De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht

Chapter 7

Chapter 73,819 wordsPublic domain

Intusschen baarde het vernuftig brein der gebroeders Melvill een denkbeeld. In den namiddag van den 11den Augustus kwam hun in de gedachte, een partij croquet aan miss Campbell voor te stellen, ten einde haar, zoo mogelijk, eenige verstrooiing te bezorgen. Helena weigerde niet, hoewel zij wist, dat Aristobulus Beerenkooi meê zou doen; maar zij wist dat zij met haar toestemming hare ooms zeer veel genoegen zou doen.

Hier dient gezegd, dat broeder Sam zoowel als broeder Sib, er een eer in stelde, den roem weg te dragen van tot de eerste spelers gerekend te worden in dit spel, hetwelk in het Vereenigd Koninkrijk zoo zeer geliefkoosd is. Dat spel is niets anders, zooals men weet, dan het oude »mail", dat meer geschikt gemaakt is voor de vrouwelijke jeugd.

Juist waren er te Oban verscheidene banen geopend, en kon een ieder zich in de geheimen van het croquet-spel inwijden. Dat men zich in het meerendeel der badplaatsen vergenoegt met een baan min of meer gewaterpast, op een grasveld of op het strand, bewijst het min-eischende der spelers of hun weinigen ijver voor deze edele uitspanning. Hier waren de banen niet zanderig; maar met graszoden belegd, zooals het behoort. Het waren zoogenaamde »croquet-grounds", die iederen avond door middel van sproeipompen bevochtigd en iederen morgen met een bijzonder werktuig gewalsd werden, zoodat zij er zacht en glad uitzagen als zijden stof, die gemangeld was. Kleine steenen teerlings, die met de oppervlakte van den grond gelijk kwamen, waren bestemd om er èn de paaltjes èn de ringen in te planten. Een grachtje, eenige duimen diep gegraven, begrensde daarenboven iedere baan, die haar twaalf honderd vierkante meters besloeg, een uitgestrektheid, die voor de ontwikkeling van het spel noodig is. Hoe dikwijls hadden de gebroeders Melvill niet met geheim verlangen, ja met afgunst, de jongelieden en de jonge meisjes waargenomen, die zich op de fraaie banen oefenden. Maar welk genot ook voor hen, toen miss Campbell hunne uitnoodiging aannam. Zij zouden haar dus eenige afleiding kunnen bezorgen en te gelijkertijd hun zoo geliefkoosd spel beoefenen te midden van een groot aantal toeschouwers, die hun hier, evenmin als te Helenaburg zouden ontbreken. Die ijdele gekken!

Toen Aristobulus Beerenkooi verwittigd werd, stemde hij er in toe zijn werkzaamheden te schorsen, en verscheen op het bepaalde uur in het strijdperk. Hij had de verwaandheid te meenen, dat hij theoretisch zoowel als praktisch sterk in het croquet-spel was, dat hij het als wetenschappelijk man, als meet- en wiskundige, in één woord door a + b speelde, zooals het een ijdel xhoofd betaamde.

Wat miss Campbell maar half aanstond, was dat zij dien jeugdigen pedant natuurlijk tot partner zoude hebben. En kon dat ook wel anders? Zou zij haar beide ooms het verdriet aandoen, om hen in den strijd te scheiden, om hen den een' tegenover den anderen te plaatsen, zij die steeds zoo met hart en ziel vereenigd waren, die nooit dan als partners te samen gespeeld hadden? Neen, dat zou zij niet over haar hart kunnen krijgen.

»Wat ben ik gelukkig," zei Aristobulus Beerenkooi in den beginne, »uw meespeler te zijn, en wanneer gij mij toestaat, dan zal ik de bepaalde oorzaken van de bewegingen der ballen uitleggen...."

»Mijnheer Beerenkooi," antwoordde Helena, terwijl zij hem een oogenblik terzijde nam, »wij moeten mijn ooms laten winnen."

»Winnen?...."

