De Zaan En Waterland Een Kijkje In Noord Holland De Aarde En Ha
Chapter 2
Zal ik den indruk vertolken, dien Zaandam bij het eerste gezicht op mij maakte, dan weet ik dat niet beter te doen dan met den uitroep, die mijn reisgenoot ontsnapte: "Eene stad uit een speelgoeddoos!" Inderdaad, zoo is het. De kleine, lage, nette, groen en geel geverfde huisjes, zoo netjes op eene rij geplaatst en afgewisseld door geboomte, ze herinneren aan niets zoo levendig, als aan die neurenberger doozen, waarmede wij als kinderen plachten te spelen en die volkomen hetzelfde slag van huisjes bevatten. Grootsch en indrukwekkend is de aanblik in het minst niet, maar daarentegen karakteristiek in hooge mate, ja en ook schilderachtig. Hoe geestig stoffeeren ze het landschap, die veelvervige huisjes, die allen, hoe klein ook, een zeker air van comfort, van welvaart, van welgedaanheid hebben, dat u aangenaam aandoet. En dan dat vele groen van boomgaarden en tuintjes, waartusschen de huizen zoo aardig komen uitkijken; die paar torens van kerken, en vooral die kring van molens, die, moge hij bij vergelijking met vroeger ook gedund zijn, toch altijd nog een der kenmerkende trekken van het landschap vormt. De breede stroom vernauwt zich, de dicht bebouwde oevers naderen tot elkander: wij komen aan den dam in de Zaan, waaraan het stedeke zijn naam ontleent, en houden stil in de onmiddellijke nabijheid der sluis. De passagiers voor Zaandam stappen hier uit, en daaronder ook wij; dan wordt de boot door de sluis geschut om langs de Zaan haar tocht te vervolgen.
Daar staan wij op een klein pleintje en werpen een blik in het rond. Voor ons de breede rivier, die hier eene soort van kom vormt, waarlangs de stad zich aan beide zijden uitstrekt: huizen, tuinen, geboomte, weiland. Op het stille, kabbelende water, enkele schepen en vaartuigen van verschillende grootte en vorm. Doen wij een paar schreden verder en plaatsen wij ons op de vrij smalle brug over de sluis, dan dwaalt onze blik wederom over de breede rivier, ter wederzijde omzoomd door tuinen, koepeltjes, huizen, rijen geboomte. En wandelen wij verder..... maar laat ons eerst iets zeggen over de ligging der stad, want juist deze draagt er niet weinig toe bij, om haar dat eigenaardig karakter te geven, dat, dunkt mij, vooral voor den vreemdeling zeer curieus moet zijn, daar het zelfs ons Hollanders als iets bijzonders treft.
Zaandam is gebouwd ter wederzijde van de Zaan, die voor eene rivier van zoo weinig beteekenis, door hare vrij aanmerkelijke breedte eene zeer statige vertooning maakt. De Zaan was oorspronkelijk wel niet anders dan de uitloop van de talrijke meren en poelen, waarmede deze gansche landstreek tot in de buurt van Alkmaar bedekt was; van die meren en poelen zijn de meesten thans in vruchtbare polders herschapen, maar de Zaan is gebleven en vervult nog heden voor een deel der provincie de oude dienst van uitwatering. In die rivier de Zaan, niet verre van het punt waar zij hare wateren in het IJ uitstortte, werd reeds voor langen tijd--wanneer, weet men niet juist, maar stellig reeds vóór het einde der veertiende eeuw,--voor rekening van eenige naburige dorpen een dam gelegd, waarin, ten behoeve van scheepvaart en uitwatering, sluizen werden gebouwd. Die dam scheidt de rivier in twee deelen, waarvan het eene de Binnen- of Achterzaan, het andere de Buiten- of Voorzaan wordt genoemd.
