van eenen der afgevallene engelen. De andere nog onvolmaakte zielen gaan in de ruimte, en moeten daar wachten, totdat het God believe hun eene nieuwe proeve, dit is een nieuw leven op aarde, toe te staan. Al deze zielen, al deze geesten zonder stoffelijk lichaam bevolken de lucht, waarin zij zich, wanneer zij willen, met de snelheid des bliksems bewegen, maar zij blijven nog liefst in de streken, welke zij als mensch hebben bewoond, en in de nabijheid hunner vrienden, hunner ouders of hunner kinderen. Bij voorbeeld, terwijl ik hier met u spreek, omringen ons wel twintig geesten. Onder hen herken ik mijnen vader en den uwen, mijne vrouw en uwe moeder, die ons beluisteren en zich verblijden in de hoop, dat gij de geheimzinnige, de bovennatuurlijke kracht zult aanwinnen om hen te zien en met hen te spreken."

Eene siddering scheen den jongeling aan te grijpen. Het gepeins, dat zijne afgestorvene ouders naast hem stonden en hem zagen, deed eenen gansch vreemden indruk op hem. Het was, alsof het hem benauwd om het harte werd, en een lang opgehouden zucht ontsnapte zijner borst.

"Wees niet vervaard, mijn vriend," zeide zijn oom, "deze onstoffelijke zielen zijn hinderloos, en het is hun niet toegelaten, kwaad te doen aan de zielen, die in vleeschelijken vorm lijden en strijden op aarde. Weet nu verder, dat sommige menschen, die door opvolgende beproevingen en door het innig betrachten van deugd en wetenschap tot eenen verren graad van zuiverheid gevorderd zijn, het vermogen hebben om in gemeenschap te komen met de wachtende zielen, die de ruimte vervullen, anders gezegd, die de eigenschap bezitten, om de onstoffelijke geesten op te roepen en ze te dwingen tot mededeeling van hetgeen zij weten. De geest, die in dit doodshoofd woont, heeft reeds dertigmaal geleefd. Hij nadert tot de vereischte zuiverheid en weet daarom dingen te openbaren, waarvan min gevorderde zielen geene kennis hebben. Dit alles is toch wel bevattelijk voor uw verstand, niet waar?"

"Het is verrassend en wonderlijk," antwoordde Willem, "maar volgens u zouden alle menschen zonder uitzondering engelen worden en ten hemel gaan? Dit strijdt met den godsdienst en met het geweten, die ons leeren, dat er belooning of straf zal zijn na dit leven."

"Deze strijdigheid bestaat slechts in schijn, mijn vriend, het zal waarlijk op het einde geschieden zooals ons wordt geleerd. Nadat honderden millioenen gezuiverde zielen ten hemel gevaren zijn, en zoohaast ook de laatste plaats der gevallen engelen vervuld is, zal God de wereld doen vergaan, en de zielen, welke alsdan ondanks de vele beproevingen nog onzuiver, boos en zondig zijn gebleven, zullen neergebliksemd worden, om in de eeuwige duisternis en in het gezelschap der duivelen te boeten en te lijden."

Nox, die sedert eenigen tijd rondom den stoel van den jongeling snuffelend dwaalde, sprong nu met zijne voorste pooten op zijne knie en woelde met den snuit tegen de borst van zijne frak, als rook hij daar iets bijzonders.

"Nox, hier, stil!" sprak mijnheer Reimond op bevelenden toon.

Het beest verliet den verbaasden Willem en kroop tot voor de voeten zijns meesters.

"Gij hebt vleesch in uwen zak, mijn neef?"

"In het geheel niet," stamelde de jongeling, eenige papieren uittrekkende.

"Ha, ik zie wat het is!" riep mijnheer Reimond met eenen glimlach. "Gij hebt daar den brief, dien ik u toezond. De hond heeft hem reeds eenmaal in den muil gehad, en hij herkent hem aan den reuk."

"Wat wonderlijk beest!" zuchtte Willem. "Ik begrijp, dat de hovenier er van vervaard is. Men zou haast gaan gelooven, dat Nox een menschelijk verstand heeft. Toen hij mij kwam roepen, scheen hij te willen spreken!"

