De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht

Chapter 9

Chapter 93,729 wordsPublic domain

»Wij kunnen toch op het eiland Seil niet gaan kampeeren!" merkte broeder Sam op.

»En waarom niet?"

»Waarde Helena, als ge dat volstrekt wilt...."

»Ja, volstrekt!"

»Kom, laten wij dan vertrekken!" antwoordden broeder Sam en broeder Sib met gelatenheid.

En die beide goedige onderworpen wezens verklaarden, dat zij gereed waren om dadelijk Oban te verlaten. Maar Olivier Sinclair kwam tusschen beiden.

»Miss Campbell," zei hij, »veroorloof mij, dat ik in meening met u verschil. Er valt heel wat beters te doen, dan zich op het eiland Seil te gaan vestigen."

»Spreek, mijnheer Sinclair, en wanneer uw raad beter is, dan zullen mijn ooms niet weigeren hem op te volgen, daarvan ben ik verzekerd."

De gebroeders Melvill maakten een hoofdbuiging, die zóó volmaakt gelijktijdig was, dat die twee ooms nooit meer op elkander geleken dan in dat oogenblik.

»Het eiland Seil," hernam Olivier Sinclair, »is waarlijk niet geschikt om er te kunnen wonen, al was het maar voor weinige dagen. Zijt gij in de noodzakelijkheid om geduld te oefenen, miss Campbell, dan behoeft gij dat toch niet ten koste van uw welzijn te doen. Ik heb bovendien opgemerkt, dat ook te Seil de gezichteinder door de gesteldheid der kusten eenigermate beperkt is. Wanneer wij tegen aller verwachting langer moeten wachten dan wij hopen, wanneer ons verblijf tot eenige weken zou moeten aangroeien, zou de zon, die thans meer en meer naar het zuiden afzakt, achter het eiland Colonsay of achter het eiland Oronsay of zelfs achter het groote Islay ondergaan, en zou onze waarneming ook door gebrek aan een voldoende kim even onmogelijk worden."

»Waarlijk," zei Miss Campbell, »dat zou de genadeslag moeten heeten!"

»Maar dien kunnen wij ontgaan, wanneer wij een oord opzoeken, buiten den Hebriden-archipel gelegen, een oord, dat de onmetelijkheid van den geheelen Atlantischen Oceaan voor zich heeft."

»Kent gij zoo'n oord, mijnheer Sinclair?" vroeg miss Campbell met levendigheid.

De gebroeders Melvill hingen aan de lippen van den jonkman. Wat ging hij antwoorden? Waarheen voor den drommel zou die gril hunner nicht hen bij slot van rekening voeren? Op welke uiterste grens van de beschaafde wereld zouden zij zich moeten vestigen, om aan dat vreemde verlangen te voldoen?

Olivier Sinclair stelde hen al dadelijk gerust, althans voorshands.

»Er bestaat een oord, miss Campbell," zei hij, »niet ver van hier, dat naar mijn meening alle mogelijke voorwaarden in zich vereenigt. Het is achter de hoogten van Mull gelegen, die nu den gezichteinder van Oban ten Westen beperken. Het is een der kleine Hebriden-eilanden, dat het verste in den Atlantischen Oceaan uitspringt, het is het bekoorlijke eiland Jona."

»Jona!" riep miss Campbell uit. »Jona! hoort ge niet, oom Sam, oom Sib? Zijn we er nog niet?"

»Wij zullen er morgen zijn," antwoordde broeder Sib.

»Morgen vóór zonsondergang," bevestigde broeder Sam.

»Kom, op reis dan!" zei miss Campbell, »en vinden wij te Jona dien uitgestrekten gezichteinder niet, dien wij verlangen, dan zullen wij een ander punt der kuststrook opzoeken van af John O'Groats, het meest noordelijke einde van Schotland tot Landsend, de meest zuidelijke punt van Engeland toe en als wij dan niet vinden, dan...!"

»Wel dan zullen wij een reis rondom de wereld maken, dat is zeer eenvoudig," lachte Olivier Sinclair.

XIII.

DE HEERLIJKHEDEN DER ZEE.

Het was de kastelein van Caledonian-Hotel, die zich wanhopig aanstelde, toen hij het besluit zijner gasten vernam. Oh! als hij er de macht toe had, hoe zou baas Mac Fyne al die eilanden en die eilandjes, die het uitzicht van Oban aan de zeezijde benemen, hebben laten uit elkaar springen. Hij troostte zich evenwel, toen zij vertrokken waren met aan de andere gasten zijn leedwezen te betuigen, dat hij zulke dwazen geherbergd had.

