De Ziekte der Verbeelding

Chapter 10

Chapter 103,859 wordsPublic domain

En inderdaad, de doffe zuchten dezer lieden, die stom als steenen beelden rondom het bed van eenen stervende zaten; de versmachte snikken van Theresia, het sissend geprevel der oude Peternelle; maar bovenal de krijschende metaalklank, door den slinger van het uurwerk voortgebracht, dit alles stoorde de stilte om ze gevoelbaarder, eendiger en geheimzinniger te maken.

Mijnheer Reimond lag roerloos op het bed en scheen reeds dood te zijn; maar met veel aandacht kon men bemerken, dat hij nu en dan op eene verborgene wijze zijne oogen half opende, om naar het uurwerk te zien en dus den gang des tijds gade te slaan, als vreesde hij het juiste oogenblik zijner opvaart naar de andere wereld te missen. Dit uurwerk was het beeld des doods, dat hij den hovenier had doen naar boven brengen en op de schouwplaat had doen zetten.

Sedert langen tijd hield Theresia insgelijks den blik op den Dood gevestigd: want de noodlottige vinger naderde allengs tot het elfde uur.

Het meisje ging met onhoorbaren stap naar een nachttafeltje, dat achter het hoofdeinde van het bed stond, goot daar iets in een glas water en kwam dan weder bij den zieke.

Zij stak hare linkerhand onder zijn hoofd en lichtte het op, wat geweld hij ook deed om deze poging te wederstaan.

"Nicht, nicht, gij zijt onmeedoogend," zuchtte hij. "Laat mij in vrede deze opperste worsteling doorstaan. Mijne gebeden blijven dus onmachtig tegen uwe zinnelooze hoop? Wat wilt gij?"

"Oom lief," zeide zij, "uw adem ratelt zoo dor; het snijdt mij door het hart; gij vergaat van dorst. Ach, doe uw arm lichaam niet nutteloos lijden! Hier is water; drink eene teug."

"Drinken?" morde de zieke, "mijn lichaam is dood. Drinken de zielen? Verwijder dit glas van mijne lippen, en maak mijne laatste oogenblikken niet pijnlijk."

"Uit medelijden met mij, ik bid, ik smeek u, goede oom!"

"Neen, neen, ik heb geenen dorst. Achteruit, nicht, gij martelt mij."

"Onbegrijpelijke verdwaaldheid!" zuchtte het meisje. "Gij weigert te drinken, omdat gij vreest, dat een glas water uw leven zou kunnen verlengen? En gij gelooft in de macht der geesten!"

"Laster, laster!" gromde Reimond. "Ha, ik vrees te drinken!"

En verstoord en met bevende lippen ledigde hij het glas water.

Hij aanschouwde de maagd met eenen grijnslach en zeide verwijtend:

"Hoe bitter! Een geneesmiddel? Aan mij? Gij blijft dus hardnekkig hopen, arme dwaze? Mijn dood alleen kan u overtuigen? Welaan, heb nog een beetje geduld: op den slag van middernacht zult gij gelooven."

Het uurwerk hergalmde elfmaal.

De zieke richtte zich half op en zeide:

"Vrienden, treedt nader; het laatste uur van mijn tegenwoordig aardsch leven is begonnen. Ik verlang, dat de klank uwer stem mij niet meer store. Mijne ziel moet pijnlijk arbeiden om los te raken uit hare stoffelijke banden, en telkenmaal dat gij hare aandacht van deze drukke worsteling afkeert, doet gij haar onuitsprekelijke smarten doorstaan. Vooronderstelt, dat ik nu, op dit oogenblik, ga sterven, en neemt afscheid van mij, een voorloopig, een tijdelijk afscheid; want onze zielen zullen elkander daarboven in de ruimte wederzien."

Hij reikte de hand tot den pastoor en sprak met eene heldere, onverzwakte stem:

"Vader, ik dank u uit den grond des harten voor uwe vriendschap en voor uwen goeden, oprechten raad. Kon ik hem niet geheel volgen, vergeef het mij. Vaarwel, en herinner u mijner in uwe gebeden."

