De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht

Chapter 3

Chapter 33,795 wordsPublic domain

»Daar ben ik ook zeker van," antwoordde juffrouw Bess met vuur. »Maar laat nu miss Campbell eens zoo'n paartje vormen met dien mijnheer Beerenkooi, dan zal de Clyde eerder van Helenaburg naar Glasgow terug stroomen, dan dat zoo iets tot een huwelijk zou leiden. Binnen acht dagen had het »zusje" het »broertje" naar de pomp gejaagd.

Zonder uittewijden omtrent de onwelvoeglijkheden, die plaats konden hebben bij zulk een gemeenzaamheid als door de gebruiken van Hirkwall, die trouwens uitgeroeid zijn, aangemoedigd werden, willen wij ons bepalen tot de mededeeling dat juffrouw Bess door de omstandigheden wellicht in het gelijk zou worden gesteld. Maar miss Campbell en mijnheer Aristobulus Beerenkooi vormden geen paartje van »broertje en zusje van den eersten Augustus", zoodat, wanneer het ooit tot een huwelijk kwam, de verloofden nimmer in de gelegenheid waren geweest elkander te leeren kennen, zooals gebeurd zou zijn, wanneer zij het proefvuur van de kermis van Sint-Olla zouden doorstaan hebben!

Hoe het ook zij, de kermissen werden vroeger ingesteld om de zaken, niet om de huwelijken te bevorderen. Wij kunnen dus juffrouw Bess en Partridge aan hun gejammer over den goeden ouden tijd overlaten. Wij kunnen er echter bijvoegen, dat die twee al babbelende hun werk ijverig voortzetten en geen oogenblik lieten verloren gaan.

Het vertrek was dus besloten. De plek, waar men het buitenzijn zou gaan genieten, was gekozen. De gebroeders Melvill en miss Campbell zouden reeds den volgenden morgen in de dagbladen voor het »High life" onder de rubriek »aangekomen vreemdelingen" in de badplaats Oban voorkomen. Maar hoe zou men de reis derwaarts maken? Dit was het vraagstuk, dat ter oplossing overbleef.

Twee verschillende wegen stonden open, om zich naar dat kleine plaatsje te begeven, dat aan de zeeëngte van Mull gelegen is op een paar honderd mijl ten noordwesten van Glasgow.

De eerste dier wegen is de weg over land. De reiziger begeeft zich naar Bowling, dan langs Dumbarton en den rechteroever van de Leven tot bij Balloch, hetwelk gelegen is aan het uiteinde van het meer Lhomond. Dat schoonste der Schotsche meren met zijn dertigtal eilanden en zijn historische oevers, vervuld met de herinneringen aan de Mac-Gregors, aan Mac-Farlanes, wordt doorsneden. Men is dan ten volle in het schilderachtige land van Rob Roy en van Robert Bruce. Dalmaly wordt dan bereikt, en van daar wordt de reis voortgezet langs een straatweg, die langs berghellingen voert en soms ter halver hoogte daar langs opstijgt; die zich boven en langs bergstroomen en fiords slingert te midden van die eerste voorsprongen van den Grampianbergketen, te midden der glens, overal met heidebloempjes overdekt, gestoffeerd met denneboomen, met eiken, met beuken en met berkeboomen en daalt de opgetogen toerist van het hoogland neder bij de kuststreek van Oban, die, wat schilderachtigheid betreft, aan de meest beroemde van de geheele Atlantische zeekust dienaangaande niets te benijden heeft.

Dat is een overheerlijk uitstapje, dat door ieder reiziger in Schotland gemaakt is of moet gemaakt worden. Maar op dien geheelen weg geniet men nergens een zee-horizon. Toen dan ook de gebroeders Melvill dien weg voorsloegen, bemerkten zij ras dat dit vergeefsche moeite was.

De tweede weg, die genomen kan worden, is tegelijkertijd een rivier- en een zeeweg. Eerst moet de Clyde afgezakt worden tot waar zij de baai ontmoet, die aan haar haren naam ontleent. Dan voert de weg tusschen de eilanden en eilandjes door, die den grilligen archipel den vorm geven van een overgroote hand van een menschengeraamte, dat daar op dat gedeelte van den Oceaan schijnt te rusten. Men vaart dan langs die reuzenhand op tot aan de haven van Oban. Die weg was wel verleidelijk voor miss Campbell, voor wien de goddelijke streek der Lhomond- en Katrine-meren geen geheimen meer bezat. Daarenboven zou zij langs de zeeëngten tusschen de eilanden en in de baaien vergezichten naar den kant van het westen hebben, welker omtrek duidelijk door die lijn aangegeven wordt, waar land en water elkander schijnen te raken.

