De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht

Chapter 17

Chapter 172,192 wordsPublic domain

»En wanneer men zoo'n knoeier is, dan weigert men de uitnoodigingen, die men ontvangt, vanwaar zij ook mochten komen!"

En daarmee maakten de heeren er zich van af.

Ik begreep hen. Zij lieten den gewonde voor mijn rekening.

Er viel niet te aarzelen. Ik legde het hoofd in den schoot. Ik haalde mijn beurs voor den dag en bood dien braven boer tien franken aan. Merkwaardig was de uitwerking van dat geneesmiddel op den gewonde. Zijn gezwollen wang slonk onmiddellijk. Ik ben overtuigd dat hij de noot, die hij achter de kiezen had, ingeslikt heeft.

»Het gaat nu beter?!" vroeg ik.

»O! la... la!... O! daar komt het weer!"... antwoordde hij, terwijl de wang weer opzwol; »maar nu de andere, de linker".

»Neen, neen," riep ik. »Eén gekwetste wang is voor ditmaal genoeg."

En ik ging heen.

VIII.

Terwijl ik zoo mijn rekening met dien slimmen Piccardiër boer vereffende, waren de anderen vooruitgestapt. Zij hadden mij daarenboven genoegzaam te verstaan gegeven dat men volstrekt niet veilig was in de nabijheid van zoo'n lomperd als ik. De meest eenvoudige voorzichtigheid maande hen, zich van mij te verwijderen.

Brétignot zelf, gestreng maar onrechtvaardig, liet mij aan mijn lot over, alsof ik een heksenmeester was, die met het kwade oog is bedeeld. Allen verdwenen weldra achter een klein bosch ter linkerzij. En om de waarheid te zeggen, ik was er niet rouwig om. Ik zou nu slechts verantwoordelijk voor mijn eigen daden zijn!

Ik zat dus alleen, alleen te midden van die vlakte, die niet te overzien was. Groote God! wat kwam ik er ook doen met al dat tuig op mijn schouders! Geen enkele patrijs, die mij tot het lossen van een schot uitnoodigde! Geen enkel haas, wiens »lepels" ik kon ontwaren, zoo als de jagers zich in hun vreemdsoortige taal uitdrukken. Instede van in mijn kabinet lekkertjes te zitten lezen of schrijven of zelfs niets te doen, stond ik hier!

Ik stapte doelloos voorwaarts. Ik zocht de gebaande paden op, en verkoos die boven de omploegde akkers. Ik ging telkenmale gedurende tien minuten zitten en stapte daarna weer gedurende twintig minuten voort. Er was geen huis binnen een straal van vijf kilometers te zien. Geen torenspits stak boven den gezichteinder uit. Ik bevond me in een woestenij. Van tijd tot tijd verhief zich dreigend een paal met het spottend opschrift: Privatieve jacht.

Privatieve? toch niet voor het wild voorzeker: want daarvan was geen spoor te ontdekken!

Ik stapte maar voort, droomende, philosopheerende, met het geweer aan den riem over den schouder hangende, en legde daarbij een vlugheid aan den dag, alsof ik een lamgeschoten vlerk had. De zon daalde, niet vlug genoeg volgens mijn verlangen. Had een nieuwe Josua haar, in weerwil der cosmografische wetten, andermaal in haar dagelijksche loopbaan ten genoege van mijn razende metgezellen doen stilstaan? Zou de nacht dan nooit haar vleugelen over dien ellendigen jachtopeningsdag uitspreiden?

IX.

Maar er is een grens aan alles, zelfs aan privatieve jachtterreinen. Ik kreeg een bosch in het gezicht, dat de vlakte afsloot. Nog een kilometer, en ik zou het bereiken.

Ik stapte dus voort, evenwel zonder den pas te versnellen. Die kilometer werd ook afgelegd, en ik kwam bij den rand van het bosch aan.

In de verte, maar zeer in de verte, knalden de geweerschoten als een slotbouquet van een luisterrijk vuurwerk.

