De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht
Chapter 8
»Welker gevaren hij toch moest kennen, daar hij in deze streken te huis hoort?" vulde broeder Sib aan.
»Schort uw oordeel, heeren Melvill," antwoordde Olivier Sinclair. »de onvoorzichtigheid kwam van mijn kant, en is mij alleen te wijten. Een oogenblik vreesde ik, dat ik oorzaak van den dood van dien braven kerel zou zijn! Maar er waren zulke wonderlijke kleuren op de oppervlakte van die keerstroomingen, waar de zee aan een onmetelijk kantwerk gelijk was, uitgespreid op een blauwzijden ondergrond! En zonder er gevaar in te zien, naderde ik al meer en meer, om te midden van dat lichtend schuim eenige nieuwe schakeeringen op te vangen. En ik ging al meer en meer vooruit, steeds vooruit. De oude visscher bespeurde het gevaar wel, hij hield mij vertoogen, hij wilde naar de kust van het eiland Jura terugkeeren; maar ik had er geen ooren naar, totdat ons vaartuig in den stroom geraakte en onweerstaanbaar naar de kolk gesleept werd. Wij wilden die aantrekkingskracht weerstand bieden!.... Mijn makker werd door een golf gewond, en kon mij dus niet meer helpen, en ongetwijfeld zonder de aankomst van de Glengarry, zonder de toewijding van haren kapitein, zonder de menschlievendheid der passagiers zouden wij, mijn visscher en ik, reeds tot de legende behooren, en onze namen op de doodenlijst van de Corryvrekan-kolk prijken!"
Miss Campbell had, zonder een woord te laten ontsnappen, den jonkman aangehoord. Verscheidene malen vestigde zij haar schoone oogen op hem. Hij van zijn kant vermeed haar met zijn blikken te hinderen. Zij kon een glimlach niet onderdrukken, toen hij zijn jacht, of beter zijn visscherij op zeeschakeeringen schetste. Vervolgde zij ook niet een dergelijk droombeeld, wel is waar minder gevaarlijk? Was de jacht op den groenen Straal ook niet een jacht op een schakeering, niet der zee maar van het luchtgewelf? Zelfs de gebroeders Melvill maakten er de opmerking van en verhaalden het motief, dat hen naar Oban gevoerd had, namelijk de waarneming van een natuurverschijnsel, waarvan men den aard aan den jongen schilder mededeelde.
»De Groene Straal!" riep Sinclair uit.
»Zoudt gij hem reeds gezien hebben, mijnheer?" vroeg het jonge meisje levendig. »Zoudt gij hem reeds gezien hebben?"
»Neen, miss Campbell," antwoordde Olivier Sinclair. »Ik weet zelfs niet of er ergens een Groene Straal bestaat! Neen, waarlijk niet! Welnu, ook ik wensch hem thans te zien. De zon zal geen enkele maal meer achter de kim wegduiken, zonder dat ik daarvan getuige zal zijn! En ik zweer bij Sint Dunstan! dat ik geen ander groen op mijn palet zal gebruiken, dan het groen van dien laatsten straal!"
Het was moeilijk uit te maken, of Olivier Sinclair hier niet een weinig spot bedoelde, of dat hij zich door zijn kunstzin liet vervoeren. Een geheime stem fluisterde miss Campbell toe, dat de jonkman niet spotte.
»Mijnheer Sinclair," sprak zij, »de Groene Straal is mijn eigendom niet. Hij schittert voor iedereen! Hij verliest niets in waarde, omdat hij zich aan verschillende belangstellenden te gelijkertijd vertoont. Wij zouden dus kunnen trachten hem samen te zien."
»Zeer gaarne, miss Campbell!"
»Maar, gij zult zeer veel geduld moeten oefenen."
»Welnu, dat zullen wij! Wij zullen...."
»Niet mogen vreezen om pijn aan de oogen te krijgen," zei broeder Sam.