Te acht uur des morgens stapten de gebroeders Melvill, miss Campbell, juffrouw Bess en Partridge aan boord van den »swift-Steamer Pioneer," zooals dat vaartuig op de prospectussen genoemd werd en dat het eiland Mull zoude rondvaren, om Jona en Staffa aan te doen en des avonds weer te Oban terug te zijn.

Olivier Sinclair was zijn tochtgenooten vooruitgesneld, had spoedig de inschepingsplaats bereikt en wachtte hen op de brug, die zich van de eene raderkast van de stoomboot tot de andere uitstrekte.

Ten opzichte van Aristobulus Beerenkooi was geen sprake van deze reis geweest. De gebroeders Melvill hadden hem toch van dat overhaaste vertrek verwittigd. Dat was een eenvoudige beleefdheidsvorm, en wij weten het, die heeren waren de meest beleefden van de geheele wereld.

Aristobulus Beerenkooi had de mededeeling van de beide ooms nog al koel aangehoord en had zich eenvoudig met een dankbetuiging vergenoegd, zonder zich over zijne plannen uit te laten.

De gebroeders Melvill hadden dan ook afscheid van hem genomen met de gedachte, dat, al toonde hun gunsteling ook een groote mate van terughouding, en al had miss Campbell een soort van afkeer tegen hem opgevat, dat alles vergeten zou zijn, wanneer maar bij het eindigen van een fraaien herfstdag de zon onberispelijk zou zijn ondergegaan. Dat was ten minste hunne opvatting, en het eiland Jona zou hen niet in den steek laten.

Toen al de passagiers aan boord waren, werden na het derde gegil van de stoomfluit de trossen losgegooid, en stevende de Pioneer de baai uit, om zuidwaarts door de zeeëngte van Kerrera te sturen.

Er was een groot aantal van die toeristen aan boord, die twee of driemaal 's weeks, door dat overheerlijk uitstapje rondom het eiland Mull aangetrokken worden. Miss Campbell en haar metgezellen zouden hen reeds bij de eerste aanlegplaats verlaten.

En inderdaad, zij waren ongeduldig om te Jona aan te komen, in dat nieuwe oord, alwaar zij hunne waarnemingen zouden hervatten. Het weer was prachtig en de zee kalm als een meer. De overtocht zou gunstig zijn. Wanneer deze avond de verwezenlijking van hun verlangen niet medebracht, welnu! het besluit was genomen; zij zouden zich op het eiland inrichten en geduldig afwachten. Daar zou het scherm steeds omhoog gehaald en allen tot de voorstelling gereed zijn. Alleen slecht weer zou tot uitstel doen besluiten.

Om kort te gaan, vóór het middaguur zou het doel der reis bereikt zijn. De vlugge Pioneer stevende de straat Kerrera door, rondde de zuid-punt van het eiland, doorkliefde de Firth of Lorne in haar breedste gedeelte, liet het eiland Colonsay met zijn oude abdy, die door de beroemde Lords der eilanden in de veertiende eeuw gesticht werd, ter linkerzij liggen, stoomde langs de zuidkust van Mull, welk eiland als een buitensporige groote krab scheen, die gestrand zoude zijn, en wier ééne schaar zich lichtelijk naar het zuidwesten wendde.

De Ben More vertoonde zich gedurende een kort oogenblik ter hoogte ongeveer van drie duizend vijf honderd voet boven de verafgelegen heuvelen, die zich woest en steil voordeden, terwijl hun hellingen slechts het heidekruid tot natuurlijke bedekking had, en zijn ronde top die weilanden beheerschte, welke met rundvee als bezaaid zijn. De Ardanalish-top bedekte hem plotseling voor het gezicht met zijn zware massa.

Toen trad het schilderachtige Jona in het noord-westen op den voorgrond, op het uiteinde van den zuidelijken knijper van Mull gelegen. De Atlantische oceaan, strekte zich verder onmetelijk en verheven naar het westen uit.

»Houdt gij van den Oceaan, mijnheer Sinclair?" vroeg miss Campbell aan haren jeugdigen metgezel, die bij haar op de brug van de Pioneer gezeten was en met haar dat prachtige schouwspel bewonderde.