»Hoeveel dooden zij van dat arme wild!" dacht ik. »Waarachtig, zij willen niets voor het volgende jachtseizoen overlaten!"

En hoe veranderlijk de mensch toch kan zijn! Toen kwam het denkbeeld bij mij op, dat ik in het bosch misschien gelukkiger zou wezen dan op de vlakte. In de boomkruinen konden toch nog altijd van die onschuldige musschen te schieten zijn, die, behoorlijk opgepend, door de beste gaarkeukens aan hunne klanten voor vette leeuwerikken of vinken voorgezet worden.

Ik volgde toen de boschpaden, die op den grooten weg voerden.

Waarlijk, de jachtduivel had bezit van uwen onderdanigen dienaar genomen. Ja, ik droeg mijn geweer niet meer over den schouder. Ik had het met zorg geladen en droeg het met gespannen haan, terwijl ik angstig en oplettend keek rechts en links.

Maar niets! De musschen wantrouwden waarschijnlijk de Parijzer gaarkeuken en hielden zich schuil. Ik legde een of twee malen aan.... Het waren slechts bladeren, die onder de bries zich bewogen en, wel beschouwd, mocht ik mij toch niet veroorloven bladeren te schieten!

Het was toen vijf uur. Ik wist, dat ik binnen veertig minuten in de herberg terug zou zijn, waar wij zouden dineeren, alvorens in den postwagen plaats te nemen, die ons allen, menschen en beesten, levenden en dooden, naar Amiens moest terugbrengen.

Ik bleef dus het voornaamste boschpad volgen, dat in schuine richting naar Hérissart voerde en keek daarbij waakzaam rond.

Plotseling bleef ik staan.... Het hart klopte mij sneller in den boezem!

Onder een struik, op vijftig passen afstand, tusschen de doornen en ruigten, zag ik voorwaar iets.

Het was zwartachtig, met een zilverachtigen rand, en vertoonde een plek van levendig rood, evenals een vurig oog, dat mij aankeek!

Voorzeker een viervoetig wild of wel een groote vogel--dat kon ik niet uitmaken--was hier neergekomen. Ik aarzelde tusschen een haas, een volwassene voorzeker, en een fazantenhen. Welnu, waarom niet? Kijk, dat zou mij in het bizonder in den dunk mijner makkers doen stijgen, wanneer ik met een fazant in de weitasch terugkwam!

Ik naderde dan ook zeer voorzichtig, met het geweer, gereed om aan te leggen. Ik hield mijn adem in. Ik voelde mij ontroerd, nog erger ontroerd dan Duvauchelle, Maximon en Brétignot het te samen konden zijn.

Toen ik eindelijk op een gepasten afstand was gekomen,--op twintig passen ongeveer,--knielde ik, om van mijn schot zeker te zijn, bracht de kolf van het geweer aan den schouder, deed het rechteroog flink open, sloot het linker, en zorgvuldig door den inkeep van het viziertoestel langs den bovenrand van den vizierkorrel naar het wild mikkende, drukte ik op den trekker en gaf vuur.

»Geraakt!" riep ik buiten mij zelven. »En ditmaal zal niemand er zijn om mij mijn schot te betwisten!"

En inderdaad, ik had goed gezien, ja! met mijn eigen oogen gezien, hoe de veeren, of beter de haren er afstoven!

Bij gebrek aan een hond, liep ik naar den struik en stortte mij op het wild, dat onbeweeglijk daar lag en geen teeken meer gaf van leven! Ik raapte het op....

Het was een marechausseehoed, geheel met zilver geboord, met een roode kokarde er op, waarvan het rood mij als een oog scheen aantestaren.

X.

In dit oogenblik stond een lang lichaam, dat op het gras uitgestrekt lag, op. Met schrik herkende ik de blauwe pantalon met zwarte naadstreep, de donkere uniformjas met verzilverde knoopen, den gelen buikriem en het ledergoed van Pandoor, die door mijn ongelukkig schot gewekt was.

