De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht
Chapter 14
De beide ooms bleven daar op dien uithoek van het eilandje wachten, beschut boven op de steile kust, alwaar de zee hen niet kon bereiken. Olivier Sinclair en Partridge spoedden intusschen in allerijl voort naar de grot van Clam Shell.
Vijf minuten later verschenen de jonkman en de oude dienaar weer; zij sleepten de kleine vlet van de Clorinda, die kapitein Olduck ten gerieve der toeristen had achtergelaten, over den straatweg voort.
Zou Olivier Sinclair zich door de zee binnen de grot laten stuwen, nu men langs den landweg daar niet kon inkomen?
Ja, dat ging hij beproeven. Hij aarzelde evenwel niet. Het schuitje werd beneden bij de trap, achter een der basalttreden, buiten de branding gebracht.
»Ik ga met u!" zei Partridge.
»Neen," zei Olivier Sinclair. »Dat kan niet. De kleine vlet mag niet noodeloos worden overladen. Is miss Campbell nog levend, dan zouden drie menschen in dat vaartuigje moeten. Neen, ik zal mij alleen wel behelpen!"
»Olivier!" riepen de twee broeders, die hunne snikken niet konden bedwingen. »Olivier! o Olivier! red onze dochter!"
De jonkman drukte hun de hand, sprong in de vlet, zette zich op de middenbank, greep de beide roeiriemen en bereikte behendig de terugstrooming; hij wachtte het aanrollen af eener groote baar, die hem vlak voor de Fingal's grot bracht.
De vlet werd door deze omhoog getild; maar Olivier Sinclair slaagde er in haar, door een behendige behandeling der roeiriemen, op den kop der golf te houden. Ware ze dwarszee's geraakt, dan zou zij onvermijdelijk hebben moeten omslaan.
Die eerste maal heesch de zee het nietige vaartuig bijna tot bij de hoogte op van het gewelf. Men kon vreezen, dat de notendop zich tegen de rotsmassa zou verpletteren, maar toen de golf terugliep sleepte zij dien in haar onweerstaanbare strooming naar volle zee mede.
Drie maal werd de sloep zoo opgetild en met reuzenkracht naar de grot gestuwd. Maar telkens werd ze weer achteruit gesleurd, zonder zich een doortocht te hebben kunnen banen door de watermassa, die den ingang versperde. Olivier Sinclair, geheel en al kalm, en zich zelven volkomen meester, hield de vlet met zijn roeiriemen in evenwicht.
Eindelijk tilde een hoogere golftop het nietig vaartuig op. Het balanceerde een ondeelbaar oogenblik, ter hoogte bijna van het bovenplat van het eiland, op den rug van dien vloeibaren berg. Toen ontstond een schrikkelijk diepe voor, tot aan den voet der grot, en werd Olivier Sinclair in schuine richting voortgestuwd, alsof hij de hellingen van een machtigen waterval afdaalde.
Een kreet van schrik ontsnapte aan al de getuigen van dit vreeselijk tooneel. Het was alsof het vaartuig werkelijk en onweerstaanbaar tegen de basaltzuilen van den linker hoek aan den ingang der grot ging verbrijzeld worden.
Maar de kloeke jongeling gaf met zijn roeiriemen steun aan zijn vlet. Gedurende een kortstondig oogenblik verscheen de ingang als genaakbaar en schoot hij met de snelheid van een voortgedreven pijl vooruit, alvorens de zee teruggerold en zich in een overgroote baar omgekruld kon hebben, en verdween hij voor aller oogen in het innerlijke der donkere grot.
Een seconde later plofte de watermassa als een onmetelijke sneeuwval neer en sloeg tot aan den uitersten bovenkant van het eilandje.
Zou de vlet nu tegen den achterwand van de grot verbrijzeld zijn en moest men nu twee slachtoffers van dien storm te betreuren hebben in plaats van een?