Welnu, zou het onmogelijk zijn om alsdan gedurende dien overtocht bij zonsondergang, wanneer de kim geheel zuiver zou zijn, dien Groenen Straal op te vangen, welker schittering ter nauwernood het vijfde gedeelte eener seconde duurt?

»Gij begrijpt toch, oom Sam," zei miss Campbell hoog ernstig, »en ook gij, Oom Sib, gij begrijpt toch, dat die flikkering slechts een oogenblik duurt. Welnu, wanneer ik gezien heb, wat ik wensch te zien, dan is de reis ten einde, dan is het onnoodig om verder naar Oban door te reizen en zich daar in te richten."

Ziedaar juist wat de gebroeders Melvill niet wenschten. Zij verlangden eenigen tijd te Oban te blijven--de lezer herinnert zich waarschijnlijk nog waarom--en hoopten, dat een te spoedige verschijning van den Groenen Straal hunne plannen niet zou komen dwarsboomen.

Daar evenwel miss Campbell beslissende stem in het kapittel had, en zij voor de zeereis stemde, werd deze boven de landreis met meerderheid van stemmen verkozen.

»De duivel hale dien Groenen Straal!" zei broeder Sam, toen Helena de hall verlaten had.

»En dat hij hen medeneme, die hem uitgedacht hebben," voegde broeder Sib er bij.

IV.

DE CLYDE STROOMAFWAARTS.

Daags daarna, den 2den Augustus al heel vroeg, stapte miss Campbell, vergezeld door hare ooms, de gebroeders Melvill en gevolgd door Partridge en juffrouw Bess, op het station van de spoorwegbaan van Helenaburg in den trein. Men zou zich te Glasgow inschepen op de stoomboot, die den dagelijkschen dienst tusschen die stad en Oban verricht, en geen andere plaats aan de kust gelegen aandoet.

Tegen zeven uur bracht de trein onze vijf reizigers in het aankomst-station te Glasgow aan, van waar een rijtuig hen naar Broomielaw Bridge vervoerde.

Daar wachtte de stoomboot Columbia reeds de passagiers. Een dikke rook ontsnapte uit haar beide schoorsteenen en vermengde zich met den dikken nevel, die nog over de Clyde hing. Maar die morgendampen begonnen zich op te lossen, en de loodkleurachtige schijf der zon vertoonde reeds eenige gulden schakeeringen. Dat was de voorbode van een schoonen dag.

Miss Campbell en haar reisgenooten scheepten zich dadelijk in, nadat hun bagage behoorlijk verzorgd en aan boord gebracht was.

De bel liet in dit oogenblik haar derde en laatste geklingel weergalmen om de te-laat-komers tot spoed aan te zetten. Daarop zette de machinist de machine aan; de schoepen der raderen sloegen een paar slagen vooruit, een paar achteruit, en wierpen groote golven geelachtig water omhoog, waarna een scherp fluitje weerklonk. De trossen werden toen losgegooid en de Columbia schoot weldra in den stoomdraad vooruit.

De reizigers, die in het Vereenigd Koninkrijk reden tot klachten meenen te hebben, handelen veelal onbillijk. Want het zijn prachtige vaartuigen, die hen vanwege de stoomboot-maatschappijen ter beschikking worden gesteld. Er is niet zoo'n smalle waterstroom, geen zoo'n klein meer, geen zoo'n zeeboezemtje, welks oppervlakten niet dagelijks doorploegd worden door bevallige stoomvaartuigen. Het is dan ook hoegenaamd niet bevreemdend, dat de Clyde in dat opzicht onder de meest begunstigde behoort. Langs de Broomielaw Street, alwaar de aanlegplaats of beter de stoomboot-kade gevonden wordt, wemelt het letterlijk van stoomvaartuigen, die met hunne met de levendigste kleuren beschilderde raderkasten, waarin het verguldsel strijd voert met het Cinaber-geel, steeds stoom op hebben en gereed zijn om in alle richtingen te vertrekken.

