De Zaan en Waterland: Een kijkje in Noord Holland De Aarde en haar Volken, 1887
Part 4
Doch reeds hebt ge uw schreden gewend naar die andere kast, die door haar uitwendige pracht bijna de porseleinkast in de schaduw stelt. En inderdaad, zij is een prachtstuk, hoog, breed en diep, rijk met snijwerk versierd en met fijne houtsoorten, met ivoor, schildpad en zilver ingelegd. Dit schier vorstelijk meubel--en in waarheid, meer dan eene van zulke kasten is in later tijd naar koninklijke paleizen en prinselijke salons verhuisd,--heeft vier deuren en eene lade van onderen, mitsgaders verschillende laadjes en kastjes van binnen. Aan de eene zijde werd in deze kast het linnengoed, de trots en roem van elke hollandsche huismoeder, bewaard; in den anderen vleugel bergde men de kostbare, zware zijden gewaden, die van geslacht op geslacht overgingen en alleen bij plechtige feestelijke gelegenheden werden aangetogen.--Dat kleinere sierlijke kastje aan de overzijde, met zijn kunstig gedraaide pooten, bevat den schat der familie aan zilverwerk, alles wat voor de spijs- en theetafel noodig kan zijn, en dat alles van degelijk gehalte en van de beste keur. Messen, vorken, lepels, ja alle tafelgereedschappen zijn met figuren gegraveerd en zeer dikwijls met inscripties voorzien, die ons vertellen aan wien en bij welke gelegenheid zulk een voorwerp werd vereerd, van welk feit het de herinnering moet bewaren, of ook wel voor welk bijzonder gebruik het is bestemd. Let eens op die van robbevel vervaardigde, met parelmoer ingelegde en met zilver gemonteerde étuis, waarin de gasten vroeger, als zij ten maaltijd gingen, hun mes en lepel medebrachten; vorken kwamen hier eerst omstreeks het midden der achttiende eeuw in gebruik.--Maar vergeet vooral ook niet een blik te werpen op die reeks tabaksdoozen, deels van zilver, deels van koper, maar allen met meer of minder kunstig snijwerk en de meesten ook met een rijmpje versierd. En gewis zal die gouden pijpedop met kettinkje van hetzelfde metaal uwe aandacht niet ontgaan: te minder omdat uit het opschrift, dat nevens een bijenkorf en een Mercuriusbeeldje de pijpedop siert, blijkt dat deze rariteit een verjaargeschenk was, door de kinderen aan hun vader vereerd.
Hebben wij nu de zilverkast bewonderd, dan mogen wij de pronkkamer nog niet verlaten. Want om nu maar niet te spreken van het kleinere huisraad, staat daar nog achter in de kamer, tegenover de vensters, het monumentale ledikant, met zijn hoogen, prachtig met snijwerk en pluimen versierden hemel en gedraaide pilaren; met zijn geel damasten gordijnen, door roode zijden koorden en kwasten opgehouden; met zijne hoog opgestapelde, met kant omboorde kussens, zijn fijn linnen lakens, gekleurde dekens en zijn sprei van zware zijde. Ook dit ledikant is wederom een prachtstuk, dat echter, als het porselein, het zilver, de kleinoodiën, de kostbare kleedingstukken, ja de geheele kamer, nooit of bijna nooit gebruikt wordt.--Werp nu nog even een blik op de breede, met loofen snijwerk versierde schouw, met haar gedraaide kolommen, haar schilderstuk in het midden en haar breeden marmeren mantel, waarop kostbare porseleinen vazen zijn geplaatst,--en dan willen wij van dit vertrek afscheid nemen, na vriendelijken dank aan den huisheer, die dit heiligdom voor ons wilde ontsluiten. Want inderdaad, deze schier overvulde kamer, waar alle schatten en kostbaarheden der familie als in een museum zijn samengebracht, is een heiligdom, dat niet dan bij hoogst zeldzame gelegenheden door de leden des gezins betreden wordt, en waarin vreemden niet dan bij hooge gunst worden toegelaten. De zucht om met zijne schatten te pronken, om te schitteren en anderen door eene tentoonstelling van weelde te overtreffen, is den eenvoudigen Zaankanter vreemd. Zijne pronkkamer bevat voor eene zeer aanzienlijke waarde; maar de pronkkamers van zijne bekenden en buren zien er nagenoeg evenzoo uit: het is dus ten eenemale overbodig, die kostbare zaken aan elkander te laten kijken; ieder weet, dat het in een deftig zaanlandsch huis alzoo behoort.
