De Zaan En Waterland Een Kijkje In Noord Holland De Aarde En Ha
Chapter 7
En nu, verder oostwaarts. Wij volgen denzelfden weg, dien, toen Amsterdam nog de eerste koopstad der wereld was, de handelsvloten volgden, welke zij uitzond naar Oost en West, naar alle zeeën en kusten der aarde. Het is nu stil op deze wateren, want voor Amsterdam werd een andere weg naar den oceaan gebaand, en nog slechts de vaartuigen die uit de Zuiderzee komen, naderen van deze zijde de groote koopstad.--Wat teekent zich daar, in de verte, aan den schemerenden horizon, als een streep op de golvende watervlakte? Dat is de groote afsluitdijk, die scheiding maakt tusschen het IJ en de Zuiderzee, de twaalfhonderd-veertig meter lange dam, die de oude "wilde see" der kronieken tot een binnenmeer heeft gemaakt. Ik sprak u reeds van dien dijk, die deel uitmaakt van de werken van het kanaal tot verbinding van de Noord- met de Zuiderzee, en waarvan de aanleg in 1866 werd begonnen. Zes jaren later was de dijk met de daarin aangebrachte grootere en kleinere sluizen voltooid. Dat stoomwerktuig, in het gebouw boven de doorlaatbruggen, is bestemd om het kanaal op het bepaalde peil te houden. De sluizen, waarvan de grootste eene doorvaartwijdte van achttien meter en een schutkolk van zes-en-negentig meter heeft, zijn kunstwerken, die mede alleszins uwe belangstelling verdienen. Maar zeer waarschijnlijk zijt ge geen deskundige, en laten dergelijke opgaven en mededeelingen u koel. Nu, dan is er aan den dijk ook niet veel te zien. Met dat al is het een kolossaal, monumentaal werk.
Laat ons even toeven te Zeeburg, en daar genieten van het wijde vergezicht over de Zuiderzee. Zeegezichten zijn voor Hollanders, en vooral voor de bewoners onzer fraaie, liefelijke hofstad, geene zeldzaamheid; desniettemin behouden ze altijd hunne eigenaardige bekoring. Ook hier te Zeeburg is het uitzicht over de watervlakte, stralend in den zonneschijn, met hier en daar een blank of bruin zeil, hier en daar de witte rookkolom van eene stoomboot, in waarheid schoon. Daartoe draagt mede bij, dat ge, over de breede watervlakte heen, de lage kust volgen kunt. Nu, laat ons dan van hier een laatsten, een afscheidsblik werpen op Waterland, waarvan de laatste dorpen, Schellingwoude en Durgerdam, daar tegenover ons hunne torenspitsen boven het vlakke veld opbeuren. Durgerdam is een klein armoedig visschersdorp, maar de naam van dat dorp roept ons eene gebeurtenis in de herinnering terug, welke voor omstreeks veertig jaren de algemeene belangstelling wekte. Wij leven snel in onzen tijd; de eene gebeurtenis verdringt de andere, ook op het groote wereldtooneel; telkens nieuwe verschijningen vragen voortdurend onze aandacht: hoe zouden wij de heugenis kunnen bewaren van hetgeen, vele jaren geleden, een paar onbekende visscherlieden uit een dorp aan den oever der Zuiderzee overkwam? Toch is het feit merkwaardig genoeg om herdacht te worden. Gij wilt mij wel vergunnen, het u te verhalen; het zal ons een blik doen slaan in het leven van die eenvoudige lieden, dat ons, in onze eenzijdigheid, vaak zoo prozaïsch, zoo kleurloos, zoo eentonig en onbeduidend schijnt.
Het had hard gevroren in de maand Januari van het jaar 1849; de Zuiderzee was voor een groot deel met ijs bedekt, de vischvangst stond stil en in de huisgezinnen der durgerdamsche visschers begon de nood te nijpen en dreigde de honger. Het eenige wat den visscherlieden nog te doen stond om een schamel stuk brood te verdienen, was op het ijs te gaan om in de spleten en gaten bot te vangen, die dan aan wal werd verkocht. Zoo begaf zich ook, in den namiddag van zaterdag, 13 Januari, nadat hij met zijn gezin het sober maal had gebruikt, de visscher Klaas Bording met zijne beide zonen Klaas en Jakob naar het ijs, om zijn geluk te beproeven. Men had er op gerekend, een gedeelte van den nacht op het ijs door te brengen en den noodigen proviand medegenomen: een ketel koffie en twaalf sneden roggebrood. De vangst slaagde boven verwachting; toen dan ook de andere visschers, die zich minder ver van den wal verwijderd hadden, derwaarts terugkeerden, bleven Bording en zijne zonen nog ijverig voortvisschen, middelerwijl den medegebrachten voorraad opterende. Zoo ging, in dien kouden Januarinacht, voor onze kloeke visschers de tijd ongemerkt voorbij: een ruime vangst zou de moeite loonen en de vrees voor morgen bannen. Eenige uren na middernacht hadden zij over de zevenhonderd stuks bot bijeen: nu was het genoeg; de buit werd bijeen geraapt en men maakte zich gereed om naar huis te keeren. Maar nu bemerkten zij, tot hunne ontsteltenis, dat terwijl zij zoo ijverig aan den arbeid waren, het ijs was losgeraakt, zoodat zij op eene schots dreven. In hun angst snelden zij naar den kant van den vasten wal, of een kloeke sprong hen uit dezen nood redden mocht: maar daar gaapte, na weinige schreden, voor hunne voeten een wijde sleuf, een duistere onoverkomelijke afgrond. Het water omklotste aan alle kanten het stuk ijs, waarop zij stonden: zij waren gevangen.