De Columbia maakte op den algemeenen regel geen uitzondering. Zij was zeer lang, zeer scherp van boeg en vertoonde een zuivere waterlijn. Zij had een krachtvolle machine, die raderen van een machtigen omvang in beweging bracht, en was een vaartuig van groote snelheid. Inwendig heerschte de meest mogelijke comfort in de salons en eetkamers. Op het dek was een halfdek aangebracht dat behoorlijk tegen de zonnestralen beschut was door een tent, sierlijk gefestonneerd, waaronder zich banken en stoelen met zachte kussens bevonden. Dat was een bekoorlijk plekje, waar de reizigers een uitmuntend uitzicht genoten en geen last hadden van rook of andere onaangename geuren.

Aan reizigers was geen gebrek. Zij kwamen zoowat van alle kanten opdagen, zoowel van Schotland als van Engeland. De maand Augustus is de meest gunstige voor de uitstapjes. Vooral die op de Clyde en naar de Hebriden vallen buitengewoon in den smaak. Er bevonden zich daar op dat dek een paar van die huisgezinnen op groot compleet, wier echtvereeniging buitengewoon edelmoedig door den hemel gezegend was; zeer vroolijke jonge meisjes en meer bedaarde jonge mannen, ook kinderen, die evenwel reeds eenigermate met de verrassingen van het omzwervend leven vertrouwd geraakt waren; verder predikanten, die steeds zoo talrijk aan boord der stoombooten aanwezig zijn, met den hoogen zijden hoed op het hoofd, den zwarten jas met staanden kraag aan, de witte das, boven het vest prijkende, om den hals; verder eenige pachters met de Schotsche muts getooid en door hun zwaren stap aan de oude »Bonnet-lords" herinnerende van een zestig jaar geleden; dan nog een half dozijn vreemdelingen, waaronder Duitschers, die zelfs buiten Duitschland hunne zwaarwichtigheid niet verliezen, en twee of drie Franschen, wier geestige beminnelijkheid hen zelfs niet buiten Frankrijk verlaat.

Wanneer miss Campbell als de meeste harer landgenooten gehandeld had en zich, zoodra zij aan boord kwam, in het een of ander hoekje had neergezet, om dit gedurende de geheele reis niet meer te verlaten, en zelfs het hoofd niet te durven omkeeren, dan zou zij van de oevers der Clyde slechts dat gezien hebben, wat zich recht voor hare oogen voorbij bewoog. Maar zij had pret er in om heen en weer te trippelen, nu eens op het voorschip, dan weer op het achterschip. Zij beschouwde de steden, de burchten, de dorpen en gehuchten, waarmede die oevers als bezaaid zijn. Hieruit volgde de noodzakelijkheid, dat broeder Sam en broeder Sib, die haar overal vergezelden, haar vragen beantwoorden, haar opmerkingen en waarnemingen goedkeurden of bevestigden, tusschen Glasgow en Oban geen oogenblik rust hadden. Zij dachten er evenwel niet aan zich daarover te beklagen, dat was aan hun baantje van eerewacht van het jonge meisje verbonden, en zij volgden haar als uit instinct, terwijl zij elkander een snuifje aanboden, dat meewerkte om hen in goede luim te houden.

Juffrouw Bess en Partridge hadden op het voorste gedeelte van het halfdek plaats genomen en keuvelden vriendschappelijk over den ouden tijd, over de in onbruik geraakte zeden en gewoonten, over de clans, die in ontbinding geraakten. Waar waren die zoo te betreuren tijden van weleer? Toen verdween de zuivere gezichteinder van de Clyde nog niet achter de uitgebraakte rookwolken van de fabrieken; haar oevers weerklonken niet van de doffe slagen, te weeg gebracht door de stoomhamers; haar kalme wateren werden niet opgezweept door die machtige inspanning van de duizenden stoom-paarden-krachten!

»O! die tijd zal terugkomen!" zei juffrouw Bess met innige overtuiging in hare stem. »En misschien vroeger dan wij denken."

»Het is te hopen," antwoordde Partridge ernstig en deftig, »en met hem zullen wij de oude zeden en gewoonte onzer voorouders zien terugkeeren!"

De oevers der Clyde ontrolden zich middelerwijl voor hen, die zich aan boord der Columbia bevonden, met snelheid van voren naar achteren, evenals de tafereelen van een beweeglijk panorama. Ter rechterzijde vertoonden zich het dorpje Patrick, aan de uitwatering van de Kelvin, met zijn uitgestrekte dokken, waarin de ijzeren zeeschepen vervaardigd worden, die zich vlak tegenover de dokken van Goivan, op den anderen oever der Clyde gelegen, bevonden. Wat een gehamer en een getiktak op ijzeren platen, welke machtige rook- en stoomwolken daar, die het gehoor en het gezicht van Partridge en van zijn gezellin zoo onaangenaam aandeden!