Om den eigenaar van het huis in zijne gewone omgeving te leeren kennen, moeten wij hem dus volgen naar zijne huiskamer, die op den tuin en verder op de rivier uitziet. Ook deze huiskamer is een ruim vertrek, laag van verdieping; de vloer is met matten belegd, en de wanden zijn, boven de eikenhouten lambrizeering, met linnen behangsel bekleed, waarop gezichten aan de Zaan en tafereelen uit het bedrijf der Groenlandvaarders zijn geschilderd. De eikenhouten stoelen en tafels zijn meer soliede dan sierlijk; de laatsten zijn in den regel beschilderd, gelijk trouwens schier zonder uitzondering alle meubelen en alle voorwerpen van huiselijk en dagelijksch gebruik met snij- en schilderwerk, met opschriften, namen, rijmpjes zijn versierd. Op kunstwaarde kan die versiering in verreweg de meeste gevallen weinig of geen aanspraak maken; ook geeft zij ons niet altijd een hoog denkbeeld van den smaak des eigenaars, maar toch verdient zij ten volle onze aandacht, omdat zij ons vergunt een blik te werpen op eene zeer eigenaardige zijde van het leven onzer vaderen. Die behoefte om het huisraad en de voorwerpen, die ons dagelijks omgeven, aldus te doen spreken, tot getuigen, in zekeren zin tot deelgenooten te maken van ons persoonlijk leven, is ons ten eenemale vreemd geworden. Zij onder ons, die reeds de grenzen van den middelbaren leeftijd beginnen te naderen, herinneren zich nog wel de heilwenschen en beden op kopjes, borden en dergelijken, voor geschenken bestemd; maar ook deze flauwe echo van het verleden is weggestorven. Onze meubelen, onze huiselijke gereedschappen mogen sierlijker en vooral schitterender zijn dan vroeger, zij missen ten eenemale elk individueel karakter en staan in hoegenaamd geene betrekking tot ons persoonlijk leven. Hoe zou dit ook kunnen? Verreweg de meeste voorwerpen, die wij gebruiken, worden fabriekmatig vervaardigd en gelijken dus volkomen op elkander; zij kunnen in elke omgeving geplaatst worden en moeten in den regel slechts voor enkele jaren dienst doen. In vroeger eeuw liet de welgestelde burger zijne meubelen en zijn huisraad voor zich maken, naar eigen smaak en fantazie; die meubelen en die gereedschappen behoorden tot zijn persoon, tot zijne omgeving; zij vertegenwoordigden zijn eigen verleden en gingen, als erfstukken der familie, van vader op zoon over. Aan bijna elk van deze voorwerpen hechtte zich voor den volwassen man, voor de zorgzame huismoeder, eene persoonlijke herinnering uit de dagen der kindsheid en jeugd; zij maakten als het ware deel uit van hun eigen leven, en kregen bij elke nieuwe generatie hoogere waarde, als echte relikwieën der familie. Maar toen ook was de huiskamer het ware middelpunt van elks bestaan, waartoe ieder zich haastte terug te keeren, zoodra de dagtaak in werkplaats, winkel of kantoor was afgeloopen, en zoo vaak niet de plichten jegens stad of kerk of polder naar elders riepen. Onze uithuizigheid, ons leven op publieke plaatsen, ons rusteloos jagen naar allerlei soort van genot, dat ons vreemden maakt in eigen woning, was onzen vaderen geheel en al onbekend; en bij al hun vlijt en onvermoeide arbeidzaamheid was hun evenzeer onbekend die koortsige opgewondenheid, die hartstochtelijke drift, die overprikkelende, bedwelmende roes, die ons geslacht heeft bevangen, die wervelende maalstroom waarin wij leven en die ons, ook als de uiterlijke arbeid stil staat, toch innerlijk geene ruste meer gunt. Ons huis is voor steeds meerderen onzer eene tent, een logement geworden, waarin wij niet langer toeven dan strikt noodig is; hoe zouden wij bijzondere waarde hechten aan onze omgeving, of behoefte gevoelen aan een zekeren persoonlijken band tusschen ons en de voorwerpen, die wij heden in den eersten den besten winkel koopen, en morgen, als de gril der mode wisselt, naar een boelhuis zenden en door andere vervangen? Met een geheel ander oog bezag de Zaanlander zijne