»Ja... maar zonder zulks te laten merken."

»Maar, miss Campbell...."

»Zij zouden zich te ongelukkig gevoelen, wanneer zij verloren."

»Maar.... met uw verlof!..." antwoordde Aristobulus Beerenkooi, »dat croquet-spel is mij meetkundig bekend, daarop kan ik mij verhoovaardigen! Ik heb het verband der rechte lijnen, en de waarde der kromme lijnen berekend, en ik meen de pretentie te mogen koesteren, dat...."

»En ik koester geenerlei pretentie, dan om aan onze tegenstanders aangenaam te zijn. Zij zijn daarenboven zeer sterk in het croquet-spel, zijt dus gewaarschuwd; want ik geloof niet, dat al uw geleerdheid in het krijt kan treden met hunne behendigheid."

»Dat zullen wij zien," mompelde Aristobulus Beerenkooi, wien geen overweging, welke ook, kon overhalen, zich vrijwillig te laten overwinnen, zelfs niet wanneer het gold miss Campbell aangenaam te zijn.

Middelerwijl was de kist, waarin de piketten, de teekens, de ringen, de ballen en de houten hamers besloten waren, door een der bedienden op den »crocket ground" gebracht.

De ringen, ten getale van negen, werden ruitvormig op de kleine teerlingsteenen geplaatst, en de beide piketten wezen de uiteinden aan van de groote as van die ruit.

»Nu moeten wij trekken," zei broeder Sam.

De marken werden in een hoed gedaan en ieder trok er een blindweg.

Het lot had de navolgende kleuren voor de volgorde der partij uitgedeeld: een blauwen bal en hamer aan broeder Sam, een rooden bal en hamer aan Beerenkooi, een gelen bal en hamer aan broeder Sib en eindelijk een groenen bal en hamer aan miss Campbell.

»In afwachting dat de straal van dezelfde kleur voor mij verschijne," lachte zij. »Dat is waarlijk een goed voorteeken!"

Het was aan broeder Sam om te beginnen, hetgeen hij deed, na eerst een duchtig snuifje met zijn partner gewisseld te hebben.

Gij moest hem hebben kunnen zien, het lichaam noch te rechtop noch te veel voorover gebogen, het hoofd licht gedraaid, om den bal op de goede plaats te kunnen treffen, de beide handen, de een naast de andere op den steel van den hamer, de linker onder, de rechter boven, de beenen tegen elkander gesloten, de knieën lichtelijk doorgebogen, om veerkrachtig den invloed van den slag tegen te gaan, de linkervoet geplaatst vóór den bal, de rechtervoet eenigszins achterwaarts! In één woord, het type van den echten croquetspeler!

Toen verhief broeder Sam zijn hamer. Zachtkens liet hij hem een halven cirkel beschrijven, toen gaf hij zijn bal, die juist op achttien duim van den »fock" of eersten piketpaal geplaatst was, een slag, en had niet noodig om dienzelfden eersten slag driemaal uit te voeren, een recht dat hem onbetwistbaar toekwam.

En waarlijk, zijn bal, behendig voortgestuwd, vloog onder den eersten ring en daarna onder den tweeden ring door, een andere slag bracht den bal onder door den derden ring en het was eerst bij den vierden, dat hij bleef liggen, omdat hij te veel het ijzer geraakt had.

Dat was prachtig voor een eerste begin. Een vleiend gemompel liet zich dan ook onder de toeschouwers hooren, die buiten het grachtsboord stonden hetwelk de bezode baan omgaf.

Het was toen de beurt van Aristobulus Beerenkooi om te spelen. Dat liep minder gelukkig af. Gebrek aan behendigheid of ongeluk, hoe het ook zij, hij moest driemaal overdoen, alvorens zijn bal onder den eersten ring door te brengen, maar hij miste den tweeden.

»Wellicht heeft die bal geen gelijkmatig evenwicht," legde hij aan miss Campbell uit. In dat geval doet het zwaartepunt, dat buiten het middelpunt gelegen is, den bal in zijn baan afwijken."

