De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht
Chapter 6
Miss Campbell liet hare ooms gedurende die lange dagen in gezelschap van den bruidegom hunner keuze, en ging, somtijds door juffrouw Bess vergezeld, maar meestal alleen op het strand van de baai dwalen. Zij ontvluchtte volgaarne die geheele menigte van leegloopers, die de vlottende bevolking in de badplaatsen van de geheele wereld uitmaakt, zooals geheele huisgezinnen, wier eenige bezigheid daarin bestaat om de zee te zien rijzen en dalen, terwijl meisjes en jongens zich met een vrijpostigheid van houdingen, alleen in Brittannië in zwang, in het natte zand rondwentelen; of wel ernstige en flegmatische heeren, die in hun soms al te oorspronkelijk badkostuum rondkuieren, en welker voornaamste bedrijvigheid kan genoemd worden, zich dagelijks gedurende zes minuten in het zoute water van den Oceaan te dompelen; of ook wel heeren en dames van groote achtbaarheid, die stijf en onbeweeglijk in de teenen badstoelen gedoken, in die soort boeken met veelkleurige bordpapieren omslagen en dien fijnen druk, waarvan de Engelsche uitgevers eenigermate misbruik maken, zitten te turen; verder van die voetreizigers met den kijker aan een riem over den schouder hangende, en den helmhoed op het hoofd, de kuiten met lange slobkousen bedekt, het zonnescherm in de hand, die vandaag aangekomen, morgen reeds vertrokken zullen zijn. En dan te midden van die menigte, wemelende nijverheidsbeoefenaars, wier nijverheidstoestellen bij uitstek vervoerbaar zijn, als: elektriek-mannen, die de liefhebbers voor een paar stuivers een aangename kitteling of een minder aangenamen schok doen ondergaan; artisten, wier draaiorgels op wielen, de landsdeuntjes met verwrongen Fransche airs afwisselen; photografen in de open lucht, die bij dozijnen de oogenblikkelijke afdrukken afleveren aan de families, die zich voor zoo'n gelegenheid gegroepeerd hebben laten opnemen; fruitventers met hunne zwarte jassen en fruitventsters met hare bloemruikers op den hoed, die hunne kleine karretjes voortduwen, waarin het schoonste ooft der wereld ligt te pronken; eindelijk minnestreels met hunne grijnzende gezichten onder de laag schoensmeer, die het bedekt, geven volksvoorstellingen en gillen te midden van een groep kinderen, eigenaardige klaagliederen, welker refreinen door allen met den meesten ernst herhaald worden.
Neen, dat gewriemel van het badgastleven had voor miss Campbell geen geheimen meer en trok haar ook niet aan. Zij vermeed zoo veel mogelijk die gaanden en komenden, die elkander zoo vreemd schenen, alsof zij van de vier uiteinden van Europa waren te zamen gebracht.
Wanneer hare ooms dan ook, eenigszins ongerust, haar bij zich wenschten te hebben, dan moesten zij haar op een eenzaam strandgedeelte, bij voorbeeld op een der vooruitspringende landspitsen, die de baai begrenzen, gaan zoeken.
Daar zat miss Campbell dan, als de peinzende Mina uit den Zeeschuimer met den elleboog op eenige vooruitstekende punt van een rots geleund, het hoofd in de eene hand, en door de andere bessen latende glijden, die zij tusschen de steenen geplukt had, alwaar de struikjes, waaraan zij groeiden, gevonden werden. Haar verstrooide blik zweefde van een »stack", welker rotsachtige top zich loodrecht verhief, naar de een of andere donkere grot, een van die »helgers", zoo als men ze in Schotland noemt, waarin de zee bij stijgenden vloed zoo'n brullend geluid kon doen hooren.
In de verte zaten zeeraven, als in gelid gerangschikt, met de onbeweeglijkheid alsof ze in steen gehouwen waren. Het jonge meisje volgde hen met den blik, wanneer zij in hunne rust gestoord opvlogen en over de kleine getijgolfjes met de punten hunner vleugels scheerden.
Waaraan dacht dan het jonge meisje? Aristobulus Beerenkooi zou ongetwijfeld de onbeschaamdheid hebben, de meening te koesteren, dat zij aan hem hare gedachten wijdde, welke meening door de beide ooms in hunnen kinderlijken eenvoud zoude gedeeld zijn. En toch konden zij zich vergist hebben.
