De Zaan En Waterland Een Kijkje In Noord Holland De Aarde En Ha

Chapter 3

Chapter 33,702 wordsPublic domain

Het huisje, waarin Tsaar Peter gedurende de acht dagen van zijn verblijf te Zaandam had gewoond, werd na zijn vertrek weer door anderen betrokken en geraakte vrij wel in vergetelheid. Eerst in de jaren 1781 en 1782 werd er de aandacht op gevestigd, en wel door de bezoeken van Keizer Jozef II, van Koning Gustaaf III van Zweden, van den Grootvorst Paul; welke vorstelijke bezoeken sedert door andere, ook dat van Napoleon en Marie-Louise, werden opgevolgd. Het huisje behoorde toen aan zekeren Vergouw, die het verhuurde en er eene gesloten bus in plaatste, waarin de bezoekers hunne vrijwillige gaven konden storten. Eens in het jaar werd die bus geledigd en de inhoud tusschen den eigenaar en den huurder verdeeld. Het huisje begon intusschen bouwvallig te worden, en Vergouw, die geen lust had, bij de slechte tijden, veel geld aan reparatie te besteden, stond op het punt de woning af te breken, toen zekere Buising, kastelein in de Eendragt, voor tweehonderd gulden de hut kocht, met en benevens een gouden penning, met het borstbeeld van Katharina II versierd, door een der graven Orlof, bij een bezoek, aan het huisje vereerd; welke gedenkpenning sedert is zoekgeraakt. Het huisje werd nu opgeknapt en niet langer bewoond, maar door een daartoe aangesteld persoon den bezoekers, wier aantal van jaar tot jaar klom, getoond. De bus was behouden gebleven on leverde niet onaardige winsten op. Later werd het huisje het eigendom van de toenmalige Prinses van Oranje, de latere Koningin Anna Paulowna, die er het overdak omheen liet bouwen, en kwam het dus in het bezit der koninklijke familie. Mag men het dezer dagen in de dagbladen voorkomende bericht gelooven, dan zou Z.M. de Koning deze historische relikwie ten geschenke hebben gegeven aan Keizer Alexander III van Rusland.

III

Wij hebben lang bij het huisje van Tsaar Poter getoefd; maar, naar wij vertrouwen, toch niet te lang. Immers deze reis van den aanstaanden Peter de Groote was een belangrijk keerpunt niet alleen in zijne persoonlijke geschiedenis, maar in de geschiedenis van zijn land en daardoor van Europa. In den persoon van zijn jeugdigen, ietwat fantastischen souverein,--die op mannen als Willem III en anderen van zijn stempel wel den indruk moest maken van een barbaar, een ongelikten, zij het dan ook genialen beer,--bracht het tot dus ver zoo goed als onbekende, drie-kwart aziatische Rusland een eerste bezoek aan het oude, fijn beschaafde, aristokratische Europa, waarvan het zich voorstelde voortaan deel te zullen gaan uitmaken. Het was eene eerste kennismaking, die vermoedelijk niet overal even gunstige indrukken achterliet; maar al zeer spoedig moest men ondervinden dat de nieuwe gast, dien men welstaanshave niet de deur had kunnen uitwijzen, al stonden zijne manieren niet aan, van plan was eene blijvende plaats in te nemen niet slechts, maar ook in allerlei zaken en aangelegenheden, waarover het vroeger niemand inviel zijn advies te vragen, een woordje en wel een beslissend woordje mee te spreken. Vergelijk eens de positie, die Rusland bij den aanvang der achttiende eeuw onder de mogendheden van Europa innam, met die waarop het honderd jaar later stond, met die welke het thans bekleedt: is daar merkwaardiger, romantischer, bijna zouden wij zeggen fantastischer geschiedenis dan deze? En wat spelt dit stout begin; wat, die aan het ongeloofelijke grenzende ontwikkeling, die toch nog op verre na haar eindpaal niet heeft bereikt? Wat zal deze reus vermogen, als het innerlijk evenwicht--misschien mede door Peters al te roekeloos ingrijpen verstoord--hersteld zal zijn; als zijne onmetelijke kracht harmonisch zal zijn ontwikkeld; als hij het volle bewustzijn zijner kracht en vooral de vrije zelfstandige beschikking over zijne kracht zal hebben verkregen; als het nu nog voor een goed deel mechanisch saamgevoegde ontzaglijke rijk een levend organisch geheel zal zijn geworden? Zal dit jongste lid in de europeesche volkenfamilie tegenover de staten van Europa dezelfde rol spelen, die het gehelleniseerde Macedonië heeft gespeeld tegenover de uitgeputte, door inwendige verdeeldheid verscheurde, door ouderlingen naijver machtelooze staten van Griekenland; en is de slavische wereld bestemd, gaandeweg de plaats in te nemen, die achtervolgens aan de romaansche en aan de germaansche heeft behoord?