»Of ik van den Oceaan houd, miss Campbell?!" riep hij uit. »Jazeker, en ik behoor niet tot de ongevoeligen, die er het gezicht eentonig van vinden! Voor mij bestaat er niets, wat meer afwisseling biedt dan zijn aanblik; maar men moet hem onder zijn verschillend voorkomen weten te beschouwen. Waarlijk, de zee vertoont zooveel verschillende nuanceeringen, die zoo verwonderlijk geleidelijk in elkander smelten, dat het voor den schilder de grootste moeielijkheid oplevert, dat geheel, hetwelk zoo eentonig schijnt en toch zoo afwisselend is, weer te geven. Het is veel moeilijker dan het schilderen van een gelaat, hoe beweeglijk de trekken zich ook mogen voordoen."

»Ja waarlijk," zei miss Campbell, »de zee verandert voortdurend van gedaante onder het minste zuchtje, dat voorbijsnelt, en onder de lichtstralen, die haar op ieder uur van den dag onder verschillende hoeken treffen."

»Zie haar thans, miss Campbell," hernam Olivier Sinclair. »Zij is nu volmaakt kalm! Zou men niet zeggen het fraaie gelaat eener ingeslapen schoone, waarvan niets de reinheid besmet. Zij vertoont geen enkelen rimpel; zij is jong, zij is schoon! Of liever, het is een onmetelijke spiegel, waarin het uitspansel weerkaatst, en waarin God zich zien kan!"

»Ja, een spiegel, maar waarvan de glans, helaas, te dikwijls door den adem des storms verdoofd wordt," vulde miss Campbell aan.

»Maar dat is het, wat de groote afwisseling in het voorkomen van den Oceaan vormt!" antwoordde Olivier Sinclair. »Laat de wind slechts matig opsteken, dan zal dat gelaat veranderen; het zal zich met rimpels overdekken, het schuim der golftoppen zullen het als met witte haren tooien, in een oogenblik zal het veranderd schijnen, het zal een eeuw tellen, maar immer indrukwekkend blijven met zijn grillige lichteffecten, en zijn borduursels van helder wit schuim!"

»Gelooft gij, mijnheer Sinclair," vroeg miss Campbell, »dat een schilder, een groot schilder meen ik, er in slagen zou al de schoonheden der zee op het doek te brengen?"

»Neen, dat geloof ik niet, miss Campbell! Hoe zou hij dat kunnen? De zee heeft werkelijk geen kleur. Zij is slechts een weerkaatsing van den hemel! Is zij blauw? Toch kan men haar met blauw niet weergeven! Is zij groen? Neen, ook met groen niet! Men zou haar eerder kunnen treffen, wanneer zij woedend is, wanneer zij somber, vaalbleek, boos is. Dan is het alsof de hemel al die wolken in de wateren mengt, die hij er boven uitgespannen houdt. Oh! miss Campbell, hoe meer ik den Oceaan beschouw, hoe meer verheven ik hem vind. Oceaan! dat woord zegt alles; dat beteekent onmetelijkheid! Hij verbergt in zijn schoot de onpeilbare diepten, onbegrensde weilanden, waarbij de onze ledig en verlaten schijnen, zegt Darwin. Wat zijn, in vergelijking met hem, de meest uitgestrekte vastlanden? Het zijn slechts eilanden, die hij met zijn wateren omgeeft. Hij bedekt vier vijfden van den aardbol! Door een soort van onafgebroken omloop--even als een levend schepsel, welks hart bij de evenachtslijn klopt--voedt hij zich zelf met de dampen, die van hem uitgaan. Hij onderhoudt de bronnen, die door de stroomen tot hem wederkeeren, of die in vorm van regen den schoot weer bereiken, waaruit zij geboren werden! Ja, de Oceaan, dat is de onbegrensdheid, de onmetelijkheid, die men niet ziet, maar die men gevoelt, volgens de uitdrukking des dichters, onmetelijk als de ruimte, die hij in zijn wateren weerkaatst!"

»Oh! ik hoor u zoo gaarne met die geestdrift spreken, mijnheer Sinclair," antwoordde miss Campbell, en wezenlijk, »ik deel die geestdrift ten volle! Ja, ik houd evenveel van de zee als gij!"

»En zoudt gij niet vreezen haar gevaren te trotseeren?" vroeg Olivier Sinclair.

»Neen waarlijk niet, ik zou niet bang zijn! Kan men vrees koesteren voor hetgeen men bewondert?"

»Gij zoudt een moedige reizigster zijn!"