Even als de Dam te Amsterdam, zoo is ook hier deze dam met zijne drie sluizen het middelpunt der stad, de band, die beide deelen met elkander verbindt. Want aan dat pleintje en zijne onmiddellijke omgeving sluiten zich ter wederzijde van de rivier twee lange straten, waarvan de huizen aan den eenen kant met hunne tuinen aan de rivier uitkomen; terwijl zich aan de tegenovergestelde zijde, van afstand tot afstand, smalle grachten of zoogenaamde paden landwaarts uitstrekken en, zoo als men zegt, in het weiland dood loopen. Overal, waar u tusschen de huizen een kijkje gegund wordt, ziet ge water en groen: aan den eenen kant de rivier met haar zoom van tuinen en boomen; aan de andere slooten, vaarten en weiland. Gij zijt in de stad, die zich ver langs de rivier uitstrekt, en krijgt toch voortdurend den indruk, dat ge u buiten bevindt: want telkens en telkens dwaalt uw blik over het groene weiland, waar de runderen grazen, en waar in de schemerende verte de horizon wegduikt in den fijnen wazigen, zilvergrijzen nevel.
Ook langs de Voorzaan breidt de stad zich ter wederzijde uit, maar deze buurten dragen meer het karakter van achterbuurten en loopen, vooral aan de oostzijde, spoedig in het land te niet. Vroeger vond men vooral hier talrijke scheepstimmerwerven, maar die zijn bijna allen verdwenen. Immers de scheepsbouw was weleer, met name in de zeventiende eeuw, een hoofdbron van bestaan voor de bewoners van Zaandam. In 1609 werd er, aan het westeinde van den dam, een dusgenoemde overtoom gemaakt, om de schepen, die op de werven langs de Binnenzaan waren gebouwd, naar buiten in het IJ te kunnen brengen. Toen die overtoom, in 1718, aanzienlijke herstellingen behoefde, werd hij opgeruimd en het terrein opgehoogd en bestraat. De scheepsbouw was toen niet langer het voornaamste bedrijf der Zaankanters, die zich andere en rijk vloeiende bronnen van welvaart hadden geopend.
Ik ben onwillekeurig over den vroegeren tijd gaan spreken, waarop wij nog wel een en andermaal zullen moeten terugkomen. Laat mij er dan nu aanstonds bijvoegen, dat Zaandam zeker eene der jongste steden van ons land is: eerst in 1811 werd het, door Keizer Napoleon, tot stad verheven. Vroeger bestond die stad uit twee dorpen, Oost-Zaandam en West-Zaandam, die wel den gemeenschappelijken naam van Zaandam voerden, maar toch ieder op zich zelf stonden. De nieuwe stad heeft van hare verheffing niet lang pleizier gehad. Toen met het jaar 1848 voor Nederland eene nieuwe aera begon, verloor Zaandam weer den nog zoo pas verworven rang van stad. Steden en dorpen werden voortaan allen gemeenten genoemd en allen precies op dezelfde wijze, naar dezelfde regelen, bestuurd, onverschillig of ze Amsterdam, dan wel Terheide of Zandvoort heetten.
Zeer waarschijnlijk zouden wij uwe aandacht en belangstelling op te zwaar eene proef stellen, indien wij ons gingen verdiepen in nasporingen omtrent de vroegere geschiedenis dezer dorpen, waarbij dan ook niemand belang heeft. Reeds in de eerste jaren van de vijftiende eeuw stond op de plaats, waar thans, aan de oostzijde van den dam, eene van de twee hervormde, kerken verrijst, eene kapel, behoorende onder de parochiekerk van Oostzaan, en waaraan allengs, ongetwijfeld tengevolge van het toenemen der bevolking, alle voorrechten eener parochiekerk met een eigen pastoor werden verleend. Tijdens de troebelen, in de tweede helft der zestiende eeuw, werd deze kerk een prooi der vlammen. Nadat de bloedige kamp, waarin ook de Zaanstreek rijkelijk deelde, eenigszins tot bedaren was gekomen en de oorlog zich althans uit het hart des lands meer naar de grenzen had verplaatst, werd de kerk herbouwd, maar nu natuurlijk voor de hervormde eeredienst ingericht.
De kerk aan de westzijde is van jongeren datum. De bewoners van West-Zaandam, die tot dusver mede van de kapel en de latere kerk aan de oostzijde hadden gebruik gemaakt, verzochten en verkregen in het jaar 1637 vergunning, om voor eigen rekening eene kerk te mogen bouwen en een eigen predikant beroepen. In het volgende jaar werd met den bouw een aanvang gemaakt, en reeds op den 18den October 1640 werd in de kerk de eerste predikatie gehouden.