Toch was daar niets van aan. Olivier Sinclair was met groote snelheid voortgeschoten, zonder de ongelijke zoldering van het gewelf te raken. Hij had zich in het vaartuig plat op den buik moeten werpen, om den schok met de basaltbundels, die omlaag hingen en van alle kanten uitstaken, te ontgaan. Dat was hem gelukt. In minder dan een seconde had hij den tegenovergestelden rotswand bereikt en koesterde slechts ééne vrees, namelijk die van door den terugloop der watermassa weer naar buiten te worden meegesleept, zonder zich aan eenig uitstekend punt daarbinnen te hebben kunnen vastklemmen.
Gelukkig stootte de vlet, door eene baar voortgestuwd, welker kracht door een teruggolving zeer verzwakt was, tegen de zuilen die het buffetorgel vormden, waarvan wij vroeger spraken, en dat tegen den achterwand van Fingal's kelder verrees, en werd meer dan half verbrijzeld door den schok. Maar Olivier Sinclair had gelegenheid een stuk basalt met de hand te grijpen en zich daaraan met de wanhopige kracht eens drenkelings vast te klemmen. Een oogenblik later kon hij zich omhoog hijschen en buiten het bereik der zee zijn werk vervolgen.
Terstond daarop werd de ontredderde vlet door een terugrollende baar medegevoerd en naar buiten geslingerd. Toen zij dat wrak zagen verschijnen, konden de gebroeders Melvill en ook Partridge niet anders meenen, dan dat de koene redder zelf was omgekomen.
XXI.
STORM IN EENE GROT.
Olivier Sinclair was geheel ongedeerd en voor het oogenblik in veiligheid. De duisternis was evenwel zoo groot in de grot, dat hij daarin niets kon onderscheiden. Het schemerlicht kon slechts van de tusschenruimte van twee golven gebruik maken, wanneer de ingang van de watermassa eenigermate bevrijd was, om de grot binnen te dringen.
Olivier Sinclair trachtte evenwel te ontdekken, waar miss Campbell een toevlucht had kunnen vinden.... Die poging was echter te vergeefs.
Hij riep:
»Miss Campbell! miss Campbell!"
Hoe te beschrijven, wat er in hem omging toen hij een hemelsche stem hem hoorde antwoorden:
»Mijnheer Olivier! mijnheer Olivier!"
Miss Campbell was in leven.
Maar op welke plek had zij zich buiten het bereik van het stormloopen der golven en dus in veiligheid kunnen stellen? Olivier Sinclair trachtte over het pad met alle voorzichtigheid de geheele Fingal's spelonk rond te kruipen.
In den linker wand had een holte in het basalt eene oneffenheid veroorzaakt, die de gedaante had van eene nis. Daar waren de zuilen van elkander geweken en hadden een schuilplaats gevormd, die bij hare opening vrij breed was, maar zich langzamerhand zoodanig vernauwde, dat slechts ruimte voor één persoon er in aangetroffen werd. De legende verleende aan die uitholling den naam van: »Fingal's armstoel."
Het was in die schuilplaats, dat miss Campbell, door het binnenstormende water overvallen, eene toevlucht had gezocht.
Weinige uren vroeger was bij eb de ingang van de grot gemakkelijk toegankelijk geweest, en had het onvoorzichtige meisje haar gewoon bezoek daar afgelegd. Daarbinnen gaf zij zich aan hare mijmeringen over, begreep het gevaar niet, waarmee de opkomende vloed haar bedreigde, en had zij niets opgemerkt van hetgeen buiten omging. Hoe schrok zij, toen zij de grot willende verlaten, geen uitgang meer door het binnenstroomende water kon vinden.
Toch verloor miss Campbell het hoofd niet. Zij zocht een schuilplaats te bereiken, en na twee of drie vruchtelooze pogingen om op het buitenste trapportaal te komen, kon zij eindelijk, niet zonder wel twintigmaal gevaar geloopen te hebben meegesleurd te worden, in dien armstoel van Fingal dringen.