»Mij dunkt dat de Groene Straal wel waard is, dat er aan te wagen," antwoordde Olivier Sinclair, »en ik zal Oban niet verlaten, zonder hem gezien te hebben, dat beloof ik."
»Wij zijn reeds naar het eiland Seil gegaan, om dien Straal waartenemen, maar een klein wolkje benevelde de kim, juist op het oogenblik toen de zon onderging."
»Dat was een ware noodlottigheid!"
»Ja, inderdaad een noodlottigheid, mijnheer Sinclair; want sedert dien dag hebben wij geen volmaakt helderen dampkring meer gehad."
»Wij moeten den moed niet laten zakken, miss Campbell. De zomer is nog niet ten einde en voor dat het kwade seizoen zal ingetreden zijn, zal de zon wel de mildheid hebben ons haren Groenen Straal te vertoonen, weest daar verzekerd van."
»Moet ik u alles bekennen, mijnheer Sinclair?" hernam miss Campbell. »Welnu, wij zouden in den avondstond van den 2den Augustus dien Groenen Straal zeker op de kim van de Corryvrekan kolk hebben kunnen waarnemen, wanneer onze aandacht niet ware afgeleid door een zekere redding...."
»Wat, miss Campbell, ik zou lomp genoeg geweest zijn om in zoo'n oogenblik uw blikken af te leiden! mijn dwaze onvoorzichtigheid komt u den Groenen Straal te staan. Maar dan moet ik u verontschuldiging aanbieden, en ik betuig u hiermede mijn leedwezen over die ontijdige verschijning van mijn persoon! Wees verzekerd, dat het niet weer zal gebeuren."
En men keuvelde over koetjes en kalfjes, terwijl men naar het Caledonian Hotel terug wandelde, waarin ook Olivier Sinclair zeer toevallig den vorigen avond, bij zijn terugkeer van een uitstapje in de omstreken van Dalmaly, zijn intrek had genomen. Het jonge mensch, wiens ronde manieren en wiens aanstekelijke opgeruimdheid de gebroeders Melvill volstrekt niet mishaagden, kwam in den loop van het gesprek er toe om van Edinburg en van zijn oom den baljuw Patrick Oldimer te praten. Toen bleek het, dat de gebroeders Melvill vroeger gedurende eenige jaren met den baljuw Oldimer hadden omgegaan. Weleer hadden vriendschappelijke banden tusschen de beide familiën bestaan, die alleen door den verren afstand van elkander gestaakt waren geworden. Men was elkander dus niet meer vreemd. Olivier Sinclair ontving dan ook de uitnoodiging om de vriendschapsbanden met de Melvills te vernieuwen, wat hij gaarne deed, vooral omdat er geen enkele reden bestond, om zich elders dan te Oban te vestigen. Hij verklaarde dan ook, dat hij er blijven wilde, om deel te nemen aan de opsporing van den befaamden Straal.
Miss Campbell, de gebroeders Melvill en hij ontmoetten elkander veelvuldig op het strand van Oban in de daarop volgende dagen. Te zamen deden zij waarnemingen omtrent de vermoedelijke weersveranderingen. Tien keeren op een dag raadpleegden zij den barometer, die wel eenige neiging tot stijgen vertoonde. En waarlijk, in den morgen van den 14den Augustus overschreed de beminnenswaardige wijzer van het instrument dertig duim en zeven tiende.
Met welk gevoel van tevredenheid bracht Olivier Sinclair die goede tijding aan miss Campbell! De hemel was helder en rein als het oog eener madonna. Een fraai azuur tintte het uitspansel, zacht overgaande in de meest uiteenloopende nuanceeringen van af het indigo- tot het ultramarijn-blauw! Geen enkele damp van hygrometrischen aard was te bespeuren. Het vooruitzicht bestond, dat de avond overheerlijk zou zijn, en dat men een zonsondergang zou genieten, zoo scherp zuiver, als de sterrenkundigen van eenige sterrenwacht zouden kunnen verlangen!
