De Ziekte der Verbeelding

Chapter 2

Chapter 23,833 wordsPublic domain

"Kom, mijn vriend, wees niet droef," zeide mijnheer Reimond op troostenden toon. "Ik zal zorg dragen, dat gij geene redenen hebt om mijnen overgang tot een nieuw leven te betreuren. Daarvan wilde ik u spreken. Luister en onderbreek mij niet meer door nuttelooze klachten. Gij hebt mijnen vader en mij met verkleefdheid gediend. Voordat ik de wereld verlaat, wil ik uwe trouw beloonen, met uwe oude dagen tegen alle zorg te behoeden. Gij kent de hofstede achter Raveghem. Zij betaalt meer dan duizend franken aan jaarlijksche pacht. Het vruchtgebruik dezer hofstede zal ik u tot het einde uwer dagen in mijn testament als erfenis toekennen. Gij zult dus na mijnen dood met uwe goede Peternelle gerust kunnen leven, zonder werken en zonder kommer, totdat voor u ook het uur der opvaart slaat. Zijt gij daarover tevreden, Jakob?"

De oude hovenier, door deze mildheid diep getroffen, stortte tranen. Zijne ontroering met geweld bedwingende, snikte hij:

"Tevreden? Neen, neen, ik ben niet tevreden! Al het goed der wereld, mijn eigen bloed zou ik geven om uwen bitteren dood te mogen afkoopen. O, mijn God, zulke goede mensch, zulke edelmoedige meester, en zóó, zóó de wereld te moeten verlaten! Gij overlaadt mij met weldaden, mijnheer, ik ben u dankbaar uit den grond mijner arme, ontstelde ziel; maar toch ik ben niet gelukkig, en waarschijnlijk zal de oude Jakob Mispels u niet lang overleven."

Mijnheer Reimond poogde door troostende woorden den bedrukten man gerust te stellen, en toen hij bemerkte, dat hij daarin grootendeels was gelukt, hernam hij zijn vorige rede.

"Jakob, ik heb u nog van andere dingen te spreken. Wanneer de menschelijke ziel gevoelt, dat een tijdvak zich voor haar gaat sluiten, dan denkt zij aan het maken harer rekening, en, kan zij het goede dier rekening vermeerderen of het kwade verminderen, dan haast zij zich het te doen. Ik heb mijn geweten onderzocht en de rekening van mijn tegenwoordig leven opgemaakt. Ach, Jakob, ik bevond mij schuldig. Ik ben niet rechtvaardig geweest jegens iedereen; misschien zijn er menschen, aan wie ik kwaad heb gedaan."

"Onmogelijk!" kreet de hovenier. "Gij, mijnheer, die zelfs niet verdragen kunt, dat men eene vliege verjage, gij zoudt eenen mensch hebben kwaad gedaan?"

"Gij begrijpt mij niet," hernam zijn meester. "Het is waar, er staat geschreven: _doe niet aan anderen wat gij niet wilt, dat u gedaan worde_, maar dit is slechts een gedeelte der wet, want er staat nog geschreven: _bemin God bovenal en uwen evennaaste als u zelven_. Men betracht slechts ten halve zijnen plicht, wanneer men geen kwaad doet, men moet het goede volbrengen, waartoe de hemel ons de macht verleende. Al het goede, dat men verzuimt te verrichten, is zooveel kwaad dat men doet, en het staat aangeteekend op de donkere bladzijde onzer levensrekening. Om gansch alleen te zijn en de aanraking der menschen te ontvluchten, heb ik sedert vijftien jaar alle betrekking met de leden mijner familie op eene volstrekte wijze afgebroken. Meest allen zijn intusschen gestorven, slechts twee weezen blijven er nog over. Inderdaad, ik heb door tusschenkomst van vreemde handen voor hunne opvoeding gezorgd, en nu nog verzeker ik eene kleine rente ten minste aan den zoon mijns broeders."