»Zoodat gij thans marechaussee-hoeden schiet?" zei hij met die stembuiging en tongval, die het geheele gild kenmerkt.

»Marechaussee, ik verzeker u!" antwoordde ik stotterend.

»Zoodat gij zelfs de kokarde vlak in het midden geraakt hebt!"

»Marechaussee.... ik dacht.... dat het een haas was!.... Een ijdel droombeeld!.... Maar ik bied u vergoeding aan!"

»Waarlijk!.... Zoodat een marechaussee-hoed zeer duur is.... vooral wanneer hij zonder jacht-akte aangeschoten is."

Ik werd bleek. Al mijn bloed stroomde naar het hart terug. O, dat was het netelige punt!

»Zoodat gij een jachtakte hebt?" vroeg Pandoor.

»Een jachtakte?"

»Ja, een jachtakte! Gij weet toch wel wat een jachtakte is?"

Waarachtig, ik had geen jachtakte! Ik had gemeend, dat ik voor een enkelen dag jagens het zonder dat zou hebben kunnen doen. Evenwel ik betuigde,--hetgeen men steeds bij dergelijke gelegenheden betuigt,--dat ik mijn jachtakte vergeten had.

Een meesterlijke en voorname glimlach van ongeloovigheid krulde de lip van den vertegenwoordiger der wet.

»Zoodat ik genoodzaakt ben proces-verbaal op te maken!" zei hij, op den meer milden toon van iemand, die een buitenkansje in het verschiet heeft.

»Waarom een proces-verbaal? Morgen zend ik u die jachtakte, mijn brave marechaussee, en...."

»Ik weet er alles van; zoodat ik genoodzaakt ben proces-verbaal op te maken!"

»Welnu maak proces-verbaal op, als gij toch ongevoelig zijt voor de smeekbeden van een eerstbeginnende."

Een gevoelig maréchaussée zou geen maréchaussée meer zijn. Deze bracht een zakboekje te voorschijn, dat in een geel perkament gewikkeld was.

»Zoodat gij heet?" vroeg hij mij.

Drommels! ja. Het was mij bekend, dat het in dergelijke wichtige gevallen gebruikelijk is aan de autoriteit den naam van een vriend op te geven. Als ik toen op dat tijdstip de eer had gehad lid te zijn van het een of ander letterkundig genootschap, zou ik geen oogenblik geaarzeld hebben den naam van een mijner collega's op te geven. Maar ik vergenoegde mij thans, slechts den naam te noemen van een mijner oudste vrienden te Parijs, een pianist met groot talent. De brave kerel zat waarschijnlijk in dat oogenblik voor zijn instrument zich te oefenen, en kon onmogelijk gissen, dat men bezig was proces-verbaal tegen hem op te maken ter zake van een jachtdelikt.

Pandoor schreef zorgvuldig den naam van dat slachtoffer op, zijn beroep, zijn ouderdom, en zijn woonplaats en verder adres. Toen verzocht hij mij beleefd, hem mijn geweer toe te vertrouwen, waaraan ik onmiddellijk en volijverig voldeed. Dat was zoo veel minder gewicht te dragen. Ik verzocht hem zelfs, om ook de weitasch, den kruithoorn en den hagelzak onder de verbeurdverklaarde goederen op te nemen. Maar dat weigerde hij met een belangeloosheid, die ik betreurde.

Bleef nu het voorval met des maréchaussée's hoed over. Die kwestie werd onverwijld middels een goudstuk ten genoegen van beide partijen geregeld.

»Het is jammer," zei ik, »het was een goed onderhouden hoed!"

»Een bijna nieuwe hoed!" antwoordde Pandoor. »Zoodat ik hem gekocht heb, zes jaren geleden van een brigadier, die gepensionneerd werd."

