De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht

Chapter 5

Chapter 53,663 wordsPublic domain

Ook dit jaar ontbraken in de maand Augustus noch de vreemdelingen, noch de toeristen, noch de badlustigen in de kleine stad Oban. In het vreemdelingenboek van een der beste hotels van de plaats prijkte reeds sedert verscheidene weken tusschen veelvuldige namen die van Aristobulus Beerenkooi van Dumfries (Neder-Schotland).

Het was een personage, die acht-en-twintig jaar telde en nimmer jong was geweest, maar waarschijnlijk ook nooit oud zou worden. Hij was klaarblijkelijk in den leeftijd geboren, dien hij zijn geheel leven lang zou schijnen te bezitten. Hij was noch van fraaie noch van leelijke gestalte, had een onbeduidend gelaat, waarboven al te blonde haren voor een man sluik neerhingen. Achter zijn brilglazen ontwaarde men een paar kippige oogen zonder glans, waartusschen een korte dikke neus neerdaalde, die niet de neus van dat aangezicht scheen te zijn. Van de honderd dertig duizend haren, die ieder fatsoenlijk menschenhoofd moet dragen, bleven hem nog slechts zestig duizend slechte over. Een ringbaard omlijstte zijn wangen en zijn kin, waardoor hij wel eenige gelijkenis op een aap vertoonde. Zoo hij werkelijk een aap geweest ware, zou hij een mooie sim geweest zijn, misschien wel van de soort, die als schakel in de keten der Darwinisten ontbreekt, waarmede zij pogen den mensch van het dier te laten afstammen.

Aristobulus Beerenkooi was rijk aan geld, maar nog rijker aan denkbeelden. Voor een jong geleerde, die slechts anderen met zijn algemeene kennis, en zijn akademische graden van Oxford, Edinburg en Londen kan vervelen, was hij veel te geleerd. Hij was meer doorkneed in de natuurwetenschappen, in de scheikunde, in de sterrenkunde, in de wiskunde, dan wel in de letterkunde. Hij was zeer met zich zelven ingenomen en het scheelde maar bitter weinig om een dwaas te mogen heeten. Zijn voornaamste gewoonte, die tot een ware monomanie aangegroeid was, bestond daarin, dat hij gevraagd of ongevraagd, te pas of te onpas, verklaring wilde leveren van alles, wat de natuurwetenschappen raakte. Hij was in één woord een pedant wezen, wiens omgang van onaangenamen aard was. Men lachte niet over hem, omdat hij volstrekt niet lachverwekkend was, maar wellicht lachte men hem uit, omdat hij zich bespottelijk aanstelde. Niemand mocht minder aanspraak maken dan dat jongmensch op de toepassing der spreuk van de Engelsche vrijmetselaren! Audi, vide, tace, hetgeen zeggen wil: hoor, zie, zwijg. Hij hoorde niet, hij zag niet, en zweeg nooit. Men kon gevoegelijk in dit land van Walter Scott een gelegenheids-vergelijking gebruiken, en beweren dat Aristobulus Beerenkooi, met zijn daadwerkelijken nijverheidszin, oneindig meer den schout Nicol Jarvie in herinnering bracht, dan zijn dichterlijken neef Rob Roy Mac Gregor.

En welke dochter der Schotsche Hooglanden, zonder van miss Campbell een uitzondering te maken, zou niet de voorkeur aan Rob Roy dan aan Nicol Jarvie gegeven hebben?