Dat noch de oude, noch de nieuwe kerk, die beiden in den loop der zeventiende eeuw belangrijk werden vergroot, uit een architektonisch oogpunt eenige waarde heeft, behoeft haast niet gezegd. Ge kunt ze dan ook bij uw bezoek aan Zaandam gerust voorbijgaan, en behoeft u ook niet te laten verlokken door de geschilderde ramen, die ge zoowel in de eene als in de andere vindt. Op de nieuwe kerk aan de westzijde moeten wij echter nog even terugkomen, omdat weleer binnen hare muren, door eene schilderij waarvan wij onzen lezers de afbeelding kunnen aanbieden, de herinnering werd bewaard aan een voorval, dat inderdaad buitengewone sensatie maakte. Vergun mij, u dit voorval mede te deelen met de eigen woorden van de inscriptie, bij de schilderij in de kerk geplaatst; en duid het mij niet ten kwade als de beschrijving u wat al te realistisch dunkt. Onze voorvaderen hadden op dit gebied eigenaardige begrippen. Ziehier dan de historie.
"Op den 29 Augustus 1647, zijn Jacob Eg en Trijn Jans, echte man en wijf, woonende in 't quartier van Westsardam en den Zeeburg, door de verwoedheydt van haar eigen roode stier, dewelke in 't veld agter haar huys van 't zeel losgeraakt was, in zulker voege aangerand, gestooten en gescheurd, dat zij beyde daarvan zijn komen te overlijden, op den laatsten Augustus deszelven jaars, namelijk de voorz. Trijn Jans vijf uren tijds na haren man, zijnde beyde ter aarde besteld in de Nieuwe kerk alhier. Trijn Jans op 't uyterste zwanger gaande, wierdt bij den stier op de hoornen genomen, omhoog geworpen, en haar buyk van de regterheup opengescheurt, zo dat deur dezelve opening de vrucht uit haar lichaam gerukt, en in een waterplas geraakt was, liggende de moeder en 't kind, beyde levendig, omtrent een huys lengte van malkanderen verscheyde; het kind alhier gedoopt zijnde met den naam van Jacob is den 23 Mey 1648 gestorven en bij zijne ouders begraven."
Ge ziet, geene enkele bijzonderheid wordt u gespaard en aan de verbeelding niet veel over gelaten. En als ware dit vrij onsmakelijk proza nog niet genoeg, moest het treurig feit ook nog in rijm worden herdacht.
Ter eeuwiger geheugenis.
Als men schreef zestien honderd zeven en veertig, ziet, Is 't Augustus 20 en 9 tot Westerdam geschied, Dat een stier wreed en boos, niet eens maar menigmalen, Zijn meester werpt omhoog en doet hem aan veel kwalen; De vrouw komt om den man te helpen in dees nood, Hij doet haar desgelijks en scheurt haar op de schoot, Waardoor een jonge zoon zeer schielijk kwam te voren, Lag van de Moer in 't veld vier vaam door des stiers toren; Dees man en zijne vrouw na ses en dertig uuren, Moesten met groote pijn beide de dood bezuuren. En 't ongebooren kind heeft geleefd maanden negen, Is doen mede gerust; genieten 's Heeren zegen.
Door 't woede van de stier werd Jacobs egte wijf Een kraamvrouw in het veld, een weeuw' en zielloos lijf'.
Hier onder leyd de moer en vaar En d'ongebooren bij malkaar.
Men moet wel aannemen dat deze droevige gebeurtenis inderdaad een buitengewonen indruk op de bewoners van Zaandam heeft gemaakt, want zij werden niet moede, die in alle bijzonderheden af te beelden. Vooreerst had men de schilderij in de kerk, welke daaraan den zonderlingen naam van de Bullekerk had te danken. Eerst in 1834 schijnen kerkvoogden tot het inzicht te zijn gekomen dat deze schilderij minder eigenaardig in eene kerk tehuis behoorde; althans in dat jaar werd zij overgeverfd; het stuk, dat nog in de kerkekamer hangt, is eene kopie. Doch niet alleen op deze schilderij, maar op doek en papier, op koper en in houtsnede, op schotels, borden, koppen, theeblaadjes en tal van andere voorwerpen werd dit tafreel van "Stiers wreedheyd" voorgesteld; bij herhaling werd dit feit beschreven, bezongen, en in prent gebracht; zelfs had men bekertjes en andere dingen uit de horens van den beroemden stier vervaardigd.