En nu begon een zwerftocht, waarvan het verhaal ongeloofelijk zou schijnen, indien het niet boven allen twijfel verheven was. Veertien dagen lang hebben de drie ongelukkigen op hunne ijsschots, die steeds meer inkromp, door de Zuiderzee rondgezworven, langs de eilanden, langs de noordhollandsche, de utrechtsche, de geldersche, de overijselsche kust; slechts een enkele maal ontwaarden zij in de verte een botter, die weer spoedig uit hun oog verdween. Beproef u een oogenblik hun toestand voor te stellen. Saamgegroept op een ijsschots, die onophoudelijk afbrokkelde en steeds in omvang slonk; met geen anderen voorraad dan een vijftigtal rauwe visschen--de overigen hadden zij, om het brozer wordende ijs niet meer dan volstrekt noodig was te bezwaren, weggeworpen;--blootgesteld aan al de guurheid van het winterweder; vier dagen achtereen door zoo dikken mist omgeven, dat het hun zelfs niet mogelijk was te gissen, waar zij zich bevonden. Den tweeden zondag van hun zwerftocht dreven zij zoo dicht langs Enkhuizen, dat zij het luiden der klokken konden hooren. Maar daar verhief zich de noordwestenwind, en met snelle vaart dreven zij oostwaarts, benoorden Urk om. Zoo gingen wederom vijf bange, eindelooze dagen voorbij..... Wat wonder, dat den vader eindelijk de moed ontzonk en hij zijn zonen voorstelde, aan de duldelooze marteling een einde te maken en zich in de grauwe diepte te laten zakken. De knapen weigerden en brachten ook hun vader van dit denkbeeld terug. Was het in Gods raad bepaald dat zij sterven zouden, het moest dan zijn op zijn tijd: het stond niet aan hen, eigenwillig dat oogenblik te kiezen. Sedert den tweeden dag na hun zwerftocht hadden zij hun honger gestild met rauwe bot; maar ook deze voorraad was, al had de vader in vier dagen niets meer gegeten, op twee of drie na opgeteerd. De ijsschots was tot een brok ter groote van eene tafel geslonken: de ontknooping naderde met rassche schreden....
Als door een wonder werden zij gered. Weer was het zaterdag, de tweede na den aanvang van hun zwerftocht. Daar vonden een paar knapen, op het kerkhof van Vollenhove spelende, twee haringen, vermoedelijk aan zeemeeuwen ontvallen. Dit was voor de visschers een wenk, dat zij hun bedrijf konden hervatten, en aanstonds werd daartoe overgegaan. Tegen den middag kwamen twee visschers met hunne schuiten zoo dicht bij de ongelukkige zwervers, dat zij hun noodgeschrei konden hooren. Nu werd aanstonds besloten, al het mogelijke tot redding te beproeven. Dit gelukte, doch niet dan met groote krachtsinspanning en dreigend levensgevaar. Eindelijk kon men hen met eene roeiboot bereiken: nauwelijks was de laatste der drie zwervelingen in de roeiboot opgenomen, of de ijsschots viel voor hunne oogen uiteen. Des avonds ten half zeven kwamen zij behouden aan wal. Zij waren gered: maar de oudste zoon en kort daarna ook de vader bezweken ten gevolge van wat zij op dien vreeselijken tocht van veertien dagen en nachten, naar lichaam en ziel hadden geleden. Alleen de jongste zoon bracht er het leven af.
En nu, wij hebben onze reize volbracht. Wij bezochten te zamen een bijna vergeten uithoek van ons vaderland; ik hoop bij mijne lezers de overtuiging te hebben gewekt, dat het ook daar niet ontbreekt aan wat hunne belangstelling, hunne liefde verdient.