In haar herinneringen doemden dan de gebeurtenissen bij de Corryvrekan-kolk op. Zij zag andermaal die sloep in nood, de Glengarry, die de zeeëngte inschoot, om hulp te bieden. Zij voelde andermaal de aandoeningen, die haar hart zoo hadden doen kloppen, die dat hart zoo hadden samengesnoerd, wanneer de schipbreukelingen in de uitholling tusschen twee golven verdwenen.... Dan verscheen de redding haar vervolgens voor den geest, het zoo behendig uitgeworpen touw, die bevallige jonkman, die minder ontroerd was dan zij, en kalm en glimlachend op het dek sprong, terwijl hij de passagiers van de boot met vriendelijk gebaar groette.
Voor een dichterlijk brein bestond daar de kiem van een roman, maar het had er alles van, alsof de roman bij het eerste hoofdstuk zou blijven steken. Het begonnen boekdeel was plotseling tusschen de schoone handen van miss Campbell dichtgeslagen. Op welke bladzij zoude zij het weer kunnen openen, nu »haar held," aan den een of anderen Wodan uit de Gaëlische heldentijdperken gelijk, verdwenen en niet meer te voorschijn getreden was?
Maar had zij hem wel te midden van die onverschillige menigte, die op het strand van Oban wemelden, gezocht? Misschien. Maar, had zij hem gevonden? Neen. Hij zou haar ongetwijfeld niet kunnen herkennen. Om welke reden zou hij haar aan boord van de Glengarry opgemerkt hebben? Waarom zou hij tot haar gekomen zijn? Hoe zou hij hebben kunnen raden, dat hij zijn redding grootendeels aan haar verschuldigd was? En zij was het toch, die vóór alle anderen het vaartuigje in nood ontwaard had; zij was het, die den kapitein het eerst gesmeekt had, hulp te gaan bieden. En in werkelijkheid was die omstandigheid haar dien avond zeer waarschijnlijk op de waarneming van den Groenen Straal te staan gekomen!
Dit was inderdaad zoo goed als zeker.
Gedurende de drie eerste dagen na de aankomst der familie Melvill te Oban, zou de dampkring de wanhoop opgewekt hebben van de sterrenkundigen der sterrenwachten van Edinburg of Greenwich. Het was of het uitspansel met katoenvlokken bekleed was door den nevel, die nog meer misleidde en teleurstelde dan wolken het konden doen. Noch kijkers, noch telescopen van de meest machtige afmetingen, noch de reflector van Cambridge, evenmin als die van Parsontown, zouden er in geslaagd zijn, het oog gelegenheid te geven dien nevel te doorboren. De zon alleen zou de kracht bezitten haar stralen er door te schieten; maar bij haren ondergang verdikte zich die nevel bij den gezichteinder. Het geheele westen werd dan met het heerlijkste en schitterendste purper overgoten, en het was dan den Groenen Straal onmogelijk, het netvlies van het oog des waarnemers te bereiken.
In de droomerijen van miss Campbell smolten, ten gevolge van haar grillige verbeelding, de schipbreukeling van de Corryvrekan-kolk met den Groenen Straal tot één wezen te zamen. Dat was zeker, dat noch de een noch de andere te bespeuren was. Bedekten de nevelen den eenen, de andere was achter een stipt incognito verscholen.
De gebroeders Melvill kwamen slecht terecht, wanneer zij hunne nicht geduld meenden te moeten aanprijzen. Miss Campbell zag er niet tegen op, om hen voor die dampkrings-afwijkingen aansprakelijk te stellen. Zij gaven dan de schuld aan den voortreffelijken aneroïde-barometer, dien zij van Helenaburg medegebracht hadden, en welker naald maar geen verhoogden luchtdruk wilde aanwijzen. Waarlijk! zij hadden hunne gemeenschappelijke snuifdoos wel willen weggeven, om bij den ondergang van de schoone dagvorstin een heldere kim te mogen waarnemen.
Wat de geleerde Beerenkooi betreft, hij had eens, toen de nevelen, die het uitspansel bezwangerden, besproken werden, de overgroote onhandigheid, hunne vorming geheel natuurlijk te vinden. Dat voerde hem er geleidelijk toe, een kleine natuurkundige verhandeling in tegenwoordigheid van miss Campbell te houden. Hij sprak over de vorming der wolken in het algemeen, over hunne beweging wanneer het afnemen der warmte hen den gezichteinder nabij brengt, over den blaasjesvormigen toestand van den waterdamp, van de wetenschappelijke verdeeling der wolken in nimbi, strati, cumuli en cyrry! Het is onnoodig te zeggen, dat het jonge meisje geen enkel oogenblik naar dat geleerd gewauwel luisterde.