Zoo zag Aristobulus Beerenkooi er uit, en zoo was hij bewerktuigd. Hoe nu de gebroeders Melvill op dat pedante wezen verzot hadden kunnen worden, en wel zoodanig, dat zij er aan dachten hunnen neef er van te maken, is onmogelijk te verklaren. Hoe was het hem toch gelukt, die waardige zestigjarige grijsaards te behagen? Misschien wel alleen door de eerste te zijn, die omtrent hunne nicht huwelijksneigingen had laten blijken. In een soort van kinderlijke verrukking had broeder Sam ongetwijfeld tegen broeder Sib gezegd:

»Ziedaar een jonkman, die rijk is en een onafhankelijk fortuin bezit, welke van erfenissen van bloedverwanten en nabestaanden afkomstig is, die tot een aanzienlijke familie behoort en daarenboven een buitengewoon geleerde is! Dat zal een uitmuntende partij voor onze lieve Helena zijn! Dat huwelijk zal van een leien dak loopen." Gedurende de uren, die hem bij zijn verblijf op Helenaburg als vrijaf zouden gegund worden, zou de jeugdige geleerde in staat zijn, de snuifdoos aan broeder Sib over te reiken, na haar met een droog tikje dicht gemaakt te hebben, wat dan een punt moest beteekenen, achter zijn ontboezeming geplaatst, en zeggen wilde:

»Ziedaar een beklonken zaak!"

De gebroeders Melvill meenden dan ook al heel slim te werk gegaan te zijn, door miss Campbell, dank zij hare zonderlinge gril ten opzichte van den Groenen Straal, naar Oban geleid te hebben. Daar zoude haar samenzijn met Aristobulus Beerenkooi, dat door zijn afwezigheid kortstondig verbroken was, hervat kunnen worden, zonder den schijn te hebben dat zulks voorbereid was.

Voor de schoonste vertrekken in Caledonian Hotel hadden de gebroeders Melvill en miss Campbell het buitenverblijf te Helenaburg verwisseld. Mocht hun verblijf te Oban van eenigen duur worden, dan zou het wellicht voegzaam zijn, de een of andere villa, gelegen op de hoogten die de stad beheerschten, te huren. Maar middelerwijl dat daartoe beslist zoude worden, was men met behulp van juffrouw Bess en van Partridge zoo gemakkelijk mogelijk ingericht bij baas Mac Fyne. Later zou men verder zien.

Daags na hunne aankomst te Oban verlieten de gebroeders Melvill des morgens ten negen uur het Caledonian Hotel, dat op den zeeoever bijna tegenover het staketsel gelegen is. Miss Campbell sliep nog in hare kamer op de eerste verdieping, en bevroedde niet dat hare ooms op het pad waren om Aristobulus Beerenkooi op te zoeken.

Die twee onafscheidelijke broertjes gingen het strand langs, en daar zij wisten, dat hun »pretendent" in een der hotels logeerde, die ten noorden van de baai gebouwd zijn, richtten zij dan ook derwaarts hunne schreden.

Men zal wel moeten aannemen, dat een voorgevoel hen geleidde; want waarlijk, tien minuten na hun hotel verlaten te hebben, ontmoetten zij Aristobulus Beerenkooi, die zijn dagelijksche wetenschappelijke wandeling maakte, en een banalen, werktuigelijken handdruk met hen wisselde, terwijl hij de bewegingen van den stijgenden vloed gadesloeg.

»Mijnheer Beerenkooi!" zeiden de gebroeders Melvill met plichtpleging.

»Mijne heeren Melvill!" antwoordde Aristobulus met een gemaaktheid van stem, die verwondering moest aanduiden. »Gij.... heeren Melvill.... hier.... te Oban?"

»Sedert gisteren avond!" zei broeder Sam.

»En het verheugt ons, u in goede gezondheid aan te treffen, mijnheer Beerenkooi," zeide broeder Sib.

»Waarlijk, ik dank u, heeren.--Maar hebt gij reeds kennis genomen van het telegram, dat zooeven aangekomen is?"

»Een telegram?" vroeg broeder Sam. »Zou het ministerie Gladstone reeds?...."

»Het geldt volstrekt niet het ministerie Gladstone," antwoordde Aristobulus Beerenkooi met tamelijk wel uitgesproken kleinachting, »maar wel een weerkundig telegram."

»Waarlijk!" riepen de beide ooms te gelijkertijd uit.

