De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht
Chapter 16
Vooreerst maakte ik kennis met Maximon, een groote uitgedroogde vent, die in het gewone leven voor het zachtste karakter kon doorgaan; maar die de wreedaardigheid in persoon was, zoodra hij een geweer onder den arm had. Hij was een van die jagers, van wie men beweert, dat zij desnoods een hunner makkers zouden doodschieten om niet platzak te huis te komen. Maximon sprak niet, hij was steeds in gedachten van hoogere orde verzonken.
Bij dat belangwekkend personage stond Duranchelle. Welk een tegenstelling, mijn God! Duranchelle was dik en kort, tusschen de vijfenvijftig en zestig jaar oud en zoo doof, dat hij den knal van zijn eigen geweer niet hoorde. Toch maakte hij aanspraak op alle twijfelachtige schoten, zonder ooit van toegeven te weten. Men had hem dan ook al eens een dooden haas met een ongeladen geweer laten schieten, een van die jagers-aardigheden, die gedurende zes maanden het gesprek uitmaken van de gezelschappen in de sociëteiten en der tables d'hôte in de hotels.
Ik moest den krachtigen handdruk ondergaan van Matifat, die wel de grootste opsnijder van jagerheldendaden was. Hij sprak nimmer van iets anders. En welke tusschenwerpsels en welke klanknabootsingen hij daarbij bezigde! De kreet der jonge patrijs, het geblaf van den hond, de losbarsting van het geweer! Pan! pan! pan! In den regel bezigde hij drie »pans" voor een geweer met twee loopen. En dan, welke gebaren! Nu eens maakte zijn hand zwaaiende bewegingen om de zig-zags van het wild na te bootsen, dan weer bogen zijn knieën, rondde zich zijn rug om het schot vaster te maken, met den linker arm gestrekt, terwijl de rechterarm bij de borst gebracht was om het aanleggen van het geweer aan te duiden! Pan! pan! pan! En wat vielen er dan dieren, zoowel viervoetige als gevogelte. Hoeveel hazen werden dan niet met kogels neergeveld! Hij miste er geen enkelen!--Ik liep zelfs gevaar, door zijn gebaren gedood te worden.
Maar wat men moest hooren, dat was wanneer Matifat met zijn vriend Pontcloué praatte. Dat waren twee vingers van één hand; wat niet belette dat zij elkander processen aandeden, wanneer de een den voet op het gereserveerde jachtterrein van den anderen zette.
»Hoeveel hazen ik verleden jaar geschoten heb," verhaalde Matifat, terwijl de hotsende postwagen de reis naar Hérissart voortzette, »ja, hoeveel hazen ik geschoten heb, is niet te tellen!"
»Kijk, dat is net als ik!" dacht ik.
»En ik dan, Matifat!" antwoordde Pontcloué. »Herinnert ge u den laatsten keer nog wel, dat wij te samen in de nabijheid van Argoeuves zijn gaan jagen? Nou! die patrijzen daar!"
»O! ik zie nog de eerste, die het toeval vlak midden door mijn schot hagel voerde!"
»En ik de tweede, waarvan de veeren zoo afvlogen, dat haar niets anders dan het vel over de beenderen moet overgebleven zijn!"
»En dan die andere, die door mijn hond nimmer in de akkervoor, waarin zij toch ongetwijfeld moest vallen, is gevonden.
En dan die, die ik de brutaliteit had, op honderd passen te schieten, wel overtuigd als ik was, haar geraakt te hebben!"
»En die andere dan, die ik met mijn twee schoten... pan! pan! pan! in de klaver heb doen rollen, maar waarvan mijn hond bij het inslikken ongelukkig slechts een hap maakte!"
»En dan de vlucht, die juist opging, toen ik mijn geweer herhaalde! brr! brrr! O wat een jacht, mijn vrienden, wat een jacht!"