Ziedaar vragen, welker gewicht niemand miskennen zal, maar die wij gelukkig niet geroepen zijn op te lossen, en waarin wij ons dan ook verder niet zullen verdiepen. Het zou inderdaad onbegrijpelijk zijn, dat deze en dergelijke vragen ons juist thans konden bezighouden, ware het niet dat van de verschillende steden, door Peter gedurende zijn verblijf in ons land bezocht, Zaandam de eenige is, die een aandenken aan hem heeft bewaard. Ook daarom zeker wordt steeds in de eerste en voornaamste plaats, bijna uitsluitend, van zijn verblijf te Zaandam gewaagd.

Wij zijn van ons uitstapje naar het beroemde huisje teruggekeerd en staan weder op den Dam bij de sluizen, waar het vooral omtrent het middaguur vrij druk is. Wij werpen even een blik op het raadhuis, een wit gepleisterd karakterloos gebouw, in dien ongelukkigen pseudo-klassieken stijl, die voor veertig, vijftig jaren de alleenheerschende was, maar die vooral in deze omgeving een allerwonderlijksten indruk maakt. En nu, laat ons de stad inwandelen.

Ik zeide reeds, dat Zaandam zich langs beide oevers van de Zaan uitstrekt, en wel aan iedere zijde met eene hoofdstraat, waarvan een aantal zijsteegjes of laantjes uitgaan. Aan de westzijde, waar wij ons thans bevinden, heeft deze straat de lengte van ruim een half uur: dat wil zeggen, over die lengte behoort zij nog tot Zaandam, maar zij zelve zet zich voort door de dorpen Koog-aan-de-Zaan en Zaandijk, die met Zaandam een aaneengeschakeld geheel vormen. Ware het niet, dat voorbij Zaandijk de meer dan twee uren lange straat door open plekken en weiland wordt afgebroken, dan zou ook nog Wormerveer tot deze zeldzame trits van dorpen kunnen gerekend worden. Ge ziet toch niet tegen de wandeling op? Het is uitnemend weêr: een frissche wind tempert de warmte en de zon kleurt en bezielt het landschap. Laat mij u vooruit de verzekering geven, dat de tocht u niet verdrieten en niet lang vallen zal.