De priester wilde zijne vermaningen herhalen en den zieke tot een klaarder besef van zijnen toestand en van zijne Christelijke plichten roepen; maar mijnheer Reimond onderbrak zijne woorden en zeide:

"Ja, eerwaarde, ik weet het wel, gij hebt gelijk: de mensch moet altijd God voor oogen houden en mag niet vergeten, dat belooning of straf hem wacht na elk leven. Maar wees gerust: ik sterf met betrouwen in Gods goedheid en met het vaste geloof in Zijne almacht en in Zijne rechtvaardigheid. Zeker, ik heb niet geleefd zonder zonde en zwakheid; mij berouwt het te laat. Ik zal er voor boeten daarboven. Nog meer dan eens zal ik moeten leven, strijden en lijden, vooraleer de plaats van eenen der gevallene engelen te bekomen; maar wat doet het, indien ik toch eindelijk, al ware het zelfs na duizend levens, den grooten God in der eeuwigheid mag loven en dienen?"

Hij nam opvolgend de hand der andere tegenwoordige personen.

"Gij, mijn neef," zeide hij, "zult waarschijnlijk eens door het verkeer der geesten den kortsten weg naar de volmaaktheid vinden. Ik zie met vreugde, dat gij ten minste eene ijdele hoop hebt verzaakt en mij toelaat te denken, dat gij mijnen dood als onfeilbaar aanvaardt. Wanneer gij de echtgenoot uwer nicht zult geworden zijn, blijf haar beminnen en liefhebben. Weigert haar gemoed aan de macht der geesten te gelooven, verschoon de zwakheid harer natuur. Zij heeft een goed hart; en dewijl zij u voorbestemd was door God, moet gij overtuigd blijven, dat de geest van het doodshoofd de waarheid zeide, toen hij openbaarde, dat zij alleen op aarde u kan gelukkig maken.... Nicht, het gevoel der liefde en der dankbaarheid is machtig in u; keer die krachten uwer ziel op uwen man en op uwe kinderen; en dus de heilige plichten der vrouw en der moeder vervullende, zult gij eens met hem, met hen en met mij vereenigd worden in den schoot van God, bron der volledige zaligheid."

De hovenier en zijne vrouw stonden beiden te weenen voor het bed; de smart van Jakob Mispels was zoo luidruchtig, dat zijne snikken door de zaal galmden.

"Mijn arme Jakob, mijne goede Peternelle," zeide de zieke, "waarom dus tranen storten? Zijt getroost. Wist gij hoe het in de andere wereld met de zielen staat, gij zoudt juichen en mij gelukwenschen.... Vaartwel, mijne vrienden. Het is geen afscheid, dat ik van u neem; morgen ben ik hier terug, wel is waar zonder lichaam, maar veel machtiger en zuiverder. Mijne ziel zal tusschen u allen wonen, ik zal u zien en hooren en mij verblijden in uw minste geluk.... Nox, Nox! Ha, daar zijt gij.... mijn trouwe gezel. Kom, dat ik u nog eens.... nog eens. Wat gebeurt mij?... Er schiet eene wolk voor mijne oogen. Nox, ik heb voor u.... mijne krachten falen.... de ziel worstelt.... zij worstelt woedend.... woedend tegen het zelfzuchtig lichaam.... vaartwel.... vaartwel!"

En deze laatste woorden stamelende, liet mijnheer Reimond zich als ontzenuwd en machteloos op het kussen nedervallen; hij wreef zich over de oogen en wilde nog spreken, doch de verwarde woorden, die zijnen lippen ontvielen, verstierven allengs tot een onduidelijk gesuis, en eindelijk scheen alle beweging in hem opgehouden.

Het was een oogenblik van uitersten angst; allen staarden stom en bleek op den zieke, in de smartelijke meening, dat hij inderdaad ging sterven. Jakob Mispels alleen glimlachte en hief de handen dankend ten hemel, terwijl hij in zich zelven mompelde:

"Ha, ha, hij is dood! God zij geloofd, de vijand komt te laat!"

