De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht

Chapter 13

Chapter 133,817 wordsPublic domain

»Neen... neen... in Godsnaam niet naar Jona!" riep miss Campbell, die reeds de schaduw van Aristobulus Beerenkooi zag opdoemen.

»Wij zouden in de haven van Jona niet veiliger zijn dan hier op de ankerplaats van Staffa," merkte John Olduck op.

»Welnu, vertrek, kapitein," zei Olivier Sinclair, »vertrek onmiddellijk naar Achnagraig en laat ons hier te Staffa."

»Hier te Staffa," antwoordde John Olduck. »Hier te Staffa, waar gij zelfs geen huis hebt om in te schuilen!"

»Zou de grot van Clam-Shell voor die weinige dagen niet voldoende zijn?" hernam Olivier Sinclair. »Welk gebrek zullen wij daarin hebben? Geen nietwaar? Wij hebben aan boord voldoenden leeftocht, wij hebben het beddegoed onzer kooien, wij hebben kleêren genoeg tot wisseling. Dat alles kan onmiddellijk ontscheept worden. En eindelijk een kok; welnu, die zal niets liever doen dan bij ons blijven."

»Ja!... ja!..." juichte miss Campbell, terwijl zij van vervoering in de handen klapte. »Vertrek terstond met uw jacht naar Achnagraig en laat ons hier te Staffa achter. Wij zullen hier als verlatenen op een woest eiland zijn. Wij zullen er het leven van vrijwillige schipbreukelingen leiden. Wij zullen den terugkeer van de Clorinda bespieden met evenveel ontroering, met evenveel benauwdheden, met evenveel doodsangsten als Robinson Crusoë ondervonden heeft, toen hij een schip in volle zee ontwaarde en met inspanning van zijn geheel gezichtsvermogen uitkeek of dat vaartuig zijn eiland naderde. Wat zijn wij hier komen doen? Een roman in de werkelijkheid beleven, is het niet zoo, mijnheer Sinclair? En, waarde oompjes, wat zal er meer romanesk te bedenken zijn dan onze toestand hier? Daarenboven een storm, een windvlaag doorstaan op dit dichterlijk eiland, het woelen te mogen aanschouwen van deze noordelijke zee, den verheven strijd der ontketende elementen te kunnen waarnemen. O! ik zou het mij mijn geheele leven lang verwijten, zulke grootste natuurtafereelen gemist te hebben! Vertrek dus, kapitein Olduck, wij blijven hier en zullen u afwachten!"

»Maar..." begonnen de gebroeders Melvill, wien dit vreesachtig woord bijna te gelijker tijd ontsnapte.

»Ik meen, dat de oompjes een tegenwerping willen maken," viel miss Campbell in. »Ik geloof echter een middel te hebben om die tegenwerping te bestrijden, en hen onfeilbaar tot mijn gevoelen over te halen."

Zij stond op en gaf aan ieder hunner den morgenzoen.

»Ziedaar, dat is voor u, oom Sam!"

»En dit voor u, oom Sib!"

»Ik wed dat niemand uwer nog iets in te brengen zal hebben!"

De goede ooms dachten er niet meer aan nog een enkele tegenwerping te maken. Zoodra het hunne nicht voegde om te Staffa te blijven, waarom zou men dat verlangen niet inwilligen? Het kwam hun vreemd voor, dat zij niet allereerst dat zoo eenvoudig, zoo natuurlijk denkbeeld opgevat hadden, dat zoo goed aller belangen en aller inzichten waarborgde en voldeed?

Maar het denkbeeld was van Olivier Sinclair uitgegaan, en miss Campbell vermeende hem daarvoor in het bizonder te moeten bedanken.