»Ja zeker! er is geseind, dat het depressie centrum van Swinemunde noordwaarts voortgeschreden en aanmerkelijk in diepte toegenomen is. Dat centrum bevindt zich thans in de nabijheid van Stokholm, waar de barometer ruim een duim,--wat ongeveer vijf en twintig millimeter vertegenwoordigt, om de taal der geleerden te spreken--gedaald is en alzoo op acht en twintig en zes tiende duim staat, hetwelk overeenkomt met een stand van zevenhonderd zes en twintig millimeter. Heeft ook al de luchtdruk in Engeland en in Schotland weinig verandering ondergaan, zoo is zij toch een tiende te Valencia en twee tiende te Stornoway verminderd."

»Maar wat moet uit die depressie?...." vroeg broeder Sam.

»Besloten worden?...." vulde broeder Sib aan.

»Dat het mooi weer niet standvastig is," antwoordde Aristobulus Beerenkooi, »en dat de lucht weldra betrekken zal onder den invloed van den zuidwestenwind, die de dampen van den Noord-Atlantischen Oceaan met zich voeren zal."

De gebroeders Melvill bedankten den jongen geleerde voor de mededeeling van die belangwekkende voorspellingen, en leidden er de gevolgtrekking uit af, dat de Groene Straal wel eens op zich kon laten wachten, wat hun niet onaangenaam was, daar dat hun verblijf te Oban zou rekken.

»En het doel van uwe komst, mijne heeren, is?".... vroeg Aristobulus Beerenkooi, die zijn volzin zelf afbrak om een keisteen op te rapen, dien hij met de grootste aandacht bekeek.

De beide ooms wachtten zich wel die belangrijke studie te storen.

Maar toen die keisteen de verzameling van een menigte andere in den zak van den jongen geleerde was gaan vermeerderen, antwoordde broeder Sib.

»Het doel van onze komst is zeer natuurlijk om hier eenige dagen door te brengen."

»En wij moeten er bij voegen, dat miss Campbell ons vergezeld heeft...." zei broeder Sam.

»Ah!.... miss Campbell!" antwoordde Aristobulus Beerenkooi. »Ik geloof dat die keisteen uit het gaëlische tijdperk afkomstig is. Er zijn sporen te zien van.... Maar waarlijk, het zal mij verheugen miss Campbell weer te zien!.... sporen van meteorisch ijzer.--De luchtgesteldheid hier, die buitengewoon zacht is, zal haar uitermate goed doen."

»Zij geniet een goede gezondheid en is hier niet om herstel van eenige ziekte te zoeken."

»Om het even," antwoordde Aristobulus Beerenkooi. De atmosfeer is hier overheerlijk. Nul, komma, een en twintig zuurstof, en nul, komma, negen en zeventig stikstof met een weinig waterdamp gemengd, zeer voordeelig voor de gezondheid. Wat het koolzuur betreft, er zijn slechts sporen aanwezig in de lucht, die ik iederen morgen ontleed."

De gebroeders Melvill meenden in die verhandeling, een lieve bezorgdheid ten opzichte van miss Campbell te bemerken.

»Maar," vroeg Aristobulus Beerenkooi, »indien gij niet voor gezondheidsredenen hier gekomen zijt, mag ik dan weten, mijne heeren, waarom gij uw buitenverblijf te Helenaburg verlaten hebt?"

»Wij hebben geen enkele reden om, in de verhouding, waarin wij tot elkander staan, dat voor u te verbergen...." antwoordde broeder Sib.

»Kan ik dus in die verhuizing een overigens natuurlijk verlangen ontwaren," viel de jonge geleerde den spreker in de rede, »om tot een samenkomst met miss Campbell mede te werken, die de gelegenheid kan openen elkander beter te leeren kennen en dat tot wederzijdsche achting zal moeten leiden?"

»Voorzeker," antwoordde broeder Sam. »Wij hebben gedacht, dat zoo het doel sneller bereikt zou worden."