Wij merkten reeds den eigenaardigen bouwtrant op. De meeste huizen zijn ook nu nog van hout, hetzij geheel, hetzij alleen voor het bovengedeelte, terwijl de benedenverdieping van steen is. Geheel steenen huizen, al is hun aantal in den laatsten tijd toegenomen, vormen toch nog verreweg de minderheid. Deze huizen hebben bijna zonder uitzondering maar eene bovenverdieping en een schuin toeloopend dak; maar wat vooral de aandacht trekt, dat is de veelheid der verwen, waarmede zij prijken. Al het houtwerk is geverfd: groen in verschillende schakeeringen schijnt de meest geliefde kleur, maar daarnevens ziet ge ook geel en blauw en rood. Zie daar dat huis eens. Van onderen is het van donkerrooden baksteen, waarvan de witte voegen helder uitkomen. De lijsten en posten van deuren en ramen zijn wit beschilderd; de naar buiten openslaande luiken zijn helder groen, met witte en roode randen om de paneelen, even als de deur zelve. Groen is ook de houten bovenverdieping, grasgroen; en ook hier ontbreken langs de smalle vensters de roode en witte biezen niet. Ter afwisseling zijn nu de luiken rood geverfd, met groene en witte randen. Het puntige dak springt een weinig vooruit en prijkt op den top met een vergulde windvaan of een of ander sieraad van gesneden hout. Dit kleurrijke huis staat in een tuintje met smalle paden en kleine bloemperken; een paar doornhagen en een paar geschoren wilgen herinneren nog aan den vroegeren aanleg. Jammer, niet waar, dat de bewoner heeft gemeend aan den modernen smaak te moeten offeren, door midden in zijn tuintje een wit pleisterbeeld te plaatsen, een sober gekleed jongske, dat een korf of schelp omhoog tilt: deze karakterlooze pop hoort daar niet. Dat alles blinkt van zindelijkheid behoef ik niet te zeggen; dat de met kiezel bestrooide paadjes in den tuin netjes zijn geharkt; dat de met veelkleurige bloemekens omzette randen der perken onberispelijk in orde zijn; dat het huis zelf er uitziet, als ware het zoo pas uit eene doos te voorschijn gehaald:--dat spreekt immers van zelf. In dit alles is overdrijving, overdrijving die schade doet aan het pittoreske en, het moet gezegd worden, over het algemeen en op den duur den indruk maakt van iets kleingeestigs en kinderachtigs. Maar al glimlacht ge ook over deze zwakheid, ge moogt daarom niet verzuimen een oog te hebben voor het betooverend spel van licht en schaduw, voor den rijkdom van kleuren en tinten, voor het schilderachtig effekt--meestal geheel ongewild en ongezocht--dat u telkens en telkens treft. De straat neemt steeds meer het karakter aan van een laan; zij is nu eens breeder, dan weer smaller, en slingert zich in breede kronkelingen al verder en verder, steeds aan beide zijden door huizen omzoomd. Maar die huizen staan niet, als soldaten in het gelid, op eene rij naast elkander; zelfs van eene rooilijn kan men maar bij uitzondering, beleefdheidshalve, spreken. Blijkbaar heeft ieder zijn huis gebouwd naar eigen smaak en fantazie: nu eens vlak aan den weg, dan een weinig meer achterwaarts, dan weer schuin of overdwars, elders in groepjes van drie of vier naast elkander. En deze afwisseling waarborgt u telkens nieuwe kijkjes en nieuwe verrassingen en bant alle eentonigheid, die, ware een meer moderne bouwtrant gevolgd, niet kon zijn uitgebleven. Voorts is daar, als aan een buitenweg past, groen in overvloed. Schier bij elk huis behoort een grooter of kleiner tuintje; langs den weg zijn boomen geplant, oude, eerwaardige boomen ook, die hun lommer uitbreiden over de stille woningen, en door wier gebladerte het zonlicht zoo geestig speelt op de bont gekleurde geveltjes. Straks krijgt de straat nog meer het karakter van een buitenweg. Ter linkerhand loopt langs den vrij smallen weg eene tamelijk breede sloot, en over die sloot welven zich tal van, natuurlijk wederom beschilderde, houten brugjes, die toegang geven tot de erven en woningen aan de overzijde.--Hier en daar wordt de reeks der eenvoudige zaanlandsche woningen afgewisseld door een molen, waarvan de kap wederom groen is geverfd met roode en witte banden; door eene fabriek, waarvan de donkere muren en de hooge schoorsteen een scherp contrast vormen met deze ouderwetsche omgeving; door een of ander heerenhuis of villa in modernen stijl, die de plaats heeft ingenomen der voorvaderlijke woning. Somwijlen ook krijgt ge nog enkele exemplaren te zien van den echten, ouderwetschen tuinaanleg: geschoren hagen, regelmatig afgepaste perkjes, die geometrische figuren vormen; voorts grotwerk en gekleurde beeldjes, mannen en vrouwen in nationale kleederdracht, schippers, boeren, kooplieden. Dit alles is op kleine schaal en dus ontegenzeggelijk kinderachtig en min of meer smakeloos: deze wijze van tuinaanleg kan eerst werkelijk begrepen en gewaardeerd worden, waar het vorstelijke lusthoven geldt, waarvan een trotsch, monumentaal kasteel het middelpunt vormt; maar hier zijn deze ouderwetsche tuintjes, wier aantal zeer klein is, u toch welkom als herinneringen aan vroeger eeuw.