Toen het besluit om te blijven genomen was, ontscheepten de matrozen de voorwerpen, die voor het verblijf der toeristen op het eiland benoodigd waren. Clam Shell was spoedig tot een voorloopige woning hervormd en werd met den weidschen naam van Melvill House gedoopt. Men zou er evengoed, ja zelfs beter zijn dan in de herberg van Jona. De kok beijverde zich een doelmatige plek voor zijn keukenwerkzaamheden bij den ingang der grot op te sporen, en vond die achter een uitstekende rots, die tot dat doel klaarblijkelijk geschapen was.

Toen verlieten miss Campbell met Olivier Sinclair en de gebroeders Melvill, alsook juffrouw Bess en Partridge, de Clorinda, en liet John Olduck het anker lichten, na de kleine vlet van het jacht, die den toeristen van groot nut kon zijn om van de eene rots naar de andere te komen, ter hunner beschikking gesteld te hebben.

Een uur later was de Clorinda met dubbel gereefde zeilen en met neergelaten stengen en onder haar stormfok onder weg en manoeuvreerde, om het eiland Mull ten noorden te ronden, ten einde Achnagraig langs de zeeëngte, die dat eiland van den vasten wal scheidt, te bereiken. Haar passagiers, op het hoogste punt van Staffa staande, volgden haar met de oogen, zoolang hun zulks mogelijk was. Onder den druk van den wind stuurboord overhellende, geleek zij een witte meeuw, die met rappe wiek de golftoppen scheert. Een half uur later was zij achter het eilandje Gometra verdwenen.

Maar, hoewel het weer dreigde, de dampkring was niet geheel en al beneveld. De zon drong nog door de groote wolkenscheuren, die de wind in het zenith veroorzaakte. Men kon nog over het eiland wandelen en den voet der basaltrotsen, waarop het rust, rondom volgen. Het eerste verlangen, dat miss Campbell te kennen gaf, was met hare ooms, de gebroeders Melvill, evenwel onder geleidde van Olivier Sinclair, de grot van Fingal te bezoeken.

De toeristen, die van den kant van Jona aankomen, doen dit gewoonlijk met de sloepen van de stoomboot van Oban. De mogelijkheid bestaat evenwel, om tot in haar volle diepte door te dringen, wanneer men op de rotsen ter rechter zijde ontscheepte, waar die als het ware eene soort bruikbare kaai vormden. Men kon zelfs op dien oever zonder vaartuig komen.

Olivier Sinclair besloot dan ook om de grot langs dien kant binnen te dringen, zonder de vlet van de Clorinda te gebruiken.

Men verliet dus Clam Shell. Men nam den natuurlijken weg, die de oostkust van het eiland omzoomt. Het uiteinde der loodrecht vlak naast elkander staande achtkante spijlen of zuilen vormde, alsof een ingenieur er zich mede bemoeid had, een stevigen en volkomen drogen straatweg aan den voet der groote rotsen. De wandeling werd al keuvelende afgelegd, terwijl men de eilandjes bewonderde, die soms door de branding werden gestreeld en wier grondvlak toch in het groene water tot op een groote diepte was te ontwaren. Er is geen bewonderenswaardiger pad uittedenken dan de weg, die naar die grot voert, welke overwaard is door den een of anderen held uit de Duizend en één nacht bewoond te worden.

Bij het zuid-oostelijke uiteinde van het eiland aangekomen, deed Olivier Sinclair zijn metgezellen eenige natuurlijke treden opklimmen, die de eeretrap van een paleis niet zouden ontsierd hebben.

In den hoek van het trapportaal verheffen zich de buitenpijlers, die, even als de zuilen van den kleinen tempel van Vesta te Rome, zich tegen de wanden der grot groepeeren, maar zoodanig naast elkander geplaatst zijn, dat zij het ruwe van den achtergrond bemantelen. Op hun toppeneind rust het ontzaglijk rotsgevaarte, dat dien hoek van het eilandje vormt. De schuine kloofvlakken dier rotsen, die volgens de meetkundige doorsnee der sluitsteenen van een verwulfsel schijnen gevormd te zijn, steken zonderling af bij den loodrechten stand der zuilen, die haar dragen.