»Als wij nu bij zonsondergang onzen straal niet zien zullen, dan moeten wij blind zijn!" zei Olivier Sinclair.
»Hoort gij, waarde oompjes!" zei miss Campbell. »Hoort gij wel, het zal van avond plaats hebben!"
Men kwam overeen dat men vóór het diner naar het eiland Seil zou vertrekken, wat dan ook tegen ongeveer vijf uur geschiedde.
Miss Campbell zat overgelukkig met den niet minder gelukkigen Olivier Sinclair en de gebroeders Melvill, die zich ook al vroolijk en tevreden gevoelden in het rijtuig, dat hen over den schilderachtigen weg naar Glachan voerde. Men zou waarlijk kunnen beweren, dat zij de zon met zich op den bok van het rijtuig voerden, en het vierspan, dat flink voortspoedde, de vurige paarden van Apollo, den god des dags, waren!
Op het eiland Seil aangekomen, hadden de reeds bij voorbaat verrukte waarnemers een gezichteinder voor zich, waarvan de helderheid door niets bevlekt werd. Zij kozen tot waarnemingspost het uiteinde van een zeer smalle kaap, die zich een mijl ver in zee uitstrekte en twee kleine inhammen in de kust van elkander scheidde. Niets kon daar over een vierde gedeelte van den gezichtseindersboog het panorama van het westen belemmeren.
»Hij kan ons dus niet ontsnappen, die grillige straal, die zoo veel preutschheid aan den dag legt om zich te laten zien," zei Olivier Sinclair.
»Dat geloof ik ook," antwoordde broeder Sam.
»En ik ben er zeker van," vulde broeder Sib aan.
»En ik hoop het," uitte miss Campbell, terwijl zij den vlekkeloozen hemel en de zee beschouwde, die zich daar eenzaam voor haar uitstrekte. Waarlijk, alles kondigde aan dat het natuurverschijnsel zich bij zonsondergang in al zijn pracht zou vertoonen. Reeds daalde de schitterende dagvorstin langs een schuine lijn, en bevond zich nog slechts weinige graden boven den horizon. Haar roode schijf tintte den achtergrond van het uitspansel gelijkmatig als met vuur en trok een lange verblindende streep over de oppervlakte van het kalme water der zee.
Allen stonden daar opgetogen over dat fraaie gezicht, de verschijning af te wachten, en zagen de zon, die langzaam, aan een overgrooten luchtsteen gelijk, onderdook. Plotseling ontsnapte een onwillekeurige kreet aan miss Campbell, die met een angstigen uitroep, door de gebroeders Melvill en door Olivier Sinclair uitgestooten, beantwoord werd.
Een sloep kwam van achter het eilandje Eastdale, dat in de nabijheid als aan den voet van het eiland Seil gelegen is. Die sloep stevende langzaam westwaarts. Haar zeil, als in een vuurscherm gevat, stak helder boven de kim uit. Zou dat nu de zon gaan bedekken, juist op het oogenblik, dat zij zou ondergaan?
Het was hier een kwestie van seconden. Men kon niet meer terug, om rechts of links een andere waarnemingsplek te kiezen, ten einde de zon weer ongehinderd te kunnen aanschouwen. Daartoe was geen tijd meer, de geringe oppervlakte der kaap liet niet toe zich zoover te bewegen om weer in de as der zon te geraken.
Miss Campbell was wanhopig over dien tegenspoed. Zij liep heen en weer over de rotsen, terwijl Olivier Sinclair door buitensporige gebaren de aandacht van den opvarende dier sloep tot zich zocht te trekken, en zoo hard hij kon schreeuwde, dat zij hun zeil zouden strijken.
Alles te vergeefs. Men zag hem niet en men kon hem onmogelijk hooren. De sloep, door een zachte bries voortgestuwd, stevende steeds westwaarts op.