"Arme Willem!" zuchtte de hovenier. "Wat moet hij groot geworden zijn! Mijn hart snakt, om het kind nog eens te zien, dat ik zoo dikwijls op de armen heb gedragen."

"Gij zult hem waarschijnlijk zien," bevestigde zijn meester, "maar onderbreek mijne rede niet. Den ganschen nacht heb ik hier voor deze tafel gezeten, denkende aan Willem Reimond, de geest van het doodshoofd, tot den morgen toe, wilde mij geen antwoord geven, maar eindelijk toch heeft hij klaar gesproken en den wensch mijner ziel goedgekeurd. Jakob, ik ben voornemens aan mijnen neef te schrijven."

"Ha, dank, mijnheer, dan zal ik ten minste iemand hebben om mij te troosten en te versterken!"

"Indien hij komen wil."

"Hij zal komen, seffens, onmiddellijk, twijfel daar niet aan."

"Hopen wij het, Jakob. Ik ben ook voornemens naar den notaris, te Antwerpen, eenen brief te sturen voor het kind der zuster mijner vrouw. Leeft Theresia De Wit nog, dan wilde ik haar nog eens zien, voordat ik sterve."

De oude man trok een zuur gezicht en liet een dof gegrol hooren. "De De Wits," zeide hij, "hebben nooit dan kwaad van u gezegd, mijnheer, zij hebben u bespot en mij vervolgd. Zij haten ons, gij weet het wel."

"Voor alle kwaad is vergiffenis," was het antwoord, "daarenboven mijne nichte Theresia is niet verantwoordelijk voor de schuld harer ouders. Mijn plicht eischte, dat ik over haar bleve waken, en sedert vele jaren heb ik haar geheel vergeten. Wat is er van haar geworden? Zij is vrouw en de wereld vol gevaren. Ik ben onrechtvaardig jegens haar geweest, en, is het arme schaap verdoold, mijne ziel zal er voor te boeten hebben. Ik wil het weten."

"En gij gaat ze op Wildenburg doen komen?" morde de hovenier met eene soort van verschriktheid.

"Zeker, zij is mijne erfgename, zoowel als de zoon mijns broeders."

"Maar, om Gods wil, mijnheer, gij zult toch uwe goederen niet aan Willem Reimond ontnemen, om ze aan de ondankbare De Wits te geven?"

"De goederen, die ik bezit, zijn voor de helft herkomstig van mijne vrouw zaliger, die ik, eilaas, reeds in het eerste huwelijksjaar verloor. Het goed gaat terug van waar het gekomen is, zoo wil het de rechtvaardigheid."

Mijnheer Reimond trok de lade der tafel open en nam er twee gesloten brieven uit.

"Gij gaat naar het dorp loopen," zeide hij, "om deze brieven in de post te leggen."

Jakob Mispels was opgestaan en aanvaardde de brieven, hij meende er mede ter zaal uit te gaan; maar de hond rukte ze hem uit de hand en droeg ze terug naar zijnen meester.

Eene zonderlinge uitdrukking, een mengsel van schrik en blijdschap, ontstond op het gelaat van den ouden man.

"Ha, ha, hij is vervaard van Willem! Goed teeken! Wie weet?" mompelde hij in zich zelven.

Mijnheer Reimond ontnam Nox de brieven en gaf ze terug aan Jakob, die ze zeer diep in zijnen binnenzak verborg en zich haastte de zaal te verlaten.

Bij zijne vrouw gekomen, zeide hij zeer snel:

"Ik moet naar het dorp, seffens. Geef mij mijnen anderen jas. Er komt volk hier. Wij zullen niet meer alleen zijn. Ik draag brieven om Willem Reimond op Wildenburg te roepen. Willem Reimond... en Theresia De Wit."

"Theresia De Wit?" kreet de vrouw met verrassing.

"Ja, onze vijandin, maar wat belet mij, haren brief onderweg te verliezen of in den turfput te smijten?"