En dat liet zij zoo nadrukkelijk merken, dat de gebroeders Melvill niet wisten, welke houding zij gedurende die ontijdige verhandeling zouden aannemen!
Ja! miss Campbell bracht den jeugdigen geleerde in den letterlijken zin des woords van zijn stuk. Eerst keek zij met voordacht een geheel anderen kant uit, om Aristobulus Beerenkooi niet te hooren; toen hief zij onafgewend den blik op het kasteel Dunolly, om hem niet aan te zien; eindelijk bekeek zij de punten van haar fijne badschoentjes, wat het teeken is van de minst vermomde onverschilligheid, het bewijs van de meest mogelijke geringschatting, die een Schotsche schoone aan den dag kan leggen, zoo wel voor hetgeen de woordvoerder zegt als voor zijn eigen persoon.
Aristobulus Beerenkooi, die in den regel niemand anders zag of hoorde dan zich zelf, en die ook nimmer voor iemand anders dan voor zich zelven sprak, ontwaarde de bewegingen van het jonge meisje niet, of deed althans alsof hij er niets van merkte.
Zoo gingen de dagen van den derden tot en met den zesden Augustus om. Gedurende dien laatsten dag evenwel rees de barometer tot overgroot genoegen van de gebroeders Melvill eenige strepen boven »veranderlijk."
De volgende dag kondigde zich onder de meest gunstige voorteekens aan. De zon scheen des morgens ten tien ure met luisterrijken glans, en het uitspansel weerspiegelde met de meest onberispelijke zuiverheid zijn azuurblauw in de wateren der zee.
Zulk een gelegenheid kon miss Campbell niet laten ontsnappen. Een sierlijk rijtuig stond steeds ter harer beschikking in de stalhouderij van het Caledonian Hotel. Het was nú het oogenblik of nooit om daarvan gebruik te maken.
Het was omstreeks vijf uur in den namiddag, toen miss Campbell en de gebroeders Melvill plaats namen in de kalès, die door een behendigen koetsier, gewoon aan het rijden met »de vier," gemend werd. Partridge klom in den achterbak en de vier paarden, door het uiteinde der zweep lichtelijk gekitteld, sprongen in galop en vlogen den weg van Oban naar Glachan op.
Aristobulus Beerenkooi was tot zijn groote spijt--niet van miss Campbell--verhinderd van de partij te zijn, daar zijn tijd ingenomen werd door het opstellen van een belangrijk wetenschappelijk rapport.
Het uitstapje viel in allen deele overheerlijk uit. Het rijtuig hield den weg langs de kust, die zich langs de zeeëngte uitstrekt, die het eiland Kerrera van de Schotsche kust scheidt. Dat eiland, van vulkanischen oorsprong, was zeer schilderachtig, maar had een groot gebrek in het oog van miss Campbell, en dat was, dat het den zeegezichteinder geheel bedekte. Daar evenwel slechts vier en een halve mijl af te leggen waren in die omstandigheden, leenden deze er zich allergunstigst toe om de harmonische omtrekken van dat eiland te bewonderen, die zich op een helder lichten achtergrond afteekenden, en waarboven de bouwvallen uitstaken van het Deensche kasteel hetwelk het zuidelijk uiteinde bekroonde.
»Dat was voorheen de residentie der Mac-Douglas van Lorne," merkte broeder Sam op.
»Voor onze familie heeft dat kasteel groote historische herinneringen," vervolgde broeder Sib; »want het werd door de Campbells vernietigd, die het verbrandden, na al de bewoners zonder mededoogen over de kling gejaagd te hebben!"
Dat schitterende wapenfeit scheen voornamelijk de goedkeuring van Partridge weg te dragen. Althans hij klapte ter eere van den Clan zachtkens in de handen.
Toen men het eiland Kerrera voorbijgereden was, sloeg het rijtuig een smallen weg in, die zachtjes heuvel op en heuvel af naar het dorp Glachan voerde. Daar werd een landengte overgestoken in den vorm eener brug, die over het nauwe vaarwater toegang verleende en het eiland Seil met het Schotsche vastland verbond. De tochtgenooten beklommen, na hun rijtuig beneden in een ravijn gelaten te hebben, de vrij scherpe helling van een heuvel en gingen zitten op het buitenboord van een rotsachtigen rand, die den zoom der kuststreek uitmaakte.