Maar al dat nijverheids-spektakel, al die kolendamp zou langzamerhand ophouden en voor het oog verdwijnen. In plaats van scheepstimmerwerven, van overdekte dokken, van hooge fabrieksschoorsteenen, van die reusachtige ijzeren stellingen, die zoozeer op vergroote kooien van een zoölogischen tuin van mastodonten en andere voorwereldlijke dieren gelijken, begonnen behaaglijke woningen te verschijnen, buitenverblijven, onder het groene loof van hoog geboomte verscholen villa's van de anglo-saksische bouworde, die zich als verspreid op de omliggende heuvelen verhieven. Het was toen als een onafgebroken opvolging van fraaie villa's en kasteelen, die zich als gezaaid op een groenen band van de eene tot de andere stad ontrolden.

Na den ouden koninklijken burcht van Renfrew, op den linkeroever van de rivier gelegen, voorbij gestoomd te zijn, kwamen de dicht begroeide heuvels van Kilpatrick ter rechterzijde boven het dorp van dien naam te voorschijn. Langs die plek kan geen Ierlander voorbijgaan, zonder zich het hoofd te ontblooten, want daar is Sint-Patrick, de beschermheilige van Ierland, geboren.

De Clyde begon van rivier of stroom, die zij tot nu toe slechts geweest was, nu een ware zeearm te worden. Juffrouw Bess en Partridge groetten eerbiedig de bouwvallen van Douglas-Castle, die eenige oude herinneringen uit de geschiedenis van Schotland in hun brein te voorschijn riepen; maar hunne oogen wendden zich af van de zuil die opgericht werd ter eere van Harry Bell, den uitvinder en de vervaardiger van het eerste schip, dat zich met behulp van werktuigen bewoog en welks raderen door hun geklepper deze stille wateren beroerden.

Eenige mijlen verder aanschouwden de reizigers, met hun Murray in de hand, het kasteel van Dumbarton, dat zich op een basaltrots van meer dan vijfhonderd voet hoogte verheft.

Een der beide kegelvormige toppen, door die rots gedragen, en wel de hoogste, wordt nog de »Troon van Wallace", naar een der helden van den onafhankelijkheidsoorlog, genoemd.

Juist op dit oogenblik begon een heer, die boven op de loopbrug stond,--zonder dat hij daartoe uitgenoodigd was, maar ook zonder dat iemand zulks onaangenaam vond--een kleine geschiedkundige verhandeling, ter voorlichting van zijn reisgezellen

Een half uur later kon niemand van hen, die zich aan boord van de Columbia bevonden, tenzij dat hij met doofheid geslagen was, onbekendheid voorwenden met de omstandigheid, dat de Romeinen Dumbarton zeer waarschijnlijk versterkt hadden; dat die historische rotsklomp in het begin der dertiende eeuw in een koninklijke vesting herschapen werd; dat hij, bevoordeeld door het Unie-traktaat, tot de vier sterke plaatsen van het koninkrijk Schotland behoort, die niet ontmanteld mogen worden; dat Maria Stuart van uit die haven in 1548 naar Frankrijk vertrok, om daar door haar huwelijk met Frans den Tweeden, koningin voor één dag te zijn, dat daar eindelijk Napoleon in 1845 had moeten opgesloten worden, voor dat het ministerie Castlereagh tot een besluit kwam, den grooten man naar Sint Helena te verbannen.

»Zoo'n verhandeling is zeer leerrijk."

»Leerrijk en belangwekkend," antwoordde broeder Sib. »Die gentleman verdient ten volle onze loftuigingen!"

En inderdaad, de beide ooms hadden geen enkel woord van de geheele verhandeling willen missen. Zij achtten zich dan ook verplicht, dien geïmproviseerden professor in de geschiedenis een blijk hunner innige tevredenheid te geven. Miss Campbell, in haar gedachten verzonken, had niets gehoord van die geschiedenis-les in de vlucht. Zoo iets kon haar, althans in deze oogenblikken, niet boeien. Zij gunde zelfs geen blik aan de bouwvallen van het kasteel van Cadross, dat op den rechteroever van den stroom gelegen was, en waar Robert Bruce stierf. Een zee-gezichteinder, dat was het wat hare oogen tot nu toe te vergeefs zochten. Zij zou dien evenwel niet zien, voor dat de Columbia uit die voortdurende opvolging van oevers, van voorgebergten, van kuststreken, die de baai van de Clyde omzoomen, te voorschijn zou getreden zijn. Daarenboven, de Columbia stoomde thans het dorpje Helenaburg voorbij. Port-Glasgow, de bouwvallen van het kasteel van Newark, het schiereiland Rosenheat, dat alles was haar bekend, dat zag het jonge meisje iederen dag uit de ramen van haar buitenverblijf. Zij vroeg zich dan ook af, of de stoomboot niet op de grillig aangelegde waterpartijen van haar park voer.

