De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht
Chapter 2
De vierkante toren, met zijn veruitspringende torentjes, in vorm op peperbussen gelijkende, op drie zijner hoeken, was versierd met schietgaten en rondgaande galerijen, terwijl zijn bovenvlak verdedigd was door een borstwering, die als kantwerk in steen uitgehouwen was. De vierde hoek sloot aan een achtkantig torentje, waarop de vlaggestok verrees, waaraan het dundoek wapperde, dat zich in het Vereenigd Koninkrijk boven alle woningen en boven alle vaartuigen ontplooit. Die soort van wachttoren, van nieuwere dagteekening, beheerschte alzoo het geheel der gebouwen, die tot het buitenverblijf behoorden, met zijn grillige daken, met zijn vensterramen, die nog grilliger aangebracht waren, met zijn veelvlakkige gevelnokken, met zijn vooruitstekende gedeelten, met zijn slingerende arabesken langs de vensterkozijnen, en met zijn keurig bewerkte schoorsteenen, alle vindingrijke ornamenten, die soms een bevallig uiterlijk verleenden, en aan den anglo-saksischen bouwtrant eigen zijn.
Het was op het bovenste plat van dat torentje, dat miss Campbell gaarne gansche uren zat te mijmeren onder de plooien van de nationale vlag, die onder de bries van de Firth of de Clyde wapperde. Zij had zich daar een lief toevluchtsoord bereid, waar zij kon zitten lezen, schrijven en slapen bij ieder weer van dat veranderlijk klimaat van Schotland. Zij zat dan beschut voor den wind, de zonnestralen en den regen. Daar moest men haar meestal gaan zoeken. Was zij daar niet, dan dwaalde zij luimig door de lanen van het park, dan eens alleen, dan eens in gezelschap van juffrouw Bess, tenzij zij te paard, gevolgd door Partridge, de naburige streek doorholde en zij dien trouwen dienaar een taai stuk werk gaf om niet bij zoo'n rit ten achter te blijven.
Onder de talrijke bediening van het buitenverblijf moeten wij een oogenblik bij die twee eerlijke dienaren verwijlen, die sedert hunne jeugd de familie Campbell aankleefden.
Elisabeth, de »Luckie", de moeder, zooals de huishoudster in de Hooglanden genoemd wordt, telde net zooveel levensjaren als zij sleutels aan haren sleutelbos droeg, en dat waren er welgeteld zeven en veertig. Zij was een degelijke huisbestierster, ernstig, regelmatig als een uurwerk, en voor hare taak die het geheele huishouden bestreek, berekend. Soms verbeeldde zij zich de gebroeders Melvill grootgebracht te hebben, hoewel die ouder waren dan zij; maar voor miss Campbell had zij voorzeker moederlijke zorgen.
Naast die kostelijke intendante blonk de Schot Partridge uit, als een dienaar, die geheel aan zijn meesters gewijd, en steeds getrouw was aan de oude gewoonten van zijn clan. Steeds was hij in het ouderfelijk kostuum der bergbewoners gekleed. Hij droeg de gestreepte blauwe muts, den kilt en den ruitkleurigen tartaan, die hem over den philibey en den pouch, dit laatste een soort van langharigen zak, tot op de knieën reikte, de hooge beenkousen, die door linten ruitvormig over de kuiten opgehouden werden, en eindelijk de broguen, een soort schoeisel van koehuid vervaardigd, die hem voor sandalen dienden.
Wat zou er met eene juffrouw Bess, om het huis te bestieren, en een Partridge, om het te bewaken, meer noodig zijn geweest om van den huiselijken vrede op dit ondermaansche verzekerd te zijn?
Men zal het reeds opgemerkt hebben dat, toen Partridge op het geroep van de gebroeders Melvill toeschoot, hij »miss Campbell" gezegd had toen hij van het jonge meisje sprak.