Nu en dan kunt ge, soms maar door een smal steegje, een blik werpen op de breede rivier, wier dansende golfjes schitteren in het zonnelicht, of laten de huizen en tuinen eene ruimte open, die u een vrijer en wijder blik gunt op de veel bezongen Zaan. Veel vaart is er nu op de rivier niet; maar karakteristiek voor hare boorden zijn de talrijke molens, die overal uit het groen te voorschijn treden, en wier zwaaiende wieken rondwentelen in, ijlende vlucht. Toch is ook het getal dier molens merkelijk geslonken, deels door den achteruitgang of den geheelen ondergang van sommige weleer bloeiende takken van nijverheid, deels door de toenemende heerschappij van den stoom. En dat men ook hier met de veranderde tijdsomstandigheden rekening heeft weten te houden en zich beijvert om aan de eischen der moderne industrie te voldoen, dat bewijzen de groote fabrieken, die ge hier en daar, met name te Wormerveer, ziet verrijzen.

Toch zijn ook voor de Zaanstreek de gouden dagen van vroeger voorbij. Ik weet niet, in hoeverre de aanteekening in Bädeker vertrouwen verdient, dat er onder de dertienduizend inwoners van Zaandam verscheidene millionnairs gevonden worden; maar wel weet ik, dat ge slechts een gesprek behoeft aan te knoopen met den kastelein! in het koffiehuis waar ge even toeft, of met den eerzamen bewoner van een dezer aardige huisjes, om te hooren verhalen van den rijkdom, die hier vroeger heerschte en namen te hooren noemen van zaanlandsche familiën, waarvan de vader of de grootvader bij zijn sterven millioenen naliet. En die rijkdom openbaarde zich niet zoo zeer in uiterlijke pronk en schittering, in vertooning naar buiten, maar in die degelijke soliede pracht, waarvan wij nader zullen hebben te spreken, als wij zullen pogen het beeld van een ouderwetsch zaanlandsch huis voor u te teekenen.

Hoe was die rijkdom verworven? Door noeste vlijt, rusteloozen arbeid en taaie inspanning. Niet ten onrechte heeft men de Zaanstreek met een bijenkorf vergeleken, waar elke werkelooze hommel met den nek werd aangezien en iedere bij rusteloos bezig was met honig te garen. Zeker was er in ons vaderland geene andere streek te vinden, waar binnen zoo klein bestek de nijverheid zulk een omvang had gekregen. Houtzaagmolens, papiermolens, pel-, verf- en tabaksmolens werden bij tientallen, de eersten welhaast bij honderdtallen, geteld; voorts had men er leerlooierijen, lijnbanen, oliefabrieken, zeildoekmakerijen, om vooral de scheepstimmerwerven met haar ganschen aanhang van ambachten en bedrijven niet te vergeten. Daar is een tijd geweest, dat alleen langs de Binnenzaan vijf-en-twintig scheepstimmerwerven aan vele honderden handen arbeid en welvaart verschaften. Uit kleine beginselen was deze industrie tot zoo grooten bloei gestegen. Aanvankelijk vergenoegde men zich met het timmeren van kleine vaartuigjes, en de naijverige mededinging van het machtig Amsterdam en van andere naburige steden, zooals Enkhuizen en Edam, scheen de kans op verdere uitbreiding van dit bedrijf onmogelijk te maken. Maar de Zaankanter was ondernemend en gaf niet licht iets op. Men begon allengs grooter schepen te bouwen, en men deed het zoo goed, dat de concurrentie weldra niet meer te vreezen was en de Zaanstreek voor een tijd de groote scheepstimmerwerf van Holland mocht worden genoemd.--Even ondernemend en doorzettend toonden zich de Zaanlanders ook in andere opzichten. Nieuwe wegen te openen, uitvindingen te doen, lag minder op hun weg; doch zij verstonden uitnemend de kunst, de door anderen gebaande wegen te betreden en van de uitvindingen van anderen profijt te trekken. Nauwelijks was de houtzaagmolen uitgevonden, of daar stond er een aan de Zaan. Deze eerste houtzaagmolen, het Juffertje genoemd, werd in 1592 door Cornelis Cornelisz. van Uitgeest gebouwd. Amsterdam werd naijverig, en de regeering van de snel in macht en invloed wassende koopstad vaardigde het verbod uit, dat geen ruw hout naar Zaandam mocht worden gebracht en geen gezaagd hout van daar ingevoerd. Het baatte niets. De Zaandammers zetten het hout bij de molens te koop, en aan koopers ontbrak het niet; straks voerden zij zelven het hout naar elders: men vertrok met volle lading en keerde terug met volle beurs.

Niet anders ging het met de walvischvangst: nauwelijks was de weg gebaand of de Zaandammers verschenen in de IJszee; en vele jaren lang was dit bedrijf voor de geheele streek eene bron van grooten rijkdom.

