De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht

Chapter 15

Chapter 153,743 wordsPublic domain

»En als ik alles moet zeggen," ging Olivier Sinclair voort, »dan kon ik er bijvoegen, dat, wanneer mijn voorgevoelens mij niet bedriegen, ik geloof, dat gij binnen weinige uren uw dierbaarsten wensch zult vervuld zien."

»Mijn dierbaarste wensch?" mompelde miss Campbell, schier onhoorbaar, alsof zij zich zelve een antwoord gaf op een geheime gedachte.

»Ja... de hemel is merkwaardig helder en zuiver, en het is zeer waarschijnlijk, dat de zon achter een wolkenloozen gezichteinder zal ondergaan!"

»Zou het mogelijk zijn?" riep broeder Sam uit.

»Waarachtig, zou het mogelijk zijn?" schreeuwde broeder Sib hem na.

»En, er is reden te gelooven," vervolgde Olivier Sinclair, »dat gij dezen eigen avond den Groenen Straal zult kunnen waarnemen."

»Den Groenen Straal!...." antwoordde miss Campbell.

Het scheen, dat zij in haar verward geheugen zocht, wat die straal wel kon zijn.

»Ah.... dat 's waar ook!...." zeide zij. »Wij zijn hier te Staffa gekomen om den Groenen Straal waar te nemen!"

»Komaan! komaan!" zei broeder Sam, die verheugd was, dat een gelegenheid zich opdeed om het jonge meisje aan de matheid te onttrekken, die haar sedert het voorval in de grot van Fingal overvallen had. »Komaan, naar den anderen kant van het eiland!"

»En wij zullen straks bij onze terugkomst des te smakelijker dineeren," vulde broeder Sib vroolijk aan.

Het was toen vijf uur in den namiddag.

De geheele familie, waaronder ook juffrouw Bess en Partridge begrepen waren, verliet toen, onder geleide van Olivier Sinclair, terstond de grot van Clam Shell, klom langs de houten trap omhoog en bereikte spoedig den rand van het bovenplateau.

Men had de vreugde van de beide ooms moeten kunnen zien, toen zij den prachtvollen hemel aanschouwden, waarlangs de schitterende dagvorstin langzaam daalde. Misschien overdreven zij thans; maar neen, nimmer, neen nimmer! hadden zij zooveel geestdrift voor het natuurverschijnsel aan den dag gelegd als nu. Het scheen eer, dat niet voor miss Campbell, maar voor hen al die verhuizingen hadden plaats gehad, en zoo veel beproevingen van allerhanden aard, sedert het verlaten van het buitenverblijf te Helenaburg tot hier op Staffa ondergaan waren, waarbij Jona en Oban niet behoefden vergeten te worden!

En waarlijk, de ondergang der zon beloofde dien avond zoo wonderschoon te zijn, dat de meest ongevoelige, de meest practische, de meest prozaïsche koopman van the City of London, of der handelaren van Cannongate het zeepanorama zou bewonderd hebben, dat zich daar voor zijn oogen ontrolde.

Miss Campbell voelde zich herleven in dien dampkring, die door de zoutdeelen van de zee, welke door een lichte bries uit volle zee overgebracht werden, bezwangerd was. Haar mooie oogen openden zich zoo groot mogelijk voor het fraaie tafereel van den Atlantischen Oceaan. Op haar wangen, die door de vermoeienissen van den vorigen dag verbleekt waren, ontloken weer de rooskleurige tinten van haar Schotsch bloed! O, wat was zij schoon! Welke bekoorlijkheid straalde van haar geheele wezen uit! Olivier Sinclair trad een weinig naar achteren en beschouwde haar in stilte en hij, die vroeger zonder eenige verlegenheid uren lang haar op haar wandelingen had kunnen vergezellen, voelde zich thans verward, met een angstig gevoel in het hart, en bemerkte dat hij haar ter nauwernood durfde aankijken!

Wat de gebroeders Melvill betreft, zij waren bepaaldelijk even stralend als de zon zelve. Zij richtten het woord met geestdrift tot de dagvorstin. Zij noodigden haar uit om achter een wolkeloozen horizon onder te gaan. Zij smeekten haar hun haar laatsten straal bij het einde van dezen fraaien dag te schenken.

En toen kwamen de herinneringen aan de dichtstukken van Ossian voor den dag, die zij vers voor vers, ieder op zijn beurt, opdreunden:

»O gij, die boven onze hoofden zweeft, rond als het schild onzer voorvaderen, zeg ons, van waar komen uw stralen, o! goddelijke zon? Van waar komt uw eeuwig licht?"