Ik telde in stilte, en had ik goed geteld? Welnu, dan was het bewijs er, dat van alle patrijzen, die Pontcloué en Matifat geschoten hadden, geen enkele in hunne weitasch terecht was gekomen. Maar ik durfde niets te zeggen, omdat ik wat bloo uitgevallen ben in tegenwoordigheid van menschen, die het beter weten dan ik. En toch, als het er op aankwam om mis te schieten, welnu, bij Joost! dat kon ik ook.
Wat de andere jagers betreft, ik heb hunne namen vergeten; maar als ik mij niet vergis, dan werd een hunner met den naam van Baccari aangeduid; »omdat hij steeds schoot zonder ooit iets neer te leggen."
Waarlijk, wie weet of ik dien bijnaam ook niet zou gaan verdienen! Komaan dan! Waarachtig, de eerzucht bekroop mij. Ik begon ongeduldig te verlangen dat het morgen was.
IV.
Die morgen kwam. Maar, o God! welken nacht heb ik in de herberg van Hérissart doorgebracht!
Een enkele kamer voor acht personen! Ellendige stroozakken die voor bedden moesten dienen, waarin een meer wild opleverende jacht te houden zou zijn geweest, dan op de privatieve jachtterreinen van de gemeente. Walgelijk ongedierte, dat broederlijk met de honden gedeeld werd, die dicht bij de bedden sliepen en den houten vloer deden dreunen door hun gekrab!
En ik, die in mijn eenvoudigheid aan de waardin, een oude Picardische vrouw, met vuil, slordig, kroezelig haar op het hoofd, gevraagd had of er geen vlooien op haar slaapzaal waren!
»Vlooien!" had zij geantwoord. »Neen, waarachtig niet!.... Als die er waren, zouden de weegluizen ze opeten!"
Ontsteld door dat antwoord, had ik besloten, den nacht door te brengen op een kreupelen stoel, die bij iedere beweging ellendig piepte en kraakte. Ik had dan ook een gevoel alsof ik gekookt was, toen de dag aanbrak.
Natuurlijk was ik de eerste op. Brétignot, Matifat, Pontcloué, Duvauchelle en al de anderen snorkten nog. Evenals al de onervaren jagers, die vóór den dageraad op weg willen gaan, was ik ongeduldig om, zonder zelfs ontbeten te hebben, in de vlakte op het jachtveld te komen. Maar de meesters in de kunst--die ik eerbiedig den een na den anderen wakker maakte,--brachten mij tot bedaren en lachten mijn ongeduld van een eerstbeginnende uit. Zij wisten, die slimmerds, dat bij het aanbreken van den dag de patrijs, wier vleugels nog nat van den dauw zijn, zeer moeilijk te naderen is, en dat, wanneer zij opvliegt, zij ongaarne weer neerkomt.
Men moest wachten, totdat de zon al de dauwdroppels opgedroogd, »al de dageraadstranen opgedronken had," zeiden de jagers.
Eindelijk, na een voorloopig ontbijt en na de onvermijdelijke teug op de valreep, verliet men de herberg, terwijl een ieder zich de kuiten krabde. Toen begaf men zich naar de vlakte, waar de privatieve jachtterreinen begonnen.
Toen wij den rand daarvan bereikt hadden, riep Brétignot mij een oogenblik alleen en zei:
»Draag je geweer nu goed, zoo schuins vooroverhellend met den loop naar den grond gekeerd en doe je best om niemand te dooden."
»Ja, ik zal mijn best doen," antwoordde ik, zonder mij door deze belofte te willen verbinden. »Maar tot wederdienst bereid, niet waar, waarde vriend?"
Brétignot haalde minachtend de schouders op.
Eindelijk waren wij op jacht--een geheel vrije jacht.--Ieder deed zooals hij goed vond.
Het was een vrij leelijk land, het land van Hérissart, nog leelijker dan de naam aanduidt. Het was daarenboven niet zoo wildrijk als wel beweerd werd. Men had er wel haas gezien, beweerde Matifat. En Pontcloué voegde er bij, dat men er het haas, meer dan twaalf op het dozijn, met den buik op den grond had zien liggen.