Zoo stond de arbeid nooit stil in deze kleine eigenaardige wereld, die inderdaad, onder meer dan een opzicht, een afgesloten geheel vormde. Die Zaankant--zoo als wij de lange straat, die achtervolgens Zaandam, Koog-aan-de-Zaan en Zaandijk heet, nu maar zullen noemen,--maakt eenigermate den indruk van een reusachtig hofje. En voor zoo ver wij aan dat woord het denkbeeld hechten van huiselijkheid en goede buurschap, van onderling samenleven en afgeslotenheid, is het beeld niet onjuist. Zijn dorp, zijn huis was voor den Zaanlander het hoogste. Wel zag hij tegen geene verre zeereizen, geen tochten naar den vreemde op: maar hij getroostte zich die vrijwillige ballingschap om de te behalen winst, en met het gewonnen geld keerde hij naar zijn geboortegrond terug. Hij versierde zijne woning met schatten, van zilverwerk en porselein; hij hielp zijn dorp verfraaien, weeshuizen en andere liefdadige inrichtingen stichten en begiftigen. In zijn dorp leefde hij als in den kring zijner familie: hij had zitting in een of meer colleges van bestuur; hij behartigde de zaken van de burgerlijke gemeente, van de kerk, van den polder; en naijverig op zijn gezag, duldde hij op zijn terrein geene inmenging van vreemden. Een praktisch man in merg en been, had hij oog noch zin voor kunst en poëzie: wel kleurde en beschilderde hij zijn huizen, zijn meubelen, schier alle voorwerpen van huiselijk gebruik; maar te vergeefs zoudt ge in zijn pronkkamer hebben omgezien naar een der kunstwerken van de meesters der hollandsche school. De kunst kon niet tieren in eene omgeving, waar geld verdienen en rijk worden welhaast het hoogste levensdoel was.

Toch, al mangelde het hem aan smaak en artistieke ontwikkeling, gevoelde de rijk geworden Zaanlander behoefte, zijn huis, zijne dagelijksche omgeving zoo fraai mogelijk in te richten. Nemen wij eens een kijkje in zulk een ouderwetsch zaanlandsch huis, zoo als er voor zestig, zeventig jaren eene menigte gevonden werden, zoo als er ook nu misschien nog enkelen te vinden zijn.--De eigenaar is een welgesteld man, dat bespeurt ge aanstonds aan de grootte en de bouworde van het huis, waarvan het benedengedeelte van steen is. Wij gaan door een vrij grooten bloemtuin met zijne regelmatig afgepaste perkjes, zijne heggen en in zonderlinge figuren gesneden boomen, en staan voor het huis. Ter wederzijde van de deur zien wij twee ramen met kleine ruitjes; maar wat ons al dadelijk treft, is de eenigszins zonderlinge plaatsing der voordeur, die niet tot den grond reikt, doch slechts langs een trap is te bereiken. Meen niet, dat ge door die voordeur het huis betreden zult; zij wordt slechts bij plechtige gelegenheden geopend en draagt den minder uitlokkenden naam van dooddeur, hetzij dan omdat de lijken der huisgenooten door die deur grafwaarts worden gedragen, hetzij omdat zij in den regel gesloten blijft en niet gebruikt wordt.--Wij gaan om het huis heen on vinden aan de achterzijde, die mede op den tuin en verder op de rivier uitziet, eene openslaande deur gelijkvloers.--Wij treden binnen en richten door de met tegels of blauwe steenen belegde gang onze schreden naar de pronkkamer, een heiligdom dat maar zelden ontsloten wordt, maar tot welks bezichtiging wij worden toegelaten.

Het is een ruim, maar eenigszins somber vertrek, laag van verdieping en waarvan de wanden met eikenhout zijn bekleed. Neem u bij het voortgaan een weinig in acht, want de fijne gele, zwartgestreepte spaansche matten, die den vloer bedekken, zijn zoo glad gewreven dat ge, zonder de noodige voorzichtigheid, zeer gemakkelijk zoudt kunnen uitglijden en vallen. Niet ten onrechte treedt ge aanstonds naar die kostbare, rijk verlakte tafel in het midden van het vertrek: dat is een prachtstuk, misschien voor honderd of honderdvijftig jaren uit de Oost medegebracht en sedert in de familie gebleven. Maar zoo ge de tafel bewondert, vergeet ook niet een oogenblik uwe aandacht te schenken aan het sierlijk gebeeldhouwde noteboomen theeblad, dat daarop staat, en aan het prachtig servies van echt japansch porselein, zonder twijfel mede een familiestuk, waarop de vrouw des huizes met recht trotsch mag zijn.