En waarom zouden haar oog en haar gedachten, toen het vaartuig verder gekomen was, verdwalen te midden van honderden schepen, die zich in de havenkommen van Greenock bij de uitwatering van den stroom als verdrongen? Wat kon het haar schelen, dat de onsterfelijke Watt geboren was in die stad van veertig duizend zielen, die als de nijverheids- en handels-voorkamer van Glasgow te beschouwen is? Waarom toch zou zij drie mijl verder, haar blikken laten rusten op het dorp Gouroch ter linkerzijde, of op het dorp Dunoon ter rechter zijde, op de getande en bochtige fiords, die zoo diepe inhammen in de kuststreken van het graafschap van Argyle vormen en die aan de kust van Noorwegen gelijk stellen?

Neen! miss Campbell zocht met ongeduldig oog de bouwvallen van den toren van Leven. Hoopte zij er een geestverschijning te ontwaren? Geenszins, maar zij wilde de eerste zijn, die den vuurtoren in het oog kreeg van Clock, die den uitgang van de Firth of Clyde verlicht.

De vuurtoren verscheen eindelijk als een reuzenlamp, toen het stoomschip een hoek, dien de kuststreek vormde, rondde.

»Clock, oom Sam," zeide zij. »Clock, Clock!"

»Ja, Clock," antwoordde broeder Sam met de nauwkeurigheid van een Hooglandsche echo.

»De zee, oom Sib!"

»Ja, inderdaad de zee," antwoordde broeder Sib.

»O! wat is dat mooi!" riepen de beide ooms te gelijk.

Het was alsof zij de zee voor den eersten keer van hun leven aanschouwden.

Neen, er was geen vergissing mogelijk. Toen de baai zich voor het oog opende, vertoonde zich daar goed en wel een uitgestrekte zee-horizon.

Maar de zon had nog niet eens de helft van haar loopbaan afgelegd. Onder den zes en vijftigsten breedtegraad moesten nog minstens zeven uur verloopen, alvorens zij in de zilte golven zou onderduiken,--dus nog zeven uur van ongeduldig wachten voor miss Campbell. Daarenboven, die gezichteinder strekte zich in het zuidwesten uit, dat wil zeggen over dat segment van den cirkelboog, waarin de zonneschijf zich bij haar ondergaan niet laat zien dan bij den winterzonnestilstand. Daar moest dus de verschijning van den Groenen Straal niet gezocht worden; neen men zou den blik meer westelijk, zelfs ietswat naar het noorden moeten richten, daar de eerste Augustusdagen de dag- en nachtevening van September zes weken voorafgaan.

Maar dat kwam er minder op aan. Het was de zee, die zich thans voor het oog van miss Campbell uitstrekte. Tusschen de Cambray-eilanden, daar voorbij het groote eiland van Bute, welks scherpe omtrekken door een lichten nevel afgerond werden, dan voorbij de kleine toppen en ruggen van Aisla-Craig en der Arran-bergen, vormden de hemel en de zee te zamen een lijn zoo zuiver, alsof zij langs de liniaal met een fijn aangepunt potlood getrokken was.

Miss Campbell nam dien gezichteinder waar, terwijl zij er hare geheele gedachten aan wijdde, en sprak daarbij geen woord. Zij stond rechtop en onbeweeglijk op de loopbrug, en de zon vormde aan haar voeten een zeer verkorte schaduw van haar persoon. Met het oog scheen zij de lengte van den boog te meten, dien de dagvorstin nog scheidde van het punt waar zij in de wateren van den hybridischen archipel zou ondergaan.... Wanneer slechts in dat oogenblik de hemel, zoo helder thans, niet door de dampen van den schemeravond verduisterd zoude worden!

Een stem ontvoerde de jeugdige dweepster aan hare droomerijen.

»Het is tijd," zei broeder Sib.

»Tijd! welke tijd, waarde oompjes?"

»Tijd om te ontbijten," zei broeder Sam.

»Kom, laten wij dan ontbijten!" antwoordde miss Campbell.

V.

VAN DE EENE BOOT OP DE ANDERE.