Met het uitzicht op zoo'n heerlijke jacht, waren alle heeren goed gemutst.
Men stapte steeds voorwaarts. Het was een prachtig weer. Eenige zonnestralen drongen door de morgennevels, wier rolvormige massa's zich bij den gezichteinder ophoopten. Geschreeuw, gepiep, geklok werd overal gehoord. Er waren vogels, die loodrecht uit de akkervoren opgingen en in de lucht verdwenen, evenals raketballen, die door een plotseling ontspannen veer worden voortgedreven.
Meer dan eens had ik, niet in staat mij te bedwingen, mijn geweer in den aanslag gebracht.
»Niet schieten! niet schieten!" riep mijn vriend Brétignot, die onbemerkt mij gadesloeg, mij toe.
»Waarom niet? Zijn het geen kwartels?"
»Neen, het zijn leeuwerikken! Niet schieten!"
Ik zal maar onvermeld laten, dat Maximon, Duvauchelle, Pontcloué, Matifat en de twee anderen mij schuinsche blikken toewierpen. Toen waren zij voorzichtig zijwaarts afgetrokken, met hunne honden die, met den neus omlaag, in de spurrie- en klavervelden snuffelden, en wier omgebogen staarteinden kwispelend boven het groen verschenen als zooveel vraagteekens die ik niet beantwoorden kon.
Ik dacht, dat de heeren ongaarne in de gevaarlijke nabijheid bleven van een nieuweling, wiens geweer hen eenigermate bang voor hun kuiten maakte.
»Te drommel! draag je geweer toch beter!" herhaalde Brétignot op het oogenblik, dat hij zich van mij verwijderde.
»Wel, ik draag het niet slechter dan een ander!" antwoordde ik, een weinig door die overdaad van aanbevelingen geprikkeld.
Brétignot haalde ten tweede male de schouders op en verwijderde zich in schuinsche richting. Daar ik geen lust gevoelde om achter te blijven, versnelde ik den pas.
V.
Ik had mijn metgezellen ingehaald. Maar om hen niet meer te verontrusten, droeg ik mijn jachtroer op den schouder, met de kolf omhoog.
Wat zagen die jagers van professie er prachtig uit in hun tenue; wit vest met ruime fluweelen pantalon, breede schoenen met bespijkerde zolen, die buiten het overleer uitstaken, linnen kuitendekkers, die de wollen kousen bedekten--wol is beter dan katoen,--daar het laatste ontvellingen veroorzaakt, waarvan ik de ondervinding opdeed. Ik was er ver van af, even mooi onder mijn gelegenheidstuig te pronken; maar men kan van een eerstbeginnende niet vergen, dat hij al dadelijk onberispelijk in het pak zit.
Intusschen zag ik niets op het gebied van wild. Toch moesten op dit privatief jachtveld een menigte kwartels voorkomen, ook patrijzen en wachtelkoningen, verder ook haas, waarvan mijn tochtgenooten den mond vol hadden. Zoo althans beweerden al die jagers, en het moest wel waar zijn, daar zij het zeiden.
»Maar," had vriend Brétignot aanbevolen, »vermijd een vollen haas te schieten! Dat is een jager onwaardig!"
Vol of leeg, dat de drommel mij hale, als ik er onderscheid in had kunnen zien, ik, die geen konijn van een gootkat, zelfs als hazenpeper toebereid, weet te onderscheiden!
Brétignot eindelijk, die er op stond, dat ik als zijn genoodigde hem eer zou aandoen, voegde er bij;
»Een laatste opmerking, die niet van belang ontbloot is, wanneer je op een haas schiet."
»Als er een voorbijkomt!" merkte ik spottend op.
»Er zullen er wel voorbijkomen," antwoordde Brétignot koeltjes.
