De Ziekte der Verbeelding

Chapter 3

Chapter 34,019 wordsPublic domain

"Welnu, de ongelukkige pachter moest evenwel eene schuur hebben om zijnen oogst te bergen, en de puinen rookten nog, en de vier naakte muren stonden te waggelen in den wind. De hopelooze man wandelde des avonds op zijn veld, met het treurig oog op de korenschoven. Daar zag hij eensklaps eenen heer naderen met eenen zwarten mantel. En deze, na hem de reden zijner bedruktheid te hebben gevraagd, zeide hem, dat hij hem eene gansch nieuwe schuur zou bouwen vooraleer de haan zou kraaien, op voorwaarde dat hij zijnen naam op een papier zou zetten, dat de zwarte heer hem aanbood. Het accoord werd gesloten. Maar de man, die rouwkoop had over zijne goddelooze daad, vertelde aan zijne vrouw wat hem was wedervaren. Beiden begonnon te weenen en te bidden. Zij zagen in den nacht kareel steenen uit den grond komen en op elkander gaan liggen, alsof zij door menschenhanden werden gemetseld; maar de arbeiders, die natuurlijk duivels waren, konden zij niet zien. Het dak lag reeds op de nieuwe schuur; slechts een eind muur in het bovenste van den gevel ontbrak er nog. In haar vurig gebed kreeg de vrouw eene reddende gedachte; zij vatte de lamp en liep naar het kiekenhok. Als de haan die plotselijke klaarte zag, meende hij, dat het dag werd, en kraaide. Daarop kwam er een schok, alsof de aarde beefde; er vloog een schrikkelijk gehuil door de lucht, en voor de voeten der vrouw viel het geschrift, waarop haar man had geteekend. De duivel was overwonnen, omdat hij de schuur niet volbouwd had voordat de haan kraaide, zooals het accoord luidde; en de pachter was aan de hel ontsnapt. En tot teeken der waarheid, Willem, ga naar Boterhoek; gij zult er in den gevel der schuur nog een gat zien, dat niet met menschenhanden te stoppen is. Gelooft gij deze geschiedenis niet?"

"Indien gij mij vermaak wilt doen, spreek mij dan om Gods wil van mijnen oom!" antwoordde de jongeling, zichtbaar ontevreden. "Op zulke wijze zou ik op 't einde der week niets meer weten dan nu. Hoe zijt gij toch, of hoe is hij tot zulke onbegrijpelijke dwaalgedachte geraakt?"

"Ha, dit is eene nog veel langere geschiedenis."

"Het is mij gelijk; indien gij slechts van mijnen oom spreekt, zal ik u met voldoening aanhooren."

"Inderdaad, gij weet niet veel van uwen oom; gij waart nog te jong. Welnu, onderbreek mijne rede niet door ongeloovige bemerkingen: het zal te sneller gaan. Ziet gij, Willem, ik was reeds hovenier op Wildenborg, toen mijnheer Reimond werd geboren, ik heb hem op mijne armen gedragen en, om zoo te zeggen, hem leeren loopen en leeren spreken. Ik weet niet om welke reden zijn vader in 1820 het buitenleven moede werd. Wat er van zij, wij verlieten Wildenborg en gingen altezamen naar Brussel wonen. De kleine Karel, uw oom, was een goed en godvruchtig kind, en leerzaam, het is niet om te zeggen. Voordat hij veertien jaar was, kende hij reeds Fransch en Latijn en Engelsch ook al, geloof ik. Maar die groote geleerdheid heeft hem van het goede spoor geleid, en hem aangedreven om boeken te lezen, die een Christenmensch nimmer zou mogen openslaan. Hij was toen ook bezig met een _machien_ om bliksem te maken, hij noemde dit eene _ektristeit_, en hij had eene tooverkas; eene _fasmogrie_, om in den donker spoken te doen komen."

"De _electriciteit_, de _phantasmagorie_ wilt gij zeggen?"