"Het is een arm dier, dat mij verkleefd en dankbaar blijft, omdat ik het eens te hulp kwam, toen het zich in gevaar des levens achtte," zeide mijnheer Reimond. "Wat den ouden Jakob betreft, hij is een goed man en een trouw hart, maar zijn moed en zijn verstand zijn niet groot. In zijne eenvoudigheid droomt hij van niets dan van schrikkelijke dingen, en zoohaast hij iets ziet dat hij niet kan begrijpen, meent hij, dat bovennatuurlijke oorzaken in het spel zijn. Wat wonders is daaraan, dat Nox geleerd heeft den hovenier te gaan roepen, vermits hij nooit eten krijgt dan wanneer ik Jakob doe komen? De eenzaamheid en de eeuwige stilte hebben misschien iets bijgebracht om de natuur van het arme dier te wijzigen. Misschien woont in hem eene ziel, die gereed is om tot eene hoogere en gelukkige proef over te gaan,--maar dit kan ik in alle geval niet verzekeren."

"Eene ziel in den hond? Eene menschelijke ziel?" mompelde Willem met eenen glimlach van ongeloof.

"Waarom niet?" was het antwoord. "Indien God het zoo wil, om wederspannige of geheel ondeugende zielen te straffen of ze aan eene zware proef te onderwerpen? Er zijn trotsche dwingelanden, die in ezels overgaan, opdat zij onder den stok van den drijver zouden worden verootmoedigd, hoovaardige vrouwen, die padden worden en onder dezen verachten vorm gedurende een gansch leven in het slijk wroetelen, oorlogshelden, welke om roem te behalen stroomen bloeds vergoten, die haas worden, opdat de eeuwige vrees hunnen wreeden overmoed stille, en het lood der jagers ook hun bloed doe vlieten, maar niet in alle dieren wonen menschelijke zielen, en het is den geesten niet veroorloofd daarover eenige bepaalde openbaringen te doen.... Nu, mijn goede Willem, heb ik u gezegd wat ik noodig acht om u een klaar denkbeeld van de geestenwereld te laten opvatten. Is u nog iets duister, zeg het, ik zal u meer uitlegging geven, indien gij het verlangt."

"Neen, oom lief, ik weet genoeg," antwoordde de jongeling met eene stem, die van vermoeidheid en treurnis getuigde.

"Des te beter, mijn neef; dan kunnen wij seffens beginnen met de eindelijke proef, waartoe mijne woorden u hebben voorbereid," zeide mijnheer Reimond opstaande "Ha, Willem, mijn vriend, misschien zult gij, vóórdat een uur verloopen zij, reeds in gemeenschap zijn met de wereld der zielen. Mocht dit gelukken, ik zou God zegenen voor die hooge weldaad, aan u en aan mij bewezen! Kom hier, zet u op dezen stoel voor het doodshoofd, ik zal u leeren, hoe gij den geest, die er in woont, moet pogen te zien en te hooren."

"O, ik bid u, heer oom, ontsla mij van deze proefneming!" smeekte Willem. "Ik weet niet, mijne ziel is waarschijnlijk nog niet zuiver genoeg; het is, als boezemde deze verborgene wetenschap mij schrik en afkeer in. Wees zeker, al duurden uwe pogingen eenen ganschen dag, ik zou den geest niet zien."

"Gij gelooft zulks?" hernam de oom. "Ongetwijfeld bedriegt gij u. Deze afkeer is natuurljjk. In stoffelijke gedaante schrikt de mensch van alle geheimzinnigheid; maar gij moet die vrees overwinnen en, met vasten moed en met volledig vertrouwen, u leenen tot de onschatbare les, welke ik u wil geven. Zoohaast gij den geest ziet, zoohaast gij zijne taal verstaat, zult gij juichend en dankend mij in de armen vliegen. Ha, er is op aarde geen grooter geluk dan deze wetenschap, die ons bestaan verbreedt tot de uiterste palen van het heelal. Nu, zit hier voor het doodshoofd."

"Maar, oom lief, indien gij de goedheid hadt, mij ten minste voor heden te verontschuldigen!"

"Zeker niet, Willem; het is uwe stoffelijke natuur, die worstelt om de bovenhand te behouden. Zij moet bevochten en overwonnen worden: het ware eene lafheid dus toe te geven aan hare zelfzucht. Gij weigert? Zou ik mij misgrepen hebben? Zal ik de smart onderstaan, in u, mijnen neef, eene verachterde en nog zeer zwakke ziel te moeten herkennen?"