Eene lange wijl bleef de pastoor, met het hoofd over den stervende gebogen, zijne ademing afluisteren; hij voelde hem insgelijks de borst, en keerde zich eindelijk tot het meisje en tot Peternelle, die met de handen voor de oogen stonden te snikken.

"Neen, mijne kinderen," zeide hij, "levert u nog niet geheel over aan de smart. Het lange spreken moet den zieke vermoeid hebben. Ik begrijp het niet, zijn hart klopt regelmatig en zijne ademing is vrij en rustig. Verliest den moed niet: de doodsstrijd is nog niet begonnen. Laat ons bidden!"

Bij het hooren dezer woorden slaakte Jakob Mispels eenen pijnlijken kreet. Hij had reeds gejuicht over den natuurlijken dood zijns meesters als over eene zegepraal op de hel. Wreed was hem de onverwachte teleurstelling; het geloof aan het schrikkelijk einde van mijnheer Reimond ontstond met nieuwe kracht in zijnen geest. Hij keerde langzaam terug naar zijnen stoel, en liet er zich zuchtend op nedervallen.

De andere aanwezige personen hadden de aanbeveling des priesters gehoorzaamd en baden met vurigheid.

Er heerschte dus weder eene volledige stilte;--maar de vinger des Doods ging intusschen vooruit op de uurplaat, en welhaast zou hij het gevreesde getal XII bereiken.

Allen bemerkten het wel; want, ofschoon biddend, keerden zij met immer aangroeienden angst nu en dan het oog naar het uurwerk. Geen hunner die niet geloofde, dat Reimond op den slag van middernacht zou sterven; zij beschouwden den ongelukkigen man als krankzinnig, en twijfelden niet, of zijne zieke verbeelding zou macht genoeg hebben om zijnen levensdraad op het aangekondigde oogenblik te breken. In den geest van Willem was de onfeilbaarheid van den dood zijns ooms eene zoo sterke overtuiging, dat hij niet de minste vonk der hoop had behouden.

Jakob Mispels scheen vernietigd; hij had zich het aangezicht met de handen bedekt, uit vreeze van ijselijke dingen te zien, en zat diep voorovergebogen als iemand, die zich zoo klein mogelijk maakt en den rug biedt aan de slagen des vijands.

Evenwel blikte hij somwijlen door zijne vingeren naar de uurplaat, en telkens sidderde hij van top tot teen; want de vinger des Doods raakte schier het noodlottig getal. Ook zijne ooren stonden gespannen om het minste gerucht op te vangen, hoe onduidelijk en geheimzinnig het mochte zijn. Wat hem onmatig verschrikte, was, dat hij sedert eenigen tijd het geknor van Nox niet meer had gehoord. Waar was de hond? Was hij bezig met zijne gedaante te veranderen?

Eensklaps deed het uurwerk de lucht onder eenen scherpen metaalklank sidderen; terzelfder tijd ontstond er een pijnlijk gehuil in het donkere gedeelte der zaal. De hovenier slaakte eenen snijdenden schreeuw, sprong recht en vluchtte kermend de deur uit; maar de duisternis van een gang dreef hem terug in het vertrek. Hij liet zich geknield ten gronde vallen en hief de bevende armen in de hoogte, terwijl hij, halfdood van schrik, in onverstaanbare woorden 's hemels bijstand afsmeekte. Elke slag van het uurwerk vermeerderde zijnen angst en ontrukte hem eenen nieuwen noodkreet; maar toen hij ook den twaalfden klank had hooren versterven, zonder dat eenig bovennatuurlijk wezen zich had vertoond, stiet hij eene lange ademing uit, als viel er een zware steen van zijn hart, en een zucht van blijdschap welde op uit zijnen verengden boezem.