»Gij schrijdt voorwaarts vol majesteit en vol schoonheid op uw baan! De sterren verdwijnen in het uitspansel! De bleeke en koude maan verbergt zich in de westersche golven! Gij alleen beweegt u, o zon!"

»Wie zou uw tochtgenoot zijn op uw baan! De maan verliest zich in de diepte der hemelen? Gij alleen blijft steeds dezelfde! Gij verblijdt u zonder ophouden in uw schitterende loopbaan!"

»Als de donder rolt en de bliksemflits schiet, dan komt gij in uw schoonheid achter de wolken uit en gij bespot den storm en het onweder!"

Allen schreden in dien geestdriftvollen toestand naar het uiterste uiteinde van het plateau van Staffa voort, van waar men een gezicht heeft op de volle zee. Daar namen zij plaats en zetten zich op de buitenste rotsblokken, en hadden ze een gezichteinder voor zich, waarvan niets de zoo fijne lijn, die door de vereeniging van de lucht met het water schijnt getrokken te zijn, zou verduisteren.

En dezen keer zou er geen Aristobulus Beerenkooi zijn, die het zeil van zijn vaartuig zou komen schuiven voor of een vlucht watervogels zou opjagen tusschen de ondergaande zon en het eilandje Staffa!

Intusschen viel met het vallen van den avond ook de bries, en de laatste deininggolven kwamen in het op en neer gaan der branding aan den voet der rotsen sterven. Verder op naar buiten verscheen de zee als een spiegel en had zij dat olieachtig uiterlijk, dat door geen enkele rimpel gebroken werd.

Alles liep dus wonderbaarlijk te zamen, alle omstandigheden hielpen mede om de verschijning van den Groenen Straal gemakkelijk te doen waarnemen.

Maar zie, een half uur later strekte Partridge de hand naar het Zuiden uit en riep:

»Een zeil!"

Een zeil! Zou dat dezen keer ook voor de zonneschijf voorbijschuiven op het oogenblik, dat zij in de golven zou onderduiken? Waarlijk, dat zou meer dan kwade kans moeten genoemd worden!

Het vaartuig stevende de zeeëngte uit, die het eiland Jona van de kaap van Mull scheidt. Het gleed, met den wind vlak van achteren, vooruit eerder onder den invloed van den opkomenden vloed dan onder den druk eener bries, welker laatste zuchtjes ternauwernood het zeiltuig konden vullen.

»Het is de Clorinda," zei Olivier Sinclair, »en daar zij koers zet om ten oosten van Staffa voor anker te komen, zoo zal zij binnen door varen en onze waarneming niet kunnen hinderen."

Het was inderdaad de Clorinda, die na het eiland Mull langs het zuiden omgezeild te hebben, haar ankerplaats in de kreek van Clam Shell weer kwam opzoeken.

Aller blikken wendden zich toen weer naar den horizon in het westen.

De zon daalde reeds met de snelheid, die zij bij het naderen der zee schijnt aan te nemen. Op de oppervlakte van het water beefde een lange zilverstreep, voortgebracht door de zonneschijf, welker aanblik nog onverdragelijk was. Weldra ging zij van de kleur van mat goud, die zij aannam bij het dalen, tot het helderkleurig goud over. Wanneer men de oogen sloot, schitterden op het netvlies langwerpige roode ruiten en gele cirkels, die elkander kruisten als de vluchtige tinten van een kaleidoscoop. Lichte golvende ribben streepten die soort komeetstaart, welke de weerkaatsing op de oppervlakte van het water te voorschijn tooverde. Het water vertoonde zich als bezaaid met vlokjes verzilverde loovertjes, welker glans verbleekte bij het naderen van den oever.

Er was geen spoor te bekennen van wolk of van nevel of van damp, hoe ijl ook op den geheelen omtrek van den gezichteinder, Niets bedierf de zuiverheid dier cirkellijn, die met een passer niet fijner op het fraaiste wit velijn papier had kunnen getrokken worden.

Allen zaten daar onbeweeglijk, meer ontroerd dan men wel meenen zou en zij zelf wel wilden bekennen, den bol aan te staren, die zich in schuine richting naar den horizon bewoog. Hij daalde nog meer, en bleef toen als boven den afgrond een oogenblik hangen. Toen begon de misvorming van de schijf, die door de straalbreking gewijzigd werd, zich langzamerhand te vertoonen. Zij verbreedde ten koste van haar loodrechte doorsnede, en herinnerde aan den vorm van een Etruskische vaas met ronden buik, welker voetstuk in het water dompelt.