Wanneer de brave Schot haar miss Helena genoemd had, dat wil zeggen, wanneer hij haar met haar doopnaam aangeduid had, zou hij inbreuk gemaakt hebben op de regels, die de trapsgewijze ondergeschiktheid regelen, inbreuk die in het bijzonder door het woord: »snobbisme" aangeduid wordt.
En werkelijk de oudste of de eenige dochter uit een fatsoenlijke familie wordt zelfs in hare meest teedere jeugd nimmer met haren doopnaam aangesproken. Ware miss Campbell de dochter van een pair, dan zou zij lady Helena geheeten hebben; maar de tak der Campbells, waartoe zij behoorde, was slechts een zijtak en nog wel een zeer verwijderde zijtak van den hoofdstam, die in den paladijn sir Colin Campbell tot de kruistochten terug te voeren was. In het verloop van eeuwen hadden zich vertakkingen van den algemeenen stamboom van den roemvollen voorzaat afgescheiden, maar zich aangesloten bij de Clans van Argyle, van Breadalbane, van Lochnel en bij anderen; maar hoe verwijderd ook van den hoofdstam, voelde zich Helena toch trotsch op het bloed dier roemrijke familie, dat haar vanwege haren vader in de aderen vloot.
Maar al was zij maar eenvoudig miss Campbell, zoo was zij toch een echte Schotsche, een dier edelaardige meisjes van Thulé, met blauwe oogen en blonde haren, welker portret, geschetst door Findon of Edwards, en temidden der afbeeldingen van Minna, van Brenda, van Amy Robsart, van Flora Mac Ivor, van Diana Vernon, van miss Wardour, van Catherina Glover, van Mary Avenel geplaatst, de keepsake niet onwaardig zou geweest zijn, waarin Engelschen de schoonste vrouwentypen van hunnen grooten romanschrijver bijeen brengen.
En inderdaad, miss Campbell was een overheerlijk wezen. Men bewonderde haar fraai gesneden gelaat, hare blauwe oogen,--van dat blauw der Schotsche meren,--haar bevallige gestalte, niet te groot en niet te klein, haren tred, die eenige fierheid verried, haar geheel uiterlijk, dat nadenken kenschetste, tenzij een weinig spotlust hare gelaatstrekken kwam verhelderen, en men moest bekennen dat haar geheele wezen den stempel droeg van bevalligheid en voornaamheid.
Maar miss Campbell was niet alleen schoon, zij bezat ook een goed karakter. Hoewel rijk vanwege hare ooms, liet zij zich daarop niets voorstaan. En liefdadig was zij, zoo liefdadig, dat zij scheen het gaëlisch spreekwoord tot daadwerkelijkheid te willen maken: »dat de geopende hand steeds gevuld zij!"
Vóór alles was zij gehecht aan haar provincie, aan haren clan, aan haar familie. Zij was eene Schotsche met hart en ziel. Zij zou de voorkeur gegeven hebben aan den meest nederigen der Sawneys boven den meest voornamen der John Bulls. Haar vaderlandsliefde trilde als de snaren eener harp, wanneer de stem eens bergbewoners den omtrek met het een of andere nationale pibroch der Hooglanden deed weerklinken.
De Maistre heeft ergens gezegd: »Er bestaan in ons twee wezens: eerst het ik en dan de andere."
Het »ik" van miss Campbell was een ernstig, bezonnen wezen, dat het bestaan meer uit het oogpunt der verplichtingen dan uit het oogpunt der rechten beschouwde.
De »andere" van miss Campbell was een romanesk, een avontuurlijk wezen, dat een weinig tot lichtgeloovigheid overhelde, en veel van de wonder-verhalen hield, die zoo gemakkelijk in het vaderland van Fingal ontluiken. Daarin verried zich haar maagschap met de Lindamires, die aanbiddenswaardige heldinnen uit de ridder-romans, en bezocht als zoodanig de omliggende glens alleen om »den doedelzak van Strathdearne", zooals de Hooglanders het zuchten van den wind in eenzame lanen noemen, te hooren.