Doch reeds vraagt gij, met eenig ongeduld, wanneer wij de groote merkwaardigheid van Zaandam, het huisje van Tsaar Peter, zullen gaan zien. Immers, de vreemdelingen, die Zaandam bezoeken, doen het in de eerste plaats ter wille van deze relikwie; en wanneer, bij het uitstappen uit den trein aan het stille station, of bij het verlaten van de boot aan de drukker en levendiger sluis, een gids of commissionair, aan uw vragend rondzienden blik bemerkende dat ge vreemdeling zijt, u zijn diensten komt aanbieden, dan zal hij dadelijk voorstellen, naar het klassieke huisje te gaan. Nu, al hebben wij daarmede minder haast gemaakt, al dunkt ons Zaandam zelf ruim zoo merkwaardig als het huisje waarin de russische alleenheerscher eenige dagen doorbracht, toch mogen wij niet verzuimen, deze merkwaardigheid in oogenschouw te gaan nemen.
Het huisje staat in eene achterbuurt--die echter in Peters dagen geene achterbuurt was--letterlijk verloren te midden van andere woningen en tuintjes. Wij gaan door een paar smalle steegjes, over een paar hooge smalle houten brugjes, en hebben weldra de beroemde plek bereikt. Wij treden door een hokje op eene soort binnenplaats, en zien daar een laag steenen gebouwtje met een rood pannen dak voor ons: dat is echter het huisje zelf niet, maar een soort van overdak, dat om en over het huisje heen is gebouwd, om het voor volkomen ondergang te bewaren: de schrijn waarin de relikwie geborgen is. En deze voorzorg is inderdaad niet overbodig: het huisje, dat geheel uit ruwe planken is opgetrokken, staat zoo scheef en ziet er zoo bouwvallig uit, dat het zonder deze bedekking waarschijnlijk reeds voor de vijandige werkingen van weer en wind bezweken zou zijn. Tusschen die omkleeding en het huisje zelf is een gangpad opengehouden, zoodat wij de relikwie aan alle kanten kunnen bekijken. Wij treden binnen. De hut, want een anderen naam verdient dit krot waarlijk niet, bestaat uit twee vertrekken, het eene iets grooter dan het andere, maar beiden zonder eenig sieraad, tenzij ge de met tegeltjes bekleede schouw als zoodanig mocht laten gelden. Het ameublement, eene vierkante houten tafel en een paar zeer ongemakkelijke houten stoelen, is meer dan eenvoudig; een ladder voert naar den zolder. In een woord: het is een verblijf, waarin de armste daglooner van den tegenwoordigen tijd zich kwalijk schikken zou. Een eenigszins zonderlingen indruk maken, bij deze kale armoede der woning, de later aangebrachte versieringen: schilderijen en platen, portretten van Peter I of voorstellingen op hem betrekking hebbende; opschriften, gedenksteenen en andere voorwerpen van dien aard. Boven de schouw prijkt de wit marmeren tafel met de inscriptie _Petro Magno Alexander_, door Keizer Alexander I, tijdens zijn bezoek te Zaandam in 1814, met eigen hand in den wand geplaatst; men wijst u nog het bankje, waarop de Keizer bij die gelegenheid zal hebben gestaan. Voorts een gedenksteen van Koning Willem I en van de toenmalige Prinses van Oranje, later Koningin Anna Paulowna, en nog enkele andere vorstelijke souvenirs. Dat overal de houten wanden met namen zijn bekrabbeld, behoef ik wel niet te zeggen: dat kinderachtig bedrijf schijnt voor een groot aantal menschen eene onwederstaanbare verzoeking te zijn. Onder de inscripties bevindt zich ook dat vers van den russischen staatsraad Schukowski, waarvan de hollandsche vertolking door Van Lennep in geene beschrijving van het Petershuisje ontbreken mag. Het gedicht werd geschreven tijdens het bezoek van den toenmaligen Tsarewitsch, den lateren Keizer Alexander II; de hollandsche vertaling of bewerking luidt aldus:
Buig in deez' arme hut, waar de englen Gods omzweven, Buig, Grootvorst, hier het hoofd in stillen ootmoed neer: Zij was de wieg uws rijles, ze omsloot de kiem weleer, Die grootheid moest aan Rusland geven.