"Foei, Jakob, heb zulke gedachten niet. Uwen meester zoo verraderlijk bedriegen!"

"Ik zeg het om te lachen, Peternelle. God weet, waar Theresia De Wit gevaren is. Misschien is hare woonplaats aan den notaris van Antwerpen ook onbekend; dan komt zij in het geheel niet. Het ware een ongeluk, indien zij eerder dan Willem Reimond op Wildenborg verscheen. Nox is vervaard van Willem; hij poogde de brieven te verslinden. Daar zit iets achter. Misschien is alle hoop nog niet verloren. Vaarwel, vaarwel, ik loop in éenen adem!"

II.

De oude Peternelle was bij het vuur bezig met de namiddag-koffie op te schenken, toen haar man in huis trad en met groote vreugde uitriep:

"Peternelle, hij is daar! Ik heb hem gezien aan 't einde der dreve. Ten minste als mijne oogen mij niet bedriegen. Kom, kijk gij ook eens; uw gezicht is beter dan het mijne."

Zij liepen beiden tot achter het hek.

"Het is een heer," mompelde de vrouw, "maar of het Willem Reimond is, dit kan ik van zooverre niet herkennen. De neef van onzen meester was een kind van tien jaar, toen wij hem voor de laatste maal zagen. Deze heer heeft geen reispak, zelfs geenen gaanstok. Hij kan dus niet van zeer verre komen."

"Maar wie anders zou het zijn? Er komt nooit iemand op Wildenborg."

"Gij kunt het evenwel niet weten."

"Welke is de kleur van zijn haar, Peternelle?"

"Ik meen te zien, dat hij zwart haar heeft."

"Hij is het! Willem Reimond, twijfel er niet aan. Ach, het ongeduld, het verlangen doet mij beven. Ik loop hem te gemoet!"

De persoon, die ten einde der dreve kwam aangestapt, was een jongeling van ongeveer vijfentwintig jaar, met zwarte, krullende haren en een open, lachend gelaat. Alhoewel zijne trekken tamelijk sterk waren afgeteekend, getuigde het geheel zijns aangezichts van goedheid des harten en misschien tevens van zekere dichterlijkheid der gedachten; want hij ging met het hoofd gebogen, of bleef staan en plukte eene bloem, of blikte langs alle kanten rond in het bosch.

Tot dan had hij peinzend en droomend zijnen weg vervorderd; maar nu hoorde hij eensklaps het gerucht van naderende stappen, en bemerkte daarop eenen ouden man, die in allerhaast en met zekere teekens van ongeduld tot hem geloopen kwam.

Maar hetzij de hovenier zich in zijne verwachting meende te hebben bedrogen, en of een gevoel van eerbied hem wederhield, hij bleef op een twintigtal stappen beteuterd staan.

De jongeling, over de onbegrijpelijke houding van den grijsaard verwonderd, aanschouwde hem met meer aandacht. Er ontstond op dit oogenblik eene plotselijke herinnering in zijnen geest. Hij slaakte eenen gil van blijde verrassing, sprong met open armen vooruit naar den ouden man, en zich aan zijnen hals werpende, riep hij uit:

"Mijn goede Jakob! Gij leeft nog? God zij dank, dat ik u nog terugzie. Ach, hoe dikwijls dacht ik aan u! Ik durf het u nauwelijks vragen: hoe is het met uwe vrouw Peternelle?"

De hovenier, in zijne ontroering verstikkend, kon niet spreken. Hij greep des jongelings handen, kuste ze herhaalde malen en liet er twee heete tranen op vallen.

"Maar, mijn lieve Jakob, wat doet gij?" murmelde deze.