Broeder Sam en broeder Sib hielden evenveel van die beide zoo verschillende wezens, die in miss Campbell huisden; maar toch moet bekend worden, dat, hoewel zij zich bekoord gevoelden door het ernstige schepseltje, zij soms van streek geraakten door de onverwachte snedige antwoorden, de grillige omzwervingen in het denkbeeldige, de plotselinge omdolingen in het rijk der droomen van het andere wezen.
En was het dat luimige wezen niet, dat op het voorstel der beide broeders, het zoo zonderlinge antwoord gaf:
»Ik trouwen! ik!" had het »ik!" uitgeroepen. »Ik de echtgenoot van mijnheer Beerenkooi worden! Wij zullen daarover eens denken.... en er later over spreken!"
»Nooit!...." had die andere geroepen. »Nooit!.... zoolang ik den Groenen Straal niet zal gezien hebben!"
De gebroeders Melvill keken elkander aan, zonder er iets van te begrijpen. Broeder Sam nam het oogenblik waar, dat Miss Campbell op een grooten Gothischen armstoel, die bij het venster stond, plaats nam, om te vragen:
»Wat wil zij met dien Groenen Straal zeggen?"
»En waarom wil zij dien straal zien?" vroeg broeder Sib.
Waarom? Men zal het vernemen.
III.
HET ARTIKEL UIT DE »MORNING POST."
Ziehier, wat de liefhebbers van natuurkundige aardigheden dien dag in de »Morning Post" hadden gelezen:
»Hebt gij wel eens een zons-ondergang boven een zee-horizon waargenomen? Voorzeker, nietwaar? Hebt gij dat zoo schoone natuurtafereel gevolgd, tot dat de bovenrand der zonneschijf, de watervlakte rakende, op het punt is te verdwijnen? Zeer waarschijnlijk. Maar hebt gij dan het natuurverschijnsel opgemerkt, dat zich in het allerlaatste oogenblik voordoet, waarin de schitterende zon haar laatsten straal doet zien, bij een geheel zuivere lucht, die van iederen nevel vrij is? Dat wellicht niet. Welnu, de eerste maal dat gij in de gelegenheid zult zijn,--en die gelegenheid doet zich zeer zelden voor,--om die waarneming te doen, dan zal het geen roode straal zijn, die volgens uwe meening op het netvlies van uw oog zal weerkaatsten, maar het zal een groene zijn, van een wonderlijk groen, een groen dat geen schilder op zijn verfbord kan te voorschijn tooveren, een groen, welker natuur nimmer bij de zoo afgewisselde kleurmenging van het plantenrijk, noch bij de schakeering van de helderste zeeën is waargenomen kunnen worden! Wanneer er groen in het Paradijs bestaat, dan kan het niet anders dan dat groen zijn, wat dan ongetwijfeld het groen der Hoop is!"
Zoo luidde het artikel van de Morning Post, dagblad, hetwelk Miss Campbell bij haar binnentreden in de hall in de hand hield. Dat artikel was voldoende geweest om haar op te winden.
Met een geestdriftvolle stem las zij dan ook de weinige regels die met hare stembuiging als een lyrische lofzang de schoonheden van den Groenen Straal bezongen, aan hare ooms voor.
Maar wat miss Campbell hun verzweeg, was dat die Groene Straal overeenkwam met een oude legende, welker innige beteekenis haar tot nu toe ontsnapt was. Het was een raadselachtige legende, te midden van zoovele andere, die in de Hooglanden verteld worden en waarbij te verstaan werd gegeven, dat die straal de macht had, den sterveling, die hem gezien had, de gaaf te verleenen zich in hartzaken niet te kunnen vergissen. Door zijne verschijning werden alle onwaarheden en droombeelden vernietigd, zoodat hij, die het geluk had hem eens waar te nemen, helder in zijn eigen hart en in dat van anderen kon lezen.