omgeving, als hij in zijne huiskamer, nevens de schouw, op de van ouds voor den heer des huizes bestemde plaats gezeten, met de voeten op het kurkenblad en met de onmisbare pijp in den mond, zijne blikken door het welbekende vertrek liet dwalen. Hij kent ze allen van kindsbeen af, die kasten en kastjes; hij weet wat ze bevatten; hij kent de rijmpjes op huisraad en tafelgereedschap van buiten en weet u de daarbij passende geschiedenis te verhalen; hij zou, in den donker, zonder aarzelen, den handmangel, de knipplank, de boodschapmand, den fraaien borstel met het geborduurde handvatsel, van den wand kunnen nemen. En wanneer gindsche staande klok, in haar sierlijk gesneden kast van notenhout, het uur slaat, dan herinnert hij het zich nog wel, mijmerende in het stille schemeruur, voor den breeden schoorsteen, eer de koperen luchter wordt aangestoken, die met zijn sober licht de rondom de schouw vergaderde huisgenooten beschijnt, maar het overige van het vertrek in geheimzinnige schaduw laat; dan herinnert hij het zich nog wel, hoe hij als kind, in stille verbazing en verrukking, naar die klok placht op te zien, wanneer, zoo vaak het vroolijk speelwerk zich hooren liet, er leven en beweging kwam in het arkadisch landschap boven de wijzerplaat. Hoe vaak gierde hij het dan uit van pret, als de haan begon te kraaien en te klapwieken met de vleugels, als de kippen gingen pikken naar haar voeder, als de koe begon te grazen, als de zwanen haar lange halzen uitrekten, als de molen begon te draaien, de boerendeern te melken, en de hengelaar een vischje ophaalde uit het water. De vreugde duurde maar kort, want had de klok geslagen, dan keerde alles weer tot de gewone rust en onbewegelijkheid terug, doch de verrassing was telkens nieuw; en in ieder geval, de oude klok, die niet alleen het uur, maar ook de maand en den dag van het jaar aanwees, deed haar best om het wel wat eentonige leven in de stille huiskamer op te vroolijken. Daarvoor was hij haar dankbaar: daarom voelde hij zich aan haar gehecht, aan haar en aan alle voorwerpen, die haar sinds jaren in de huiskamer omgaven, en die elk hunne eigene geschiedenis hadden. Uit dien folio Bijbel, met koperen beslag en fraaie platen, die daar, aan de andere zijde van den schoorsteen, nevens eenige andere boeken, tegenover hem ligt, leerde hij als kind, aan moeders knieën, die wonderheerlijke verhalen, waarvan de heugenis nooit werd uitgewischt; in gindsche hooge bedstede met haar groene gordijnen, waarvoor het sierlijk besneden en met eene stichtelijke spreuk versierde bankje met gedraaide pooten staat, blies zijn vader, die nog in zijne jeugd naar Groenland had gevaren, den laatsten adem uit. Nog heugt het hem hoe hij, als knaap, den dierbaren doode daar had zien liggen, gekleed in het fijn linnen doodshemd met zwarte strikken en randen, dat elke jonge man en elke jonge dochter bij het uitzet medekreeg. Nog ziet hij de zware eikenhouten kist, met het zwarte kleed overspreid, waarvan de plooien het aantal levensjaren van den overledene aanwijzen, midden in de pronkkamer staan, omringd door de vrouwelijke leden der familie, terwijl de mannen in het rond langs de wanden zijn neergezeten. Nog ziet hij zich zelven daar staan, aan het hoofdeneinde der kist, met de sidderende hand in de hand zijner schreiende moeder, in rouwgewaad gekleed; nog hoort hij de plechtig eentonige stem van den schoolmeester, die een paar hoofdstukken uit den Bijbel voorleest. Hij ziet weder de steeds gesloten voordeur opengaan, de kist op de baar plaatsen en door de gehuwde buren optillen en naar de kerk dragen. Hij volgde, aan de hand zijner moeder, met alle andere bloedverwanten en vrienden, mannen en vrouwen, en zag de kist nederdalen in den geopenden grafkuil. Toen wierpen de naasten in den bloede er eenige scheppen aarde op--en daarmede was de plechtigheid afgeloopen. Immers, de familie behoort tot