»Ik keur uwe handeling goed, mijne heeren," antwoordde Aristobulus Beerenkooi. »Hier op dit onzijdig terrein zullen miss Campbell en ik bij gelegenheid kunnen spreken over de oorzaken van het op en neergaan der zee, van de windrichtingen, van de hoogte der golven, van het verspringen der getijen en over meer andere natuurverschijnselen, waarin zij ten zeerste belang moet stellen!"

Nadat de gebroeders Melvill een glimlach van voldoening gewisseld hadden, bogen zij bij wijze van toestemming. Zij verklaarden verder, dat zij zich gelukkig zouden achten, wanneer zij, na hun terugkeer op het buitenverblijf Helenaburg, den jongen geleerde onder een meer dierbaren titel dan dien van gast zouden kunnen ontvangen. Aristobulus Beerenkooi antwoordde, dat hij zich alsdan des te gelukkiger zoude gevoelen, daar het gouvernement belangrijke baggerwerken, juist tusschen Helenaburg en Greenock wilde doen uitvoeren, welke werken onder geheel nieuwe omstandigheden door middel van elektrische werktuigen zouden worden tot stand gebracht. Dus, wanneer hij eenmaal zijn verblijf op Helenaburg gevestigd had, zou hij de toepassing van die werktuigen waarnemen en den uitslag daarvan berekenen kunnen.

De gebroeders Melvill erkenden gaarne, dat die samenloop van omstandigheden hunnen plannen ten goede zou komen en het geheel en al in hun kader paste.

En daarop hadden zij een snuifje genomen om de gemeenschappelijke verschillende tijdperken van dien uiterst belangwekkenden arbeid gade te slaan.

»Maar," vroeg Aristobulus Beerenkooi, »gij hebt ongetwijfeld het een of ander voorwendsel bedacht, om mij hier te Oban te komen ontmoeten."

»Inderdaad," antwoordde broeder Sib, »en dat voorwendsel heeft miss Campbell zelf ons aan de hand gedaan."

»Zoo," zei de jonge geleerde, »en dat is....?

»Het geldt de waarneming van een natuurverschijnsel, dat zich slechts onder bepaalde gelegenheden voordoet, en dat te Helenaburg onmogelijk kan voorkomen."

»Waarlijk! heeren," hernam Aristobulus Beerenkooi, terwijl hij met duim en vinger zijn bril recht op zijn neus zette. »Daarin ligt het bewijs, dat er tusschen miss Campbell en mij wel eenige innige met elkaar overeenkomende verwantschap bestaat!--Mag ik ook weten welk natuurverschijnsel het is, dat op het buitenverblijf niet kan waargenomen worden?"

»Dat natuurverschijnsel? Wel, is eenvoudig de Groene Straal," antwoordde broeder Sam.

»De Groene Straal?" vroeg Aristobulus Beerenkooi niet zonder verwondering. »Daarvan heb ik nimmer hooren spreken. Is het mij vergund te vragen, wat die Groene Straal beduidt?"

De beide broeders Melvill legden hem zoo goed zij konden uit, waarin het natuurverschijnsel bestond, dat door de Morning Post onlangs onder de aandacht van het publiek was gebracht.

»Pouah!" riep Aristobulus Beerenkooi, »dat is slechts een aardigheid zonder eenig belang, die tot het kinderachtige domein van de vermakelijke natuurkunde behoort."

»Miss Campbell is slechts een jong meisje," antwoordde broeder Sib, »en zij schijnt een buitengewoon groot belang in dit natuurverschijnsel te stellen."

»Want zij wil niet trouwen, heeft zij verzekerd, voor dat zij het gezien heeft," vulde broeder Sam aan.

»Welnu, heeren," antwoordde Aristobulus Beerenkooi, »wij zullen hem haar toonen, dien Groenen Straal!"

Na die verzekering wandelden de drie mannen door de weilanden, die zich langs het strand uitstrekten en waardoor een pad zich slingerde, naar Caledonian-Hotel terug.