Dat de lezer de dichterlijke lichtgeloovigheid eener jeugdige Schotsche vergeve, die in haar brein door de lezing van dat artikel in de Morning Post weer opgewekt was.
Toen broeder Sam en broeder Sib miss Campbell zoo hoorden, keken zij elkander verbouwereerd met verbazend wijd opengespalkte oogen aan. Tot nu toe hadden zij het leven genoten zonder dien Groenen Straal gezien te hebben, en zij meenden, dat men het best zonder hem kon stellen. Dit was evenwel de meening van Helena niet, die de gewichtigste daad haars levens van de waarneming van dat natuurverschijnsel, eenig onder allen, afhankelijk stelde.
»Dus, dat is het wat men »de Groene Straal" noemt?" vroeg broeder Sam, terwijl hij zachtkens met hoofd knikte.
»Ja, oom Sam," antwoordde miss Campbell.
»Dien ge volstrekt zien wilt?" vroeg broeder Sib.
»Met uw verlof, dien ik zien zal, waarde ooms, en zoo spoedig mogelijk, met uw welnemen."
»En dan, als ge hem gezien zult hebben?...."
»Als ik hem gezien zal hebben?.... Wel, dan kunnen wij over mijnheer Aristobulus Beerenkooi praten."
Broeder Sam en broeder Sib keken elkander ter sluiks aan en een glimlach van verstandhouding krulde hunne lippen.
»Kom, laten wij den Groenen Straal gaan zien," zei de een.
»Kom, zonder een oogenblik te loor te laten gaan!" zei de ander.
Maar miss Campbell weerhield hen met een handgebaar, toen zij het venster der hall wilden openen.
»Wij moeten op zons-ondergang wachten," zei zij.
»Van avond dus...." knikte broeder Sam.
»En dat de zon in een zeer zuiveren dampkring ondergaat," vervolgde miss Campbell.
»Welnu, na het middagmaal zullen wij alle drie naar de punt van Rosenheat wandelen...."
»Of nog beter, wij zullen eenvoudig den toren van het buitenverblijf beklimmen," zei broeder Sam.
»Op Rosenheat-punt, zoowel als op dien toren," antwoordde miss Campbell, »hebben wij geen ander vergezicht dan dat van de oeverstreek der Clyde. Wij moeten evenwel de zon zien ondergaan op zee, wanneer zij achter de wateroppervlakte verdwijnt. Mijn oompjes zijn dus gehouden mij in den kortst mogelijken tijd voor zoo'n zeegezicht te brengen!"
Met haar allerliefsten glimlach op de lippen sprak miss Campbell, evenwel zoo ernstig, dat de gebroeders Melvill aan een zoo te berde gebrachte vordering geen weerstand kon bieden.
»Er is toch geen haast bij?...." meende broeder Sam evenwel in het midden te moeten brengen.
Broeder Sib schoot te hulp, door er bij te voegen:
»Oh! wij hebben den tijd...."
Miss Campbell schudde het bevallige hoofdje.
»Neen, wij hebben niet den tijd," antwoordde zij, »integendeel, er is veel haast bij."
»Werkelijk? Zou dat belangstelling voor mijnheer Aristobulus Beerenkooi zijn?...." vroeg broeder Sam.
»Wiens geluk, zooals het schijnt, van de waarneming van den Groenen Straal afhangt?...." meende broeder Sib.
»Kom die gekheid! Neen, er is haast bij, lieve ooms! omdat wij reeds in Augustus zijn," antwoordde miss Campbell, »en de nevels weldra onze Schotsche lucht zullen komen bederven! Wij moeten van de weinige schoone avonden gebruik maken, die het einde van den zomer en het begin van den herfst ons schenken zullen! Nu, wanneer vertrekken wij?"