Ditmaal kon niets den blik der waarnemers, naar het westen gekeerd, hinderen. Noch het eilandje Eastdale, noch dat van Inish, dat als bij het eiland Seil gerand ligt. Tusschen kaap Ardanalish en het eiland Mull, een der grootsten van den Hebriden-archipel, in het noordwesten en het eiland Colonsay in het zuidwesten, vertoonde zich een breed zeevak, waarlangs de zon weldra haar stralen in de oppervlakte zou dompelen.
Geheel in gedachten verdiept, zat miss Campbell iets vóór hare beide ooms. Eenige roofvogels, arenden of valken, die deze eenzaamheid alleen bevolkten, zweefden boven de »dens", soort van dalen, uitgehold als trechters met rotsachtige wanden.
Volgens sterrentijd zou de zon in dit tijdperk des jaars, en op deze breedte, ten zeven ure vier en vijftig minuten ondergaan, juist in de richting van kaap Ardanalish.
Eenige weken later evenwel, zou het onmogelijk zijn, de dagvorstin achter de waterlijn te zien verdwijnen; want dan zou het eiland Colonsay haar bij het ondergaan voor het oog verbergen.
Dien avond dus, waren tijd en plaats uitmuntend voor de waarneming van het natuurverschijnsel gekozen.
In dat oogenblik schreed de zon in een schuine richting op den zuiver ontwikkelden horizon toe.
De oogen verdroegen moeielijk den glans van hare schijf, die thans vuurrood scheen, en door de wateren in een langen gulden lichtstreep weerkaatst werd.
En toch, noch miss Campbell, noch hare ooms zouden er toe overgegaan zijn met de oogleden te knippen, neen, zelfs niet gedurende een ondeelbaar oogenblik.
Maar voor dat de zonneschijn den gezichteinder met haren benedenrand aangeraakt had, stiet miss Campbell een kreet van teleurstelling uit.
Een kleine wolk was verschenen, fijn als een streep, lang als de wimpel van een oorlogsschip. Die wolk sneed de zonneschijf in twee gelijke deelen en scheen met haar naar de kim te dalen.
Het was alsof een windzuchtje, hoe licht ook, voldoende zou zijn om dat wolkje te verdrijven, op te lossen!... maar dat zuchtje kwam niet.
En toen de zon tot een zeer kleinen boog teruggebracht was, die boven de watervlakte zweefde, toen was het dat uiterst ijle wolkje, dat ter plaatse waar de dagvorstin wegdook, de kim benevelde.
Onmogelijk had de Groene Straal, gebroken zijnde door die kleine wolk, het netvlies der waarnemers kunnen bereiken.
IX.
PRAATJES VAN JUFFROUW BESS.
De terugtocht naar Oban werd in alle stilte volbracht. Miss Campbell sprak geen enkel woord; en de gebroeders Melvill durfden den mond niet roeren. Het was toch hunne schuld niet, dat die jobswolk juist verschenen was om den laatsten zonnestraal te verdooven. Maar men moest daarom niet wanhopen. Men had nog ruim zes weken van het fraaie seizoen voor den boeg. Het zou toch ongelukkig genoemd moeten worden, wanneer gedurende den geheelen herfsttijd geen enkele schoonen dag met onbenevelden gezichteinder zou verschijnen!
Toch was daar een bewonderenswaardige zonsondergang verloren gegaan, en, moest men het weerglas gelooven, dan zou een dergelijke niet zoo spoedig weer verschijnen. En inderdaad, gedurende de nacht liep de grillige wijzer van den aneroïde-barometer zachtkens terug tot op »veranderlijk". Maar wat nog door iedereen mooi weer genoemd werd, kon miss Campbell onmogelijk voldoen.
Daags daarna, den 8sten Augustus, werden de zonnestralen door warme neveldampen gebroken en was de middagbries ditmaal niet in staat om die dampen te verdrijven. Een schitterend purper kleurde des avonds het uitspansel. Al de nuanceeringen smolten in elkander, van af het chromaatgeel tot het donkere ultramarijn, en vervormden den gezichteinder tot een schitterend en veelkleurig schilders-palet. Onder haren sluier van kleine vlakvormige wolken, tintte de zon bij haren ondergang den achtergrond van de kuststreek met al de kleuren van het spectrum, behalve met die, welke de grillige en bijgeloovige miss Campbell wenschte te zien.