Juist toen de bovenrand der zonneschijf zou verdwijnen, gleed het zeil der sloep tusschen haar en de toeschouwers, en werd zij door dat ondoorzichtbaar trapezium bedekt.
Dat was een ware teleurstelling! Ditmaal had de Groene Straal te midden van die zuivere kim geschitterd. Hij was evenwel afgestuit op dat lompje zeil, zonder het voorgebergte te kunnen bereiken, alwaar zoo vele blikken hem gretig bespiedden.
Miss Campbell, Olivier Sinclair en de gebroeders Melvill stonden daar als versteend op die plek, teleurgesteld als zij waren, en meer verbitterd dan zulk een ongelukkig toeval eigenlijk wel waard was. Zij vergaten werkelijk heen te gaan, en verwenschten dat vaartuig en de personen die er in waren.
De sloep legde evenwel aan in een kleine kreek van het eiland Seil, die zich aan den voet van het voorgebergte bevond.
Een passagier sprong daaruit in dit oogenblik, en liet aan boord twee zeelieden, die hem van het eiland Luing langs den weg der volle zee overgevoerd hadden. Hij naderde langs het strand en beklom de voorste rotsen, met het doel om het uiteinde der kaap te bereiken.
De onwelkome gast had voorzeker de groep waarnemers, die op het plat van het voorgebergte stond, herkend; want hij groette de aanwezigen met een gebaar dat een zekere gemeenzaamheid verried.
»Mijnheer Beerenkooi!" riep miss Campbell.
»Hij! was hij het?!" riepen de gebroeders Melvill.
»Wie kan die mijnheer zijn?" dacht Olivier Sinclair.
Ja, het was Aristobulus Beerenkooi in persoon, die een wetenschappelijk uitstapje, dat verscheidene dagen geduurd had, naar het eiland Luing had gemaakt.
Het zal wel onnoodig zijn te zeggen, hoedanig hij verwelkomd werd door hen, wier dierbaarsten wensch hij in zijn vervulling had verijdeld.
Broeder Sam en broeder Sib vergaten in zooverre de welvoegelijkheid, dat zij er zelfs niet aan dachten Olivier Sinclair aan Aristobulus Beerenkooi voor te stellen. Zij sloegen beiden de oogen neer en vermochten tegenover Helena's ontevredenheid den blik niet te slaan op dien aanstaande hunner keuze.
Miss Campbell, de kleine handjes te zamen geknepen, de armen over de borst gekruist, keek hem aan met bliksemende oogen, zonder een woord te spreken. Eindelijk na een poos ontsnapten deze woorden aan haren mond:
»Mijnheer Beerenkooi, gij hadt kunnen nalaten zoo van pas te komen om een onhandigheid te bedrijven."
XII.
NIEUWE PLANNEN.
De terugtocht naar Oban werd onder veel minder aangename omstandigheden volbracht dan de heenreis naar het eiland Seil. Men was vertrokken in den waan van een goeden uitslag te verkrijgen en men kwam terug onder den invloed eener teleurstelling.
Kon de tegenspoed, die miss Campbell ondervond, door iets gelenigd worden, dan was het dat hij door Aristobulus Beerenkooi veroorzaakt was. Zij had het recht dien grooten schuldige met verwijten te overladen, en hem de uitwerksels van haren toorn te doen gevoelen. En zij maakte van dat recht gebruik. De gebroeders Melvill zouden het niet gewaagd hebben, hem bij haar te verontschuldigen. Neen! het vaartuig van dien lomperd, waaraan niemand zijn aandacht geschonken had, was gekomen juist op het oogenblik, dat de zon haar laatsten straal schoot, om den horizon voor de waarnemers te bedekken! Ziet, dat zijn van die zaken, die niet vergeten kunnen worden!
Het behoeft niet gezegd, dat Aristobulus Beerenkooi die, na die lompheid, zich nog een spotternij met betrekking tot den Groenen Straal veroorloofd had, weer in zijn sloep was gestapt, om naar Oban terug te zeilen. En hij had daarin zeer wijselijk gehandeld; want meer dan waarschijnlijk zou men hem geen plaats in de kalès, zelfs niet in het bakje van achteren, aangeboden hebben.