Aristobulus Beerenkooi liet de gelegenheid niet ontsnappen om de gebroeders Melvill te doen opmerken, hoezeer de geest der vrouwen behagen schept in nietigheden, waaruit hij in groote trekken voortredeneerende, tot de gevolgtrekking kwam van hetgeen verricht zou moeten worden om hunne niet goed opgevatte opvoeding te verbeteren. Hij verwierp de stelling, dat de hersenen der vrouw minder met hersenzelfstandigheid zouden bedeeld zijn dan die van den man, en dat door het groote verschil in de bewerktuiging der kwabben, de vrouw nimmer zoude kunnen geraken tot opvatting van grootsche denkbeelden. Neen, zoover ging hij niet; hij meende integendeel dat door een voortgezet onderwijs verandering in dien toestand te weeg zou te brengen zijn; hoewel hij van een anderen kant niet loochenen kon, dat sedert de vrouw in de Schepping verschenen was, nimmer een harer zich onderscheiden had door eenige dier uitvindingen, die bij voorbeeld Aristoteles, Euclides, Harvey, Hahnenman, Pascal, Newton, Laplace, Arago, Humphrey-Davy, Edison, Pasteur enz., beroemd gemaakt hebben. Eindelijk verdiepte hij zich in de uitlegging van verscheidene natuurtafereelen en redekavelde de omni re scibili, zonder meer omtrent miss Campbell te gewagen.

De gebroeders Melvill hoorden eerlijk toe en deden dat zooveel te eerder, daar het voor hen onmogelijk was een woord tusschen beiden te brengen in die alleenspraak, waarbij Aristobulus Beerenkooi zonder rustpunt voortdraafde en die hij doorspekte met gebiedend en schoolmeesterachtig gehemm!

Zoo naderden zij het Caledonian-Hotel tot op ongeveer een honderd pas, en bleven toen een poos staan, om afscheid van elkaar te nemen.

Middelerwijl bevond zich een zeker iemand aan het venster harer kamer. Zij scheen geheel in de war, ja geheel van haar stuk gebracht. Zij keek nu eens vóór haar dan weer rechts of links en scheen met het dwalend oog een horizon te zoeken, die zij niet kon ontdekken.

Eensklaps bemerkte miss Campbell--want zij was die zeker iemand--hare ooms. Dadelijk werd het venster met levendig gebaar gesloten en verscheen het jonge meisje eenige oogenblikken later op het strand, de armen half gekruist over de borst, met ernstig gelaat en het voorhoofd bezwangerd van verwijtingen. De gebroeders Melvill keken elkander aan. Tegen wien had Helena iets? Was het de tegenwoordigheid van Aristobulus Beerenkooi, die deze verschijnselen van abnormale opwinding veroorzaakte?

De jeugdige geleerde naderde intusschen en groette miss Campbell met een buiging zoo stijf als die van een knipmes.

»Aristobulus Beerenkooi...." zeide broeder Sam, die den jonkman vormelijk en met plichtpleging voorstelde.

»Die door een wonder van toevalligheid.... zich juist te Oban bevindt...." voegde broeder Sib er bij.

»Ah?.... mijnheer Beerenkooi?".... mompelde het jonge meisje, terwijl zij zijn groet ter nauwernood beantwoordde.

Toen zich tot de gebroeders Melvill wendend, die daar uit het veld geslagen stonden en niet wisten wat te zeggen of welke houding aan te nemen:

»Mijn ooms!" sprak zij met gestrengheid.

»Lieve Helena!" antwoordden de beide ooms met den zelfden toon van waarneembare ongerustheid in stem en gebaren.

»Zijn wij wel te Oban?" vroeg zij.

»Te Oban?.... Wel zeker."

»Te Oban.... aan de zee der Hebriden gelegen?"

»Voorzeker."

»Welnu, over een uur zullen wij er niet meer zijn!"

»Over een uur?...."

»Ik had om een zee-horizon verzocht?"