»Aan u, oom Sib, om te spelen!" riep miss Campbell, zonder naar die wetenschappelijke uitlegging te luisteren.

Broeder Sib was zijn broeder Sam ten volle waardig. Zijn bal vloog door twee ringen heen en bleef bij dien van Aristobulus Beerenkooi liggen, die hem, nadat hij hem geroqueerd had, dat wil zeggen: achterwaarts geslagen, behulpzaam was om door den derden ring te komen, waarna hij den bal van den jongen geleerde andermaal roqueerde. Deze laatste vertoonde een uitdrukking op het gelaat, alsof hij zeggen wilde: »dat zullen we straks beter doen". Eindelijk lei broeder Sib de beide ballen naast elkander, zette den voet op zijn eigen bal, en gaf dien een forschen slag met den hamer, om dien van zijn tegenpartij te croquetteeren, dat wil zeggen, dat hij hem door den terugslag op ruim zestig pas ver over de grensgracht voortstuwde.

Aristobulus Beerenkooi moest zijn bal naloopen, maar hij deed dat met deftigheid, als een bezonnen mensch, en wachtte daarna in de houding van een generaal, die nadenkt en een grooten slag voorbereidt.

Miss Campbell plaatste op hare beurt haar groenen bal en deed hem behendig de beide eerste ringen doorgaan.

De partij werd zoo voortgezet en verliep op de meest gunstige wijze voor de gebroeders Melvill, die hun hart konden ophalen met de ballen van hunne tegenpartij te roqueeren en te croqueeren. Welk een moord! Zij gaven elkaar kleine teekens, zij verstonden elkander op een blik, zonder noodig te hebben te spreken, en geraakten eindelijk tot groot genoegen van hunne nicht, maar tot groot ongenoegen van Aristobulus Beerenkooi, in het voordeel.

Toen miss Campbell evenwel, nadat het spel ongeveer vijf minuten geduurd had, bemerkte, dat zij genoegzaam ten achteren was; begon zij meer ernstig te spelen en ontwikkelde meer behendigheid dan haar partner, die haar niettemin zijn wetenschappelijke raadgevingen niet onthield.

»De weerkaatsingshoek," zeide hij tot het jonge meisje, »is gelijk aan den invallingshoek, en dat zal u de richting, die de ballen nemen moeten aanduiden. Gij moet dus uw voordeel doen met...."

»Doet gij er uw voordeel maar mede," antwoordde miss Campbell hem. »Kijk mijnheer, ik ben u al drie ringen vooruit!"

En waarlijk, Aristobulus Beerenkooi bleef erbarmelijk achter. Tien maal had hij reeds getracht door den dubbelen middenring te geraken zonder dat het hem gelukt was. Hij gaf toen de schuld aan dien ring; hij liet hem rechtbuigen en de opening wijzigen en beproefde toen andermaal zijn goed geluk. Maar dat was hem al evenmin gunstig. Zijn bal raakte telkenmale het ijzer, en de arme Aristobulus slaagde niet er door te komen.

Waarlijk, miss Campbell zou redenen gehad hebben, zich over haren partner te beklagen. Zij speelde zeer goed en verdiende ten volle de loftuigingen, waarmede hare ooms niet kwistig omsprongen. Er was niets bekoorlijkers te zien, dan haar zoo ongedwongen overgave aan dit spel, dat zich uitmuntend leent, om de bevalligheden des lichaams te doen uitkomen. Haar rechter voet half opgeheven bij de punt, ten einde haren bal in het oogenblik van croqueeren in bedwang te houden; hare armen kittig afgerond, wanneer zij den hamer een halven boog liet beschrijven; de opgewektheid van haar lief gelaat, dat lichtelijk naar den grond gekeerd was; haar fraaie leest, die veerkrachtig heerlijk zich bewoog; alles vormde een geheel, dat aanbiddelijk en wel beschouwenswaard was. En toch zag Aristobulus Beerenkooi er niets van.