Zooveel was zeker, dat wanneer miss Campbell in dat jaar den Groenen Straal nog wilde waarnemen, er geen tijd te verliezen was. Alles wat den broeders overbleef te doen, en dat nog wel zonder een dag verloren te laten gaan, was zich onmiddellijk naar het een of andere punt van de Schotsche kust te begeven, die op het westen lag, zich daar zoo gemakkelijk mogelijk in te richten, om iederen avond den ondergang der zon te gaan waarnemen en haren laatsten straal te bespieden. Wellicht dat dan miss Campbell, met een weinig geluk, haren wensch, die niet van grilligheid vrij te pleiten was, in vervulling zou zien komen, wanneer namelijk de lucht tot de waarneming van het natuurverschijnsel wilde medewerken, wat wel een tref zoude zijn, want, zooals de Morning Post zei, kon die waarneming tot de zeer zeldzame gerekend worden.
En dat dagblad was voorzeker goed ingelicht.
Vooreerst gold het nu te zoeken en te kiezen een strook der westkust, vanwaar het natuurverschijnsel zichtbaar zoude zijn. Maar om die te vinden, moest men de baai der Clyde verlaten.
Want die geheele inham, die de monding der Firth of Clyde vormt, is als bezaaid met hinderpalen, die het gezichtsveld begrenzen. Hier zijn het de Bute's Kiles en het Arran-eiland, elders weer de schiereilanden van Knapdale, van Gantyre, van Jura en van Islay, alle reusachtige verbrokkelingen van rotsen in een gewelddadig geologisch tijdperk, die een soort van eilanden-zee ten westen van het graafschap Argyle vormen. Onmogelijk zou het zijn, daar een segment van den zee-horizon te vinden, waarop de blik een zonsondergang kon waarnemen.
Dus wilde men Schotland niet verlaten, dan moest men òf meer noordwaarts òf meer zuidwaarts trekken. Men had een onmetelijk onderzoekingsveld voor zich, maar slechts weinig tijd om vóór de herfstnevelen klaar te zijn. Naar welke streek zou men trekken? Dat kon miss Campbell niets schelen. Of het de kust van Ierland, de kust van Frankrijk, de kust van Noorwegen, van Spanje of van Portugal mocht zijn, zij zou overal heen gegaan zijn, waar zij de afscheidsstralen der ondergaande zon had kunnen opvangen. En of dit de gebroeders Melvill gelegen of niet gelegen kwam, daarom bekreunde zij zich niet, zij moesten met haar meê!
De beide ooms, na een blik--maar welk een blik van diplomatische geslepenheid!--met elkander gewisseld te hebben, haastten zich het woord te nemen.
»Welnu, liefste Helena," zei broeder Sam. »Het is zeer gemakkelijk aan uw wensch te voldoen. Kom, laten wij naar Oban gaan."
»Nergens zullen wij voorzeker beter zijn, dan te Oban," bevestigde broeder Sib.
»Welnu, dan maar naar Oban," antwoordde miss Campbell. »Maar is daar te Oban een zeehorizon?"
»Dat zou ik meenen!" riep broeder Sam uit.
»Eerder twee dan een!" bevestigde broeder Sib met een uitroep.
»Welnu, dan maar op reis!"
»Ja, over drie dagen," zei een der ooms.
»Neen over twee dagen," zei de andere, die het noodig oordeelde inschikkelijkheid te betoonen.
»Wat over twee dagen! Neen, morgen reeds!" antwoordde miss Campbell, die opstond, toen de klok voor het middagmaal zich liet hooren.
»Morgen.... wel ja.... morgen!" zei broeder Sam.
»Ik wou er al zijn," betuigde broeder Sib.