Zoo had dus de Zonsondergang tweemaal plaats gehad, onder omstandigheden, waarbij de waarneming van het natuurverschijnsel een onmogelijkheid bleek. Reeds twee maal had de vurige blik van miss Campbell zich te vergeefs blootgesteld aan de schitterende liefkoozingen der dagvorstin, die een beneveling van haar gezicht voor den duur van eenige uren veroorzaakten! Eerst had de redding van Olivier Sinclair, nu de voorbijtocht van Aristobulus Beerenkooi haar een gelegenheid doen missen, die zich wellicht in langen tijd niet weer zou voordoen! In beide gevallen waren, wel is waar, die verhinderende omstandigheden niet gelijk geweest, waardoor zij den eenen met zooveel vuur verontschuldigde, als zij den andere hard viel. Wie zou den moed hebben, haar van partijdigheid te betichten?
Den volgenden ochtend wandelde Olivier Sinclair, in zijn droomerijen verzonken, op het strand te Oban.
Wie was toch die mijnheer Aristobulus Beerenkooi! Een bloedverwant van miss Campbell en der gebroeders Melvill? Of slechts een vriend? In ieder geval was het toch een bekende in huis, dat was wel op te maken uit de wijze waarop miss Campbell zich aan haar verwijtingen over zijn onhandigheid overgegeven had. Welnu wat kon hem, Olivier Sinclair, dat schelen? Wanneer hij wilde weten waaraan zich daaromtrent te houden, dan had hij immers slechts broeder Sam of broeder Sib te ondervragen.... Maar dit was het juist wat hij wenschte te vermijden en wat hij dan ook niet deed.
Toch ontbraken hem de gelegenheden daartoe niet; want iederen dag ontmoette hij de twee broeders, die steeds te zamen wandelden; want niemand kon er zich op beroemen ooit den eenen zonder den anderen ontmoet te hebben. Somtijds begeleidden zij hunne nicht bij haar wandelingen op het strand. Men keuvelde over duizenderlei zaken, maar voornamelijk over het weer, hetgeen bij de gegeven omstandigheden en personen precies geen onderwerp genoemd kan worden, om over te praten zonder iets te zeggen. Zou men ooit nog in dit seizoen een dier kalme avonden beleven, wier terugkeer men bespiedde om weer naar het eiland Seil te gaan? Het was te betwijfelen. Want inderdaad, sedert die twee prachtige avonden van den 2den en den 14den Augustus, heerschte slechts ongestadig weer, vertoonden zich slechts onweerswolken; de warmte veroorzaakte dichte dampen bij de kim, die door electriciteitsontladingen verscheurd werden, en zoo die niet den gezichteinder bedekten, dan waren het dichte avondnevels, in een woord, het alles te zamen was wel geschikt om een leerling in de sterrenkunde die zich aan zijn kijker vastklemt en van een herziening van de hemelkaart droomt, tot vertwijfeling te brengen!
Waarom niet ronduit bekennen, dat de jonge schilder nu even zoo verzot op den Groenen Straal was als miss Campbell? Hij had dat stokpaardje in gezelschap van dat schoone lieve meisje bestegen. Hij dwaalde thans met haar in de onmetelijke uitgestrektheid van het luchtruim rond. Hij koesterde die gril met niet minder vuur, om niet te zeggen: met niet minder ongeduld dan zijn jeugdige gezellin. Oh! hij was geen Aristobulus Beerenkooi, wiens brein verloren was in de nevelachtige hoogten en diepten der hoogere wetenschap en koesterde geen geringschatting voor een eenvoudig optisch natuurverschijnsel. Beiden begrepen elkander en beiden verlangden tot die zeldzaam bevoorrechte wezens te hooren, die door de verschijning van den Groenen Straal vereerd zouden worden.