Het moet erkend, dat die jeugdige geleerde woedend was. En inderdaad, de gebroeders Melvill hadden thans een voorsprong, die bijna onmogelijk meer in te halen was. De afwisselingen van het croquetspel zijn evenwel zoo onverwacht, dat men aan de overwinning nimmer moet wanhopen.

De partij werd dus onder die ongelijke omstandigheden voortgezet, toen plotseling een gebeurtenis plaats greep.

De gelegenheid opende zich voor Aristobulus Beerenkooi, om den bal van broeder Sam, die door den middenring reeds terug gekomen was, waarvoor hij halsstarrig liggen bleef, te roqueeren. Hij gevoelde zich waarlijk ontstemd, hoewel hij moeite deed, om er niets van voor de omstanders te laten blijken, en wilde zich door een meesterstuk weer verheffen. Voornamelijk wilde hij zijn tegenpartij met gelijke munt betalen, en zijn bal buiten de grenzen van de baan zenden. Hij plaatste dus zijn bal tegen dien van broeder Sam, hij zorgde er voor, dat de beide ballen elkander aanraakten, door de grassprietjes er nauwkeurig tusschen weg te nemen, hij plaatste zijn linker voet op zijn bal en, zijn hamer bijna een geheelen boog latende beschrijven om meer kracht aan den slag te geven, zwaaide hij gezwind met dit werktuig.

Maar welken schreeuw ontsnapte hem! Het was een gehuil van pijn! De hamer, slecht bestuurd, had niet den bal, maar den enkel van den lomperd geraakt, die daar nu stond op éen been rond te hinken, terwijl hij, ongetwijfeld zeer natuurlijk, kreten uitstiet, die hem evenwel vrij bespottelijk maakten.

De gebroeders Melvill ijlden tot hem. Gelukkig had het leer van zijn halve laars den slag gebroken; de kneuzing had dan ook eigenlijk niet veel te beteekenen. Maar Aristobulus Beerenkooi vermeende aldus zijn ongelukkig wedervaren te moeten uitleggen:

»De straal, door mijn hamer voorgesteld," zei hij doceerende, terwijl hij een grijns van pijn niet kon onderdrukken, »heeft een concentrischen cirkel beschreven, ten opzichte van dien, welke den tangens van den grond had moeten uitmaken, door dat ik den straal te kort nam. Vandaar de schok...."

»En dus zullen wij de partij maar opgeven?" viel miss Campbell hem vragenderwijs in de rede.

»De partij opgeven?" riep Aristobulus Beerenkooi uit. »Ons gewonnen geven? Dat nooit! Wanneer men de kansformules van de waarschijnlijkheids-rekening betracht, zal men zien, dat...."

»Welnu, laat ons dan doorspelen!" antwoordde miss Campbell.

Maar alle kansformules der wereld zouden niet veel kansen verschaft hebben aan de tegenstanders van de twee ooms. Reeds was broeder Sam »rover", dat wil zeggen, dat hij zijn bal door al de ringen gebracht had, en den »besan" of het aankomstpaaltje geraakt had, zoodat zijn spel nog maar bestond in het croqueeren en roqeeren van al de ballen, die hem daartoe wenschelijk voorkwamen.

En inderdaad was de partij eenige oogenblikken later onherroepelijk gewonnen, en triomfeerden de gebroeders Melvill, maar met bescheidenheid, zoo als het grooten meesters betaamt. Wat den grooten Aristobulus Beerenkooi aangaat, dien was het, in weerwil van zijn aanmatiging, niet gelukt zijn bal door den middenring te brengen.

Toen wilde miss Campbell waarschijnlijk meer spijt te kennen geven, dan zij werkelijk gevoelde, en bracht zij haren bal een flinken slag met haren hamer toe, zonder evenwel eenigermate de richting te berekenen.