"Ja, juist zoo. Kent gij die leelijke dingen ook, Willem?.... Welnu, Karel, die alsdan wel twintig jaar geworden was, studeerde nacht en dag. Waarop? Dit scheen niemand te weten, maar, onder ons gezegd, de arme jongen wilde leeren tooveren! Na eenige jaren kreeg hij eene groote neiging voor eene juffrouw uit onze buurt; hij scheen zijne groote boeken en zijne _fasmogrie_ te vergeten, en trouwde. Ongelukkiglijk stierf zijne vrouw, voordat het eerste jaar huns huwelijks ten einde was. Mijnheer Karel was ontroostbaar en wanhopig; hij liep maanden lang met het hoofd in den grond, en, eilaas, de wanhoop bracht hem allengs terug naar zijne boeken en zijne beklaaglijke studiën. Hij verloor zijne goede ouders in weinige jaren. Dit deed hem nog meer in droeve gedachten verdwalen en gaf hem eene wonderlijke neiging om alleen te zijn en zwijgend te blijven. Het duurde zoo, totdat hij ergens eenen vriend vond, die ook met _Nekkermancie_[1] omging. Wat er dan in ons huis gebeurde, weet ik niet goed uit te leggen, alhoewel ik er des nachts niet kon van slapen. Er kwamen heeren en dames; die gingen, zoo stom als spoken, op stoelen rondom eene vrouw zitten; een der heeren, somwijlen mijn meester zelf, begon met de handen voor de oogen der vrouw te wemelen, zoolang totdat het hoofd haar op de borst zakte en zij in slaap viel. Dan kon die vrouw, al slapende, door muren en huizen zien, toekomende dingen voorspellen en zeggen wat er in Amerika of in Afrika geschiedde.... maar, wees zeker, Willem, het was de duivel, die sprak. Zij noemden dit goddeloos vermaak _mangenetism_ en de vrouw een _sujekt_. Ondanks mijnen afschrik, heeft mijn meester mij eens gedwongen voor hem te zitten, en mij in slaap getooverd. Het schijnt, dat de zwarte man door mijnen mond niet wilde spreken of dat mijn goede engel hem belette in mij te komen. Maar wat zeker is, men moest mij een half uur lang slaan en sleuren en mij koud water in het aangezicht smijten, zoo vast was ik ingeslapen. Toen ik eindelijk wakker werd, noemde mijn meester mij een slecht sujekt; maar dit is...."

"Jakob, gij loopt weder van de baan; ik bid u, spreek van mijnen oom!" onderbrak de jongeling.

"Ha, ja, gij hebt gelijk. Spreken is toch een groot vermaak, niet waar, Willem? Welnu, om het kort te maken, mijn meester hield zich nog met andere dingen bezig. Bij voorbeeld hij had eenen doodskop, geenen houten of steenen kop, eenen waarachtigen kop van een mensch, die op het kerkhof had gelegen! Daar waren van boven blauwe, roode en gele strepen op geschilderd; en daarmede, als zij u de handen op het hoofd legden, konden zij zeggen of gij eerlijk man of dief, oprecht of leugenaar, moordenaar, gierigaard, goed Christen of ketter waart, al hadden zij u nooit te voren gekend of gezien. Op mijnen kop vonden zij de builen van de spreekzucht en van den lust tot goed eten. Indien de duivel daar ook al tusschen was, moet ik bekennen, dat hij ditmaal de waarheid had gezegd; want wat zou toch een eenvoudig man als ik van het leven hebben, als hij niet...."

"Van mijnen oom, ik smeek u!" zuchtte de jongeling, met de voeten in het zand woelende.

"Gij hebt gelijk, mij tegen te houden, Willem," zeide de hovenier. "Die kunst noemen zij de _Fernolgie_[2]. Later bedreven zij nogal leelijker dingen. Zij deden hoeden en tafels van zelf draaien en op één of twee pooten rechtstaan; zij deden er eenen geest inkomen en dwongen den zwarten man door geheimzinnig kloppen te laten hooren, dat hij tegenwoordig was. Ik was alsdan veel jonger, anders hadde ik het niet kunnen uitstaan. Het is niet, dat ik niet dikwijls in mijn bed heb liggen zweeten van angst, en menigen nacht met bidden heb doorgebracht; maar ik ben nog al taai van...."