Aan den voet van die traptreden rees en daalde de zee, wel is waar nog rustig, maar toch reeds minder kalm en reeds onder den invloed van het weer buiten, even als door de ademhaling van een levend wezen bewogen. Daar weerkaatsten de geheele grondvesten van de vervaarlijke rotsmassa hun beeld en wierpen een zwartachtige schaduw op de golvende wateren.

Op het boventrapportaal aangekomen, wendde Olivier Sinclair links om en toonde aan miss Campbell een soort smalle kade, of beter een door de natuur gevormde bank, die den wand tot bij het binnenste uiteinde der grot volgde. Eene leuning, gedragen door ijzeren spijlen, die in het basalt verankerd waren, diende tot handgeleide tusschen wand en den scherpen rotskant van die smalle kade.

»Oh!" zei miss Campbell, »die leuning bederft wel wat het tooverpaleis van Fingal."

»Maar wanneer zij nuttig is, moet men haar gebruiken," zei broeder Sam.

»En zie, ik gebruik haar," vulde broeder Sib aan.

Op raad van hun gids stonden de bezoekers een oogenblik stil bij den ingang van Fingals' spelonk.

Voor hen opende zich iets als een kerkgewelf, hoog en diep, gevuld met een geheimzinnig halfduister. De afstand van de beide zijwanden, aan het zeevlak genomen, bedroeg ongeveer vier en dertig voet. Ter rechter en ter linker zijde verborgen basaltzuilen, de eene tegen de andere gedrongen, zooals wel in sommige kathedralen uit het laatste gedeelte van het gothische tijdperk waargenomen wordt, de massa der stutmuren. Op de kapiteelen dier zuilen rustten de hellingen van een onmetelijk ogiefvormig gewelf, dat bij haar sluitstuk zich ruim vijftig voet boven den gemiddelden stand der water-oppervlakte verhief.

Miss Campbell en hare metgezellen, opgetogen bij dat eerste gezicht, moesten zich met geweld ontrukken aan hunne bewonderende beschouwing, om dit uitsteeksel, dat de innerlijke bank vormde te volgen.

Daar rangschikten zich in volmaakte orde honderden prismatische zuilen, van ongelijken omvang, geheel gelijk aan de voortbrengselen eener reusachtige kristalvorming. De fijne scherpe kanten komen zoo zuiver uit, alsof de beitel eens beeldhouwers ze bewerkt heeft. In de inspringende hoeken der eene sluiten de uitspringende hoeken der anderen aan. Deze zijn drievlakkig, de andere vier- vijf- zes- en zelfs zeven- en achtvlakkig, hetgeen bij de algemeene uniformiteit van het bouwstuk toch eene afwisseling aanbiedt, die den kunstzin der natuur voordeelig doet uitkomen.

Het licht, van buiten binnendringende, speelt op al die veelvlakkige hoeken. Op het binnenwater als door een spiegel teruggekaatst, gevoed als het ware op de schitterende vlakken der onderzeesche gesteenten, door de waterplanten groen of somber rood en helder geel getint, ontlokte dat licht duizende schitteringen op de hoeken en uitstekende punten der basaltrotsen, die de innerlijke nokken van dit overgelijkelijk onderaardsche gewelf met onregelmatige vakken tooide.

Binnen die grot heerschte een klankvolle stilte,--wanneer deze twee woorden in zoo ééne uitdrukking aan elkander mogen gekoppeld worden.--Dat is eene stilte, aan diepe holen eigen, die de bezoekers niet poogden te storen. Slechts de wind deed er een stroom van langgerekte akkoorden hooren, die uit eene droefgeestige serie van halfnoten schijnen te bestaan, welke zich verheffen en dan langzaam wegsterven. Men zou meenen al die prisma's onder dien machtigen adem te hooren weerklinken evenals de triltonen van een machtigen harp. Wellicht is aan dat zonderling geluid, de naam van An-Na-Vine, »de geheimzinnige grot," zooals die spelonk in de keltische taal genoemd wordt, te danken.