Hij stond op, blikte rond met wijdgeopende oogen en naderde tot het bed, waar de andere personen hijgend, stil en roerloos op den zieke staarden, in afwachting van zijnen laatsten snik.

Reeds was de vinger des Doods op de uurplaat zichtbaar vijftien minuten voorbij het getal XII gevorderd, en nog niemand had een woord gesproken. Wel was er een klank als een kreet van blijdschap uit den mond der maagd ontsnapt, maar de pastoor had door een gebiedend teeken haar de stilte bevolen, terwijl hij, met de hand op het hart van den zieke, den doodsstrijd volgde.

Eindelijk zeide de priester:

"Het is onbegrijpelijk: zijn polsslag, ofschoon een beetje verzwakt, is nog regelmatig. Hij zal sterven waarschijnlijk; doch het zal nog niet in het eerste uur zijn. Misschien zal zijn doodsstrijd zich verlengen tot den morgen. Hij schijnt nu rustig ingesluimerd."

Theresia lachte en dankte God met opgehevene handen, als waande zij haren oom van den dood gered.

Willem stond verbaasd te kijken; hij kon schier niet gelooven, dat de voorzegging, die mijnheer Reimond van den geest beweerde ontvangen te hebben, onvolvoerd kon blijven.

Jakob Mispels, nu van zijnen schrik verlost, had grooten lust om te dansen en te zingen; hij liep met zwaaiende armen door de zaal en stapte zelfs geruchtmakend tot verre in de duisternis, als wilde hij Nox uitdagen en bespotten; maar het beest sliep ongetwijfeld, want het roerde zich niet.

"Blijft stil, kinderen," zeide de pastoor. "Heeft mijnheer Reimond zich misgrepen over het juiste uur zijns doods, dit is geenszins verwonderlijk; maar dit mag ons niet doen denken, dat hij heden de wereld niet zal verlaten. Matigt uwe aandoeningen, vrienden; gij bereidt u nieuwe smarten."

Nog eens den toestand van den zieke onderzocht hebbende, keerde de priester zich tot het meisje en zeide:

"Uw oom schijnt te slapen. Gij hebt hem een geneesmiddel doen drinken. Wat was dat geneesmiddel?"

"Ik weet het niet, eerwaarde," was het antwoord. "Willem heeft het te Leuven van eenen dokter gekregen."

Zij stapte tot den nachttafel, greep daar een klein fleschje en reikte het den geestelijke, die het nauwkeurig bekeek en eindelijk eenen druppel er van aan zijne tong bracht.

"Opium!" mompelde hij. "Nu begrijp ik ten volle: gij hebt uwen oom eenen slaapdrank ingegeven.... Juich niet zoo onvoorzichtig, mijne dochter. Indien hij nimmer uit dien slaap moest opstaan?"

"Maar, eerwaarde," kreet het meisje met eene blijdschap, die zij moeielijk kon bedwingen, "het is eene eerste zegepraal op de ziekte der verbeelding en op den dood. Indien mijn oom ontwaakt, zal hij zelf erkennen, dat zijn geloof in de geesten hem heeft bedrogen; en, blijft hem nog de kracht over om eenige dagen te leven, dan zal ik hem wel genezen, twijfel daar niet aan."

"Mocht uwe hoop zich verwezenlijken, mijne dochter," zeide de priester, het hoofd schuddende; "maar het is niet waarschijnlijk, dat uw liefderijke wensch verhoord worde. Zulke ziekte der verbeelding laat zich niet door eene enkele teleurstelling overwinnen. In alle geval, God is almachtig; Hij kan wonderen laten geschieden. Smeeken wij Zijne genade af; onze eenige toevlucht is Zijne barmhartigheid voor eenen armen zinnelooze. Bidden wij!"

En de pastoor maakte het teeken des kruises, trok eenen stoel bij, knielde en liet het hoofd diep op de borst vallen.

De anderen volgden zijn voorbeeld, en het werd zoo stil in de zaal, alsof er geen levend wezen ware tegenwoordig geweest.

VIII.