"Van mijnen oom! van mijnen oom!"

"Juist. Ondanks al die andere kunsten bleef mijn meester toch voornamelijk zich bezighouden met de slaaptooverij, dit is te zeggen met het _mangenetism_. In de laatste jaren onzes verblijfs te Brussel genas hij door deze kunst de ongeneeslijkste zieken. Hij had een _sujekt_, dat wil zeggen eene dame, die, volgens het schijnt, al slapende in het lichaam der menschen kon zien, en daarenboven de geneesmiddelen voorschreef, die hen onfeilbaar van hunne kwalen moesten verlossen. Onbegrijpelijk, Willem, welke wondere dingen zij deden. Zij hebben op eenige minuten menschen gered, die al tien jaar van alle dokters waren verlaten; zij hebben eens een mensch ziende gemaakt, die geene oogen meer had. Zij hebben eens eenen heer, die opgezwollen was van de waterzucht, in een half uur tijds zoo dun en zoo mager gemaakt, dat hij om genade smeekte. De wijsneuzen--en in Brussel zijn er niet weinig--beweerden, dat mijn meester zot genoeg was, om in een krankzinnigenhuis te worden opgesloten; andere slimmeriken zeiden, dat hij zich door de weduwe, die zijn sujekt was, liet bedriegen; maar zij wisten niet gelijk ik, dat mijn meester met den boozen geest omging, en, eilaas, bezig was met zijne ziel te verliezen!"

"Ontving hij geld voor deze genezingen?" vroeg de jongeling in gepeinzen.

"Neen," was het antwoord, "hij had geen geld noodig. Wel heb ik gezien, dat de vrouw aanvaardde wat de lieden uit dankbaarheid haar gaven; maar uw oom heeft daar integendeel veel geld aan verkwist. Zijn sujekt was eene dame, die tot verval was geraakt, en hij heeft haar van tijd tot tijd nog al fraaie sommen geleend."

"Ha, ha, ik begin te begrijpen!" mompelde Willem.

"Gij begint te begrijpen? Wat? Dat de duivel er mede bemoeid was."

"Niets, niets, Jakob; ga voort, ik verzoek u."

"Welnu, dan is er iets gebeurd, dat eenen beklaaglijken invloed op ons aller leven moest hebben. Er was een voornaam burger, die dikwijls ten onzen huize kwam en de verkleefde vriend was van mijnen meester en van zijn sujekt. Die heer kon zelf niet tooveren; maar hij was vol bewondering voor de macht van het.... van het _mangenetism_. Met een sneeuwachtig dooiweder betrapte hij eensklaps eene verkoudheid der ingewanden, en natuurlijk, zijne eerste toevlucht was tot mijnen meester... Het sujekt valt in slaap en zegt wat hij moet nemen, om van zijne ziekte te worden verlost. Hij volgt haren raad en neemt het geneesmiddel, in tegenwoordigheid zijner vrouw en kinderen; maar hij wordt door eenen geheimen slag getroffen, valt spartelend op den grond en sterft zonder biecht! Ik zou zeggen: God zij zijne arme ziel genadig; maar hoe kan het gebed iemand helpen, die van den duivel is weggehaald?... De gendarmes zijn gekomen en hebben mijnen meester en zijn sujekt naar de gevangenis gebracht. Uw oom werd evenwel na acht dagen in vrijheid gelaten; maar hij zou toch voor het tribunaal komen, als beschuldigd van medeplichtigheid aan eenen onvrijwilligen moord. Het sujekt werd veroordeeld tot achttien maanden gevangenis, zoo gezegd voor onvrijwillige vergiftiging; mijn meester werd vrijgesproken, omdat zijn advocaat poogde te bewijzen, dat hij zwak van hersens was en zich, in zijne eenvoudigheid, door het sujekt had laten bedriegen: in één woord, hij ontsnapte, omdat men hem voor halfzinneloos had doen doorgaan. Of zijne meening was, in Brussel te blijven wonen, dat weet ik niet. Het ware hem in alle geval onmogelijk geweest, want waar hij zich nu vertoonde, wees men hem met den vinger of lachte men luid. Het woord "zot" stond, duidelijk voor hem, in elks oogen te lezen. Hij kreeg dan eenen onbegrijpelijken haat tegen de menschen en bleef wel twee maanden opgesloten, zonder iemand te willen zien. Eensklaps nam hij het besluit, verre van de wereld te gaan leven...."