»En welke naam zou haar beter voegen?" vroeg Olivier Sinclair, »daar Fingal de vader van Ossian was, wiens genie de poëzie en de muziek als in ééne kunst heeft weten te vereenigen."

»Voorzeker," antwoordde broeder Sam, »maar zoo als Ossian het zelf zeide: »Wanneer zal mijn oor den zang der barden hooren? Wanneer zal mijn hart trillen en kloppen bij het verhaal van de heldendaden mijner voorvaderen. De harp doet de bosschen van Sebora niet meer weergalmen!"

»Ja," vulde broeder Sib aan, »het paleis is thans eenzaam en verlaten, en de echo's zullen de gezangen van weleer niet meer herhalen!"

De geheele diepte der grot wordt op ongeveer honderdvijftig voet geschat. Op den achtergrond van het hooge gewelf, verschijnt een soort van buffetorgel, waarop een zeker aantal zuilen verrijzen van minder omvang dan die bij den ingang, maar even volmaakt van lijnen als de laatstbedoelde.

Daar wilden miss Campbell, Olivier Sinclair en de beide ooms een oogenblik verwijlen.

Van dat punt was het verschiet, dat zich naar den kant van de volle lucht opende, bewonderenswaardig. Het water, als doortrokken van lichtdeelen, gaf de gesteldheid te zien van den onderzeeschen bodem der grot, die uit de toppeneinden van vier- tot zevenvlakkige zuilen bestond, welke zoodanig in elkander passen, dat zij als de vlakken van een mozaiekwerk aansluiten; op de zijwanden vertoonden zich verwonderlijke licht- en schaduweffekten. Alles verdween, doofde uit, wanneer een wolk voor den ingang der grot als voor het voorgedeelte van een tooneel voorbijgleed. Maar alles schitterde ook daarentegen en verlevendigde onder de zeven prisma-kleuren, wanneer een zonnestraal, door het kristalheldere water van den bodem teruggekaatst, in lichtgevende strooken tot zelfs het sluitstuk van het bovengewelf bescheen.

Buiten de grot brak de zee op de eerste grondvesten van den reusachtigen boog. Die omlijsting, zwart als een boordsel van ebbenhout, maakt geen inbreuk hoegenaamd op de fraaiheden van den achtergrond. Daar buiten verscheen de gezichteinder bij de aanraking van den hemel met het water in zijn geheelen luister, met het vergezicht op Jona, waar, op een afstand van twee mijlen, de bouwvallen van zijn klooster zich als wit uitgebeeld tegen de lucht afteekenden.

Allen, opgetogen over de tooverachtige tooneelversiering, wisten niet, hoe hunne bewonderende gevoelens te uiten.

»Welk tooverpaleis!" zei eindelijk miss Campbell, »en wat zou de man, met een prozaïschen geest bedeeld zijn, die weigeren mocht te gelooven, dat God het geschapen heeft voor de luchtgeesten en waternimfen. Voor wien toch zouden die tonen van de groote aeolische harp, door den adem der winden voortgebracht, weerklinken? Is dat niet de bovennatuurlijke muziek, die Waverley in zijn droomen hoorde; de stem van Selma, waarvan de zanger de akkoorden onder noten gebracht heeft, om er zijn helden mede te verrukken?"

»Gij hebt gelijk, miss Campbell," antwoordde Olivier Sinclair, »en ongetwijfeld heeft Walter Scott, wanneer hij zijn beelden in dat dichterlijk verleden der Schotsche Hooglanden zocht, aan het paleis van Fingal gedacht."