Daar vond Olivier Sinclair haar ineen gedoken, maar buiten het bereik der stortzeeën.
»Oh! miss Campbell!" riep hij, »hoe hebt gij zoo onvoorzichtig kunnen zijn, om u zoo bij het begin van een storm bloot te stellen. Bij God! wij waanden u verloren!"
»En gij zijt gekomen om mij te redden, mijnheer Olivier," hernam miss Campbell, meer getroffen door het edele moedbetoon van den jonkman, dan verschrikt over de gevaren, die zij geloopen had of nog kon loopen!
»Ik ben gekomen om u uit een neteligen toestand te redden, miss Campbell," antwoordde Olivier Sinclair met vuur, »en met Gods hulp zal ik slagen!--Gij zijt toch niet bang?"
»Of ik bang ben?.... neen!.... Nu gij bij mij zijt, vrees ik niets meer. En.... daarenboven, kon een ander gevoel dan bewondering mij bezielen bij den aanblik van zoo'n schouwspel?.... Kijk!"
Miss Campbell was tot achter in haar smalle schuilplaats terug geweken. Olivier Sinclair, die voor haar recht overeind stond, trachtte haar, zoo goed hem zulks mogelijk was, te beschutten, wanneer eene golf woedender dan de vorige, haar dreigde te bereiken.
Beiden zwegen in dezen plechtigen stond. Had Olivier Sinclair wel noodig uit te spreken, wat er omging in zijn hart? En zouden woorden wel bij machte geweest zijn, om uit te drukken wat miss Campbell gevoelde?
De jonkman zag evenwel met een onuitsprekelijken angst, niet voor hem maar voor miss Campbell, de gevaren van buiten vermeerderen. Hij moest begrijpen, toen hij het gehuil van den wind en het geklots en gedonder der zee hoorde, dat de storm zich met verdubbelde woede ontketende. Hij zag het peil der wateren stijgen onder den invloed van het getij, dat nog verscheidene uren zou aanhouden.
Tot waar zou de vloed, welken de golfslag uit volle zee een buitengewone hoogte zou verleenen, stijgen? Dat kon onmogelijk iemand voorspellen. Maar het was duidelijk zichtbaar, dat de grot zich langzamerhand vulde. Indien daarbinnen geen volslagen duisternis heerschte, had dit hierin zijn oorzaak, dat de golfkuiven als het ware door het licht van buiten waren doorweven, en dat hier en daar phosphoresceerende lichtplekken als elektrische straalbundels, die zich aan de hoeken en oneffenheden der basaltblokken vasthechtten, in de watermassa schitterden, die de scherpe hoeken der prisma's als met vuur overdekten en bij haar terugijlen een twijfelachtige loodkleurige schemering achterlieten.
Wanneer de schelle verschijning van die verlichting plaats had, keerde zich Olivier Sinclair tot miss Campbell, en zag hij haar aan met een ontroering, die niet enkel aan het besef van het gevaar, waarin zij verkeerde, was toe te schrijven.
Miss Campbell glimlachte zwijgend en verkeerde geheel onder den indruk van dit schouwspel van een storm in een grot!
Maar in dat oogenblik sloeg een machtigere deininggolf tot bij de uitholling van Fingal's armstoel. Olivier Sinclair meende, dat zij beiden uit hun toevluchtsoord gesleurd zouden worden.
Hij vatte het jonge meisje in zijn armen, als een prooi, die de woedende zee hem trachtte te ontrukken.
»Olivier! Olivier!" schreeuwde het jonge meisje in een oogenblik van radeloozen angst, dien zij niet had kunnen bedwingen.
»Vrees niets, Helena!" antwoordde Olivier Sinclair. »Ik zal u beschermen, Helena!.... ik zal...."