de Hervormde kerk, tot de strenge richting; en gebeden of toespraken of andere plechtigheden bij het graf, zouden haar, als "paapsche stouticheden", een gruwel zijn geweest. Wel werd, na de terugkomst, in het sterfhuis door den predikant eene toespraak gehouden,--zoo zeer gevoelde men het, in spijt van het koude starre dogma, dat bij eene gelegenheid als deze de wijding en de troost der godsdienst niet ontbreken mag,--maar op het graf zelf mocht niets aan de vrome, aandoenlijk schoone en hart verheffende gebruiken en ceremoniën der oude Kerk herinneren. En toen werd er thee gedronken, en daarna koffie met krentenbrood en koek gebruikt, en werden, door den schoolmeester en nog een paar anderen, lijkdichten ter eere van den doode voorgelezen; en daarna werd het stil in huis, stiller dan het ooit geweest was.... En sedert was het leven zijn gewonen gang gegaan; hij was van knaap tot jongeling en man geworden, wiens kinderen en kleinkinderen het voorvaderlijk huis met telkens nieuwe lentevreugde vervulden, en wier kleine handjes hem, al lachende, voortduwden op den weg naar het graf. Wel, hij had zijn werk getrouw volbracht en God had zijn arbeid gezegend; hij had daarbuiten veel zien veranderen en een nieuwen tijd zien aanlichten, die ook voor zijn eigen omgeving, sinds eeuwen schier dezelfde gebleven, menige verandering brengen zou; die--zij het hier ook langzamer dan elders--het oude zou ondermijnen en sloopen en verdwijnen doen, om plaats te maken voor hetgeen nog de duistere toekomst in haar schoot verborgen houdt.
V
Vroolijk straalt de herfstzon aan den blauwen hemel, waarlangs witte wolkjes drijven, en giet haar licht uit over het landschap, dat reeds in gelende en bruine tinten de nadering van het najaar verkondigt. Wij hebben de bebouwde buurt langs den linkeroever van de Zaan achter ons, en rijden lustig en opgewekt over den straatweg, die ons naar Purmerend zal brengen. Het landschap draagt het bekende karakter; aanvankelijk, tot aan de buurt Het Kalf, waar de fraaie nieuw gebouwde katholieke kerk onze aandacht trekt, hebben wij nog telkens kijkjes op de breede Zaan met haar krans van molens, haar tuinen en bosschages; verder dwalen onze blikken over bijkans onafzienbare weilanden, door vaarten en slooten doorsneden. Een poos lang rijden wij langs de ringvaart van de Wormer, om straks den weg door den polder in te slaan. Wij zijn hier in een echt polderland; en wanneer onze vaderen uit de laatste helft der zestiende eeuw konden opzien uit hunne graven, dan stond het te vreezen dat zij hunne eigene woonstede niet meer zouden herkennen. Vooral dit oostelijk en zuidoostelijk gedeelte van Noord-Holland, het oude West-Friesland en Waterland, was eene aaneenschakeling van meren, poelen, stroomen, wateren, waartusschen de smalle, lage, drassige strooken en brokken land als verloren waren. Geen land was door zijne natuurlijke gesteldheid zoo uitnemend geschikt voor een eindeloozen guerilla-oorlog, zoo als de stugge Westfriezen dien eeuwen lang tegen de Graven van Holland voerden, en zoo als hunne nakomelingen dien, in de laatste helft der zestiende eeuw, gedurende eenige jaren tegen de Spanjaarden hernieuwden. Maar toen deze laatste storm had uitgewoed, toen de jonge republiek der Vereenigde Nederlanden zich van de toekomst zeker voelde, toen de herinnering aan vijandelijke krijgsknechten, aan bloedigen kamp op dijk en in moeras, aan brandende hoeven en vernielde dorpen sinds lang in de noordhollandsche streken was uitgestorven; toen dacht men er aan, ook binnen eigen grenzen veroveringen te maken en den steeds verder voortvretenden gierigen waterwolf te teugelen. Met de voortvarende energie, welke het krachtig geslacht dier dagen kenmerkte, werd de hand aan het werk geslagen en binnen weinige jaren uitgestrekte plassen en meren in vruchtbaar land herschapen. De Wormer, waardoor wij nu rijden, werd in 1624 