»Ongetwijfeld, lieve meid...."

»Wilt gij dan zoo vriendelijk wezen, mij dien te wijzen?"

Ontzet draaiden en keerden de gebroeders Melvill zich om en keken rond.

Vóór hen, noch in het zuidwesten, noch in het noordwesten was eenige doorgang tusschen de eilanden, die in volle zee lagen, te bespeuren, geen plekje waar hemel en water in elkander liepen.

De eilanden Seil, Kerrera, Kismore vormden een onafgebroken slagboom, die de kim onzichtbaar maakte. De erkenning moest volgen, dat de beloofde en verzochte horizon aan het landschap van Oban ontbrak.

De twee broeders hadden dat niet eens bemerkt bij hunne wandeling langs het strand. Toen zij hunne misvatting inzagen, lieten zij dan ook die twee Schotsche uitroepingen hooren, die een waarlijke teleurstelling, gemengd met ietwat kwade luim, levendig aanduidden:

»Pooh!" zei een.

»Pswha!" antwoordde de andere.

VIII.

EEN TELEURSTELLEND WOLKJE.

Een opheldering was noodzakelijk geworden; maar daar Aristobulus Beerenkooi met die opheldering niets te maken had, groette miss Campbell hem koel en keerde naar het Caledonian Hotel terug.

Aristobulus Beerenkooi had het jonge meisje niet minder koel teruggegroet. Klaarblijkelijk voelde hij zich gekrenkt, dat hij in mededinging met een straal gekomen was, van welke kleur die dan ook wezen mocht.

Hij keerde langs het strand naar zijn hotel terug, terwijl hij een redevoering voor zich zelven in de meest gepaste bewoordingen hield.

Broeder Sam en broeder Sib waren volstrekt niet in hun knollentuin. Toen zij dan ook in het kleine salon waren binnengetreden, wachtten zij met gebukten hoofde tot dat het jonge meisje hun het woord zoude toevoegen.

De opheldering was kort maar uitermate helder. Men was te Oban gekomen om een zuivere kim te zien en men zag er niets of zoo weinig van, dat het der moeite niet waard was er van te spreken.

De beide ooms konden zich slechts op hun goede trouw beroepen. Zij kenden Oban in het geheel niet! Wie had kunnen denken dat de zee, de ware zee daar niet te vinden was! En toch wemelde het van badgasten. Dat was misschien het eenige punt der kust, waar, ten gevolge van dien ongelukkigen Hebriden-archipel, de kringvormige lijn, waar hemel en water elkander schijnen te raken, niet te zien was.

»Welnu," zei miss Campbell op een toon, dien zij zoo gestreng mogelijk trachtte te uiten, »men had een ander punt dan Oban moeten kiezen, al had daaraan het voordeel opgeofferd moeten worden van de ontmoeting met mijnheer Aristobulus Beerenkooi!"

De broeders Melvill bogen instinctmatig het hoofd en beantwoordden dien rechtstreekschen aanval niet.

»Wij gaan onze beschikkingen treffen," zei miss Campbell, »en heden vertrekken wij nog!"

»Welnu, vertrekken wij dan!" antwoordden de twee ooms, die hunne onbezonnenheid slechts door een geheel lijdelijke gehoorzaamheid konden trachten goed te maken.

En volgens ouder gewoonte weerklonken weer de uitroepen:

»Bet!"

»Beth!"

»Bess!"

»Betsy!"

»Betty!"

Juffrouw Bess verscheen, vergezeld van Partridge. Beiden werden dadelijk op de hoogte gesteld, en bij ondervinding wetende, dat hunne jonge meesteres steeds gelijk moest hebben, vroegen zij zelfs de redenen van dat overhaaste vertrek niet.

Maar men had zonder baas Mac-Fyne, den eigenaar van het Caledonian Hotel, gerekend.