"Wat hoor ik? Er is een mensch, die ons afluistert!" onderbrak Willem. "Mij dunkt, er heeft iemand gekucht?"

Hij bemerkte eensklaps den hond, die met open muil en gloeiende oogen voor het prieel stond en scheen te willen spreken.

"Hemel, wat is dit voor een beest?" vroeg hij verrast.

"Ik kom, ik kom, Nox," antwoordde de hovenier, het teeken des kruises makende, zoohaast hij den hond zag wegloopen.

"Indien er een duivel op Wildenborg is, dan is het zeker die zonderlinge hond," mompelde de jongeling glimlachende.

"Het is zoo, gij hebt het geraden," bevestigde de oude man.

"Hoe? gij gelooft, Jakob?"

"Het is de dienaar van uwen oom, zijn _Mistoffel_, de duivel zelf. Ik mag mijnheer niet laten wachten. Straks zal ik u de wonderlijke geschiedenis van dien helschen hond vertellen. Blijf hier nog eenige oogenblikken zitten, ik zal u komen halen."

Willem sloeg het gezicht ten gronde en zonk weg in eene diepe overweging. Welhaast echter hief hij het hoofd weder op en murmelde treurmoedig:

"Hij is zot, stapelzot, de oude Jakob. Eilaas, zou mijn arme oom insgelijks in de hersens geraakt zijn? Wildenborg ware dus iets als een zinneloozenhuis? Onmogelijk, de herinneringen mijner kinderjaren zeggen mij, dat hij een zeer geleerd man was. Mijne moeder bewonderde zijn diep verstand en zijne hooge wetenschap... maar de wetenschap waarborgt niet tegen de ontschikking der hersens.... En hij gaat sterven binnen weinge dagen? Daarin bestaat waarschijnlijk zijne krankzinnigheid? Arme oom! Voor de eerste maal dat ik na vijftien jaar hem mag terugzien, zou ik zijnen dood moeten bijwonen of hem krankzinnig vinden! Hoe wisselvallig, hoe onbegrijpelijk is toch het lot en het leven van een mensch!"

Hij werd in zijne overwegingen onderbroken door de komst van den hovenier, en meende op te staan om hem te volgen; maar Jakob deed hem teeken dat hij zou blijven zitten, en zeide:

"Uw oom wacht u; maar luister nog een oogenblik. Gij weet, Willem, dat ik u op de armen heb gedragen, en dat ik evenveel genegenheid voor u heb, alsof gij mijn eigen kind waart. Gij zult dus den raad van uwen ouden vriend met vertrouwen aanhooren. Uw oom is de beste mensch der wereld: hij zou geene spin kwaad doen, maar, evenals alle hooggeleerde lieden, is hij zeer stijfhoofdig, en tegenwerpingen kan hij niet verdragen. Hij zal u spreken van zielen en van geesten. Of gij er een woord van zult begrijpen, dat weet ik niet, maar gij moet u houden, alsof gij aan die vreemde dingen geloofdet. Indien gij met hem doet gelijk met mij, zal bij droef en grimmig worden, hij zal u vaarwel zeggen, en gij zult hem niet meer te zien krijgen, al verroerdet gij hemel en aarde. Gij moet pogen zijne vriendschap te winnen.... Schokschouder niet: het geluk van uw leven is op het spel, mijn lieve Willem. Uw oom is zeer rijk, en hij zou u kunnen onterven ten voordeele van iemand, die misschien met arglist zijne goede gunst zou winnen. Gij weet, dat gij eene nicht hebt?"