»Welnu, herinner je dat, tengevolge van zijn vorming, een haas sneller loopt, wanneer hij een helling opijlt, dan wanneer hij naar beneden vlucht. Je moet daarmee rekening houden voor 't richten van je schot."
»Je doet goed te waarschuwen, vriend Brétignot," antwoordde ik. »Die opmerking zal niet te loor gaan, en ik beloof je, dat ik ze te pas zal brengen!"
Maar innerlijk dacht ik, dat, al vlucht hij zelfs eene helling af, een haas toch nog te hard moet loopen, dan dat mijn doodelijk lood hem zou kunnen bereiken om hem te stuiten in zijn vaart.
»Op jacht! op jacht!" riep toen Maximon. »Wij zijn hier niet om eerstbeginnenden met de zuigflesch op te voeden!"
Met de zuigflesch! Verschrikkelijk mensch, die Maximon! Maar, ik durfde niet te antwoorden.
Voor ons strekte zich, zoover het gezicht ook ter rechter en ter linker zijde dragen kon, een groote vlakte uit. De honden waren vooruit gestoven. Hunne meesters hadden zich verspreid. Ik deed alle mogelijke moeite om hen niet uit het oog te verliezen. En inderdaad, één denkbeeld plaagde mij: het was: dat mijn makkers, allen grappenmakers, de lust niet zouden kunnen bedwingen mij een poets te bakken. Mijn onervarenheid zou dit eenigermate wettigen. Ik herinnerde mij onwillekeurig een koddige geschiedenis van een nieuweling, dien zijn vrienden lieten schieten op een konijn van bordpapier, dat op zijn achterste in een dichten struik gezeten, spottenderwijs op een trom sloeg! O! ik zou van schaamte gestorven zijn, na zoo'n verschalking!
Men stapte middelerwijl, wel wat op goed geluk, over de graanstoppels voort. Men volgde de honden, die zich naar een terreinverhooging begaven, welke op drie of vier kilometer het uitzicht begrensde, en waarvan de kruin met kleine boomen begroeid was.
Wat ik ook deed, al die platvoeten, die aan den moeielijken bodem der moerassen en der omgeploegde akkers gewoon waren, stapten nog sneller voort dan ik, en wel zoo, dat ik weldra op een afstand geraakte. Brétignot zelf, die eerst den pas ingehouden had om mij niet aan mijn treurig lot over te laten, had weer zijn tred versneld, daar hij deel wilde nemen aan de eerste geweerschoten, die knallen zouden. Ik neem het je niet kwalijk, vriend Brétignot. Je instinct was sterker dan je vriendschap, het sleurde je onweerstaanbaar voort.... En weldra zag ik van mijn makkers niets meer dan de hoofden, die zich als even zooveel schoppenazen boven de struiken vertoonden.
Hoe het kwam, weet ik niet, maar twee uren nadat wij de herberg van Hérissart verlaten hadden, had ik nog geen enkele losbranding gehoord. Neen, geen enkele! Wat een wrevel, welke verwijten en tegenverwijten, welk getier dat bij den terugkeer zou geven, wanneer dan de weitasschen zoo plat als bij het heengaan zouden zijn!
Welnu, men geloove mij al of niet, maar mij werd het toeval beschoren, het eerste schot aftegeven. Ik zal de schande beleven om te vertellen in welke omstandigheden dat gebeurde.
Moet ik het bekennen? mijn geweer was nog niet eens geladen. Was het de echte zorgeloosheid van een eerstbeginnende? Neen, waarachtig niet! het was een kwestie van eigenliefde. Daar ik vreesde mij vreeselijk onhandig bij het laden te betoonen, had ik willen wachten tot ik alleen zou zijn om dat te doen.
Dus bij afwezigheid van alle getuigen, opende ik mijn kruithoorn, stortte in den linkerloop een flinke lading, waarop ik een prop papier aanzette en waarna ik er een goede maat hagel op deed. Ik zag op geen korrel! Want, wie weet! misschien met één hagelkorreltje meer vermijdt men platzak te huis te komen! Ik zette toen de lading met den laadstok flink aan, en eindelijk, o! overmaat van onvoorzichtigheid! bracht ik een slaghoedje op het schoorsteentje van den loop, dien ik zoo even had gevuld.