En dat was zoo den volgenden en daarop volgende dagen. De kalès bleef dus in het koetshuis van het hotel. Wat zou het ook geven een waarneming te gemoet te ijlen, die door den toestand des hemels onmogelijk te doen was. De hoogten van het eiland Seil konden niet meer begunstigd zijn dan het strand van Oban, en het was beter een zekere teleurstelling te vermijden.
Zonder nu meer kwaad geluimd te zijn dan betamelijk was, vergenoegde miss Campbell zich bij het vallen van den avond naar hare kamer te gaan, om daar over die weinig bereidwillige zon te pruilen. Zij rustte dan uit van haar langdurige wandelingen en droomde met de oogen open. Waarover? Over het sprookje dat zich aan den Groenen Straal vastknoopte? Zou zij dien straal nog noodig hebben om helder in haar hart te kunnen lezen? In haar hart? neen wellicht! maar in dat van iemand anders?
Dien dag had Helena, vergezeld van juffrouw Bess, hare wandeling tot bij de bouwvallen van Dunolly-Castle uitgestrekt, om daar verstrooiing voor haar teleurstelling te vinden. Daar gezeten aan den voet van een hoogen muur, die geheel en dik met klimop begroeid was, ontwikkelde zich voor haar het meest bewonderenswaardige vergezicht op de baai van Oban, op de woeste landouwen van Kerrera, op de eilandjes die zich als gezaaid op de oppervlakte der Hebridenzee vertoonden, op het groote eiland Mull, welker westelijke rotsbeddingen de eerste aanvallen te verduren hebben van de stormen, die uit den West-Atlantischen Oceaan opdoemen.
Miss Campbell keek naar dat prachtige vergezicht, dat daar aan haar voeten uitgespreid lag. Maar zag zij het wel? Was er niet eenige herinnering, die niet naliet haar te verstrooien? In ieder geval, dit kan verzekerd worden, dat het het beeld van Aristobulus Beerenkooi niet was, dat haar kwelde. En waarlijk, dat jeugdige pedante wezen zou niets in zijn knollentuin geweest zijn, wanneer hij de praatjes, die juffrouw Bess dien dag, hem betreffende, maakte, had kunnen aanhooren.
»Hij staat mij niets aan," herhaalde zij. »Neen! hij staat mij niets aan. Hij denkt er slechts aan zich zelven te behagen? Wat een vertooning zou die man op Helenaburg geven? Hij behoort tot den clan der »Mac-Egoïsten" of ik heb er geen verstand meer van. Hoe hebben de heeren Melvill ooit de gedachte kunnen koesteren, om daarvan hun neef te willen maken? Partridge mag hem evenmin lijden als ik, en Partridge is geen domoor! op lange na niet! Komaan, miss Campbell, vertel eens, bevalt hij u?"
»Over wien spreekt ge?" vroeg het jonge meisje, dat naar de praatjes van juffrouw Bess in het geheel niet geluisterd had.
»Wel, van hem, aan wien gij onmogelijk denken kunt, al was het maar ter wille van den clan!"
»En wie is het dan toch, aan wien zou ik niet kunnen denken?"
»Heere mijn tijd! aan mijnheer Aristobulus, die beter zou doen op den anderen oever der Tweed te gaan kijken of er ooit Campbells bestaan hebben, die op Beerenkooien verlekkerd waren."
Gewoonlijk was juffrouw Bess niet op haar mondje gevallen; toch moest zij zeer opgewonden zijn, om zoo in tegenspraak met hare meesters te geraken. Het is waar, het geschiedde uit genegenheid voor hare jonge meesteres! Zij gevoelde daarenboven wel, dat Helena niets anders dan onverschilligheid voor dien pretendent in het hart koesterde. Maar van een anderen kant kon zij niet gissen, dat die onverschilligheid door een meer levendig gevoel voor een ander versterkt werd.
Misschien kwam een zweempje argwaan bij juffrouw Bess dienaangaande op, toen miss Campbell haar vroeg, of zij te Oban, dat jonge mensch terug gezien had, wien de Glengarry zoo gelukkiglijk hulp en redding verleend had.
»Neen, miss Campbell," antwoordde juffrouw Bess, »ik heb hem niet gezien; maar Partridge vermeent hem opgemerkt te hebben...."
»Wanneer?"