En na hem met een voorschriftmatig gebaar op het hoofd geplaatst te hebben, stapte de deftige maréchaussée, terwijl hij het lichaam loodrecht op de heupen geplaatst hield, en deze laatsten balanceerde, den eenen kant op, terwijl ik naar den anderen kant ging.

Een uur later had ik de herberg bereikt, waar ik zoo goed mogelijk de afwezigheid van mijn geweer verborg, en waar ik ook geen enkel woord over dat ongeval repte.

Laat mij er bij vertellen, dat mijn metgezellen een kwartel en twee patrijzen voor hun zevenen meegebracht hadden. Pontcloué en Matifat waren sedert hunnen twist voortaan doodvijanden. Zij hadden elkander met vuistslagen toegetakeld, ter zake van het haas, dat nog liep.

XI.

Dat is de lijst der aandoeningen, die ik op dien gedenkwaardigen dag ondervond. Ik had misschien een kwartel en misschien een patrijs gedood. Ik had misschien een boer verwond, maar ik had zeer zeker een maréchaussée's hoed doorboord. Ik was jagende, zonder jachtakte betrapt geworden. Er was een proces-verbaal tegen mij opgemaakt, maar op een andersmans naam! Ik had het gezag bedrogen!!! Wat kon een nieuweling in de edele kunst der Andersons en der Pertuisets meer overkomen.

Het is buiten kijf, dat mijn vriend de pianist onaangenaam verrast is geweest, toen hem beteekend werd, dat hij voor het kantongerecht te Doullens moest verschijnen. Ik vernam sedert, dat het hem niet mogelijk geweest was een alibi te bewijzen. Dientengevolge was hij tot zestien franken boete en tot de kosten veroordeeld, welke laatsten nog wel ééns die som bedroegen.

Ik haast mij aan mijn verhaal toe te voegen, dat hij eenigen tijd daarna een postwissel ontving onder de leus van: Restitutie, groot twee-en-dertig francs, die hem zijn onkosten vergoedde. Nooit heeft hij vernomen en zal ook nooit vernemen, van wien die postwissel kwam; maar hij is door het kantonrechterlijk vonnis gebrandmerkt, hij is thans bij de justitie bekend.

XII.

Ik houd niet van de jagers; ik heb het reeds aan het begin van deze schets verklaard. Ik houd vooral niet van hen, omdat zij steeds hun jachtavonturen vertellen. Nu heb ik de mijne verhaald. Vergeef het mij, het zal niet weer gebeuren.

Die tocht is de eerste geweest en zal ook de laatste zijn, door den schrijver ondernomen. Er is mij evenwel een herinnering van bijgebleven, die veel op innigen wrok gelijkt. Zoo vaak ik dan ook een jager ontmoet, die met het geweer onder den arm achter zijn hond voortstapt, laat ik nooit na hem een goede jacht toe te wenschen. Men beweert dat dit een kwaad voorteeken is, en zeker tegenspoed berokkend.

EINDE.

INHOUD.

I. Broeder Sam en broeder Sib II. Helena Campbell III. Het artikel uit de »Morning Post" IV. De Clyde stroomafwaarts V. Van de eene boot op de andere VI. De kolk van Corryvrekan VII. Aristobulus Beerenkooi VIII. Een teleurstellend wolkje IX. Praatjes van Juffrouw Bess X. Eene Croquet-partij XI. Olivier Sinclair XII. Nieuwe plannen XIII. De heerlijkheden der zee XIV. Het leven te Jona XV. De bouwvallen van Jona XVI. Twee geweerschoten XVII. Aan boord van de »Clorinda" XVIII. Staffa XIX. De Fingal's grot XX. Alles ter wille van miss Campbell XXI. Een storm in eene grot XXII. De Groene Straal XXIII. Besluit

Tien uren op jacht. Eenvoudige grillige inval

AANTEEKENINGEN

[1] Auld Reeky beteekent oude berookte, en is een bijnaam van Edinburg.

[2] Noot van den Vertaler. De haan van een geweer heet in het Fransch ook chien. De Fransche woordspeling is hier niet weer te geven.