Er kon geen twijfel meer over de verschijning van het natuurverschijnsel geopperd worden. Niets zou den bewonderenswaardigen ondergang van de schitterende dagvorstin storen. Niets zou haar laatste stralen komen breken of onderscheppen!

Weldra was de helft der zon achter de horizonslijn verdwenen. Eenige schitterende stralenbundels, aan gouden pijlen gelijk, kwamen de voorste rotsen van Staffa treffen.

Meer achterwaarts hulden zich de steile kusten van Mull en de top van den Ben More in het purper, en was het of zij met vuur waren aangeraakt. Zij gloeiden.

Eindelijk was er niets meer te zien dan een uiterst fijn segment van den bovenboog der zonneschijf, dat nu ook de oppervlakte der zee begon aan te raken.

Nog een seconde van gespannen verwachting.

»De Groene Straal! de Groene Straal!" riepen als uit één mond de gebroeders Melvill, juffrouw Bess en Partridge, wier netvlies gedurende het vierde gedeelte van een seconde als gedrenkt was geworden door die onvergelijkelijke tint van vloeibaar smaragd.

Olivier en Helena alleen hadden niets van het natuurverschijnsel gezien, dat thans eerst, na zooveel vruchtelooze waarnemingen, eindelijk zich voordeed!

Op het oogenblik, dat de zon haren laatsten straal het luchtruim inzond, kruisten beider blikken elkander, en vergaten de gelukkigen alles, wat om hen heen gebeurde, bij de beschouwing, waarin zij verzonken waren.

Maar Helena had de zwarte schittering, den zwarten straal waargenomen, die de oogen van den jonkman schoten, en Olivier had den zacht blauwen glans niet laten verloren gaan, die aan het oog van het jonge meisje ontsnapte!

De zon was thans geheel en al ondergegaan. Helena noch Olivier hadden den Groenen Straal gezien!

XXIII.

BESLUIT.

Den volgenden morgen, den 12den September, lichtte de Clorinda het anker en ging onder zeil. Zij had een fraaie zee en een gunstige bries, en stevende met volle zeilen naar het zuidwesten van den Archipel der Hebriden. Weldra verdwenen Staffa, Jona, de noordkaap van Mull achter den hoogen rotsoever van het grootste dier eilanden.

De passagiers van het jacht ontscheepten na een zeer voorspoedigen overtocht in de kleine haven van Oban, gingen vervolgens met den spoortrein van Oban naar Dalmaly en van Dalmaly naar Glasgow, dwars door het meest schilderachtige gedeelte der Hooglanden, en kwamen zoo op het buitenverblijf van Helenaburg terug.

Achttien dagen later werd een huwelijk met groote plechtigheid in de kerk van Sint-George te Glasgow gesloten. Het moet erkend worden, dat het niet het huwelijk was van Aristobulus Beerenkooi met miss Campbell. Neen, de bruidegom was Olivier Sinclair, en broeder Sam en broeder Sib betoonden zich niet minder vergenoegd daarover dan hun nicht.

Dat deze vereeniging, onder zulke omstandigheden ontloken en gesloten, alle waarborgen van geluk aanbood, zal wel niet behoeven gezegd te worden. Het buitenverblijf te Helenaburg, de fraaie woning in de West-George Street te Glasgow, zelfs de geheele wereld waren ter nauwernood voldoende om zooveel geluk te bevatten. En toch dat geheele geluk was in de grot van Fingal, wat zeg ik, in den armstoel van Fingal besloten geweest.

Van dien laatsten avond, daar boven op het bovenvlak van Staffa doorgebracht, wilde Olivier Sinclair, hoewel hij het zoo gezochte natuurverschijnsel niet ontwaard had, de herinnering op het doek verduurzamen. Op een dag stelde hij dan ook »een zonsondergang" ten toon, van een bizonder effekt, waarin een soort van groenen straal, die uitermate scherp zich voordeed, alsof hij met vloeibare smaragd geschilderd was, bizonder de aandacht trok, en de bewondering opwekte.

Die schilderij lokte natuurlijk terstond bevreemding en getwist uit. De een beweerde, dat daar een natuurlijk verschijnsel op bewonderenswaardige wijze was weergegeven, terwijl de ander stokstijf vasthield, dat die straal slechts fantasie was, dat de natuur dien nimmer voortbracht.