»O! wij zullen hem zien, miss Campbell," herhaalde Olivier Sinclair, »wij zullen hem zien, al moest ik hem zelf gaan ontvonken! Want goed gerekend, is het mijn schuld, dat hij u dien eersten keer ontsnapte, en ik ben net zoo schuldig, als die mijnheer Beerenkooi.... uw bloedverwant.... geloof ik?"
»Neen.... mijn verloofde.... zoo als het schijnt," antwoordde dien dag miss Campbell in de grootste verwarring, terwijl zij zich met eenigen spoed verwijderde, om zich bij haar ooms te voegen, die te zamen iets vooruit kuierden en elkander een snuifje aanboden.
Haar verloofde! De uitwerking door dat eenvoudig antwoord, maar nog meer door den toon, waarop het gegeven werd, op Olivier Sinclair te weeg gebracht, was merkwaardig! Welnu, wat zou dat? waarom zou dat jeugdige pedante wezen haar verloofde niet zijn? Onder die omstandigheden kon ten minste zijn tegenwoordigheid te Oban verklaard worden. Dat hij zoo onbehendig geweest was, om zijn persoon tusschen de ondergaande zon en miss Campbell te plaatsen, daaruit volgde nog niet... Wat volgde daar niet uit? Waarachtig, Olivier Sinclair zou wel verlegen gestaan hebben, wanneer hij die vraag had moeten beantwoorden.
Na twee dagen afwezig geweest te zijn, was Aristobulus Beerenkooi intusschen weer te voorschijn gekomen. Olivier Sinclair zag hem verscheidene malen, als hij in gezelschap der gebroeders Melvill wandelde, die hem geen kwaad hart hadden blijven toedragen. Hij scheen goed bevriend met hen te zijn. De jeugdige geleerde en de jeugdige artist hadden elkander reeds herhaaldelijk, hetzij op het strand, hetzij in de salons van het Caledonian-Hôtel ontmoet. Eindelijk waren de twee ooms er toe overgegaan hen aan elkander voor te stellen.
»Mijnheer Aristobulus Beerenkooi, van Dumfries!"
»Mijnheer Olivier Sinclair, van Edinburg!"
Die plichtpleging had den beiden jongelieden een middelmatigen groet gekost, een van die eenvoudige hoofdbuigingen, waaraan het lichaam in een bovenmatige stijve houding geen deel neemt. Klaarblijkelijk zou nimmer eenige sympathie tusschen die twee uiteenloopende karakters geboren worden. De een verdiepte zich in 's Blaue hinein, alsof hij sterren wilde plukken; de andere beijverde zich, de loopbanen van die sterren te berekenen; de een als artist zocht geen wetenschappelijken roem te verwerven, de andere vervaardigde zich van de wetenschap een voetstuk, waarop hij de houding van een beroemd man aannam.
Wat miss Campbell aangaat, zij mokte tegen Aristobulus Beerenkooi. Was hij in de nabijheid, dan deed zij of zij zijn tegenwoordigheid niet bemerkte; ging hij voorbij, dan wendde zij zichtbaar het hoofd af. In één woord, zij bejegende hem met al de stijfheid der Britsche vormelijkheid. De gebroeders Melvill gaven zich veel moeite om weer goed te maken, wat het schoone kind bedierf. Volgens hun meening zou dat alles wel weer te recht komen, vooral wanneer die grillige straal zich maar wilde vertoonen.
In afwachting daarvan nam Aristobulus Beerenkooi Olivier Sinclair met scherpen blik op, over zijn brilleglazen heen. Dat is een zeer gewone wijze van handelen bij de kortzichtigen, die steeds willen waarnemen en zien, zonder er den schijn van te hebben. En wat nam hij waar? De overgroote zucht van den jonkman om zich in de nabijheid van miss Campbell te bevinden, het vriendelijk onthaal, dat het jonge meisje hem bij iedere gelegenheid bereidde. Dit alles stond hem voorzeker niet aan. Maar aan zijn bekoorlijkheden niet twijfelende, was hij niet ongerust, en hield zich op den achtergrond.