"Neen, neen, laat mij uwe handen kussen," snikte de ontstelde man. "Ik, die reeds oud was, toen wij uit Brussel vertrokken, ik herkende u niet meer; gij, die een kind waart, gij noemt mijnen naam bij den eersten oogopslag en gij omhelst met vreugde een arm ootmoedig mensch, eenen knecht, eenen boer! Ha, wat is het zoet, te weten dat er toch iemand ons op de wereld bemint en aan ons denkt!"

"En uwe goede Peternelle?" herhaalde de jongeling. "Gij antwoordt niet? Ik begrijp: zij is in den hemel, niet waar?"

"Neen, neen; zie, ginder staat zij, achter het hek. Haar hart jaagt van verlangen. Kom, kom, mijnheer Willem, maak die arme ziel insgelijks gelukkig!"

En hem de hand grijpende, trok hij hem in de dreve voort, totdat zij het hek naderden.

"Peternelle, o, wees blijde!" riep hij. "Het is Willem. Hij heeft ons niet vergeten; hij heeft mij seffens herkend. Hoe dikwijls heb ik het u gezegd: hij heeft de zwarte oogen zijns vaders en het liefderijk hart zijner moeder."

Maar reeds hield Willem de oude vrouw in zijne armen gesloten en juichte met diepgevoelde vreugde:

"Peternelle, wat geluk, u nog gezond en welvarend te vinden! Door u te zien alleen word ik teruggetooverd in mijne schoone kinderjaren. Mijn vader, mijne moeder herleven voor mijne oogen. En hoe gaat het u? Gij leeft hier tevreden, niet waar?"

De oude vrouw was verbluft en verwonderd; zij aanschouwde den goedhartigen jongeling met eenen dankbaren glimlach, stralend tusschen stille tranen.

"Kom, kom binnen in ons huisje; gij moet vermoeid zijn van de lange reis," zeide de hovenier. "Wij mogen hier geen gerucht maken. Vrouw, lang spoedig de hesp uit den schoorsteen. Mijnheer Willem moet honger hebben; de heidelucht is scherp. Daar, mijnheer, zet u neder en rust een beetje."

"Nu zal ik niet eten, wat lust ik er ook toe hebbe," antwoordde Willem. "Ik heb haast om mijnen oom te zien."

"Het is voor alsnu onmogelijk."

"Hij is misschien niet op het kasteel?"

"Ja wel."

"Heb de goedheid, Jakob, hem van mijne komst te verwittigen. Ik twijfel niet, of hij zal mij onmiddellijk in zijne tegenwoordigheid toelaten."

"Neen, gij bedriegt u. Het is zonderling en vreemd, maar gij zult, eilaas, nog veel wonderlijkere dingen op Wildenborg vernemen. Gij moet weten, Willem, dat uw oom zich alle dagen drie uren des morgens en drie uren des namiddags opsluit, en dat er gedurende dien tijd niemand het kasteel mag naderen. Al kwame de koning zelf, het zou er niets aan doen: de deuren zijn langsbinnen gegrendeld. Nog meer dan twee uren zult gij moeten wachten, gij hebt dus tijd genoeg om van onze hesp te proeven."

Deze aankondiging verbaasde den jongeling zeer. Het hoofd schuddende, trok hij eenen brief uit den zak en zeide:

"Inderdaad, het moet er wonderlijk toegaan op Wildenborg. Luistert eens, lieve vrienden, wat mijn oom mij schrijft, en geeft mij, indien gij kunt, de uitlegging van dit raadsel: _De tijd nadert, dat mijne ziel haar zichtbaar omkleedsel zal afleggen. Ik verlang u te zien. Is dit insgelijks uw wensch ten mijnen opsichte, kom op Wildenborg vóór den nacht van den 31sten dezer._ Deze woorden hebben, mij verschrikt. Het is, alsof mijn oom mij zijnen aanstaanden dood aankondigde. Hij is dus zeer ziek?"

"Neen, hij is niet ziek."

"Maar, om Gods wil, wat beteekent de brief dan?"

"Hij beteekent, dat uw arme oom gaat sterven!" antwoordde de hovenier met eene doffe stem.