De bal vloog buiten den omtrek der baan, door het grachtje aangegeven. Hij rolde naar den kant der zee, trof een strandkeisteen, sprong op en--zooals Aristobulus Beerenkooi zou zeggen,--onder den invloed zijner zwaarte, vermenigvuldigd met het vierkant der snelheid, bereikte hij aldus het strand.

Maar daar trof hij al zeer ongelukkig!

Een jeugdig artist zat daar voor zijn schildersezel en was bezig een zeegezicht te schetsen, dat door de zuiderpunt van de reede van Oban begrensd werd. De bal vloog midden in het doek en besmeerde haar groen kleed met al de kleuren van het palet, dat hij rakelings voorbij snorde, wierp den schildersezel omver en stuwde dien eenige passen voort.

De jonge schilder keerde zich om en sprak bedaard:

»Het is gewoonte, alvorens een bombardement te beginnen, de menschen te waarschuwen! Wij zijn waarlijk hier niet veilig!"

Miss Campbell, die een voorgevoel van het ongeluk had, nog vóór de bal zijn doel bereikte, snelde zoo hard zij kon naar het strand.

»Och! mijnheer," sprak zij tot den jeugdigen kunstenaar, »wil mij mijn onhandigheid vergeven!"

De jonkman stond op en groette het mooie meisje, dat geheel beteuterd vóór hem stond, en haar verontschuldigingen stamelde....

Het was de schipbreukeling van de Corryvrekan-kolk!

XI.

OLIVIER SINCLAIR.

Olivier Sinclair was een »mooi man," volgens de vroeger gebruikelijke uitdrukking in Schotland, wanneer van flinke, behendige en vlugge jongelieden gesproken wordt. Maar die uitdrukking was hier niet alleen toepasselijk op het innerlijke, maar ook op het uiterlijke van den jonkman.

Laatste afstammeling uit een achtenswaardige familie van Edinburg, was deze jeugdige spruit uit het Noordsch Athene, de zoon van een ouden raadsheer in de hoofdstad van Mid-Lothian. Al vroeg ouderloos, was hij opgevoed geworden door zijn oom, een der vier baljuws van het stedelijk bestuur, en had zeer goede studiën aan de Hooge School gemaakt. Toen hij twintig jaar oud was, en ten gevolge van een matig fortuin geheel onafhankelijk, voelde hij den wensch opkomen, om de wereld te zien, en bezocht dientengevolge de voornaamste staten van Europa, van Indië en van Amerika, en nam de beroemde Revue van Edinburg herhaaldelijk volgaarne zijn reis-aanteekeningen in hare kolommen op. Hij was een verdienstelijk schilder, die, wanneer hij slechts wilde, voor zijn werken hooge prijzen zou kunnen verwerven, en was ook dichter op zijn tijd. Wie is dat niet in dien zaligen leeftijd der jeugd, waarin alles iemand toelacht? Hij had een warm hart, daarenboven een kunstenaarsziel, en behaagde iedereen, zonder moeite daarvoor te doen en zonder opgeblazenheid.

In de hoofdstad van Oud-Caledonië is het niet moeielijk in het huwelijk te treden. Want de getal-verhoudingen der beide geslachten zijn daar zeer ongelijk, en het zwakkere staat, wat getalsterkte aangaat, ver boven het sterkere. Een goed onderwezen en opgevoed, beminnelijk jongmensch, van een aangenaam uiterlijk, kan daar meer dan één rijke erfdochter naar zijn smaak aantreffen.