De zon was glansrijk aan den zuiveren hemel opgerezen en een stralend licht overstroomde het kasteel van Wildenborg. Mijnheer Reimond was nog niet dood. Wel had hij de voortduring van zijn leven door geene enkele beweging verraden; maar hij ademde nog immer als iemand, die in eenen diepen slaap ligt gedompeld.

Op het aandringen van Peternelle, was de pastoor met Willem naar haar huisje gegaan, om er eenen tas koffie en eene boterham te nemen; want de goede vrouw begreep wel, dat dit lange waken hun het nuttigen van eenig voedsel noodig had gemaakt.

Willem zat aan de kleine tafel voor den priester, en zeide in gepeinzen:

"Hoe zwak is toch het menschelijk verstand en hoe kan zijne verbeelding tot wonderlijke dwaalbegrippen verdolen! Mijn oom heeft mij uitgelegd, welk zijn leerstelsel is aangaande zijn geloof in de geesten. Zijne woorden verbaasden mij; zijn stelsel scheen mij redekundig en samenhangend als de leering van eenen volledigen godsdienst. Ik gevoelde eene zonderlinge bekoring om de mogelijkheid zulker dingen te erkennen; en waarlijk, eerwaarde, ofschoon ik in mij zelven zeide, dat het hoofd mijns ooms moest ontschikt zijn, twijfelde ik of hij misschien niet klaarder dan anderen in de bovennatuurlijke wereld en in de toekomst zag. Dan, dit was slechts eene begoocheling mijner zinnen; nu is het mij genoegzaam bewezen, dat de gedachten mijns ooms niets dan ziekelijke hersenschimmen zijn."

"Ja, mijn zoon," sprak de pastoor, "de hersens des menschen vormen een zeer ingewikkeld en uitgebreid zintuig. Er is geene onzer aandoeningen, onzer hartstochten, onzer neigingen of onzer noodwendigheden, die niet met ziekelijke afdwaling of met geheele verdooldheid kan worden geslagen. Vroeger ben ik jaren lang aalmoezenier in een groot zinneloozenhuis geweest. Daar ziet men allerlei krankheden en gebreken, evenals in een hospitaal, met dit verschil dat niet het lichaam of de leden ziek zijn, maar wel de wortelen der zenuwen, die uit de hersens ontschieten. Ik heb honderden krankzinnigen gezien, die keizer en koning, ja, door ziekelijken hoogmoed zelfs heilig of paus of God meenden te zijn, velen roemen op het bezit van duizenden millioenen of van gansche landstreken; sommigen haten iedereen, anderen smelten van teederheid en vriendschap voor menschen en dieren, of schrikken van een blad, dat beweegt, of wanen zich oorlogsheld, geleerde of uitvinder van wonderlijke dingen. Maar de ziekte uws ooms is eene gansch bijzondere, eene uiterst gevaarlijke, die vroeger niet bestond en eigen is aan onze eeuw van twijfel en ongeloovigheid. Kon men door eene valsche wetenschap de noodzakelijkheid der hoop op een toekomstig leven geheel uit het hart der menschen rukken, het ware zeker een eindeloos ongeluk; maar de ziekte, waaraan uw oom nu lijdt, zou niet bestaan."

"Ik begrijp niet, eerwaarde," zeide de jongeling, die met gespannen aandacht luisterde en zelfs vergat te eten.