"Sterven? En hij is niet ziek? Wees toch klaar, Jakob, ik begrijp u niet."

"Mijnheer Reimond zal sterven op den klokslag twaalf, in den nacht tuschen den 31sten Augustus en den 1sten September, geene minuut vroeger of later. Eilaas, wij hebben er tranen genoeg om gestort, en mijne vrouw heeft reeds maanden lang zonder ophouden gebeden, maar alles is nutteloos."

"En hij is niet ziek?" herhaalde Willem.

"Mager, ja, maar niet zieker dan gij of ik."

"Kom, Jakob, gij doet mij lijden. Wat gij daar vertelt, is gansch onbestaanbaar. Zou uwe verbeelding voor niets in deze zonderlinge gedachte zijn? Zeg mij duidelijk wat er van is, of ten minste wat gij gelooft."

De hovenier scheen niet genegen om op dit oogenblik de gevraagde uitleggingen te geven. Ziende, dat zijne vrouw naar achteren ging, om eene kan versch water te halen, zeide hij:

"Vraag mij niets daarover in tegenwoordigheid mijner vrouw. Zij zou te dikwijls in mijne rede vallen en ons storen. Eet nu eerst een beetje van de hesp, dan zullen wij een wandelingetje door den hof doen, en ik zal u allengs en met voorzichtigheid de schromelijke geheimen van Wildenborg openbaren, om uw hart voor eenen te plotselijken schok te behoeden."

Willem vroeg niets meer en nuttigde zwijgend de hesp en het brood, door Peternelle hem voorgezet. Dan stond hij op en zeide:

"Ik dank u, vrienden, de hesp is goed, en ik had zulken eetlust, dat het mij heeft gesmaakt, als ware mijn geest niet in droeve gepeinzen verslonden. Kom nu, Jakob, toon mij den hof van het kasteel."

Zij gingen beiden buiten, de hovenier scheen zijne stappen naar een looverhuisje te richten.

"Welnu, Jakob," zeide de jongeling, "ik brand van verlangen om uwe openbaringen te hooren en overtuigd te worden, dat gij u over het lot van mijnen oom bedriegt."

"Ik ben bereid om u te zeggen, wat ik weet," antwoordde de grijsaard, "maar laat mij u eerst van iets verwittigen. Ik wensch uit den grond des harten, en Peternelle insgelijks, Willem, dat uw oom u vriendelijk ontvange en genegenheid voor u gevoele. Daartoe is het noodig, dat gij niets doet, dat hem kunne mishagen of bedroeven. Spreek in zijne tegenwoordigheid niet van de hesp, laat hem niet verdenken, dat gij hier zwijnenvleesch hebt gevonden, en bovenal niet, dat gij er hebt van gegeten."

"Hoe? Nog al wonderlijker!" mompelde de verbaasde jongeling. "Is mijn oom een Jood geworden?"

"Neen, maar hij wil niet, dat er een dier gedood worde. Ik mag zelfs de rupsen van de boomen niet doen. Kom, kom, gij zult nog al meer het hoofd schudden."

"Maar gij vervult mij met angst. Welk schrikkelijk gepeins! Zou mijn arme oom ziek zijn in de hersens?"

"Ho, denk dit niet!" riep de oude man. "Uw oom heeft te veel verstand en is te geleerd, dit is juist zijn ongeluk. Ik heb den pastoor in de kerk eens hooren preeken, dat men, om gelukkig te leven, arm van geest moet zijn. Vroeger heb ik daarop langen tijd liggen dubben, maar nu begrijp ik het ten volle."

Zij traden in een prieel van ijpenloof, waar, rondom eene vermolmde tafel, nog twee ruwe banken stonden.