»Misschien, mijnheer Sinclair," antwoordde miss Campbell. »In ieder geval, van al de reizen, welker verhalen ik gelezen heb, geef ik de voorkeur aan die, welke ontdekkingen in de verre zeeën tot doel hebben. Hoe dikwijls heb ik die niet in gezelschap met de groote zeevaarders doorgestevend! Hoe dikwijls ben ik niet met hen dat onmetelijk onbekende ingedrongen--wel is waar in de gedachte slechts, maar ik ken, dunkt mij, niets meer benijdenswaardig, dan de levensbestemming van die zeehelden, die zoo groote ontdekkingen deden, zoo groote zaken tot stand brachten!"

»Ja, miss Campbell, er is in de geschiedenis der menschheid niets schooner dan die ontdekkingen! Den Atlantischen Oceaan voor de eerste maal met Columbus oversteken; de Stille Zuidzee met Magelaan en Tasman, de Poolzeeën met Parry, Franklin, d'Urville, Heemskerk en zoo veel anderen! Oh! wat een droom! Ik kan geen vaartuig zien vertrekken, of het een oorlog- of een koopvaardijschip of een eenvoudige visscherspink is, zonder dat mijn geheele wezen trilt, zonder dat ik een onmetelijk verlangen in mij voel opkomen, om mij aan boord in te schepen! Ik geloof, dat ik in de wieg gelegd ben, om zeeman te zijn, en dat die loopbaan niet de mijne geworden is, betreur ik dagelijks innig!"

»Maar hebt gij minstens op zee gereisd?" vroeg miss Campbell.

»Zooveel het mij mogelijk geweest is," antwoordde Olivier Sinclair. »Ik heb de Middellandsche zee bezocht van af Straat Gibraltar tot de Levantsche stapelplaaten; ik heb den Atlantischen Oceaan een weinig doorkruist tot Noord-Amerika; vervolgens heb ik de Noordelijke zeeën van Europa bevaren, en ik kan er mij op beroemen, dat ik al deze wateren hier ken, die de natuur zoowel aan Engeland als aan Schotland zoo mild verkwist heeft...."

»Zoo mild en zoo prachtig, mijnheer Sinclair!"

»Ja zeker, miss Campbell, en ik weet geen land te vergelijken met deze streken onzer Hebriden, waartusschen ons stoomschip ons doorvoert! Het is een ware archipel, wel is waar met een minder blauwen hemel dan de Oostersche, maar meer dichterlijk, wanneer hij in zijn geheel genomen wordt met zijn woest rotsgesteente, met zijn nevelachtigen dampkring. De grieksche archipel heeft het licht geschonken aan een heel gezelschap van goden en godinnen. Dat is zoo. Maar gij zult gelieven op te merken, dat het slechts zeer burgerlijke godheden waren, die nog al positief waren uitgevallen, en van een stoffelijk bestaan hielden, en daarbij in weerwil van hun pretmaken, goed aanteekening hielden van de uitgaven. Volgens mij was de Olympus aan een salon gelijk, waarvan de bezoekers, hoewel goden, toch nog al uiteenloopend van stand waren, zoodat het gezelschap wel gemêleerd was. Het was een vergadering van goden die te veel op menschen geleken, wier zwakheden hun aankleefden! Zoo is het niet op onze Hebriden. Die zijn het verblijf van bovennatuurlijke wezens! De scandinavische godheden zijn onstoffelijk, éthérisch, zij hebben ontastbare vormen, maar geen lichamen. Daar is Odin, Ossian, Fingal, in éen woord, de geheele zwerm dier dichterlijke geesten, uit de Sagas-boeken ontsnapt! Wat zijn die figuren schoon, die in onze herinnering te midden der nevelen der poolzeeën, te midden der noordsche sneeuwstormen kunnen te voorschijn getooverd worden! Dat is een meer goddelijke Olympus dan die grieksche poespas. De onze heeft niets aardsch, en zoekt men naar een waardig verblijf voor zulke gasten, dan moeten de Hebriden gekozen worden. Ja, miss Campbell, het zou hier zijn, dat ik onze godheden zou gaan aanbidden, en als echte zoon van ons Oud-Caledonië, zou ik onzen archipel met zijn twee honderd eilanden, zijn met dampen bezwangerd uitspansel, zijn woeste vloedgetijen, die de warmte van den Golfstroom aanbrengen, niet ruilen voor al de eilanden-zeeën van het Oosten!"

»En hij behoort ons Schotten der Hooglanden wel toe!" antwoordde miss Campbell, geheel ontvlamd door de vurige geestdrift van den jongen man, »aan ons, Schotten van het graafschap Argyle. Ah! mijnheer Sinclair, evenals gij bemin ik onzen Caledonischen archipel hartstochtelijk! Hij is overheerlijk, en ik bemin die eilandenzee tot in haar woede!"