En toch scheen Olivier Sinclair, hoewel hij reeds zes en twintig jaar oud was, nog geen roeping voor het huwelijksleven te gevoelen. Kwam hem het levenspad te nauw voor om dit, elleboog tegen elleboog gesloten, af te wandelen? Voorzeker neen, maar het is meer waarschijnlijk, dat hij er meer van hield de dwars- of zijwegen in te slaan, volgens zijn luim voort te schrijden, een luim die met zijn kunstenaarsziel wel eens grillig kon genoemd worden. Het voorkomen van Olivier Sinclair was echter wel geschikt, om nog meer dan enkel een gevoel van overeenstemming bij de een of andere jonge blonde dochter van Schotland op te wekken. Zijn elegante leest, zijn open gelaat, zijn vrijmoedig uiterlijk, zijn mannelijke wezenstrekken, die van veel wilskracht getuigden, hoewel de oogopslag van zachtmoedigheid sprak, de bevalligheid zijner bewegingen, de voornaamheid zijner manieren, de gemakkelijke en geestige wijze om zich uit te drukken, de ongedwongenheid van zijn gang, de glimlach, die hem om de lippen speelde, dat alles in één woord moest een jeugdig hart tot hem aantrekken. Hij giste al die voordeelen niet, was volstrekt niet verwaand of kwasterig, en dacht er niet aan zijn bestaan aan een ander vast te ketenen. Maar niet alleen dat zijn uiterlijk een zoo gunstige waardeering bij den vrouwelijken Clan van »Auld Reeky" [1] ondervond, hij was ook zeer gezien bij de gezellen zijner jeugd, bij zijn medestudenten van de Hoogeschool, en had, volgens de overschoone gaëlische uitdrukking, den naam verworven, van »nimmer den rug naar vriend of vijand toe te keeren."

Evenwel moet erkend worden, dat hij juist dien dag bij den aanval den rug naar miss Campbell toekeerde. Het is waar, miss Campbell was noch zijn vijandin noch zijn vriendin. Op de plaats, die hij innam, had hij dan ook den bal onmogelijk kunnen zien aankomen, die door het jonge meisje zoo heftig was voortgestuwd. Zoo kon het gebeuren, dat die nieuwe soort granaat het doek in het volle midden trof en het geheele schilderstoestel het onderste boven wierp.

Reeds bij den eersten blik had miss Campbell haren »held" van de Corryvrekan-kolk herkend, maar de held kon onmogelijk de jeugdige passagieres van de Glengarry herkennen. Ter nauwernood had hij miss Campbell bij het einde van den overtocht van het eiland Scarba naar Oban aan boord ontwaard. Indien hij evenwel geweten had, welk persoonlijk aandeel zij aan zijn redding genomen had, dan zou hij haar, al was het maar uit beleefdheid, van harte bedankt hebben: maar hij wist het niet, en waarschijnlijk zou hij daaromtrent altijd onkundig blijven.

Want inderdaad, dien zelfden dag verbood--ja, dit is het woord--verbood miss Campbell uitdrukkelijk, zoowel aan hare ooms als aan juffrouw Bess, alsook aan Partridge, ooit in tegenwoordigheid van dien jonkman, eenige toespeling te maken op hetgeen vóór en na de redding aan boord van de Glengarry was voorgevallen.

Middelerwijl hadden de gebroeders Melvill na dat ongelukkig toeval met den bal, zich bij hunne nicht vervoegd, en waren zoo mogelijk nog meer uit het veld geslagen dan het jonge meisje. Zij begonnen met verontschuldigingen te stamelen jegens den jongen schilder, toen deze hen in de rede viel, zeggende:

»Mejuffrouw... Mijnheeren... ik verzeker u, dat het zoo veel woorden niet waard is!"

»Mijnheer..." zei broeder Sib met aandrang. »Wij zijn waarlijk ontsteld...."

»En wanneer de ramp onherstelbaar is, zooals het zich laat aanzien ...." voegde Sam er bij.

»Het is slechts een klein ongeluk en geen ramp!" antwoordde de jonkman lachende. »Het was slechts kladwerk, anders niet: ik verzeker het u. De bal heeft volkomen gerechtigheid gepleegd!"

Olivier Sinclair sprak die woorden zoo welgemoed uit, dat de gebroeders Melvill hem gaarne dadelijk de hand zouden gereikt hebben, wanneer dat zoo zonder voorafgaande plichtpleging had kunnen geschieden. Nu meenden zij verplicht te zijn de een aan den anderen voor te stellen, zoo als dat onder fatsoenlijke lieden betaamt.