"Ik heb er vele waarschijnlijk; maar ik ken ze niet."

"Ik spreek slechts van eene enkele, van Theresia De Wit, de dochter der zuster van mevrouw Reimond zaliger."

"Ik heb ze nooit gezien, Jakob."

"Zij insgelijks is erfgenaam van mijnheer. Zij zal hier komen voor zijnen dood, indien de notaris van Antwerpen intijds genoeg kan ontdekken wat er van haar is geworden. Deze De Wits zijn booze lieden, Willem, en, kunnen zij omtrent uwen oom geraken, dan zullen zij alles doen wat mogelijk is, om hem te bedriegen en u uw erfdeel te ontfutselen. Wees diensvolgens op uwe hoede, mijn vriend. Waarom zoudt gij uit gebrek aan toegevendheid uwen armen oom gaan bedroeven en hem u vijandig maken?"

"Gij hebt misschien gelijk, Jakob," murmelde de jongeling in gepeinzen.

"Alzoo, gij zult mijnen goeden raad volgen?"

"Ik zal het ten minste pogen te doen."

"Heb dank, ga nu tot uwen oom. Gij ziet daar die deur? Treed er in, op 't einde van den gang is eene zaal, waar uw oom u wacht. Klop noch roep: men mag op Wildenborg geen gerucht maken. Ik volg u niet. Heb moed en wees inschikkelijk. Vaarwel, tot straks!"

III.

Toen Willem den gang des kasteels bereikte, kwam de hond hem tegemoet en berook hem van alle kanten. Dit onderzoek moest op het dier eenen gunstigen indruk doen, want het liep kwispelstaartend voor den jongeling, die, verwonderd over de onverwachte vriendschap van Nox, hem de hand streelend op den rug legde.

In de zaal stappende, zag hij zijnen oom bij de tafel zitten, met de hand op een doodshoofd. Het gezicht zijner onbegrijpelijke magerheid en bovenal zijn voorkomen als van een geest of van een geraamte deden hem huiveren, en hij bleef te midden der zaal staan, stilzwijgend groetende en niet wetende wat te doen of hoe zich te gedragen jegens den zonderlingen man, die nu zijne glinsterende oogen op hem hield gericht en hem van 't hoofd tot de voeten nauwkeurig bekeek en onderzocht.

Nox sprong verheugd rondom Willem en liet een zacht geknor hooren.

"Mijn hond bemint u, het is een goed teeken," zeide mijnheer Reimond. "Kom nader, mijn vriend, en geef mij de hand."

De jongeling ging tot zijnen oom, drukte hem de hand en zeide:

"God zij gezegend, dat Hij mij toelaat mijnen edelmoedigen weldoener, den beschermer mijner ouders en mijner kindsheid, eens te zien! O, lieve oom, geloof mij, geen oogenblik van mijn leven is er voorbijgegaan, zonder dat mijn dankbaar hart uwer goedheid indachtig was. Eilaas, de hemel heeft mijne gebeden niet verhoord: gij zijt ziek."

"Laat ons daarover nu niet spreken," viel mijnheer Reimond in. "Zet u daar neder, op dien stoel voor mij. De dankbaarhoid is eene schoone bloem der ziel, maar dit gevoel mag niet overdreven zijn. Wat ik voor uwe ouders en voor u heb gedaan, is de moeite niet waard, dat men er van spreke."

"Neen, zeg dit niet, oom lief," ging de jongeling met ontroering voort. "Wat zou ik, arme weeze, zonder uwe milde hulp in de wereld geweest zijn? Wie hadde er voor mijne opvoeding gezorgd? En geniet ik tot op den dag van heden uwe weldaden niet?"

"Het is zoo, mijn vriend, spreken wij van wat anders. Nadat gij uwe studiën op het athenaeum hadt voleindigd, zijt gij op het kantoor van eenen notaris gaan schrijven, sedert hebt gij uwen patroon verlaten, en zijt bij Mechelen op een dorp gaan wonen? Uw eerste meester was dus niet tevreden over u?"