De jongeling bemerkte, dat zijn tegenstand het hart zijns ooms met droefheid vervulde. Uit eerbied, uit toegevendheid voor hem, besloot hij zich lijdzaam te leenen tot al wat hij van hem kon eischen. Hij stond op, zette zich voor hot doodshoofd en zeide:

"Gij hebt ongelijk, heer oom, aan mijnen moed of aan mijnen goeden wil te twijfelen. Ik ben zeker, of ten minste ik geloof mij zeker, dat ik den geest niet zal zien; maar vermits gij er anders over denkt, welaan, ik ben bereid. Wat moet ik doen?"

"Het zal gaan, gij kent u zelven niet, Willem!" riep mijnheer Reimond met blijdschap. "Heb vertrouwen; gij zult niet alleenlijk de erfgenaam mijner stoffelijke goederen zijn, maar tevens de erfgenaam van het zedelijk vermogen mijner ziel! Schuif uwen stoel bij de tafel,--zet u op uw gemak,--leg de rechterhand op het doodshoofd,--zie nu in zijne holle oogen, diep zeer diep, en tracht aldus uwen blik beweegloos te houden, op zulke wijze, dat niets meer van de dingen, die in deze kamer zijn, uw gezicht verstrooie of store. Doordring u zelven nu van de gedachte, dat gij eenen geest wilt zien, eenen geest in menschelijke gedaante; want in eenen anderen vorm kunnen zij zich voor onze stoffelijke oogen niet openbaren. Willen en blijven willen, overtuigd zijn en gelooven, niet verzwakken, standvastig en onverwinnelijk willen, is hier de tooverroede, die de wereld der zielen voor uw aangezicht moet ontsluiten. Poog diensvolgens uwen geest in zulke spanning te brengen, dat hij door dit zelf magnetismus om zoo te zeggen uw lichaam verlate en zich vermenge met de onstoffelijke wezens, die de lucht vervullen. Zoo is het wel; verroer u niet meer, blijf zwijgend en, wat er ook geschiede, keer uw gezicht niet van het doodshoofd af, noch uw gepeins noch uwen wil van het doel dezer proeve. Stil nu!"

De jongeling beschouwde deze proefneming om geesten op te wekken als eene beklaaglijke zinneloosheid van zijnen oom. Evenwel, om zijnen zieken weldoener niet te bedroeven, volbracht hij nauwkeurig zijne begeerte en had letterlijk de hem gegevene les gevolgd. Hij zat beweegloos als een steenen beeld en hield de oogen zoo vast in de holle oogen van den schedel gevestigd, dat zijn gezicht er van schemerde en hij er duizelig van werd.

Hij behield echter zijn geduld, want hij hoopte, dat zijn oom zelf welhaast deze nuttelooze poging moede zou worden en hem er van zou ontslaan. Dan hij bedroog zich grootelijks: er verliep wel een half uur zonder dat mijnheer Reimond teeken van leven gaf; integendeel, hij scheen zijnen adem op te houden om zijnen neef niet te storen en zijne aandacht van het nagejaagde doel af te trekken.

Wat Willem betreft, deze verveelde zich onzeglijk; alles scheen voor zijn verduisterd gezicht te draaien, en het zweet stond in parelen op zijn voorhoofd. Hij gevoelde, dat hij het niet langer volhouden kon, en vroeg zich zelven juist, of hij dit pijnlijk spel niet beslissend zou onderbreken,--toen zijn oom met verdoofde stem aan zijn oor suisde:

"Keer den blik niet af, Willem; gij zult gelukken: ik heb op uw gelaat de teekens gevolgd, die van de immer aangroeiende uitzetting uwer ziel getuigen. Nog een half uur geduld, en de groote geheimenis zal zich voor u ontsluieren."

"Nog een half uur, o hemel!" zuchtte Willem verschrikt.

"Zwijg, blijf standvastig, ik bezweer u, vriend, indien gij eenige liefde, eenige dankbaarheid voor mij hebt, laat uwen moed in dit opperst oogenblik niet verzwakken. Niet waar, gij ziet in de diepte van het doodshoofd nevelachtige wolkjes, die bewegen en schijnen te zwoegen om eene bepaalde gedaante aan te nemen?"

"Ik zie wolkjes die vlotten, witte ringen die draaien, vonken die glinsteren, en alle soorten van zonderling duizelige dingen," stamelde Willem.

"Ha, dit is het! Uwe ziel begint ziende te worden. Geduld, geduld, de proeve voortgezet met onwrikbaar vertrouwen. Stil nu, geen woord, geen ander gepeins meer dan het doel alleen!"