Toen dat gedaan was, begon ik dezelfde bewerking met den rechterloop. Maar, wat was dat voor een losbranding, terwijl ik aanzette! Het schot was afgegaan. De geheele eerste lading was mij vlak langs het gezicht gevlogen. Ik had vergeten den linkerhaan op het slaghoedje neer te laten en een schok was voldoende geweest om dezen te doen overgaan!
Dat zulks een waarschuwing zij voor eerstbeginnenden! Ik had de jachtopening kunnen berucht maken met een betreurenswaardig ongeluk! Wat zou dat een buitenkansje geweest zijn voor de gemengde berichten in de plattelands-dagbladen!
En toch, indien in het oogenblik toen het schot bij ongeluk afging, indien--ja, nu ik er aan denk--indien in de richting van de lading het een of ander wild voorbij gesneld ware, welnu dan zou ik dat neergelegd hebben!.... Dat was misschien een kans geweest, die niet meer zou terugkomen.
VI.
Intusschen hadden Brétignot en zijn makkers de terreinafscheiding bereikt. Zij hielden daar stand en beraadslaagden, wat er te doen viel om de booze fortuin te bezweren. Ik haalde hen in, na mijn geweer ditmaal met de noodige voorzorg te hebben geladen.
Het was Maximon, die het woord tot mij richtte, maar op een hoogen toon, zooals het een meester voegt.
»Heb jij geschoten?" vroeg hij.
»Ja!.... dat is te zeggen.... ja!.... ik heb geschoten...."
»Een patrijs?"
»Ja, een patrijs!"
Voor niets ter wereld zou ik mijn onhandigheid voor deze vierschaar hebben willen erkennen.
»En waar is die patrijs?" vroeg Maximon, terwijl hij mijn weitasch met den loop van zijn geweer aanraakte.
»Verloren!" antwoordde ik onbeschaamd weg. »Wat is er aan te doen? Ik had geen hond! O, als ik een hond had gehad!"
Komaan, komaan! met zoo'n gevatheid, kon het niet missen of ik moest een echte jager worden!
Plotseling werd de ondervraging, waaraan ik onderworpen werd, afgebroken. De hond van Pontcloué had op minder dan tien passen een kwartel doen opgaan. Onwillekeurig en bij instinct als men wil, legde ik aan.... en pan! zoo als Matifat zeide.
Maar welken klap ontving ik, omdat ik de kolf slecht tegen den schouder had gesteund,--een van die klappen, waaromtrent men wel is waar, niemand rekenschap kan vragen of niemand uitdagen! Maar mijn schot was oogenblikkelijk door een ander gevolgd, door dat van Pontcloué.
De kwartel viel, als een zeef doorboord, en de hond bracht haar aan zijn meester, die hem in zijn weitasch borg.
Men had de eerlijkheid niet eens, om er aan te denken, dat ik toch ook eenig deel had aan dien moord. Maar ik zei niets. De lezer weet, dat ik van natuur blood ben uitgevallen tegenover menschen, die meer van de zaken weet dan ik.
Waarachtig, deze eerste gunstige uitslag had al die razende wildverdelgers verlekkerd gemaakt. Denk toch eens! Na drie uren jagens één kwartel voor zeven jagers! Neen, het was niet mogelijk, dat op deze rijke jachtgronden van Hérissart er nog niet een zou zijn, die wanneer het gelukte haar te dooden, bijna een derden kwartel per jager zou geven.
Toen de terreinafscheidingen overschreden waren, bevond men zich andermaal op pas omgeploegde gronden. Wat mij betreft, ik houd niets van die ploegijzervoren, die iemand tot vreeselijk vermoeiende stappen noodzaken, noch van de kleverige klei, waarop de voet uitglijdt en omzwikt. Ik zou daarboven het asphalt der boulevards verkiezen.