Ja, hij zeide dat: Ik zal u beschermen: Maar hoe? Hoe zou hij haar aan het machtig geweld der stortzeeën kunnen ontvoeren, wanneer hunne woede aangroeide, wanneer de wateren nog hooger stegen, wanneer de toevluchtsplaats in dien armstoel onhoudbaar werd? Op welke andere plek zou hij redding zoeken? Waar zou hij een schuilplaats vinden buiten het bereik van dien monsterachtigen opstand der zee. Alle die gebeurlijkheden verschenen voor hem in hare schrikkelijke werkelijkheid.
Maar hij moest boven alles koelbloedig zijn. Olivier Sinclair beijverde zich dan ook kloekhartig om zich zelven meester te blijven.
En hij moest dat te eerder, nu het te voorzien was, dat zoo niet de zedelijke moed, dan toch de lichaamskracht het jonge meisje eindelijk zou ontzinken. Olivier Sinclair voelde reeds, dat zij langzamerhand zwakker werd en ging bezwijken. Hij wilde haar geruststellen, hoewel hijzelf zich de hoop voelde begeven.
»Helena.... dierbare Helena!" lispte hij, »toen ik naar Oban terugkeerde.... vernam ik.... dat gij het waart.... dat ik aan u mijne redding uit de Corryvrekankolk heb te danken!"
»Wat?.... Olivier.... gij wist!...." stamelde miss Campbell, met uiterst zwakke stem.
»Ja, lieve!.... en ik voel heden mijn schuld!.... O! ik zal u uit de Fingal's grot redden!"
Maar hoe kon Olivier Sinclair van redding spreken in een oogenblik, dat de watermassa met geweld aan den voet hunner schuilplaats neerplofte! Hij slaagde er zelfs gebrekkig in, om zijn gezellin tegen de spatten te beveiligen. Twee of driemaal was hij op het punt van door den golfslag meegesleurd te worden.... En dat hij nog weerstand bood, was het gevolg eener bovenmenschelijke poging; hij voelde immers de armen van miss Campbell, die zijn leest krampachtig omknelden. Hij begreep, dat zij onvermijdelijk met hem voortgesleept zou worden.
Het kon half tien des avonds zijn. De storm moest zijn hoogste punt van geweld bereikt hebben. En waarlijk, de stijgende wateren stortten zich met de onbedwingbare onstuimigheid van een lawine in Fingal's spelonk. De schok dier watermassa op den achterwand en op de zijwanden der grot, veroorzaakte zoo'n oorverdoovend geraas, en zoodanig was het geweld der golven, dat stukken basalt van de wanden werden afgescheurd, bij hunnen val in het witte, lichtgevende schuim plompten en daarin zwarte gaten vormden.
Zouden onder dien aanval, wiens hevigheid niet te beschrijven is, de zuilen stuk voor stuk losgerukt en in den afgrond neervallen? Zou het gewelf gevaar loopen van intestorten? Alles was in die oogenblikken voorwaar te vreezen. Olivier Sinclair voelde zich dan ook door een niet te overwinnen duizeling bevangen, waartegen hij zich trachtte te verzetten. Dit werd veroorzaakt, door dat de lucht soms ontbrak. Wel werd zij in overvloed de grot binnengestuwd, wanneer de golven binnenstormden, maar somwijlen was het alsof die zelfde golven de lucht weer opslorpten, wanneer zij bij haren terugloop naar buiten ijlden.
Miss Campbell, geheel en al uitgeput, voelde in die omstandigheden hare krachten haar begeven en viel in zwijm.
»Olivier!... Olivier!..." lispte zij, terwijl zij in zijn armen gleed.