"Inderdaad," was het antwoord, "zonder ondervinding der zaak is het moeielijk om te begrijpen. De mensch is geboren met een innig gevoel der eeuwigheid van zijn eigen wezen; dit gevoel zegt hem, dat niet alles met den stoffelijken dood kan eindigen, en dat zijne ziel zal opvaren naar eene andere wereld, om daar belooning of straf voor zijne daden te vinden. Deze overtuiging maakt deel van de menschelijke natuur; zelfs de Wilden, die slechts een duister besef van het bestaan der Godheid hebben, eeren hunne dooden, offeren hun voedsel en betuigen, dat zij aan het voortbestaan des menschen na den dood des lichaams gelooven. Wat doet men nu, onder voorwendsel van wetenschap of van mode? Men spoort de lieden aan, om de geheimenissen van den Godsdienst te loochenen en te verwerpen, alleenlijk omdat het geheimenissen zijn, en ze niet door de menschelijke rede alleen of door stoffelijke middelen kunnen worden bewezen. Maar men versmacht niet zoo gemakkelijk de noodzakelijkheid onzer natuur om op de toekomst te hopen, en men belet onzen geest niet zoo lichtelijk onverpoosd in de hoogte te zien naar het raadselwoord onzer bestemming. Er komt dan een oogenblik, dat deze noodzakelijkheid weder de overhand verkrijgt, en dat men bezwijkt onder de onweerstaanbare strekking onzer ziel naar het bovennatuurlijke. In stede van alsdan terug te keren tot den godsdienst, die de oplossing dezer vraagpunten door eeuwenoude openbaring heeft ontvangen, blijft men slaaf der mode, welke in zeker gedeelte der samenleving heerscht; en, om aan eene valsche schaamte te ontsnappen, wil men hetzelfde doel langs eenen anderen weg bereiken. Dan dwaalt het menschelijk verstand zonder licht of leiddraad in de onzichtbare wereld der geesten; de verbeelding, dus vlottend op de donkere zee der bovennatuurlijke dingen, kan noch kust noch haven vinden om te rusten. Door eenen altijd klimmenden hoogmoed verleid, schept zij stelsels en leeringen, die anders niets zijn dan de misvormde openbaringen van het geloof, waarvan zij, eilaas, de zuiverheid heeft verduisterd. Wat anders is het stelsel van uwen oom en van anderen nog, dan eene belachelijke nabootsing der leerregels van den godsdienst? Men wil niet meer gelooven, en men is evenwel door zijne ingeborene natuur gedwongen te gelooven. Dan neemt men zijne toevlucht tot draaiende tafels, tot slapende profeten, tot sprekende geesten en andere hersenschimmige dingen; en, terwijl men alle geheimenissen en wonderheden verwerpt, gelooft men zich zelven eenen mirakeldoener en eenen geestendrijver! En wat is dikwijls het einde daarvan? Het krankzinnigenhuis."

"Wonderlijk toch," bemerkte Willem, "dat een geleerd en anders verstandig man, als mijn oom, tot het geloof aan zulke onbestaanbare dingen kan verdolen!"

"Het is geenszins wonderlijk, mijn zoon," antwoordde de pastoor. "Gij hebt gezien, hoe de arme Jakob Mispels onophoudend door hersenschimmige gevaren wordt gefolterd, hoe de vrees voor spoken en duivels zelfs het besef van Gods almacht en rechtvaardigheid in hem verduistert? Dit is het bijgeloof der eenvoudige en ongeleerde lieden, wanneer zij door afdwaling des gevoels de leering van den godsdienst overdrijven. Zoo is integendeel de dweperij met kloppende tafels, sprekende geesten en andere dingen van dien aard het bijgeloof van de hoogere en middelbare standen der maatschappij, inbeeldsels, even belachelijk als de droomen van Jakob Mispels, en zeker min verschoonbaar. Laat iemand beweren, dat hij het middel heeft gevonden om eenen hoed te doen spreken of eenen slapende door de muren te doen zien, even ras is de gansche wereld er mede bemoeid. Niet de arme eenvoudige lieden, neen, rijken en geleerden, dames uit de groote wereld, wijsgeeren, dokters, staatkundigen. Zeker, velen leenen zich uit scherts of uit mode tot zulke algemeene ingenomenheid; maar zij zijn niet min schuldig aan de gevolgen dezer afdwaling van het besef der waarheid en der wezenlijkheid. Het bijgeloof aan geesten en aan verborgene geheimzinnigheden is uiterst besmettelijk. Nauwelijks heeft zulke beklaaglijke hersenkoorts eenigen tijd geduurd, of de zinneloozenhuizen krielen van ijlhoofdige mirakeldoeners. En, eilaas, van alle ziekten des geestes is de verdwaling der verbeelding in het bovennatuurlijke de minst geneesbare!"