"Nu, mijn lieve Jakob, poog duidelijk te zijn, en heb de goedheid mij te antwoorden," zeide de jongeling, zich nederzettende. "Mijn oom is niet ziek, en gij beweert nogtans, dat hij juist in den nacht van den 31sten dezer maand zal sterven? Heeft hij zelf u dit aangekondigd?"

"Wel honderdmaal sedert vier maanden."

"En waarop grondt mijn oom die onbegrijpelijke meening? Wie heeft hem gezegd, dat zijn dood zoo nabij is?"

"Een geest."

Ondanks de treurige stemming zijns gemoeds, schoot Willem in eenen lach.

"Een geest?" schertste hij. "Bah! er zijn geene geesten, ten minste niet zooals gij het meent."

"Ja, gij komt van de stad," zuchtte de grijsaard spijtig. "Daar gelooft men niets, en men verleidt er goede menschen als gij, Willem, om aan alles te twijfelen. Het is uwe schuld niet, kind. Hoe, er zijn geene geesten? De lucht krielt er van, en terwijl wij hier zitten te kouten, zijn er wel honderd misschien in dit prieel, die ons zien en hooren."

De jongeling beschouwde den hovenier met eene zonderlinge uitdrukking van medelijden.

Jakob, door zijnen schertsenden blik gekwetst, rechtte het hoofd en sprak:

"Wat, er zijn geene geesten? Hoeft mijne grootmoeder niet maanden lang den geest harer zuster voor haar bed zien verschijnen, totdat zij ter harer gedachtenis eene beloofde bedevaart had gedaan? Heeft te Lommel de geest van den gierigen pachter Adriaans niet gespookt en rondgedwaald, totdat zijn verborgen geld door zijne kinderen was ontgraven?"

"Dit zijn altemaal inbeeldsels, Jakob."

"Gij lacht en gelooft mij niet, Willem? Welnu, luister wat mijn vader zaliger met zijne eigene oogen heeft gezien. Er was te Desschel een oude pachter, die zich had ontkleed, voordat hij slapen ging, gelijk het spreekwoord luidt. Dit is te zeggen, dat hij zijne pachthoeve en zijn goed aan zijnen zoon had afgestaan, mits vrijen woon en kost tot zijnen dood. Maar de oude man leefde te lang voor den ondankbaren zoon, en men spaarde op zijn voedsel en men behandelde hem zoo slecht, dat hij eindelijk van verdriet stierf. In plaats van den doode een goed hemd aan te doen, zooals het behoort, lijkte men hem met een oud, versleten hemd vol gaten. Welnu, wat is er geschied? De misdadige zoon, die zich zelven niets liet ontbreken, kwam in den nacht half bedronken van de kermis. Zijn weg leidde hem over het kerkhof. Daar stond de geest zijns vaders, die hem wachtte en hem het versleten hemd over het hoofd wierp. Dit hemd brandde hem als het vuur der hel, hij schreeuwde om hulp en wilde van het kerkhof vluchten, maar vooraleer hij den gewijden grond had verlaten, viel hij steendood op het gras. Men heeft des anderen daags zijn lijk daar vinden liggen, en mijn vader heeft het helpen wegdragen. Het was geheel zwart. Wat zegt gij daarvan?"

"Ik zeg, dat de man waarschijnlijk aan het overmatig gebruik van sterken drank is bezweken. Niemand was tegenwoordig, toen hij stierf. Hoe weet men dan, wat er met hem en met eenen geest zou geschied zijn? Gij begrijpt, Jakob, dat dit een vertelsel is, dat men naderhand heeft uitgevonden."

"Zijt ge nog niet overtuigd?" mompelde de hovenier verwonderd "Ik zal u wel honderd geschiedenissen van geesten vertellen, de eene veel meer waar nog dan de andere. Bij voorbeeld, daar was Mie Katrien, de vrouw van den wagenmaker...."

Willem vreesde nog vele zulke geschiedenissen te moeten aanhooren, hij had overwogen, dat, indien hij den eenvoudigen man in zijn geloof aan spoken en geesten bleef wederstreven, er geen eind aan komen zou, en hij dus van hetgeen hij wilde weten niets kon vernemen.