»Mijnheer Samuel Melvill," zei de een.

»Mijnheer Sebastiaan Melvill," zei de ander.

»En hunne nicht, miss Campbell," voegde Helena er bij, die zich er niet om bekreunde of zij wellicht ook de welvoegelijkheid te kort deed, door zich zelve voor te stellen.

Dat was een uitnoodiging tot den jonkman gericht, om ook zijn namen en kwaliteit bekend te maken.

»Miss Campbell en mijn heeren Melvill," sprak hij met den meest mogelijken ernst, »ik zou kunnen volstaan met te zeggen, dat ik »Fock" heet, zoo als een der piketpaaltjes van uw spel, daar ik door den bal ben aangeraakt geworden. Maar openhartig, ik heet Olivier Sinclair."

»Mijnheer Sinclair," hernam miss Campbell, die niet recht wist, hoe zij dit antwoord moest opvatten. »Nogmaals bied ik u mijn verontschuldiging aan voor..."

»En de onze ook," riepen de gebroeders Melvill.

»Miss Campbell," antwoordde Olivier Sinclair, »ik herhaal dat het niets te beduiden heeft. Ik zocht een effect van deinende golven op het doek te brengen, en het is waarschijnlijk dat uw bal, even als de spons van ik weet niet meer welken schilder der oudheid, het gezochte effekt heeft te weeg gebracht, wat mijn penseel niet kan bereiken."

Dat werd op zoo'n vriendelijken toon gezegd, dat miss Campbell en de gebroeders Melvill moesten lachen.

Olivier Sinclair raapte het doek op, dat evenwel geheel onbruikbaar gemaakt was. Hij moest dus opnieuw beginnen.

Het zal niet overbodig zijn op te merken, dat Aristobulus Beerenkooi zich weerhouden had, aan de wisseling van die verontschuldigingen en beleefdheidsvormen deel te nemen.

De partij was geëindigd en de jeugdige geleerde was nijdig, dat hij zijn theoretische kennis niet in overeenstemming met zijn practische bekwaamheid had kunnen brengen. Hij nam afscheid om weer naar zijn hotel terug te keeren; men zou hem in drie, vier dagen niet ziet, want hij vertrok naar het eiland Luing, een der kleine Hebriden, dat ten zuiden van het eiland Seil gelegen was, en alwaar hij uit een geologisch oogpunt de rijke leigroeven wilde bestudeeren.

Hij kon zich dus niet overgeven aan zijn uitleggingen over de projectielen-baan, wat hij voorzeker zou gedaan hebben, wanneer de gelegenheid zich daartoe had voorgedaan.

Olivier Sinclair vernam toen, dat hij niet geheel en al een onbekende was voor de gasten van Caledonian Hotel, en hij werd vervolgens op de hoogte gebracht omtrent de bizonderheden van den overtocht der Glengarry.

»Wat, miss Campbell, en gij mijn heeren!" riep hij uit, gij waart aan boord van dat stoomschip, hetwelk mij zoo juist van pas opgevischt heeft?"

»Ja, mijnheer Sinclair."

»En gij hebt ons wel angstig gemaakt," zei broeder Sib, »toen wij door een groot toeval uw schuitje ontwaarden, als verloren te midden van den maalstroom van de Corryvrekan-kolk."

»Neen, geen toeval maar goddelijke bestiering," zei broeder Sam, »en waarschijnlijk zonder de tusschenkomst van...."

Door een teeken gaf miss Campbell te kennen, dat zij niet als redster wenschte op te treden. De rol van onze lieve Vrouw der Schipbreukelingen zou zij nimmer willen vervullen.

»Maar mijnheer Sinclair, hoe kon die oude visscher, die u vergezelde, zoo onvoorzichtig zijn," vroeg broeder Sam, »om zijn vaartuig in die vreeselijke stroomingen te sturen?...."