"Ja wel, heer oom, hij was zeer tevreden, maar ik overwoog, dat ik zonder bescherming bij het staatsbestuur nooit eene plaats van notaris in eene groote stad kon verhopen. Een dorpsnotaris, die een vriend van mijnen meester was, bood mij de plaats van klerk aan, met het uitzicht om eens zijn opvolger te kunnen worden, aangezien hij geene bloedverwanten had, aan wie hij zijne bediening kon nalaten. Ik heb met blijdschap aanvaard, des te meer, daar ik op een eenzaam dorp beter mijne studiën kon voortzetten."

"Alzoo, gij studeert nog?"

"Het is te zeggen, al mijne beschikbare uren geef ik aan het lezen van nuttige boeken. Het is eene noodzakelijkheid mijner natuur geworden, mijnen geest meer en meer te ontwikkelen, en het zal u wonder schijnen, heer oom, maar gij zijt de oorzaak van mijnen weetlust, en om uwentwil alleen poog ik door zelfonderwijs immer meer en meer geleerdheid te verkrijgen."

"Ik begrijp niet," murmelde mijnheer Reimond.

"Het kan u eene vleierij schijnen, heer oom, waarom evenwel zou ik de waarheid verzwijgen? Mijne moeder zaliger sprak mij altijd met zooveel bewondering over uw hoog verstand en uwe diepe geleerdheid, dat die indruk mijner kindsheid mij is bijgebleven en ik, door eene geheime drijfveer bewogen, vermeende, met mijnen geest te oefenen, iets te doen dat u aangenaam kon zijn."

Een glimlach van innige tevredenheid verlichtte het gelaat van mijnheer Reimond, die eerst den jongeling met welgevallen aanzag, en dan zwijgend den blik in de oogen van het doodshoofd vestigde, als wilde hij het over iets raadplegen.

Willem zeide in zich zelven, dat, indien zijn oom werkelijk over zekere dingen vreemde gedachten kon hebben, hij evenwel in het geheel niet ziek in de hersens scheen te zijn. Deze overweging verheugde hem, want hem lag inderdaad een innig gevoel van dankbaarheid in het hart, en hij had ondanks de vijftienjarige scheiding, zijnen weldoener oprecht blijven beminnen.

Mijnheer Reimond, als hadde hij een bevestigend antwoord van het doodshoofd ontvangen, drukte de hand van zijnen neef en zeide:

"Uwe moeder was eene brave vrouw. De ziel, die in uw lichaam woont, heeft goede neigingen, en zij is op weg om eenen grooten stap vooruit te doen naar de eindelijke volmaaktheid. Gij hebt nu geen fortuin, Willem, en deze ontoereikendheid uwer stoffelijke middelen hindert u om wetenschap en geleerdheid aan te winnen. Verheug u, mijn vriend: mijne ziel gaat zich afscheiden van haar zichtbaar omkleedsel. Ik zal u geld en goed genoeg nalaten, om u voor de zorgen des levens te behoeden."

"O, heer oom, waarom dus wanhopen?" zuchtte de jongeling op treurigen toon. "Waarlijk, ik bemerk met diepe smart, dat gij zeer ziek zijt; maar met de noodige geneesmiddelen zoudt gij u gemakkelijk kunnen beteren. Uwe eenzaamheid, uw stil leven heeft waarschijnlijk uwe maag ontsteld. Het hangt van u af, hare krachten weder op te wekken door een beetje oefening in de opene lucht."

"Ik ben niet ziek, vriend," was het antwoord.

"Ach, gij zijt zoo uitermate mager, heer oom!"

"Het is, omdat de dood nadert. Nog vier dagen."

"Maar zeg dit niet, oom lief! Het is een inbeeldsel!"

"Een inbeeldsel! Inderdaad, voor u zijn de geheimenissen der onstoffelijke wereld nog verborgen. Ik zal sterven op de laatste minuut van den 31sten, dezer maand. Het is onfeilbaar en onherroepelijk."

De jongeling schudde het hoofd met moedeloosheid.