Bij den ongestadigen dampkring, bij den barometer, welks wijzer geen rustpunt kon vinden, en zich slechts in de nabijheid van »veranderlijk" bewoog, werd aller geduld wel op een harde proef gesteld. Er werden nog twee of drie uitstapjes naar het eiland Seil ondernomen, in de hoop om, al was het maar voor weinige oogenblikken, bij zonsondergang een geheel wolkeloozen horizon aan te treffen. Het was vergeefsche moeite! Het eenige wat de teleurstelling lenigde, was dat Aristobulus Beerenkooi er geen deel aan nam. Zoo werd het 23 Augustus, zonder dat het luchtverschijnsel de moeite genomen had, zich te vertoonen.
Toen werd die gril een allesbeheerschend denkbeeld, dat ieder ander uitsloot. Het had er wel wat van of onze bekenden bezeten waren. Zij droomden er dag en nacht van en wel zoo, dat er voor een nieuwe soort monomanie gevreesd werd, en dat in een tijd dat die soorten reeds ontelbaar zijn. Onder dien geestesdwang, veranderden alle kleuren in een eenige: de blauwe hemel scheen groen, de wegen waren groen, het strand was groen, de rotsen waren groen, het water en de wijn waren zelfs groen als absinth. De gebroeders Melvill verbeeldden zich, dat zij in het groen gekleed waren, en zagen elkander voor groote groene papegaaien aan, die groene snuif uit een groene snuifdoos snoven. In één woord was het een groene waanzin! Zij waren allen met een soort daltonisme geslagen, en de professoren in oog- en gezichtkunde zouden daar een heerlijk onderwerp aangetroffen hebben, om zeer belangrijke behandelingen in hun oogheelkundige werken op te nemen. Dat kon niet lang meer zoo duren.
Olivier Sinclair kwam gelukkig op een gedachte.
»Miss Campbell," zei hij dien dag, »en gij heeren Melvill, vergeeft mij, maar mij dunkt, dat wij, alles wel beschouwd, zeer slecht te Oban zijn om het natuurverschijnsel in kwestie waar te kunnen nemen."
»Aan wien de schuld?" vroeg miss Campbell, waarbij zij met strengen blik de beide misdadigers monsterde, die de oogen verlegen neersloegen.
»Hier te Oban is geen zeehorizon!" hernam de jonge schilder. »Vandaar de verplichting om dien op het eiland Seil te gaan opzoeken, op gevaar af om er niet te zijn, wanneer wij er wezen moesten!"
»Dat 's helder als de dag!" antwoordde miss Campbell. »Inderdaad, ik begrijp niet, waarom mijn ooms juist dit verschrikkelijk oord voor onze waarneming gekozen hebben!"
»Waardste Helena!" prevelde oom Sam, die in zijn verlegenheid eigenlijk niet wist wat te antwoorden. »Wij hadden gedacht...."
»Ja.... wij hadden.... hetzelfde gedacht...." vulde broeder Sib aan, alsof hij hem te hulp wilde komen.
»Dat de zon zich verwaardigen zou, ook ten aanschouwe van Oban, in de golven onder te gaan...."
»Daar Oban toch aan den zeeoever gelegen is!"
»Dat alles hebben mijn ooms slecht bedacht," antwoordde miss Campbell, »zeer slecht bedacht, daar de zon, zooals gij ziet, er niet in zee ondergaat."
»Waarlijk!" hernam broeder Sam. »Er doen zich van die ongelukseilanden voor, die den gezichtskring beperken!"
»Gij hadt toch het plan niet om die eilanden te doen springen....?" vroeg miss Campbell.
»O! als dat mogelijk was geweest, zou het reeds geschied zijn!" antwoordde broeder Sib op vastberaden toon.