Na het half-koude, half-warme maal, waaruit het ontbijt bestond--dat, tusschen twee haakjes gezegd, overheerlijk was--en in het eetsalon van de Columbia voorgediend werd, stegen miss Campbell en de gebroeders Melvill andermaal op het dek.

Helena kon een kreet van teleurstelling niet weerhouden, toen zij haar plaats op het halfdek weer ingenomen had.

»Waar is mijn zee-horizon?" vroeg zij.

Hare ooms moesten bekennen, dat die horizon er niet meer was. Sedert eenige minuten was hij verdwenen. De stoomboot, die noordelijk voorlag, stevende op dat oogenblik door de Straat van Kyles of van Bute.

»Dat is niet mooi, oom Sam!" sprak Miss Campbell met een lichten toon van verwijt in de stem en met een zweem van pruilen op de schoone lippen.

»Maar, mijn lief kind...."

»Dat zal ik niet licht vergeten, oom Sib!"

De twee broeders wisten geen antwoord te geven, en toch kon men hun de schuld niet geven, dat de Columbia, na haren koers gewijzigd te hebben, verder noordwaarts stevende.

Er bestaan inderdaad twee wegen, of beter twee vaarwaters, die nog al sterk uiteenloopen, om over zee van Glasgow naar Oban te geraken.

De een--die door de Columbia niet ingeslagen was--is de langste. Die voert langs Bothesay, de hoofdplaats van het eiland Bute, welke natuurlijk aangedaan wordt. Dat stadje wordt beheerscht door een oud kasteel, dat uit de elfde eeuw dagteekent, en is in het westen omgeven door hooge glens, die haar haven tegen de stormwinden uit volle zee dekken. Van Rothesay kan de stoomboot verder de Clyde-baai afzakken, vervolgens de wester kuststreek van het Bute-eiland langs stevenen, groot en klein Cumbray in het gezicht loopen en verder in die richting voortstoomen, totdat de meest zuidelijke punt van het eiland Arran bereikt is. Dat eiland behoort in zijn geheel, van zijn grondvesten van rotslagen tot op den top van den Goatfell, die zich op nagenoeg achthonderd meter boven de oppervlakte der zee verheft, aan den hertog van Hamilton. Bij die zuidpunt gekomen, legt de roerganger zijn roer te boord, totdat de weststreek van het kompas met de zeilstreek overeenkomt, waardoor het eiland Arran gerond wordt. Men stevent verder rond om den grooten vinger van het schiereiland Cantyre, om langs de westkust daarvan op te stoomen, waarna men in de Gigha-engte komt, die het smalste gedeelte uitmaakt van de Sond-straat, die tusschen de eilanden Islay en Jura doorvoert, waarna men in het meest opene gedeelte, van de Forth- of Lorn-baai geraakt, welker teruggetrokken hoek zich een weinig boven Oban sluit.

Goed gerekend, wanneer miss Campbell eenige reden tot pruilen had, dan zouden de beide ooms toch ook reden hebben om te betreuren, dat die weg niet was ingeslagen. Wanneer men toch die kuststreek van het eiland Islay gevolgd had, dan zouden zij met eigen oogen gezien hebben de verblijfplaats der Mac Donalds, die, in het begin der zeventiende eeuw overwonnen en verjaagd, de plaats moesten ruimen voor de Campbells. Bij het gezicht van de plaats, waar die historische feiten voorgevallen waren, die de beide broeders van nabij betroffen, zouden zij niet alleen hun hart hebben voelen kloppen, maar ook Juffrouw Bess en Partridge zouden hunne aandoening niet meester gebleven zijn.

En wat miss Campbell betrof, voor haar oogen zou die zoo zeer betreurde gezichteinder zich gedurende veel langer tijd uitgestrekt hebben. Want inderdaad, van de punt van de Arran tot aan het voorgebergte van Cantyre heeft men de volle zee in het zuiden en van die punt van Cantyre tot aan het uiteinde van Islay heeft men de volle zee in het westen, dat wil zeggen die vloeibare onmetelijkheid, die slechts op een afstand van ruim drie duizend mijl door het Amerikaansch vasteland begrensd wordt.

Maar die weg is, zooals gezegd werd, de langste; hij is ook de meest moeitevolle en niet van gevaren ontbloot. Men heeft met dat slag van toeristen rekening moeten houden, die afgeschrikt worden door de gebeurlijkheden van een overtocht soms bij ruw weer, wanneer de zee veelal hol staat in die streken der Hebriden.