"Alzoo, eerwaarde, gij gelooft waarlijk, dat mijn arme oom zal bezwijken?" vroeg de jongeling met treurige stemme.

"Ik heb slechts eene zeer zwakke hoop, mijn zoon. Mij blijft altijd nog de vrees, dat hij uit den langen slaap niet zal opstaan, of slechts zal ontwaken om te sterven."

"Mijne nicht is zoo gelukkig nogtans; hare blijdschap verscheurt mij het hart."

"Mij boezemt het arme meisje insgelijks medelijden in," bevestigde de priester, het hoofd schuddende. "Zij schijnt haren oom met overdrevenheid te beminnen, en zij worstelt tegen den dood met eene heldhaftige standvastigheid. Wat smartelijke slag zal haar treffen, indien zij hare hoop teleurgesteld ziet!"

Willem meende nog zijne nicht te beklagen; maar daar kwam de hovenier met de armen in de hoogte de kamer ingesprongen, en riep:

"Mijnheer pastoor, mijnheer Willem, komt, komt, mijn meester leeft nog; hij heeft de handen verroerd en zich op de zijde gelegd in zijn bed!"

"Is hij ontwaakt? Heeft hij de oogen geopend?" vroeg de priester.

"Neen, neen; maar Theresia zendt mij om u te roepen."

"Misschien vreest zij, dat zijn uur is gekomen!" murmelde de pastoor.

"Kom, mijn zoon, wij zullen gaan zien. Houd u sterk; tranen noch klachten kunnen den dood verjagen, wanneer God hem toelaat tot een mensch te naderen."

Toen zij in de bovenzaal traden, zagen zij wel, dat Theresia hun teekens van blijdschap deed; maar iets anders dan dat de zieke op de zijde lag, bemerkten zij niet.

"Hij heeft zich verroerd, eerwaarde; hij gaat ontwaken!" murmelde Theresia met teruggehoudene stem.

"Is het niet eene krampachtige beweging, die hem heeft aangegrepen?" vroeg de priester even stil.

"Neen, neen, hij heeft zich langzaam en zeer zacht op de zijde gelegd. Ik meende hem te roepen; maar ik dorst niet, eerwaarde; gij hebt het mij verboden."

De pastoor naderde tot het hoofdeinde en sprak luid:

"Reimond, hoort gij mij?"

Eene siddering scheen de leden van den zieke te doorloopen. Hij opende de oogen zoo wijd en met zulken glasachtigen blik, dat Jakob Mispels, eenen angstkreet slakend, in de kamer terugsprong, als hadde een spook hem aangegrijnsd.

Mijnheer Reimond, alhoewel zijne oogen geopend waren, zag klaarblijkend nog niet, of ten minste de bewustheid en de herinnering waren nog afwezig; maar allengs kwam er leven in zijnen blik, en dan, den pastoor en het meisje verbaasd aanstarende, mompelde hij:

"In de wereld der zielen? Gij insgelijks? Er zijn jaren verloopen? Gij zijt allen gestorven?"

Theresia stak haren arm onder zijn hoofd en zoende hem, terwijl zij met tranen van geluk uitriep:

"Neen, neen, oom lief, wij leven en gij insgelijks! Gij zijt gered, de dood is overwonnen. God heeft u behouden voor onze dankbaarheid, voor onze liefde!"

"Gij leeft? Ik leef?" kreet Reimond met eene soort van afgrijzen. "Achteruit, weg, laat mij los!"

En, zittend in zijn bed zich oprichtende, staarde hij verstomd en bevend rond de kamer, als kon hij zijne oogen niet gelooven.

"De zon, de dag, het licht?" morde hij. "Zes uren? Ik ben niet dood? Eilaas, welk ongeluk! Ik wil niet leven, ik wil sterven!"