"Gij gelooft mij niet?" hervatte mijnheer Reimond. "Het is u onbegrijpelijk, hoe een mensch zoo nauw het uur van zijnen overgang naar een nieuw leven kan weten? Daar is hij, die sedert zes maanden mij elken dag verwittigt, dat het oogenblik voor mij nadert."

En dit zeggende, legde hij den vinger op het doodshoofd.

De tranen stonden Willem in de oogen; doch hij sprak niet. Hij wist inderdaad niet wat te zeggen. Zijnen oom openlijk in zijne dwaze gepeinzen bestrijden, dit dorst hij niet doen; en geloof in deze zinneloosheid veinzen, dit was tegenstrijdig met de oprechtheid zijns harten.

"Gij ziet mij zoo verbaasd aan? Evenals de andere menschen meent gij, dat ik waanzinnig ben, niet waar?" morde de oom. "Och, Willem, ik beschuldig u daarom niet. Het is iedereen niet gegeven, met de onstoffelijke wereld in gemeenschap te komen en geheimenissen te kennen, die slechts aan zeer gelouterde zielen nu en dan eens worden geopenbaard. Indien ik u zeide dat in dit doodshoofd een geest woont, wiens taal voor mij klaar en verstaanbaar is, indien ik u verzekerde, dat die geest reeds dertigmaal onder verschillende menschelijke gedaanten heeft geleefd, zoudt gij mij gelooven?"

"Ik zou u willen gelooven, heer oom, maar bij gebrek aan kennis der zaak, is mij dit nu onmogelijk," stamelde de jongeling in verlegenheid.

"Wel geantwoord, Willem; gij loochent ten minste het bestaan van geesten niet volstrektelijk."

"Zeker niet; boven de stoffelijke natuur zijn er onstoffelijke wezens, de godsdienst leert ons en het geweten doet ons voor gevoelen, dat niet alles met het aardsche leven eindigt."

Deze woorden, met overtuiging gesprokon, schenen mijnheer Reimond bijzonder te behagen; hij knikte goedkeurend met het hoofd en zeide:

"Gij gelooft dus aan de onsterfelijkheid der ziel, aan een toekomstig leven, aan de straf des kwaads en aan de belooning des goeds: in één woord, aan de rechtvaardigheid Gods?"

"Is het mogelijk, heer oom, aan zulke klaarblijkende waarheden te twijfelen?"

"Ha, Willem, er zijn er, die daaraan durven twijfelen, maar oneindig meer zijn er, die slechts een bekrompen of onduidelijk begrip van deze waarheden hebben. Ik weet niet, mijne ziel heeft voor de uwe een geheimzinnige neiging. Zij denkt, dat de uwe zuiver genoeg voor deze hooge wetenschap zou kunnen zijn. Ware het zoo, ik zou met een gevoel van opperst geluk deze aarde verlaten. Niet alleen omdat aldus de vruchten van mijn arbeidzaam streven voor de menschheid niet zouden verloren gaan, maar nog omdat ik u vóór mijnen dood eene weldaad zou kunnen bewijzen, duizendmaal kostbaarder dan het fortuin, dat gij erven gaat.... Laat hooren, mijn goede neef, wilt gij leeren hoe men in betrekking komt met de wereld der geesten? Wilt gij het ten minste beproeven? Want het is niet zeker, dat uwe ziel reeds genoeg beproefd en gelouterd zij."

"Om u vermaak te doen, zal ik alles beproeven wat gij wenscht, heer oom," antwoordde de jongeling op eenen toon van lijdzame onderwerping.

"Welnu, vriend, luister dan met inspanning der hersenen, en, valt de redeneering u in het eerst wat zwaar, doe geweld om mij te begrijpen. Doordring u van de gedachte, dat, indien ik u bekwaam kon vinden tot het aanvaarden der zedelijke erfenis mijner ziel, ik het zou aanzien als eene duizendvoudige belooning voor het weinige goed, dat ik uwen ouders en u kan hebben gedaan. Gij zult gaan hooren wat de geest, die in het doodshoofd woont, mij heeft veropenbaard. Geef aandacht, ik bid u."