bedijkt en drooggemaakt; met de droogmaking van de Beemster was men reeds in 1608 aangevangen, en in vier jaren tijds werd dit groote werk voltooid. De Purmer werd omstreeks dienzelfden tijd, in de jaren 1618-1622, drooggelegd en tot een polder gemaakt. Zoo had, binnen weinige jaren, deze streek eene geheele herschepping ondergaan. De drie uitgestrekte meren, die door allerlei wateringen en plassen met elkander verbonden, het stedeke Purmerend omgaven, hadden plaats gemaakt voor wei- en bouwland, waarop weldra talrijke hofsteden en boerenwoningen verrezen. Met den handel in visch, een van de hoofdbronnen van bestaan voor de goede lieden van Purmerende, was het gedaan; maar in de plaats daarvan kwam nu de handel in graan, in zaden, in kaas en boter, die voor het geleden verlies ruime winst bood. Landbouw en veeteelt brachten in deze streken welvaart en rijkdom, en doen dat nog, zij het misschien in mindere mate dan ettelijke jaren geleden. Toch behoeft ge slechts om u heen te zien, om u te overtuigen, dat hier, over het algemeen genomen, welvaart heerscht. Zie er die boerderijen maar eens op aan, langs den breeden, belommerden weg geschaard; getuigt niet de geheele aanleg, het geheele voorkomen der hofstede van onbekrompenheid, van welgedaanheid? De bonte verwen, nog vaak aan de woningen aangebracht, verwonderen en mishagen u niet, na hetgeen ge reeds aan de Zaan hebt gezien; maar dat men op den zonderlingen inval kon komen, om ook de stammen der boomen om het huis blauwachtig grijs te verwen, dat mag voorwaar eene buitensporigheid heeten, waarvan de reden mij ontsnapt, en waarover ge u met recht verbazen, ja zelfs wel ergeren moogt. Maar dat daargelaten: wat u nevens dat voorkomen van welvaart treft, is de schier overdreven zindelijkheid, die aan en om het huis, en--ge kunt er zeker van zijn--ook daarbinnen en in den stal, heerscht: eene zindelijkheid, die misschien niet van overdrijving is vrij te pleiten, maar die er gewis toe bijdraagt om aan de boerenwoningen dien stempel van welstand en rijkdom te schenken, en die in ieder geval verre te verkiezen is boven de slordige onreinheid, welke in zoo menige andere streek de boerenhoeven welhaast op krotten doet gelijken en u terughoudt van een bezoek. In deze noordhollandsche boerderijen kunt ge gerust binnentreden; ge zult er vriendelijk ontvangen worden, en moge soms de weelde die in de pronkkamer heerscht--eene vrucht van de vette jaren, die nu voorloopig tot staan zijn gekomen,--u door haar kakelbont en heterogeen karakter een glimlach afpersen, zooveel is zeker dat deze menschen in goeden doen zijn. Laat mij er bijvoegen, dat de meesten, gelukkig, in aard en wezen veel minder veranderd zijn, dan hunne vaak hybridische omgeving u zou doen vermoeden. Wij hebben geen tijd om eene boerderij te gaan bezoeken; maar terwijl wij langs de sierlijke huizen met hunne boomgaarden en vaak karakteristieke opschriften, langs de uitgestrekte malsche weilanden, waarin prachtige runderen loopen te grazen of rustig nederliggen in het fluweelige gras, heenrijden en ons aan den aanblik van het vredige, stille landschap verlustigen, brengen wij dien degelijken landbouwers, wier voorvaderen den grond waarop zij wonen zelven geschapen hebben, in gedachten onzen welgemeenden groet, en wenschen wij hun van heeler harte voorspoed en gezegende jaren. In elke gezonde maatschappij zijn zij niet alleen een onmisbaar element, zij vormen den grondslag zelven waarop het maatschappelijk gebouw rust; en waar het hun op den duur slecht gaat, waar hun stand verarmt en kwijnt, daar worden alle maatschappelijke verhoudingen gaandeweg verstoord en wordt de maatschappij zelve krank. Daarom is de in sommige streken voorkomende ontvolking van het platte land, ten bate der steden, een zoo bedenkelijk, zoo onrustbarend verschijnsel, dat op maatschappelijken achteruitgang van zeer ernstigen aard wijst.