»En die woede is inderdaad verheven!" juichte Olivier Sinclair. »Niets weerstaat het geweld der windvlagen, die er op los stormen, na ongehinderd een ruimte van drie duizend mijl afgelegd te hebben! Het is de Amerikaansche kust, die tegenover de Schotsche kust gelegen is! Wanneer daar, aan de overzij van den Atlantischen Oceaan, de groote stormen ontstaan, dan ontketenen zij hier de aanvallen der aanrollende golven en de huilende winden, die zich op westelijk Europa storten. Maar wat kunnen zij tegen onze Hebriden, die veel stoutmoediger zijn dan die man, van wien Livingstone spreekt, die geen leeuwen vreesde maar die bang was voor den oceaan. Nu, onze eilanden behoeven niet bang te zijn; zij, met hun stevige graniet-grondvesten, kunnen lachen om het geweld van storm en zee!..."

»De zee!.... Een scheikundige verbinding van zuurstof met waterstof, met anderhalf percent chloruur van sodium! Niets zoo schoon als de woede van chloruur van sodium!"

Miss Campbell en Olivier hadden zich bij het hooren van die woorden, die blijkbaar tot hen gericht waren, en als een antwoord op hun geestdrift klonken, omgekeerd.

Aristobulus Beerenkooi stond daar achter hen op de brug.

Dat lastige mensch had het verlangen niet kunnen weerstaan, om te gelijkertijd met miss Campbell Oban te verlaten, omdat hij wist dat Olivier Sinclair haar naar Jona begeleidde. Hij had dan ook gezorgd vóór hen aan boord te zijn, en had zich gedurende den geheelen overtocht in het salon opgehouden, en kwam nu naar boven toen het eiland in het gezicht was.

De woede van het chloruur van sodium! Welk een wetenschappelijke vuistslag in de droomerijen van Olivier Sinclair en miss Campbell!

XIV.

HET LEVEN TE JONA.

Intusschen kwam Jona--dat oudtijds het Golfeiland genoemd werd--met zijn heuvel, die den Abt heette, en een hoogte van niet meer dan vier honderd voet boven de oppervlakte der zee bereikte, al meer en meer te voorschijn, en naderde de stoomboot het thans met snelheid.

Het was ongeveer middag, toen de Pioneer bij een kleinen dam aanlegde, die van rotsen opgetrokken was, welke ter nauwernood vierkant bekapt waren, en er slijmerig groen van het water uitzagen. De passagiers ontscheepten, het meerendeel evenwel slechts kortstondig, om een uur later weer te vertrekken, en langs de zeeëngte van Mull naar Oban terug te keeren; de anderen evenwel, slechts weinigen--de lezer weet hoeveel--met het doel om te Jona te verblijven.

Eigenlijk heeft het eiland geen haven. Een steenen kade beschermt een kleinen inham tegen de deining uit volle zee. Dat is alles. Daar zoeken gedurende het fraaie seizoen eenige plezierjachten en de visschersschuiten, die deze streken afvisschen, bescherming tegen den machtigen golfslag.

Miss Campbell en haar reisgezellen, lieten de overige toeristen, die slechts twee uur voor zich hebben om het eiland te bezichtigen, aan hun lot over, en beijverden zich onverwijld om een doelmatig onderkomen te vinden.

Men moest evenwel niet te veeleischend zijn. Te Jona is de comfort, welke in de rijke steden van het Vereenigd Koninkrijk aangetroffen wordt, nagenoeg onbekend.

En inderdaad, het geheele eiland Jona heeft geen grootere uitgestrektheid dan van drie mijl lengte, en van één breedte, en telt ter nauwernood vijfhonderd inwoners. De hertog van Argyle, wien het eiland toebehoort, trekt er van een inkomen slechts eenige honderden ponden. Een stad, of een dorp, zelfs een gehucht bestaat er eigenlijk niet. Eenige verspreide huizen, voor het meerendeel slechts hutten, schilderachtig zoo men wil, maar bekrompen oorspronkelijk, bijna zonder vensters, terwijl het daglicht slechts door de deur toegang heeft, met een gat in het dak, dat de rol van schoorsteen vervult, met muren, kaal en naakt, van klipsteen opgetrokken, met een dakbedekking van riet of van heidekruid, dat met grofvezelig zeewier wordt saamgehouden.