Hij onderbrak zijne rede en zeide:

"Hoor, Jakob, ik beweer niet, dat er volstrekt geene geesten zijn."

"Ha, ha, ik wist wel, dat ik u zou overtuigen!" juichte de grijsaard. "Gij stamt af van Christelijke ouders, Willem."

"Maar, Jakob lief, men kan een goed Christen zijn zonder aan al die vertellingen van spoken en geesten te gelooven. Integendeel, bijgeloovigheid is eene groote zonde. Dan, genoeg daarover. Gij vergeet, mijn vriend, wat gij beloofd hadt mij te verklaren. Mijn oom is niet ziek, en toch zou hij binnen vier dagen sterven? Dit schijnt mij ook een vertelsel, want hoe zou het kunnen geschieden? Mijn oom, die, ik twijfel er niet aan, een verstandig man is, zal toch zich zelven niet gaan dooden? Wat hebt gij dan, Jakob? Het is, alsof gij verbleektet en benauwd waart?"

"God beware alle menschen voor zulken ijselijken dood!" zuchtte de hovenier.

"Maar welken dood, om 's hemels wil? Gij maakt mij dwaas en dom, Jakob!" riep de jongeling met spijtig ongeduld.

Er heerschte eene wijl stilte, gedurende welke Jakob Mispels zijnen moed scheen samen te rapen. Dan mompelde hij met teruggehoudene stem:

"O, Willem, gij zult ook wel verbleeken en beven, kind. Ik heb u dit niet seffens willen zeggen, om u niet plotselijk te ontstellen. Mijn arme meester maakt mij wijs, dat hij door eenen geest het uur zijns doods heeft vernomen, maar het is niet waar. Ik weet het beter. Het is zoo schrikkelijk! Op het oogenblik dat ik u die droeve veropenbaring wil doen, klopt het hart mij in den boezem als een hamer. Willem, gij gaat vernemen waarom uw oom, zoo jong nog en in volle gezondheid, moet sterven! Houd u moedig en bedwing uwe smart: er is toch niets aan te doen."

Hij boog het hoofd naar den jongeling en mompelde met sombere stem aan zijn oor:

"Uw oom, uw oom heeft zijne ziel aan den duivel verkocht, en zijn tijd is om!"

"Ha, ha, mijn goede Jakob, hebt gij ze nog wel alle vijf?" riep Willem lachend uit. "Waar zijn toch uwe zinnen? Dat de duivel den mensch tot kwaad verleidt, daaraan twijfel ik niet, maar dat hij zielen zou koopen? Kom, kom, gij houdt mij voor den zot."

"Gij gelooft het alweder niet?" riep de oude man met zekere spijtigheid. "Kent gij de geschiedenis niet van _Doctor Faussius_ en zijnen duivel _Mistoffel_?"

"Faust, Mephistopheles, wilt gij zeggen? Een vertelsel uit den ouden tijd."

"Uit den ouden tijd? Wilt gij iets weten, dat nog zoolang niet is geschied? Mijn grootvader heeft de lieden gekend. Een uur van hier ligt het gehucht Boterhoek; daar woonde een pachter, die veel tegenspoed had gehad. Er kwam een jaar, dat zijn oogst goed gelukte, en zijn koren stond reeds afgepikt op het veld, toen de bliksem zijne schuur in brand stak en ze tot den grond vernielde.... Neen, Willem, wees niet ongeduldig, laat mij spreken. Ik heb het noodig; het doet mij zoo goed! Sedert tien jaar moest ik van den morgen tot den avond zwijgen. Wij hebben tijds genoeg, nog ten minste een uur en een half, eer uw oom spreekbaar worde."

"Het zij zoo!" zuchtte de jongeling ontmoedigd, "ik zal pogen aandacht op uwe woorden te geven."