Wij naderen Purmerend en hebben reeds de vriendelijke buurt De Nek achter ons. Die vrij breede vaart daar naast ons is het Noordhollandsch-kanaal, waarvan wij reeds vroeger gesproken hebben. Het is nu stil op dat kanaal, want de schepen van en naar Amsterdam volgen dezen weg niet meer; alzoo ziet men er nog slechts binnenvaartuigen en nu en dan een enkel zeeschip, zoo als er daar juist een bij de sluis ligt, dat voor handelaars te Purmerend of in den omtrek hout aanvoert. Na den flinken rit van Zaandam mogen onze paarden wel even rusten; wij willen van het oponthoud gebruik maken en een vluchtig kijkje nemen van de stad.
Een net, vriendelijk, rustig stedeke, dat er welvarend uitziet en een prettigen indruk maakt. Wij hebben niet veel tijd noodig om de kleine stad door te wandelen; jammer, dat het geen marktdag is, dan zou het drukker en levendiger zijn op de stille straten, vooral op de ruime Veemarkt en ook op die andere Markt, waarop het geheel gemoderniseerde stadhuis staat, en waar de kaas- en boterboeren de zoo gezochte produkten hunner nijverheid uitstallen. Maar nu wij de Markt overgaan werpen wij in het voorbijgaan een blik op de in romaanschen stijl herbouwde kerk, die te midden dezer hollandsch-burgerlijke omgeving eene min of meer vreemde vertooning maakt. De oude kerk dagteekende uit de tweede helft der veertiende eeuw, en werd na den brand van 23 Juli 1519 herbouwd; zij heeft in de laatste jaren, althans uitwendig, eene geheele transformatie ondergaan. Verdere merkwaardigheden bezit het eenvoudige stedeke niet; wij hebben geen tijd er lang te vertoeven, en het ligt ook min of meer buiten de grenzen, die wij ons voor ons uitstapje hebben gesteld. Echter niet geheel: immers Purmerende behoort nog tot het oude Waterland, waarvan het vroeger als een der dorpen werd gerekend. Niet meer dan een dorp was het, toen Willem VI, de Graaf-Hertog, bij giftbrief van 4 November 1410, Purmerende en Purmerland tot eene vrije heerlijkheid, met hoog en laag gerecht, verhief en met die heerlijkheid zijn trouwen dienaar Willem Eggert, eens poorters zoon uit Amsterdam, beleende. Drie jaren later verkreeg hij van den Graaf-Hertog vergunning, om te Purmerende een kasteel of huizinge te bouwen, en daarbenevens een stuk grond van een-en-dertig roeden, dat hij voor den bouw van zijn slot noodig had. De amsterdamsche koopman en poorter had dergelijke gunstbewijzen wel aan den Vorst verdiend. Hij had Willem van Beieren trouw met raad en daad, vooral ook met geld, bijgestaan, toen hij nog als Willem van Oostervant, verdacht van medeplichtigheid aan den moord van Aleide van Poelgeest, voor den toorn zijns vaders uit den lande wijken moest; en, wat niet altijd gebeurt, de landsheer toonde zich dankbaar voor de diensten den erfprins bewezen. Hij benoemde Willem Eggert tot thesaurier van Holland en beleende hem met eene hooge heerlijkheid, waardoor deze poorterszoon plaats nam onder de edelen des lands--evenwel niet onder de ridders, maar onder de knapen. En Willem toonde zich een goed heer voor zijne onderzaten, wien hij verschillende voorrechten schonk en voor wie hij van den Hertog en van den heer van Wassenaer, burggraaf van Leiden, ook tolvrijdom wist te verkrijgen. De heerlijkheid met het slot Purmerstein kwam, in 1473, door koop in handen van graaf Jan van Egmond, stadhouder van Holland, Zeeland en West-Friesland, en bleef in diens doorluchtig geslacht, tot deze goederen in 1607 door Lamoraal van Egmond, den zoon van den zoo welbekenden Lamoraal, die minder nog zijne ridderlijke trouw aan den Koning, dan wel zijne besluiteloosheiden halfslachtigheid--in revolutionaire tijden boven alles gevaarlijk--met den dood op het schavot moest boeten, wegens schulden werden verkocht. De Staten van Holland kochten toen ook de heerlijkheid van Purmerende en voegden die bij de grafelijkheidsdomeinen. Het bouwvallig geworden kasteel werd in 1729 aan de stad afgestaan, die eenige jaren daarna de ruïne deed afbreken.