Dit zweemt naar bombast, niet waar? En dat te meer, wanneer men bedenkt dat de Tsaar niet langer dan acht dagen in deze hut en te Zaandam heeft gewoond. Maar tegenover dit onloochenbare feit treft ons te meer de zonderlinge nadruk, die, niet alleen hier in dit huisje, maar over het algemeen, door schrijvers en door de traditie, op dit kortstondig verblijf wordt gelegd. Onwillekeurig verkeert men in de meening, dat Peter hier geruimen tijd heeft gewoond, en dat dit verblijf te Zaandam het hoofdmoment is geweest van zijn verblijf in Holland. Wellicht moet men deze zonderlinge, onopzettelijke overdrijving voor een deel verklaren uit de schier verbijsterende tegenstelling, die aanstonds voor onzen geest oprijst, als wij ons den geweldigen alleenheerscher, den herschepper van Rusland, voorstellen en dan een blik werpen op deze meer dan armelijke omgeving. Denken wij ons hem in deze omgeving, als knecht arbeidende op de timmerwerf, dan dunkt het ons als zou een zoo kort oponthoud bijna alle beteekenis aan het feit ontnemen; en als van zelf verbeelden wij ons, dat de Tsaar hier langen tijd, ettelijke maanden voor 't minst, moet hebben vertoefd.
Den zeventienden Augustus 1697 kwam de vijf-en-twintig jarige monarch te Amsterdam en begaf zich van daar onmiddellijk naar Zaandam, waar hij in de woning van zekeren smid, Gerrit Kist, dien hij uit Moskou kende, zijn intrek nam. Want reeds sedert eenigen tijd stonden de republiek der Vereenigde-Nederlanden en Rusland--of, zoo als het toen nog meer algemeen genoemd werd, Moskovië--met elkander in levendig verkeer. De buitenlandsche handel van Rusland was voornamelijk in de handen van hollandsche kooplieden; hollandsche timmerlieden hadden Peter te Woronesh, bij den bouw zijner vloot geholpen; met hollandsche schippers had hij in Archangel verkeerd. Meer nog: voor de poorten van Moskou lag de dusgenoemde duitsche voorstad, de Sloboda, waarvan de bevolking uit Schotten, Engelschen, Hollanders en Duitschers bestond, die hier, in de onmiddellijke nabijheid van de hoofdstad van het toen nog meer dan half aziatische Tsaren rijk, eene europeesche kolonie vormden, welke met westelijk Europa in gestadig verkeer stond en aan het geestelijk en wetenschappelijk leven der eeuw zooveel mogelijk deel nam. Reeds in zijne jeugd had Peter met de bewoners van deze voorstad betrekkingen aangeknoopt; en het is zeker niet onjuist, wanneer wij aannemen, dat de indrukken, die hij bij het verkeer met deze vertegenwoordigers der west-europeesche beschaving ontvangen had, krachtig zullen hebben medegewerkt om hem tot een bezoek te doen besluiten aan die landen, van welker meerderheid op elk gebied van kennis en wetenschap hij zich door eigen waarneming had kunnen overtuigen. Dat Holland daarbij niet het laatst in aanmerking kwam, lag voor de hand. De nederlandsche republiek--al waren de dagen harer grootheid toen ook reeds geteld--was toch nog op het einde der zeventiende eeuw eene mogendheid van den eersten rang, die wat den omvang van haar handel en scheepvaart, haar rijkdom, haar industrie, haar koloniaal bezit aanging, door geene andere overtroffen, misschien alleen door Engeland geëvenaard werd. De Tsaar, met een meer dan gewonen aanleg voor mathematische en technische wetenschappen begaafd, en wien, in dit tijdperk zijner regeering, misschien niets zoo na aan het harte lag, als het scheppen eener vloot, om die te gebruiken in den oorlog tegen Turkije, moest zich dus wel tot Holland getrokken gevoelen, en in Holland niet het minst tot Zaandam, waar destijds de scheepsbouw op den hoogsten trap van ontwikkeling stond, en dat om zijn werven, molens en fabrieken wijd en zijd vermaard was.