»Gisteren op den weg naar Dalmaly. Hij kwam met den randsel op den rug terug, even als een artist, die op reis is! Ah! dat is een onvoorzichtig jong mensch! Zich zoo in de nabijheid van de Corryvrekan-kolk te wagen! dat is een slecht voorteeken voor de toekomst. Er zal niet altijd een vaartuig in de nabijheid zijn om hem hulp te bieden, en dan overkomt hem een ongeluk!"
»Zoudt ge dat gelooven, juffrouw Bess? Ja, hij is onvoorzichtig geweest; maar hij betoonde moed te bezitten in die omstandigheden, en bij het gevaar, waarin hij zich bevond, begaf hem zijn koelbloedigheid geen enkel oogenblik!"
»Dat's mogelijk," hernam juffrouw Bess; »maar voorzeker heeft dat jongmensch nimmer geweten, dat hij zijn redding aan u te danken heeft. Anders zou hij toch minstens bij zijn aankomst tot u gekomen zijn, om u te bedanken...."
»Mij bedanken?" vroeg miss Campbell. »Mij bedanken? En waarvoor? Ik heb voor hem slechts gedaan, wat ik voor ieder ander en wat ook ieder ander in mijn plaats zou gedaan hebben."
»Zoudt gij hem herkennen?" vroeg juffrouw Bess, terwijl zij het jonge meisje oplettend aankeek.
»Voorzeker," antwoordde miss Campbell openhartig, »en ik wil wel bekennen, dat het karakter van dien man, de bedaarde moed, dien hij bij zijn verschijnen op het dek ten toon spreidde, alsof hij een oogenblik te voren niet aan den dood ontsnapt was, de hartelijke woorden, die hij tot zijn bejaarden metgezel sprak, terwijl hij dezen aan zijn borst drukte, dat dit alles mij levendig getroffen heeft!"
»Maar op wien gelijkt hij toch?" vroeg de waardige huishoudster. »Waarlijk, ik kan hem niet te huis brengen; maar dat weet ik zeker, dat hij niet op dien mijnheer Aristobulus Beerenkooi gelijkt."
Miss Campbell vergenoegde zich met te glimlachen zonder te antwoorden. Zij stond vervolgens op, bleef een oogenblik onbeweeglijk, en liet een laatsten blik tot aan de hoogten van het eiland Mull waren; toen daalde zij, steeds vergezeld van juffrouw Bess, het stille pad af, dat haar op den weg naar Oban terugvoerde.
Dien dag ging de zon onder te midden van een soort lichtende stofdeeltjes, die zich, aan een net van luchtig tulleweefsel gelijk, langs den gezichteinder uitstrekte, en werd de laatste straal der dagvorstin door de avondnevelen opgeslorpt.
Miss Campbell keerde dus naar het hotel terug en deed het diner dat hare ooms ter harer eer besteld hadden, weinig eer aan. Zij maakte daarna een kleine wandeling op het strand en keerde toen naar haar kamer terug.
X.
EEN CROQUET-PARTIJ.
Ja, het moet erkend worden! de gebroeders Melvill begonnen de dagen te tellen; het zou niet lang meer duren of zij zouden de uren tellen. Dat ging volstrekt niet zoo als zij het verlangden. Zichtbaar werd hunne nicht door de verveling overmeesterd. De behoefte aan eenzaamheid, die haar overviel, de weinige voorkomendheid, die zij den geleerden Beerenkooi betoonde, wat deze zich minder aantrok, dan zij zelven deden, dat alles was niet geschikt om hun verblijf te Oban te veraangenamen. Zij wisten niet wat te verzinnen, om afwisseling in die eentonigheid te brengen. Te vergeefs bespiedden zij iedere weersverandering. Zij vertelden elkander, dat miss Campbell, wanneer eenmaal aan haren wensch voldaan was, meer handelbaar althans voor hen zou worden.
Want het is ergerlijk om te vertellen; sedert twee dagen vergat Helena--meer afgetrokken dan gewoonlijk--de twee oudjes hunnen morgenkus te geven, die hen voor het overige gedeelte van den dag in zoo'n goede luim bracht.
De barometer evenwel bleef ongevoelig voor de verwijten der beide ooms en weigerde een aanstaande weersverandering te voorspellen. Met hoeveel zorgen zij ook wel tienmaal per dag met een kleinen, korten slag op het werktuig tikten, om een wijzer-slingering te veroorzaken, helaas! de wijzer steeg geen enkele streep! O! die barometers! fatale dingen!