De Ziekte der Verbeelding

Chapter 11

Chapter 111,042 wordsPublic domain

En hij sloeg zich de handen voor het aangezicht en stortte tranen van spijt en verdriet, omdat hij, in stede van naar zijne gewaande wereld der zielen verhuisd te zijn, zich nog in stoffelijken vorm op aarde bevond.

Theresia liet hem eene wijl aan zijne droefheid overgeleverd, totdat hij zijn aangezicht weder ontdekte. Dan voegde zij de handen te zamen en smeekte met eene zoo zoete stem, dat de klank er van alleen het hart ontroerde:

"O, mijn goede oom, heb toch eenig medelijden met mij! Zie mijne tranen. Ik heb God zoo vurig gebeden, dat Hij u liete leven. Mijn gebed is verhoord, en gij wilt sterven? Gij zoudt dus tegen den Hemel zelven opstaan, om ons, die u zoo innig beminnen, met smart en met wanhoop te overladen? Onmogelijk, zulke wreedheid is vreemd aan uwe milde natuur. Gij kunt de waarheid niet meer loochenen: vermits gij nog leeft, was het eene dwaling, te gelooven dat gij moest sterven."

"Ja, ja, het was eene dwaling," morde hij, "maar er zijn misleidende geesten."

En de hand van zijnen neef grijpende, zeide hij klagend:

"Willem, Willem, het was een spotgeest! Hij heeft mij jaren lang bedrogen. Indien ik nog niet onmiddellijk tot de wereld der zielen mag opvaren, zullen wij te zamen eenen rechtzinnigen geest zoeken, en wij zullen hem vinden, wees zeker.... Maar, indien hij mij insgelijks aangaande uw huwelijk had misleid? Gij zijt vrij, mijn neef; alhoewel uwe nicht een goed en liefderijk meisje is, zijt gij niet verplicht met haar te trouwen."

"Het is de wil van God: wij moeten vereenigd worden, om te zamen u gelukkig te maken, oom lief," mompelde Willem, die schier niet spreken kon van ontroering.

"Mij gelukkig maken?" herhaalde Reimond met eenen lichten spotlach. "Gij meent dus, dat ik nog lang op aarde zal blijven?"

"Ja, ja, weldoener mijner ouders, ja, goede oom, gij zult leven tot eenen hoogen, zaligen ouderdom!" riep Theresia, hem streelend de armen om den hals slaande. "Tot nu toe was de wereld voor u eene sombere, droeve eenzaamheid. Wij zullen ze rondom u verlichten, al die vijandige gepeinzen van u verjagen en u bewijzen, dat God de aarde schoon en vroolijk genoeg heeft gemaakt, om er geduldig te wachten totdat Hij ons roepe. Bezie mij. Die oogen stralend van genegenheid tot u, dat voorhoofd waarop de mismoed nog geene rimpelen heeft gegraven, die mond u toelachend van dankbaarheid, zullen zij u niet meer verheugen dan het grimmig doodshoofd, waarop gij jaren lang hebt gestaard? Ach, aanvaard het leven, dat u overblijft. De bloemen des moeds en der blijheid zullen voor uwe voeten ontschieten bij elken stap. Gij zult eten, sterk worden, de milde natuur beminnen; wij zullen wandelen, rijden, op reis gaan, zingen, juichen, God danken, weelde rondstrooien, de armen helpen, in de liefdadigheid de zon zoeken, die uw edelmoedig hart met het licht der zelfvoldoening moet vervullen! O, ik smeek u, geef mij een troostend woord! Droog mijne tranen; zeg, dat gij niet meer wilt sterven!"

Reimond scheen half overwonnen; doch hij worstelde nog en schudde twijfelende het hoofd.

Willem trad nader.

"Oom lief," sprak hij met eene stem, die van diepe ontsteltenis getuigde, "wat Theresia u voorspelt, zal waarheid worden. Ons gansche leven, elk oogenblik van ons bestaan zal aan uw geluk worden toegewijd. O, weersta haar gebed niet langer; verjaag het ziekelijk denkbeeld des doods! Waarom nog denken aan de openbaringen van eenen geest, die u zoo wredelijk heeft bedrogen?"

"En gij zult mij helpen om eenen goeden geest te vinden?"

"Ja, ja, ik zal al doen wat gij verlangt."

"Hij is gevonden, de goede geest!" juichte Theresia. "Ik ben de goede geest; ik zal u verdedigen tegen de bekoringen van de vijanden der ziel!"

"Welnu, kinderen," riep Reimond, de armen openende, "zijt tevreden, ik zal leven zoolang het God belieft!"

Een zegevierende schreeuw klonk door de zaal, en de beide jongelieden sprongen juichend de omhelzing van hunnen oom te gemoet.

De pastoor schouwde dankend ten hemel.

Jakob danste, Peternelle lachte, en Nox, de hond, liep kwispelstaartend en van vreugde knorrend rondom het bed.

* * * * *

Nu is Wildenborg een schoon buitengoed. Wegen en dreven zijn door het bosch getrokken; het kasteel is hersteld en glanst uit de verte door het blinkend wit zijns gevels en het helder-groen zijner vensters. Geen onkruid meer in den hof; slingerende paden, lustboschjes en bloemen overal. De lucht is er beladen met balsemgeuren; de eenzaamheid is er bezield door den zang der vogelen en door de galmen eener zoetluidende vrouwestem, welke des avonds begeleid wordt door de klanken der piano of der luit. Men houdt er dienstknechts, meiden en hoveniers. Er is dikwijls gezelschap; somwijlen rijden er op éénen dag vier of vijf koetsen door den hof; somwijlen ook is het als eene processie van arme menschen, die de dreef instapt om naar het kasteel te gaan, waar de pastoor, in naam der eigenaars van Wildenborg, milde en overvloedige aalmoezen uitdeelt.

Mijnheer Reimond leeft nog; hij wandelt gansche dagen in den hof; hij is zelfs liefhebber van bloemen geworden en lacht niet zelden de natuur aan als ware het leven op aarde hem zoet.

Wel heeft hij nu en dan neiging naar eenzaamheid; wel schijnt hij nog immer aangedreven om opnieuw in gemeenschap met de geesten te komen; maar zoohaast zijne afgetrokkenheid of de vastheid van zijnen blik die strekking verraadt, omringen hem geesten van eenen anderen aard, engelen, die hem geene rust laten en tegen zijne geheime gepeinzen worstelen, totdat ze weder geheel zijn overwonnen en verjaagd.

Deze goede geesten zijn Willem en zijne echtgenoote Theresia; deze beschermengelen zijn hunne vier lieve kinderen, die geleerd hebben, den ouden oom te beminnen, en die hem tergen en op zijnen rug klimmen, en hem streelen en hem zoenen, totdat de glimlach der voldoening zijn gelaat kome bestralen.

Jakob Mispels rust op het kerkhof onder een schoon kruis; Peternelle woont nog in haar huisje, en heeft eene meid, om haar te dienen.

Nox, de hond, is van ouderdom half lam; maar het arme beest doet nog geweld om zich dankbaar te toonen voor zijne meesters en hunne kinderen, die allen jegens hem goed zijn en voor hem zorgen.

[Voetnoot 1: Necromancie]

[Voetnoot 2: Phrenologie.]

End of Project Gutenberg's De Ziekte der Verbeelding, by Hendrik Conscience