Onze bende stapte met haren troep jachthonden nog zoo twee uren voort, zonder iets te zien. De wenkbrauwen fronsten zich reeds. Een soort woeste prikkelbaarheid begon zich over de geringste nietigheden lucht te geven, over een graszode, waartegen de voet aanschopte, over een hond, die een ander in den weg liep. In het kort, de ondubbelzinnige kenmerken van algemeenen wrevel waren voorhanden.
Eindelijk zagen wij een vlucht patrijzen op veertig passen boven een beetwortelveld. Men noemde die vlucht een kompagnie. Ik heb er geen verstand van, maar als dat een kompagnie was, dan was zij op groot inkompleet; want inderdaad, zij bestond slechts uit twee jonge patrijzen.
Maar dat was minder. Ik schoot erop los, en ook dezen keer werd mijn geweerschot door twee andere onmiddellijk gevolgd. Pontcloué en Matifat hadden het buskruit laten spreken.
Een der arme vogels viel. De andere vloog met spoed weg en streek weer op meer dan een kilometer afstand achter een sterke terreingolving neer.
O! ellendige patrijs! van welk krakeel waart gij niet schuld! Welke betreurenswaardige woordenwisselingen hadden er plaats tusschen Pontcloué en Matifat. Ieder hunner beweerde de moordenaar te zijn. Vandaar dan ook de bittere antwoorden aan elkander! Welke kwetsende verdachtmakingen! En welke benamingen! »Inpakker!.... hij meent dat alles maar voor hem is!...." »Naar den duivel met die lieden, die geen schaamte gevoelen!.... Dat is de laatste maal dat men te zamen zou jagen!...." en andere lieflijkheden met een picardische saus, die mijn pen weigert weer te geven.
De waarheid is, dat beide geweerschoten van de twee heeren te gelijkertijd waren losgebrand.
Er was nog wel een derde schot geweest, dat een oogenblik voor de anderen geknald had. Maar--daarover was niet te redekavelen--hoe kon het aanneembaar zijn, dat de patrijs door mij gedood was? Begrijp eens door een schooljongen!
Ik meende dan ook niet tusschen beiden te moeten komen in den twist tusschen Pontcloué en Matifat, zelfs niet met het edelmoedig voornemen hen te verzoenen. Ook stond ik mijn belangen niet voor, maar dat komt omdat ik van natuur blood ben en... Gij kent het vervolg van dien volzin.
VII.
Eindelijk was het middaguur tot groote voldoening onzer magen aangebroken. Men maakte halt aan den voet eener helling onder de schaduw van een ouden olmboom. De geweren en de weitasschen--de laatste helaas! zeer plat--werden op zij gezet. Toen ontbeet men, om eenigermate de krachten te herstellen, die sedert het vertrek zoo nutteloos verspild waren.
Goed beschouwd, was het een droefgeestig maal. Er weerklonken net zooveel beschuldigingen over en weer, als er happen in den mond werden gestoken. Het was een akelig land!... Een welbewaakt jachtterrein?--Ja, wat door de wilddieven werd afgestroopt!.... Men moest die schuimers opknoopen! Eén aan iederen boom, en met een vel papier op de borst tot afschrik!... De jacht werd een onmogelijkheid!... Binnen twee jaren zou er geen wild meer zijn!... Waarom de jacht niet gedurende eenigen tijd verboden!... Ja!... Neen!... Ja!... In één woord, al het gezeur van jagers, die sedert den dageraad niets geschoten hebben!
Toen begon andermaal de twist tusschen Pontcloué en Matifat over die patrijs. Er mengden zich anderen in het gekibbel, en waarachtig, men was op het punt elkaar in de haren te vliegen!