Gedurende nog een geheel kwart uurs hield Willem het vol; maar dan gevoelde hij, dat een onweerstaanbare slaaplust hem allengs overviel. Hij geeuwde nu en dan, doch poogde deze teekens der verveling door het geweldig sluiten van den mond te verbergen. Eindelijk kon hij de koortsige trekkingen zijner zenuwen niet meer bedwingen; geeuwde met wijdgeopenden mond, en zijn opgehouden adem welde tegen zijnen wil met een pijnlijk geluid uit zijne borst op.

"O, oom lief, heb medelijden met mij!" zuchtte hij, het hoofd afkeerende. "Ik val in slaap; reeds heb ik geene bewustheid meer van hetgeen ik doe."

"Nog wat moed, nog wat geduld, vriend; wij raken misschien het doel!"

"Neen, neen, nog ééne minuut en ik stort met het hoofd op de tafel, om morgen eerst te ontwaken! Het is mijne schuld niet, heer oom. Ik ben onzeglijk vermoeid van den gansenen dag te hebben gereisd. Gij ziet wel, dat, niettegenstaande zulke afgematheid, de goede wil mij niet heeft ontbroken."

"Inderdaad. Gij waart reeds verre gevorderd nogtans! Maar het zij zoo; men bekomt deze onschatbare wetenschap zoo niet in eens. Wanhoop niet, Willem; wij zullen morgen met meer geluk waarschijnlijk de proeve hernemen. Schei uit nu: het is genoeg voor heden. Daarenboven, het zal haast avond worden, en het uur der eenzaamheid nadert voor mij. Wat u betreft, gij snakt naar rust. Ik heb in het achterste gedeelte van het kasteel eene kamer voor u doen bereiden. Jakob Mispels, de hovenier, zal u dienen; hij heeft last om u alles te bezorgen wat u noodig is, en verlangt gij iets, dat zich niet op Wildenborg bevindt, Jakob zal naar het dorp gaan om het te halen. Gedurende den nacht zal ik den geest van het doodshoofd over u raadplegen; hij zal mij misschien openbaren, hoe gij onmiddellijk tot de gemeenschap der zielen kunt geraken. Heb goeden moed en slaap gerust. Tot morgen, mijn vriend!"

Hij reikte de hand tot zijnen neef. Deze sprak op den toon van diep medelijden en van smart:

"Alzoo, mijn goede oom, gij blijft bij de schrikkelijke gedachte, dat gij binnen weinige dagen zult sterven?"

"Eene gedachte, Willem? Het is eene volstrekte zekerheid."

"Maar indien gij wenschtet te leven?"

"Het zou er niets aan doen. Daarenboven, mijn jongen, ik snak vurig naar den dood."

"Onbegrijpelijk!" zuchtte Willem met moedeloosheid.

"Wat is daar onbegrijpelijks in?" hernam de oom met eenen glimlach. "Elke maal dat een mensch na een tamelijk goed leven sterft, doet hij eenen stap vooruit naar de eindelijke volmaaktheid, die hem met eene plaats bij God de eeuwige zaligheid moet geven. Wanneer men op reis is naar het grootste geluk, verlangt men dan tot langen stilstand gedwongen te zijn? Treur niet over mijnen onfeilbaren dood; gij ziet wel, dat ik noch verschrikt, noch weemoedig ben."

De jongeling erkende, dat er niet tegen dit ingeworteld denkbeeld van zijnen oom te worstelen was. Hij murmelde een goedennacht en meende de zaal te verlaten; maar mijnheer Reimond hield hem terug en zeide:

"Ik heb den ganschen dag over eene moeielijke zaak nagedacht. Willem, gij hebt eene verre nicht, die de andere helft mijner goederen moet erven. Ik wensch, dat Wildenburg met zijne aanklevende bosschen, weiden en landerijen onverdeeld blijve; het is een vaderlijk erfgoed. Mijn inzicht is, Wildenborg in uw deel te plaatsen; maar dewijl ik verlang, dat het als onverkoopbaar en onverdeelbaar beschouwd worde, zou daardoor de waarde van uw deel verminderd zijn. Ik zal het middel zoeken om u eene schadeloosstelling te verzekeren; wij zullen morgen daarover spreken. Ik zal u vroeg doen roepen. Ga nu, en slaap wel."

Willem murmelde eene groetenis en verliet de zaal.