Zij spraken waarheid maar waarom die haast? Omdat Aristobulus Beerenkooi besloten had de zomermaanden te Oban door te brengen, en daar reeds sedert veertien dagen was. Miss Campbell, die deze bijzonderheid niet wist, zou zich daar in de nabijheid van dat jonge mensch bevinden, die onder de geleerdste, maar ook--en dat gisten de gebroeders Melvill niet--onder de vervelendste wezens kon meetellen. Daar, dachten de beide slimmerds, zal miss Campbell, na zich vruchteloos de oogen vermoeid te hebben met het waarnemen van zonsondergangen, hare gril opgeven en eindigen met haar sierlijk gehandschoend handje in de meer plompe hand van haren aanstaande te leggen. En al had Helena dat alles ook kunnen gissen, dan zou zij toch vertrokken zijn; want de tegenwoordigheid van Aristobulus Beerenkooi kon haar niet van streek brengen.
»Bet!"
»Beth!"
»Bess!"
»Betsy!"
»Betty!"
Die reeks van namen weerklonk weer in de hall. Maar ditmaal verscheen juffrouw Bess en ontving de bevelen om den volgenden morgen voor een dadelijk vertrek klaar te zijn.
En werkelijk men moest zich haasten: de barometer, die op dertig en drie tiende streep (769 mm.) stond, kondigde mooi weer aan, dat eenigen tijd zou duren. Wanneer men 's morgens vroeg vertrok, zou men nog tijdig genoeg te Oban aankomen om den zonsondergang te zien.
Juffrouw Bess en Partridge hadden nu met dat ophanden zijnde vertrek natuurlijk de handen vol. De zeven-en-veertig sleutels van de huishoudster tikten en weerklonken in haar zak als de halsbellen van een spaansch muildier.
Hoe veel kasten en laden moesten niet geopend, maar vooral gesloten worden! Wellicht zou het buitenverblijf te Helenaburg lang leeg staan, wie zou dat kunnen voorspellen? Moest er geen rekening gehouden worden met het grillig karakter van miss Campbell? En wanneer dat overheerlijke persoontje het in het hoofdje kreeg haren Groenen Straal te achtervolgen? En wanneer die Groene Straal met een soort van behaagzucht behept was en zich verborgen hield? En wanneer de omstreken van Oban niet de noodige helderheid van lucht aanboden, toch zoo noodzakelijk om zoo'n waarneming te doen gelukken? En wanneer men een anderen observatiepost moest kiezen, op een meer zuidelijk gelegen kuststreek, hetzij van Schotland, hetzij van Engeland, hetzij van Ierland, hetzij zelfs van het vaste land? Men zou den volgenden morgen vertrekken, dat was overeengekomen, dat stond vast; maar wanneer zou men op het buitenverblijf terugkeeren? Binnen een of binnen zes maanden? binnen een of over zes jaar?
»Waartoe toch die inval om dien Groenen Straal te willen zien?" vroeg juffrouw Bess aan Partridge, die zijn best deed om haar te helpen.
»Ik weet het niet," antwoordde Partridge, »maar dat moet toch niet zonder belangrijkheid zijn; want onze jonge meesteres doet niets zonder er goede redenen voor te hebben. Dat weet gij trouwens, mavourneen."
Mavourneen is een uitdrukking, waarvan men zich in Schotland gaarne bedient. Het komt nagenoeg met de Hollandsche uitdrukking van »mijn waarde" overeen. En het was vooral aan de uitmuntende huishoudster niet ongevallig, aldus door den braven Schot betiteld te worden.
»Ik ben het met u eens, Partridge," antwoordde zij, »dat die gril van onze miss Campbell, zonder dat wij zulks vermoeden kunnen, een geheime gedachte tot grondslag heeft."
»Maar welke?"
»Weet ik het? Daar zit òf een formeele weigering, òf minstens een uitstel ten opzichte van de plannen harer ooms achter!"
»Zoudt ge kunnen denken? Ik begrijp inderdaad ook niet," was de meening van Partridge, »waarom die heeren Melvill zoo zeer ingenomen zijn met dien mijnheer Beerenkooi. Komaan, zeg eens ronduit, zou dat wel een goed echtgenoot voor onze jonge juffrouw wezen?"