Te Zaandam arbeidde Peter op de werf van den scheepsbouwmeester Lynst Teeuwisz Rogge, legde bezoeken af bij de familiebetrekkingen van in Moskou gevestigde ambachtslieden, bezichtigde verschillende werkplaatsen en fabrieken, waar hij zich de geheimen van het vak liet verklaren, en maakte tochtjes op de rivier, de omliggende wateren en het IJ. Zoo als men weet, reisde de Tsaar in streng incognito, onder den naam van Peter Michaïlow, in het gevolg van het groote gezantschap, dat naar de hoven van westelijk Europa was afgevaardigd. Maar was reeds de verschijning van zulk een gezantschap iets buitengewoons--ongeveer evenzoo, als, voor ruim twintig jaren, de verschijning van een gezantschap uit Japan voor ons was;--het spreekt wel van zelf, dat de tegenwoordigheid van den Tsaar zelven niet lang een geheim blijven kon. Geen wonder dus, dat de verschijning van den vreemden gast te Zaandam groot opzien wekte en dat met name de straatjeugd hare nieuwsgierigheid niet bedwingen kon. Botsingen met zaandamsche straatjongens noopten Peter zich aan burgemeesteren bekend te maken; maar nu stroomden de nieuwsgierigen van alle kanten toe en kon de Tsaar geen voet verzetten, zonder door de menigte omstuwd en aangegaapt te worden. Toen hij den vier-en-twintigsten Augustus bij het winden van een schip over den overtoom tegenwoordig zou zijn, was het gedrang zoo groot, dat Peter, in ziedenden toorn ontstoken, geen voet buiten de deur wilde zetten. Geen wonder, dat hem dit verdroot: den volgenden dag vertrok hij, zich al vechtende een weg door de menigte banende, ondanks den hevigen storm, met een boeier naar Amsterdam, waar hij, door tusschenkomst van den burgemeester Nicolaas Witsen, met wien hij zeer bevriend was, eene woning betrok op de werven der Oostindische Compagnie. Daar ging hij, met eenige zijner gezellen, in de leer bij meester Gerrit Klaas Pool, en werkte, met tusschenpoozen, vier en eene halve maand aan den bouw van een fregat, dat den naam _Petrus en Paulus_ ontving.
Overigens spreekt het wel van zelf, dat de Tsaar zich gedurende zijn verblijf hier te lande ook nog met iets anders dan timmeren onledig hield. Hij nam les in de stuurmanskunst en teekenen, in mathesis en astronomie; hij kwam, vooral ook door bemiddeling van Nicolaas Witsen, in aanraking met onderscheidene mannen van naam op wetenschappelijk gebied, met professor Ruysch, met Boerhave, met Leeuwenhoek, met Van der Heyden, den uitvinder der brandspuiten, met Coehoorn, en ook met de voornaamste kooplieden en mannen van zaken te Amsterdam. Men kan zich wel eenigermate voorstellen, welk een diepen en onvergetelijken indruk het Amsterdam van die dagen en geheel het hollandsche leven op den ontvankelijken vorst maken moest, die zich hier inderdaad in eene nieuwe wereld, waarbij de zijne zeer ver ten achteren was, zag overgeplaatst. Met eigenlijke politiek schijnt hij zich minder te hebben bemoeid, al had hij een en andermaal eene samenkomst met Willem III, en al kwam hij ook met de voornaamste regeeringspersonen in aanraking. Bij de plechtige ontvangst van het russische gezantschap door de Staten-Generaal, was Peter, als een gewoon edelman gekleed, in een aangrenzend vertrek tegenwoordig; hij vertoefde bij die gelegenheid een week lang in Den Haag.
Den zesden Januari 1098 vertrok Peter naar Engeland, vooral met het doel om zich daar verder in de theorie der scheepsbouwkunst te bekwamen. Willem III had twee oorlogschepen en twee jachten gezonden om den Tsaar naar Engeland over te voeren.