Toen hij zich onder den blauwen hemel bevond, ontsnapte hem een lange zucht, als viele er een gewicht van zijn hart. In stede van naar het hoveniershuisje te gaan, trad hij, door den nood aan eenzame overweging gedreven, in het groene prieel en zette zich op de bank neder. Hij vouwde de armen op de borst, staarde ten gronde en bleef dus zeer lang in diepe gepeinzen verzonken.

Eindelijk hief hij het hoofd op en mompelde met eene uitdrukking van verbaasdheid:

"Wat geschiedt mij? Daar zit ik te droomen aan de mogelijkheid der wonderlijke dingen, die mijn oom mij heeft verteld! Wat is de geest des menschen toch zwak, en hoe machtig is op hem de indruk der bovennatuurlijke geheimenissen! Zoo een gansch uur in de holle oogen van een doodshoofd staren, het betoovert en maakt de hersenen duizelig. Arme oom, hij is zeer ziek, zijne verbeelding is verdwaald. Er is, eilaas, niets aan te doen. Wat ben ik moede! Eten wij metterhaast een beetje, en zoeken wij troost en verkwikking in de rust."

Hij verliet het priëel en richtte zijne stappen naar de woning des hoveniers. Zijn geest was beneveld en zijn hart weemoedig. Hij vond Jakob Mispels en zijne vrouw druk bezig bij den haard met de bereiding van zijn avondmaal; er lag reeds een wit ammelaken over de tafel gespreid.

De hovenier, zoohaast hij den groet des jongelings hoorde, kwam hem te gemoet geloopen, greep zijne hand en vroeg met koortsige nieuwsgierigheid:

"Welnu, welnu? Hoe is het afgeloopen? Heeft uw oom u goed onthaald? Is hij tevreden over u?"

"Ik vermeen het te mogen denken," was het antwoord.

"Heeft hij u van zijnen dood, van zijnen schrikkelijken dood gesproken?"

"Ja, meer dan ik verlangde."

"Hoe? Hij zou u gezegd hebben, dat de duivel....?"

"Laat mij gerust met die gekheden, Jakob," morde Willem ontevreden. "Mijn arme oom verbeeldt zich, dat hij gaat sterven, dit is alles."

"Zoo, gij meent het? Gij twijfelt aan de waarheid van hetgeen ik u heb gezegd?"

"Geloof hem niet, Willem," viel Peternelle haren man in de rede. "Al wat hij vertelt, zijn dwaasheden. Men zou welhaast gaan meenen, dat hij kindsch wordt."

"Ik kindsch?" grommelde Jakob dreigend. "Ik zal u straks over die beleediging spreken!"

"Mijn oom is ziek, ziek in het hoofd," zuchtte de jongeling. "En er blijft weinig hoop op genezing!"

"Ziek in het hoofd? Zot, wilt gij zeggen? De pastoor schijnt zulks ook te denken; maar het is niet waar: mijn meester heeft te veel verstand en te veel geleerdheid, ziedaar de eenige oorzaak van zijn ongelukkig lot."

Ondertusschen had de vrouw de spijzen opgediend.

"Mijnheer Willem," zeide zij, "gelief u daar bij de tafel te zetten. Ik heb gedaan wat in mijne macht was om u een goed avondmaal te bereiden. De reis zal u eetlust gegeven hebben. Moge de keuken der oude Peternelle u bevallen!"

Met betuigingen van dankbaarheid begon Willem de hem voorgediende spijzen te nuttigen.

Jakob was reeds bezig met opnieuw van zijnen meester en van den duivel te spreken.

"Maar, om Gods wil, zwijg toch een beetje en laat mijnheer gerust, terwijl hij eet!" zeide zijne vrouw.

"Wat heeft een mensch van zwijgen?" wedersprak de hovenier. "Als men eet, kan men des te beter luisteren. Gij denkt zeker, dat ik mijnheer Willem, het kind, dat ik op de armen heb gedragen, in eene dwaalgedachte zal laten, als ik de mogelijkheid zie om hem van de waarheid te overtuigen? Gij gelooft, Willem, dat mijn meester geene betrekkingen heeft met den zwarten man? Gij hebt dus geene acht op Nox gegeven, en u is het niet klaarblijkend geworden, dat Nox niets anders is dan een geest, een _Mistoffel_, die hem bewaakt?"

"Nox is een hond gelijk alle andere honden," bemerkte de jongeling.