»Wees daarvan overtuigd," antwoordde de huishoudster, »dat wanneer die meneer haar maar half aanstaat, zij hem in 't geheel niet tot echtgenoot zal aannemen. Zij zal met haar fijn bekje »neen" tegen haar ooms zeggen, terwijl zij hun een hartelijken kus op beide wangen zal geven, en die ooms zullen dan de verbaasden spelen, dat zij ook maar een oogenblik een gedachte hebben kunnen wijden aan zoo'n minnaar, wiens pretenties mij volstrekt niet aanstaan."
»En mij ook niet, mavourneen!"
»Ziet ge, Partridge, het hartje van miss Campbell is als die lade daar, goed gesloten onder haar zekerheidsslot. Zij alleen bezit er den sleutel van, en wil iemand die lade openen, dan moet zij dien sleutel vrijwillig afstaan...."
»Tenzij men haar dien ontfutselt;" viel Partridge met een geheimzinnigen maar toch toestemmenden glimlach in.
»O! dien ontfutselt men haar zoo niet, of zij moet hem zich willen laten ontfutselen," antwoordde juffrouw Bess, »en ik mag lijden dat de wind mijn muts afrukke en haar op de punt van den klokkentoren van Sint Mungo brenge, wanneer onze jonge dame ooit dien mijnheer Beerenkooi tot man neemt."
»Een Zuidelijke!" riep Partridge met ietwat kleinachting in zijn stem. »Een Southern, die, al is hij ook in Schotland geboren, toch steeds aan de andere zijde der Tweed gewoond heeft!"
Juffrouw Bess schudde met het hoofd bij het hooren dier woorden. Die twee Hooglanders begrepen elkander opperbest. Voor hen maakten de Laaglanders, in weerwil van alle Unie-verdragen, ter nauwernood deel uit van Oud-Caledonië. Komaan, zij konden zich niet onder de bepaalde voorstanders van die huwelijks-plannen rekenen. Zij hoopten op beter voor miss Campbell. Al was dat huwelijk nog zoo voegzaam, volgens hen was voegzaamheid voor zoo'n verbintenis voor het leven niet voldoende.
»Och! Partridge!" riep juffrouw Bess uit, »de oude gebruiken der bergbewoners waren nog de beste, en de gewoonten van onze oude Clans waren volgens mij een betere waarborg voor het geluk bij huwelijken dan de tegenwoordige. Vindt gij ook niet?"
»Nooit hebt gij meer waarheid gesproken, mavourneen!" antwoordde Partridge ernstig. »Toen liet men het hart meer spreken; thans zoekt men slechts geld! Het geld heeft zijn waarde, voorzeker, maar toegenegenheid, innige toegenegenheid is toch beter!"
»Juist Partridge, en toen wilde men elkander vooral kennen, alvorens in het huwelijksbootje te stappen. Herinnert gij u nog wat op de kermis van Sint-Olla te Hirkwall placht te gebeuren? Gedurende den geheelen tijd dat de kermis duurde, en zelfs sedert het begin van Augustus reeds, vormden de jonge lieden paartjes en die paartjes werden »broertje en zusje van den eersten Augustus" genoemd. Broertje en zusje! vormt dat niet een zacht geleidelijken overgang om man en vrouw te worden: En waarachtig, het is juist heden de eerste Augustus, dag waarop die paartjes zich vormden, en eindelijk de kermis van Sint-Olla begon. Och! dat God toch die prettige lieve kermis weer terug bracht!"
»Dat het Opperwezen u verhoore!" sprak Partridge met indrukwekkend gebaar. »Wanneer oom Sib en oom Sam ooit zoo'n paartje met het een of ander aardig Schotsch meisje gevormd hadden, dan zouden zij aan het algemeen noodlot niet ontkomen zijn en miss Campbell zou dan twee tantes meer tellen in hare maagschap!"