Olivier Sinclair had zich met het jonge meisje in het diepste gedeelte van de schuilplaats neergehurkt. Hij ondersteunde miss Campbell, hij dekte haar met zijn lichaam tegen de stortzeeën, hij worstelde, terwijl hij zich tegen de uitstekende gedeelten der basaltrotsen stutte, te midden eener duisternis, die nog zwarter scheen door de tusschenpoozingen van phosphoresceerend licht te midden van het onafgebroken gedonder, veroorzaakt door het voortdurend geklots en geschok, vermengd met geloei en gesis. Neen, het was thans Selma's stem niet meer, die in het paleis van Fingal weerklonk! Het geleek veel meer een verschrikkelijk gehuil en geblaf van Kamschatka-honden, die, volgens de uitdrukking van Michelet, in groote troepen en bij duizendtallen, gedurende de lange winternachten tegen de loeiende branding huilen en aldus met de woedende Noordelijke ijs-zee een wedstrijd aangaan.
Eindelijk, eindelijk begon de eb in te treden en de zee te dalen. Olivier Sinclair merkte op, dat met de daling der water-oppervlakte ook de deining-golven, die uit volle zee aanrolden, eenigszins, nog wel niet veel, bedaarden. Maar de duisternis in de grot was toen zoo groot, dat het buiten betrekkelijk licht was. In die halve duisternis begon de zwarte opening der spelonk, die niet meer door de aanrollende watermassa bedekt werd, zich flauw te vertoonen. Weldra bereikten nog maar de spatten en de fijne stofregen van de branding den armstoel van Fingal. Het was thans geen wurgende en alles met zich voortsleurende stortzee meer. De hoop keerde in het hart van Olivier Sinclair terug.
Te rekenen naar het volzee-getij, kan aangenomen worden, dat het middernachtuur reeds voorbij was. Nog twee uren, en het pad zou niet meer schoongeveegd worden door de zweepende golfkoppen. Het moest dan weer begaanbaar worden. Het was van belang zich bijtijds hiervan te verzekeren. En eindelijk, na lang wachten, was het zoover gekomen.
Het oogenblik om de grot te verlaten was aangebroken.
Maar miss Campbell was nog niet uit haar onmacht ontwaakt. Geheel krachteloos als zij was, nam Olivier Sinclair haar in zijn armen op, liet zich toen buiten den armstoel van Fingal glijden en begon het smalle pad te volgen, waarvan de ijzeren leuningspijlen onder het geweld der zee afgewrongen, afgesleurd of verbroken waren.
Wanneer een golf op hem aanrolde, bleef hij een oogenblik staan of trad ook wel onder den aandrang een of meer passen terug.
Eindelijk, op het oogenblik, dat Olivier Sinclair den buitensten hoek zou bereiken, sloeg nogmaals een laatste monstergolf over hem heen en omhulde hem met zijn waterstralen geheel en al. Hij dacht niet anders, dan dat hij met miss Campbell tegen den rotswand zou verpletterd of in de loeiende kolk aan zijn voeten worden meegesleept....
Maar door een laatste inspanning, gelukte het hem weerstand te bieden en, gebruik makende van de verademing, die de terugvloeiende golf hem schonk, stormde hij de grot uit.
In minder dan geen tijd had hij den hoek der steile kust bereikt, waar de gebroeders Melvill, Partridge en ook juffrouw Bess, welke laatste zich in haar ongeduld bij hen vervoegd had, den geheelen nacht post hadden gevat.
Olivier en Helena waren gered.
Maar daar week de overspanning van zedelijke en lichamelijke geestkracht, die Olivier Sinclair tot nu toe geschraagd had, op haar beurt eindelijk ook. Hij viel buiten kennis aan den voet der rotsen neer, nadat hij miss Campbell in de armen van juffrouw Bess had overgegeven.
Zonder zijn toewijding en zijn moed zou Helena de grot van Fingal niet levend hebben verlaten.
XXII.
DE GROENE STRAAL.