Aan de eene zijde der kamer staan, langs den wand, zware stoelen van noteboomhout, met hooge gebeeldhouwde ruggen en met fluweel bekleede zittingen. Op de schilderijen aan den wand, portretten, gezichten op de Zaan, afbeeldingen van schepen en molens, zullen wij maar niet letten: zij hebben hoegenaamd geen kunstwaarde.--Meer waarde heeft die groote, in juchtleder gebonden statenbijbel, met zilveren sloten en hoeken, die daar op den fraai besneden houten lezenaar ligt: die Bijbel, in meer dan één zin een familiestuk, die niet alleen van geslacht op geslacht overgaat, maar waarin tevens alle belangrijke gebeurtenissen in de familie, geboorten, huwelijken, sterfgevallen, worden opgeteekend, en die voor de nakomelingen de herinnering bewaart aan de vaderen, die dit huis hebben gesticht, die er hebben gewerkt en gebeden, genoten en geleden en die, na volbrachte levenstaak, ter ziele zijn gegaan.

IV

Daar is in de pronkkamer nog meer dat onze aandacht vraagt. Daar, tegen den wand aan de zijde van de gang, staat de porseleinkast, een monumentaal stuk van noteboomhout, rijk met snijwerk versierd, van glazen deuren voorzien, en boven op de schuine lijst gekroond met een zoogenaamd kaststel: drie porseleinen potten en twee bekers. Gij zult van mij niet verlangen, dat ik u in alle bijzonderheden den rijken inhoud van deze kast beschrijf: genoeg zij het, u te wijzen op den schat van japansch en chineesch porselein-, koppen, kommen, schotels, potten, borden van allerlei groote en vorm en van velerlei bestemming, die in dichte rijen en stapels de planken der kast vullen. Daaronder zijn vele voorwerpen van waarde, familiestukken en geschenken bij huwelijk of doopplechtigheid ontvangen. En dat al wat ge ziet echt is, daarop kunt ge vertrouwen: een deel van dien schat is, in vroeger jaren, op de veilingen der Oostindische Compagnie gekocht en sinds in de familie gebleven; andere voorwerpen zijn misschien door familieleden of vrienden rechtstreeks uit de landen van overzee medegebracht. En behalve het chineesch porselein, bevat deze kast ook een aantal dier snuisterijen en bijouteriën van schildpad en ivoor, waarop onze overgrootmoeders zoo gesteld waren, en voorts eene menigte borden, schotels, kopjes, trekpotten van inlandsch fabrikaat, waarop tafreelen uit het huiselijk leven en bedrijf der Zaankanters, gezichten langs de Zaan en dergelijke onderwerpen zijn afgebeeld. Wat van dit inlandsch aardewerk geene plaats in de porseleinkast kon vinden, werd geborgen in het opkamertje, een klein vertrek naast de pronkkamer, waarin de dusgenoemde dooddeur uitkomt. Het schilderwerk op dit delftsch porselein mist doorgaans alle kunstwaarde, maar is dikwerf zeer karakteristiek; vooral in het laatst der vorige eeuw, toen de porseleinen koppen en schotels en borden versierd werden met portretten, zinnebeelden en allerlei opschriften, betrekking hebbende op de politieke partijen en twisten van den dag, kregen die anders zoo onnoozele en prozaïsche voorwerpen van huiselijk gebruik eene eigenaardige beteekenis. Ik kan mij voorstellen, hoe een prinsgezind gastheer zich verkneukelde van genot, wanneer hij een zijner bezoekers of gasten, een Kees, ergeren kon, door hem borden en schotels en koppen voor te zetten, versierd met de portretten van den Prins of van Willemijn en met hoogdravende lofdichten ter eere dier voorstelijke personen.--Het benedenste gedeelte van de kast is gevuld met glaswerk; daar ziet ge dozijnen wijn- en bierglazen, kelken, fluiten, bekers, bokalen van allerlei vorm en grootte, met en zonder deksels, snijwerk en inscripties, en daaronder vele voorwerpen van het fijnste kristal.