Dit laatste verwekte grooten toorn bij de beide ooms, die den straal gezien hadden, verzekerden zij, en gaven dus den jongen schilder gelijk.

»En zelfs," zei oom Sam, met innige overtuiging, »het is beter een geschilderden Groenen Straal te zien dan...."

»Een natuurlijken," vulde broeder Sib aan: »want wanneer men verplicht is zoovele zons-ondergangen, den eenen na den anderen, waar te nemen, doet dat wel pijn aan de oogen."

En daarin hadden de gebroeders Melvill gelijk.

Twee maanden later wandelden de beide jeugdige echtgenooten met hunne ouders langs de oevers der Clyde, voor het park van het buitenverblijf, toen zij op het onverwachtst Aristobulus Beerenkooi ontmoetten.

De jeugdige geleerde, die de werken tot uitdieping der rivier met belangstelling volgde, was juist op weg om zich naar de spoorweghalte van Helenaburg te begeven, toen hij zijn oude reismakkers van Oban ontwaarde.

Wij zouden Aristobulus Beerenkooi uitermate miskennen, wanneer wij beweerden, dat hij onder de onverschilligheid van miss Campbell voor zijn persoon had geleden. Hij ondervond dan ook hoegenaamd geen verlegenheid, toen hij zich in tegenwoordigheid van mistress Sinclair bevond.

Men groette elkander vormelijk en Aristobulus Beerenkooi bood den jeugdigen echtgenooten zijn beleefde gelukwenschen aan.

Toen de gebroeders Melvill die gunstige geestesgesteldheid bemerkten, deden zij volstrekt geen moeite om te verbergen, hoe gelukkig zij zich over het gesloten huwelijk gevoelden.

»Zóó, zóó gelukkig," zei broeder Sam, »dat ik mij, wanneer ik alleen ben, soms op een glimlach betrap!"....

»En ik, dat ik soms tranen van geluk moet vergieten!" zei broeder Sib.

»Zoo, zoo mijne heeren," merkte Aristobulus Beerenkooi op, »gij moet dus erkennen, dat gij minstens eenmaal in uw leven in oneenigheid waart. De een weent en de ander glimlacht...."

»Welnu, dat is voor hen geheel en al hetzelfde, mijnheer Beerenkooi," merkte Olivier Sinclair op.

»Geheel en al hetzelfde, niet waar oompjes?" bevestigde de jonge vrouw, terwijl zij de hand aan het waardig broederpaar reikte.

»Hoe? geheel en al hetzelfde?" antwoordde Aristobulus Beerenkooi op dien toon van verstandelijke meerderheid, die hem zoo uitstekend afging. »Waarlijk niet!.... Volstrekt niet!.... Want, wat is een glimlach? Een willekeurige uitdrukking van het gelaat en een willekeurige samentrekking van de aangezichts-zenuwen, waarbij de ademhalingswerktuigen nagenoeg niets te verrichten hebben; terwijl de tranen....

»Welnu de tranen?".... vroeg mistress Sinclair.

»Slechts een vloeistof zijn, die den oogappel verduistert. Die vloeistof is samengesteld uit chloruur van sodium, phosphorzure kalk en chloorsoda!"

»Scheikundig gesproken, hebt gij gelijk, mijnheer," zei Olivier Sinclair, »maar uit dat oogpunt alleen."

»Dat onderscheid vat ik niet," antwoordde Aristobulus Beerenkooi vrij scherp en bits.

En met de stijfheid van een meetkundige groetende, stapte hij met afgemeten treden naar de spoorhalte toe. Men gevoelde zich gelukkig, hem kwijt te zijn.

»Die dwaze mijnheer Beerenkooi!" zei mistress Sinclair, »die de gevoelszaken uit een scheikundig oogpunt wil uitleggen, zooals hij met den Groenen Straal heeft gedaan."

»Ja, maar, waarde Helena, terzake!" antwoordde Olivier Sinclair, »wij hebben den straal niet gezien, dien wij toch zoo gaarne hadden willen waarnemen!"

»Wij hebben veel beter gezien," lispte de jonge vrouw heel zacht. »Wij hebben het geluk zelf gezien. Het geluk, dat volgens de legende aan de waarneming van dat natuurverschijnsel verbonden zou zijn.... En daar wij het gevonden hebben, laat ons dat genoeg zijn, en het opsporen van den Groenen Straal overlaten aan hen, die dat geluk niet kennen, maar er kennis meê willen maken."

Einde van den Wonderstraal.

TIEN UREN OP JACHT.

TIEN UREN OP JACHT.