Wie zou echter kunnen gelooven, dat Jona in de eerste tijdperken van de Scandinavische geschiedenis de bakermat is geweest der Druïden? Wie zou kunnen gissen, dat na hen Sint Columban--de Ierlander, wiens naam het eiland ook draagt--er in de zesde eeuw het eerste klooster in Schotland stichtte, met het doel om van daar uit de nieuwe leer van Christus te prediken, en dat monniken van Cluny daar woonden, tot dat de Hervorming ingevoerd werd. Maar waar thans die uitgestrekte gebouwen te vinden, die vroeger de kweekschool waren, waaruit de bisschoppen en de groote abten van het geheele Vereenigde Koninkrijk voortsproten? Waar thans te vinden, te midden van de hoopen puin, de overblijfselen van de boekerij, die zoo rijk aan oude archiefstukken was, zoo rijk aan allerlei handschriften, betrekking hebbende op de romeinsche geschiedenis, en waaraan toen der tijd de geleerden zich kwamen laven? Neen! thans bestaan slechts puinhoopen en bouwvallen, waar vroeger de beschaving, die het noorden van Europa zoo veranderen zou, hare wieg had staan. Van het Sint Columba van voorheen blijft niets dan het tegenwoordige Jona over, dat Jona met zijn weinige ruwe boeren, die met moeite op dien zandgrond een middelmatigen oogst van gerst, koren en aardappelen teelen, met zijn weinige visschers, wier sloepen de vischrijke wateren der kleine Hebriden beploegen.

»Vindt miss Campbell," vroeg Aristobulus Beerenkooi op smadelijken toon, »dat dit nest hier op het eerste gezicht een vergelijking met Oban kan doorstaan?"

»Wel zeker, en het is boven Oban te verkiezen!" antwoordde miss Campbell, hoewel zij er ongetwijfeld bij dacht, dat er een bewoner te veel op het eiland zoude wezen.

Bij gebrek van een Casino of van een hotel slaagden de gebroeders Melvill er in, een herberg te ontdekken, die dragelijk was. Zij werd gewoonlijk in beslag genomen door de toeristen, die zich niet tevreden lieten stellen met den tijd, dien de boot hun beschikbaar liet om de druïdische en christelijke bouwvallen van Jona te bezichtigen. Zij namen dus dienzelfden dag hun intrek in het Wapen van Duncan, terwijl Olivier Sinclair en Aristobulus Beerenkooi ieder voor zich een zoo goed mogelijk onderkomen in een visschershut zochten.

Maar miss Campbell, het bedorven kind, was zoodanig in haar nopjes in haar kleine kamer, welker vensters op het westen en op de zee uitzagen, alsof zij zich op het boventerras van het hooge torentje van Helenaburg bevond; in ieder geval was zij er liever dan in het salon van het Caledonian Hôtel. Als zij aan haar venster zat, dan ontwikkelde zich voor haren blik een gezichteinder, welks cirkelvorm door geen enkel eilandje gebroken werd, en met een beetje verbeeldingskracht kon zij zich op drie mijl afstands de Amerikaansche kust voor oogen tooveren, hoewel die aan de andere zijde van den Atlantischen Oceaan was gelegen. Waarlijk, de zon had daar een schoone gelegenheid, om in al haar pracht onder te gaan!

Het gemeenschappelijk leven was dus gemakkelijk en spoedig geregeld. Men zou gezamenlijk de maaltijden in de eetkamer van de herberg nuttigen. Volgens een oud eerbiedwaardig gebruik namen juffrouw Bess en Partridge bij hun meesters plaats aan tafel. Misschien liet Aristobulus Beerenkooi daarover eenige verwondering blijken, Olivier Sinclair vond dat heel natuurlijk. Hij had zelfs reeds eenige genegenheid opgevat voor die beide dienaren, die ook hem begonnen lief te krijgen.

Toen leidde dat gezin het oude Schotsche bestaan in zijn geheele eenvoudigheid. Na de wandeluren rondom en door het eiland, na de verhandelingen over den ouden tijd, waartusschen Aristobulus Beerenkooi nimmer naliet zijn moderne wetenschap te luchten, vereenigde men zich aan het gemeenschappelijk diner dat te twaalf uur en aan het avondmaal, dat te acht uur genuttigd werd. Dan kwam de zonsondergang, en miss Campbell ging dien steeds waarnemen, welk weer het ook was. Het kan toch zijn, wie weet dat een opening zich in de lagere wolkenmassa voordeed, een scheur, een spleet, in één woord, een kleine ruimte om den laatsten straal doortocht te verleenen.