Men zou zelfs in het gastvrije Schotland weinig menschenkennis ten opzichte van die achtenswaardige nijverheidslieden aan den dag leggen, wanneer men een hunner in staat zou achten een gezin, bestaande uit drie heerschappen en twee bedienden, te laten vertrekken, zonder alles in het werk gesteld te hebben, om dat te behouden. En dat gebeurde juist in deze omstandigheid.

Toen baas Mac-Fyne op de hoogte van deze ernstige zaak gebracht was, verklaarde hij deftig, dat alles ten algemeenen genoegen geschikt kon worden, zonder nog van zijn bizonder genoegen te spreken, dat hij smaken zou, wanneer hij zoo edele reizigers zoo lang mogelijk ten zijnent behouden mocht.

Wat verlangde miss Campbell en wat eischten bijgevolg de heeren Sib en Sam Melvill? Een onbeperkt zeegezicht met uitgestrekten gezichteinder. Niets gemakkelijker te verschaffen dan dat, daar het slechts gold dien gezichteinder bij zons-ondergang waar te nemen. Dat kon men van het strand van Oban niet doen! Dat is zoo! Maar zou het voldoende zijn naar het eiland Kerrera over te steken? Neen. Het groote eiland Mull zou ook dáár een beletsel zijn, om iets meer dan een klein hoekje van den Atlantischen Oceaan waar te nemen, dat bovendien nog in het zuidwesten bespeurd werd. Maar wanneer men de kust langs wandelde, dan kwam men bij het eiland Seil, dat door middel van eene brug met de Schotsche kust verbonden was, waarlangs men de noordelijkste punt van het eiland kon bereiken. Daar kon niets den gezichtskring naar den westkant en over twee vijfden van de noordstreken van het kompas belemmeren.

Om nu op dat eiland over te gaan, gold het slechts een eenvoudige wandeling van vier of vijf mijl, niet meer. En wanneer het weder gunstig was, dan kon een overheerlijk rijtuig miss Campbell en haar gevolg in een of in anderhalf uur overbrengen.

Tot bevestiging van zijn beweren, toonde de waard de kaart op groote schaal, die in het voorportaal van het hotel aan den wand hing. Miss Campbell kon zich dus overtuigen, dat baas Mac-Fyne geen praatjes verkocht. En werkelijk, meer zeewaarts van het eiland Seil opende zich een breede sector, die een derde gedeelte van die gezichteinder-lijn bevatte, waarachter de zon wegduikt gedurende de weken, die de dag- en nachtevening voorafgaan of onmiddellijk volgen.

De zaak kwam dan ook tot groote voldoening van baas Mac-Fyne en tot groot gemak van de gebroeders Melvill in orde. Miss Campbell verleende edelmoedig vergiffenis en liet zich geen enkele onaangename toespeling op de tegenwoordigheid van Aristobulus Beerenkooi weer ontsnappen.

»Maar," merkte broeder Sam op, »het is toch op zijn minst genomen zonderling, dat een zee-gezichteinder te Oban ontbreekt!"

»De natuur is zoo grillig!" antwoordde broeder Sib.

Aristobulus gevoelde zich ongetwijfeld zeer gelukkig, toen hij vernam, dat miss Campbell niet elders een meer gunstige plek zou gaan opzoeken voor haar meteorologische waarnemingen. Maar hij was zoo verdiept in zijn vraagstukken, dat hij vergat van zijn tevredenheid te doen blijken.

Het grillige schoone kind weet hem waarschijnlijk dank voor die bescheidenheid, want hoewel zij geheel onverschillig voor hem bleef, ontving zij hem toch minder koel dan bij hunne eerste ontmoeting.

Intusschen was er een lichte verandering in den toestand van den dampkring gekomen. Wel bleef het weer op onveranderlijk »mooi", maar toch benevelden eenige wolken, die door de middaghitte verdreven werden, bij zonsop- en ondergang den gezichteinder. Het was dus vrij overbodig op het eiland Seil een waarnemingspost te gaan zoeken. Dat zou volkomen verloren moeite zijn en men moest derhalve geduld oefenen.