EENVOUDIGE GRILLIGE INVAL.

Schets door Gédéon.

I.

Er zijn menschen, die niet van jagers houden, en die hebben wellicht niet geheel en al ongelijk.

Komt het misschien daar vandaan, dat het dien heeren niet tegenstaat het wild, dat zij zullen eten, met eigen handen te dooden en zij dus als slachters optreden?

Of zou die mindere sympathie ook daaruit kunnen voortkomen, dat de heeren jagers er te veel van houden om, te hooi en te gras, steeds en altijd, te pas of te onpas, over hunne jagers-heldendaden te praten?

Ik voor mij hel wel naar die laatstaangehaalde reden over.

Het is nu zoo wat twintig jaren geleden, dat ik mij aan het eerstbedoelde misdrijf heb schuldig gemaakt. Ik heb gejaagd! Ja, ik heb gejaagd!.... En om mij daarvoor te straffen, zal ik mij aan het tweede misdrijf schuldig maken: ik zal u mijn jachtavonturen haarfijn vertellen.

O! moge dit verhaal, dit oprecht en waarachtig relaas, mijne medemenschen voor immer er van afschrikken, om met een weitasch op den rug, met een patroontasch op den buik aan den gordel bevestigd, met het geweer onder den arm, achter den staart van een hond over het veld aantedraven! Maar ik reken er weinig op, dat moet ik bekennen! Des ondanks begin ik.

II.

Een guitig wijsgeer heeft ergens in zijn werken gezegd: Schaf u noch buitenverblijf, noch rijtuig, noch paarden, noch jachtterreinen aan. Gij zult steeds vrienden aantreffen, die het ten uwen gebruike zullen bezitten!"

Het is door de toepassing van dien stelregel, dat ik een uitnoodiging ontving, om mijn eerste proeven in de behandeling der wapens op gereserveerde jachtterreinen, in het Somme-departement gelegen, afteleggen, zonder dat ik van die terreinen eigenaar was.

Het was op het einde van de maand Augustus, als ik mij niet vergis van het jaar 1859. Een besluit van den departements-prefekt had de opening der jacht op den daaropvolgenden dag bepaald. Die plechtige dagteekening was in onze goede stad Amiens, waar zelfs de kleinste winkelier, de geringste handwerksman het een of ander geweer bezit, waarmee hij in den jachttijd langs 's heeren wegen slentert, stellig reeds sedert de laatste zes weken met het meeste ongeduld verwacht.

De bolleboozen van het vak, zij die de jacht tot een hartstocht hadden laten aangroeien, zoowel als de schutters van den derden en vierden rang, de behendigen, die raken ook zonder te mikken, zoowel als de onhandigen, die mikken zonder ooit te raken, de domooren zoowel als de jagers »van de bovenste plank," di primo cartello, zeggen de Italianen, bereidden alles voor dien grooten dag der jachtopening voor. Zij rustten zich uit, zij zorgden voor de mondbehoeften, zij verleidden elkander. Als zij dachten, dan was het slechts om aan kwartels te denken; als zij spraken, dan was het slechts om over het haas te praten; als zij droomden, droomden zij slechts van patrijzen! Vrouw, kinderen, huisgezin, nabestaanden, vrienden, dat alles was vergeten! Staatkunde, kunsten, letterkunde, landbouw, handel, wetenschappen, alles verdween in 't niet bij de voorbereidingen voor dien grooten dag, waarin de dwepers zich met roem gingen beladen, en het vermaak gingen genieten, dat door Joseph Prudhomme met een grond van waarheid, een barbaarsch tijdverdrijf! is genoemd.

Nu bevond zich onder de weinige vrienden, die ik te Amiens bezat, een die als doortrapt jager bekend stond. Het was een aardige vent, in weerwil dat hij ambtenaar was. Wanneer hij zich naar zijn kantoor moest begeven, beweerde hij steeds eenigermate aan jicht te sukkelen. Maar had hij een verlof gekregen, om de jachtopening bij te wonen, dan was hij zoo vlug ter been als iemand.

Die vriend heette Bretignot.

Eenige dagen vóór den grooten dag, kwam mij Bretignot opzoeken, mij, die van den prins geen kwaad dacht.

»Gij hebt nimmer gejaagd, nietwaar?" vroeg hij mij op dien toon van meerderheid, die op twee deelen welwillendheid acht deelen geringschatting bevatten.

»Nooit, Bretignot," antwoordde ik. »En ik denk er niet aan, om..."