Eenige minuten later kwam miss Campbell, onder den invloed van de frischheid der lucht, in de grot van Clam Shell tot haar zelve. Het was alsof zij uit een droom ontwaakte, maar uit een droom, waarin het beeld van Olivier Sinclair de heldenrol vervuld had. Er was haar geen herinnering hoegenaamd bijgebleven van de gevaren, waarin haar onvoorzichtigheid haar gebracht had.
Zij was nog niet in staat te spreken; maar toen zij Olivier Sinclair te zien kreeg, blonken tranen van dankbaarheid onder haar schoone oogwimpers en reikte zij de hand aan haren redder.
Broeder Sam en broeder Sib omhelsden, zonder een enkel woord te kunnen uitbrengen, den jonkman in een gezamenlijke omarming, Juffrouw Bess neeg en neeg nogmaals voor hem, en den goeden Partridge ontbrak waarachtig de lust niet om hem te kussen.
Toen nam gelukkig de vermoeienis de overhand. Allen verwisselden hun kleedingstukken, die òf door het zeewater òf door den regen doorweekt waren, en sliepen in, om een zeer rustigen nacht door te brengen.
Maar de indrukken, die allen dien dag hadden opgedaan, zouden zoowel voor de handelende personen in het drama, dat tot schouwtooneel de legendarische grot van Fingal gehad had, als voor de toeschouwers, onuitwischbaar in hun geheugen achterblijven.
Daags daarna, terwijl miss Campbell op haar bedje rustte, dat in den achtergrond der Clam Shell grot voor haar gespreid was, wandelden de gebroeders Melvill arm in arm over den nabij gelegen straatweg. Zij spraken niet; maar hadden zij wel noodig te spreken om hun geheel overeenkomstige gedachten te vertolken? Beiden bewogen te gelijkertijd het hoofd op en neer, wanneer zij bevestigden; van rechts naar links, wanneer zij ontkenden. En konden zij anders bevestigen, dan dat Olivier Sinclair zijn leven had veil gehad om het onvoorzichtige jonge meisje te redden? En wat ontkenden zij? Dat hunne oorspronkelijke plannen, om miss Helena uit te huwelijken, thans onuitvoerbaar waren. In dat stommetjes-spel werden nog wel andere zaken medegedeeld, waarvan broeder Sam en broeder Sib de vervulling thans in een naaste toekomst te gemoet zagen. Voor hen was Olivier niet meer Olivier. Hij was niets minder dan Amin, de meest volmaakte held uit de zoo heldhaftige gaëlische heldengedichten.
Olivier Sinclair was van zijn kant ten prooi aan een geheel natuurlijke opgewondenheid. Een soort van uiterst kiesch gevoel bracht hem er toe, om alleen te willen zijn. Het zou thans een knellend gevoel voor hem zijn geweest, zich in tegenwoordigheid der gebroeders Melvill te bevinden, alsof zijne tegenwoordigheid alleen den prijs voor zijn toewijding van hen eischte.
Hij wandelde dan ook, na de grot van Clam Shell verlaten te hebben, geheel alleen op het plateau van Staffa.
Al zijne gedachten voerden hem in dit oogenblik als van zelf naar miss Campbell. Hij herinnerde zich zelf de gevaren niet, die hij had geloopen, die hij vrijwillig met haar had gedeeld. Wat hij zich van dien vreeselijken nacht herinnerde, waren de uren, in het bijzijn van Helena in dat donker toevluchtsoord doorgebracht, toen hij haar in zijn armen hield gesloten, om haar aan het geweld der baren te ontrukken. Hij zag bij het phosphoresceerend lichten der golven het gelaat van dat overschoone jonge meisje voor zich, het gelaat, dat wel ietwat bleek uitzag, niet door vrees, maar door vermoeienis, het gelaat dat boven de woedende zee en de kokende waterkolken verrees als de geest der stormen! Hij hoorde haar met een bewogen stem vragen: »Hoe wist gij het?" toen hij haar had gezegd: »Ik weet wat gij gedaan hebt, toen ik op het punt was om in de Corryvrekan-kolk om te komen! Hij vond zich terug in die smalle toevluchtsplaats, die als een nis veeleer gemaakt was, om een of ander koud steenen beeld te bevatten; de plaats waar twee jonge liefdevolle wezens geleden en, de een tegen den anderen aangedrukt, gedurende lange uren geworsteld hadden. Daar was het zelfs niet meer Sinclair en miss Campbell geweest. Daar hadden zij elkander Olivier en Helena genoemd, alsof zij in het oogenblik, waarin de dood hen naderde, zich aan een ander leven wilden vastklemmen!