Eindelijk, Goddank! togen wij een uur later weer op weg, goed gevoederd en goed gedrenkt, zooals men hier te lande zegt. Men zou misschien nu vóór het diner gelukkiger zijn. Waar is de jager, die niet een weinig hoop blijft koesteren, wanneer hij het geluid der oude patrijs hoort, die haar kleintjes roept, om ze voor het invallen van den nacht te verzamelen.
Wij waren dan weer op weg. De honden, even knorrig als wij, waren vooruitgestoven. Hunne meesters schreeuwden hen achterna met zulke schrikkelijke geluiden, dat zij op kommando's van de engelsche marine geleken.
Ik volgde met onzekeren tred. Ik begon mij bek-af te gevoelen. Mijn weitasch, hoe plat zij ook was, bengelde loodzwaar tegen mijn lenden. Mijn geweer, thans van een ongeloofelijke zwaarte deed mij mijn wandelstok betreuren. Ik had gaarne mijn kruithoorn en hageltasch, voorwerpen die het mij uitermate lastig maakten, te dragen gegeven aan een paar van de kleine boerenjongens, die mij volgden en mij spottend vroegen: »hoeveel van die viervoetige beesten ik al geschoten had?" Maar ik durfde niet uit eigenliefde.
Zoo gingen nog twee uren, nog twee doodelijk lange uren voorbij. Onze beenen hadden wel vijftien kilometers afgelegd. Wat mij als zeker en vast voorkwam, was dat ik eerder met het spit in de lenden zou terugkeeren, dan een half dozijn kwartels thuis kon brengen.
Plotseling laat zich een gesuis hooren, dat mij van mijn stuk brengt. O! dezen keer is het waarlijk een kompagnie patrijzen, die bij een struik opvliegt. Algemeen geweervuur! Willekeurig vuur! Op zijn minst knalden vijftien schoten, waaronder het mijne.
Te midden van den rook, weerklinkt een kreet! Ik kijk...
Het is een boer, wiens rechterwang zich zoo dik vertoonde, alsof hij aan dien kant een noot in den mond had.
»Mooi zoo! een ongeluk!" riep Brétignot.
»Dat mankeert er nog maar aan!" schreeuwde Duvauchelle.
Dat was alles wat hun dat »misdrijf" ontlokte, van verwondingen toegebracht te hebben, zonder het voornemen te hebben den dood te berokkenen," zooals het wetboek zegt. En die menschen, zonder gevoel, zonder hart, liepen op hunne honden toe, die twee patrijzen aanbrachten, die slechts gekwetst waren, en die zij met den hiel hunner laarzen afmaakten. O! ik wensch hun hetzelfde genot toe--wanneer zij ooit het leven moeten laten!
En gedurende dien tijd stond de boer daar steeds met zijn dikke wang en kon niet spreken.
Maar daar kwamen Brétignot en zijn makkers op hunne schreden terug.
»Welnu, brave man, wat is er?" vroeg Maximon op beschermenden toon.
»Wat er is? Ziet gij dat niet? Hij heeft een hagelschot in de wang", antwoordde ik.
»Och, dat is niets!" hernam Duvauchelle, »dat is volstrekt niets!"
»Jawel!... jawel!..." zei de boer, die de belangrijkheid van zijn verwonding door een verschrikkelijk leelijk gegrijns meende te moeten onderstreepen.
»En wie is zoo onhandig geweest om dien armen drommel te kwetsen?" vroeg Brétignot, wiens uitvorschende blik op mij bleef rusten.
»Heb jij niet geschoten?" vroeg mij Maximon.
»Ja, ik heb geschoten,... net als iedereen."
»Welnu, dan is de zaak uitgemaakt!" riep Duvauchelle.
»Hoe, uitgemaakt?" vroeg ik.
»Ja, jij bent een even onhandig jager als Napoleon I," zei Pontcloué, die het keizerrijk verfoeide.
»Ik!" riep ik. »Ik!..."
»Niemand anders kan het zijn!" sprak Brétignot gestreng.
»Inderdaad, die mijnheer is een gevaarlijk mensch!" meende Matifat.