»Welnu, kom de jachtopening met mij mee maken," viel Bretignot in. »Wij kunnen gaan jagen op tweehonderd hectaren gereserveerde jachtterreinen, waar wild in overvloed is. Ik heb het recht een genoodigde mee te brengen. Gij zijt mijn genoodigde; want ik noodig u uit en dus, ik neem u mee!"

»Maar ik heb...." zei ik aarzelend.

»Geen geweer!"

»Neen, Bretignot, en ik heb er zelfs nooit aan gedacht."

»O! dat maakt niets uit. Ik zal u er een leenen, een geweer met laadstok, een tromplader wel is waar, maar dat toch een haas op tachtig passen afstands neerlegt."

»Onder voorwaarde van het te raken!" hernam ik lachende.

»Natuurlijk!--Maar dat geweer zal goed genoeg voor u zijn."

»Te goed, Bretignot!"

»Maar gij zult geen hond hebben! dien kan ik u niet verschaffen."

»O! die is geheel onnoodig, zoolang ik een haan [2] aan mijn geweer heb, zou de hond overkompleet zijn!"

Mijn vriend Bretignot keek mij met een zuurzoet gezicht aan. Hij houdt er niet van, die waarde vriend, dat men met jachtzaken den spot drijft. Die zijn hem heilig!

Eindelijk verloren zijn wenkbrauwen hunne rimpels.

»Welnu, gij komt, niet waar?" zeide hij.

»Als gij er op gesteld zijt!".... antwoordde ik zonder eenige geestdrift.

»Jawel, jawel!...." meende hij. »Men moet toch zoo iets eens in zijn leven bijgewoond hebben. Wij zullen Zaterdagavond vertrekken. Ik reken op u."

En ziedaar, hoe ik aangeworven was voor die verwenschte jachtpartij, die mij nog lang zal heugen.

Ik beken, dat de voorbereidingen mij niet erg verontrustten. Ik liet er, bij mijn ziel, geen uur slapens voor. En toch, moet ik de geheele waarheid zeggen, dan valt mede te deelen, dat de nieuwsgierigheids-duivel mij wel een weinig bekroop. Zou zoo'n jachtopening dan zoo belangwekkend zijn? Wat er ook van aan zij, ik deed mij zelven de belofte, dat ik minder handelend zou optreden; maar daarentegen als nieuwsgierige liefhebber meer de jagers zoowel als het jachtvermaak zou gadeslaan. Liet ik mij ook al overhalen, om mij met een geweer te beladen, dan was dat om een niet te zot figuur te maken voor die Nimrods, wier heldendaden ik op uitnoodiging van Bretignot moest komen bewonderen.

Ik moet er bijvoegen, dat, al leende hij mij ook een geweer, een kruithoorn, een hagelzak, hij nimmer gewag gemaakt had van een weitasch. Ik moest dus dit voorwerp zelf aanschaffen, wat de meeste jagers wel zouden kunnen ontberen. Ik zocht er een uit de hand te koopen. Maar jawel, die moeite was te vergeefs. De prijzen der weitasschen waren stijgende. Alle waren uitverkocht. Ik moest dus een nieuwe aanschaffen, maar onder de bepaalde voorwaarde, dat de verkooper haar zou terugnemen--met vijftig procent verlies voor mij--wanneer er geen wild in geborgen was geweest.

De koopman keek mij aan, glimlachte, maar nam de voorwaarde aan.

»Wie weet evenwel?" dacht ik.

De ijdelheid is de wereld nog niet uit!

III.

Op den aangeduiden dag, dat wil zeggen daags vóór de jachtopening, was ik op de plaats van samenkomst, die mij door Bretignot op het Perigord-plein aangewezen was, des avonds ten zes uur aanwezig. Daar nam ik als de achtste--de honden niet medegerekend--plaats in de rotonde van een postwagen.

Bretignot en zijne jachtgezellen--ik durfde mij nog niet als een hunner meerekenen--zaten prachtig onder het traditioneele tuig. Het waren voortreffelijke typen, die wel de waarneming waard waren. Eenigen hunner waren ernstig, in afwachting wat den volgenden dag gebeuren zou; anderen waren opgeruimd, babbelzuchtig en richtten reeds met den mond een moorddadig bloedbad onder het wild van de gemeente Hérissart aan.

Er waren daar een half dozijn mannen aanwezig, die tot de meest beroemde schutters van de hoofdplaats van Picardië gerekend werden. Ik kende hen ternauwernood bij naam. Mijn vriend Bretignot moest mij dan ook vormelijk voorstellen.