Zoo openbaarden zich de meest opgewonden en de meest verhitte denkbeelden in het brein van den jonkman, toen hij daar op dat plateau van het eiland Staffa rondwandelde. Hoe groot zijn verlangen ook was om naar miss Campbell terug te keeren, zoo weerhield hem een overkomelijke macht ondanks hem zelven; omdat hij in hare tegenwoordigheid zijne gedachte niet zou hebben kunnen verbergend, en hij zich voorgenomen had te zwijgen.
Intusschen was het weder, zooals het gewoonlijk na plotseling ingetreden en plotseling verdwenen dampkrings-stoornissen geschiedt, bewonderenswaardig schoon geworden, en de hemel volmaakt helder en zuiver. Zeer dikwijls, ja veelal laten die dampkrings-zuiveringen door de zuidwestenwinden veroorzaakt, geen sporen na, en schenken zij aan de ruimte het prachtvolle ultramarijn blauw terug, dat slechts door een onvergelijkelijke zuiverheid kan ontstaan. De zon had het toppunt harer baan overschreden, zonder dat de geringste nevel den horizon had verduisterd.
Olivier Sinclair wandelde alzoo met een verhit brein, te midden dier machtige uitstraling, die door het bovenvlak van het eiland weerkaatst werd. Hij baadde te midden van die warme uitstroomingen, hij ademde de zeebries in en hardde zich in dien levendmakenden dampkring.
Plotseling kwam een gedachte bij hem op, toen hij den helderen gezichteinder beschouwde, die zich daar voor hem onmetelijk uitstrekte--een gedachte, die hem te midden van al de andere, die zijn brein thans vervulden, ontschoten was.
»De Groene Straal!" riep hij uit. »Wanneer ooit de hemel zich tot onze waarneming leent, dan is het van daag! Geen enkele wolk! geen enkel nevelblokje! En het is niet waarschijnlijk, dat er komen zullen, na dien schrikkelijken storm van gisteren, die alle dampen naar het oosten gedreven heeft. En miss Campbell, die niet gist, dat de avond van dezen dag haar een allerprachtigsten zons-ondergang bereidt!.... Ik zal.... ja, ik zal haar zonder verwijl moeten waarschuwen...."
Olivier Sinclair gevoelde zich gelukkig, zoo'n natuurlijk voorwendsel gevonden te hebben om bij Helena terug te komen en spoedde zich naar de grot van Clam Shell.
Hij bevond zich eenige oogenblikken later in het bijzijn van miss Campbell en haar beide ooms, die haar met innige toegenegenheid aankeken, terwijl juffrouw Bess haar bij de hand hield.
»Wel, voelt gij u beter, miss Campbell?...." vroeg hij. »Ja,.... ik zie het,.... de krachten zijn teruggekomen!"
»Ja, mijnheer Olivier," antwoordde miss Campbell trillend, toen zij den jonkman ontwaarde.
»Ik meen, dat gij wel zoudt doen," hernam Olivier Sinclair, »wanneer gij boven op het vlak een weinig van de lichte bries gingt inademen, die door den storm van gisteren gezuiverd is. De zon schijnt overheerlijk. Zij zal u verwarmen."
»Mijnheer Sinclair heeft gelijk," zei broeder Sam.
»Geheel en al gelijk," vulde broeder Sib aan.