»Hier zou ik de schim van Ossian wenschen op te roepen," hernam het jonge meisje geestdrift vol. »Waarom zou de onzichtbare bard, na een slaap van vijftien eeuwen niet op mijn stem verschijnen? O! het is mij een weelderige behoefte te denken, dat die ongelukkige, blind als Homerus, dichter evenals hij, meer dan eens, wanneer hij de heldendaden van zijn tijdperk bezong een toevlucht in dit paleis heeft gezocht, dat nog den naam zijn vaders draagt! Hier hebben ongetwijfeld de echo's van Fingal zijn epische en lyrische ontboezemingen in den zuiversten gaëlischen tongval herhaald. Gelooft gij niet, mijnheer Sinclair, dat Ossian neergezeten was op de plek, waarop wij ons thans bevinden en dat de tonen zijner harp zich met de ruwe klanken van Selma's stem vermengd hebben?"

»Hoe zou het mogelijk zijn," antwoordde Olivier Sinclair, »geen geloof te slaan aan hetgeen gij met zoo innige overtuiging zegt?"

»Indien ik hem opriep?" mompelde miss Campbell.

En met haar frissche stem liet zij herhaalde malen den naam van den ouden bard te midden der windtrillingen weerklinken.

Maar al was het innig verlangen van miss Campbell ook groot, en al had zij hem ook tot driemaal toe opgeroepen, de echo alleen antwoordde haar. De schim van Ossian verscheen niet in zijn vaderlijk paleis.

De zon was middelerwijl achter dikke dampen verdwenen. De grot werd met zwarte schaduwen vervuld; de zee begon buiten op te komen, haar lange deininggolven kwamen reeds breken op de laatste basaltlagen in het achterste gedeelte der grot.

De bezoekers betraden dus weer het smalle pad, dat reeds meer dan half met de spatten der golven overdekt was. Ze sloegen den hoek van het eilandje om, waartegen de wind van uit volle zee met kracht loeide; toen bevonden zij zich, althans voor het oogenblik, in veiligheid op den straatweg.

Tijdens de twee uren, dat zij in de grot vertoefden, was het slechte weer aanmerkelijk toegenomen. De windvlagen wakkerden aan, terwijl zij zich op de kusten van Schotland wierpen, en dreigden aan te groeien tot een orkaan.

Maar miss Campbell en haar tochtgenooten, beschermd als zij waren door de basaltkusten, konden gemakkelijk de grot van Clam Shell bereiken.

Den volgenden dag vertoonde de kwikkolom van den barometer een nieuwe daling en ontketende zich de wind met groote woestheid. Zware en zwarte wolken vervulden het luchtruim, terwijl zij het aardrijk naderden.

Het regende nog niet, maar de zon bleef onzichtbaar en vertoonde zich zelfs niet bij korte tusschenpoozen.

Miss Campbell scheen niet zoo teleurgesteld door het slechte weder, als men meende te moeten duchten. Het verblijf op een verlaten eiland, dat door den storm gezweept werd, kwam met haar warmbloedig gestel overeen. Als een heldin van Walter Scott vond zij er genoegen in tusschen de rotsen van Staffa meestal alleen rond te dolen, en was dan in haren nieuwen gedachtenkring afgetrokken. Iedereen eerbiedigde haar zucht tot eenzaamheid.

Zij was ook verscheidene malen naar de grot van Fingal, welker dichterlijke vreemdsoortigheid haar aantrok, teruggekeerd. Daar bracht zij geheele uren in mijmering door en hield al heel weinig rekening met de aanbevelingen, die haar gedaan waren, om er niet onvoorzichtig in te dringen.

Daags daarna, den 9den September, bevond het maximum van de dampkringspressie zich ter hoogte van de Schotsche kusten. In de nabijheid van dat stormcentrum verplaatsten zich de luchtlagen met een weergaloos geweld. Het was in den volsten zin des woords een orkaan. Niets zou hem op de bovenste punt van het eiland kunnen weerstand bieden.

Tegen zeven uur des avonds, tijdstip, waarop het diner in Clam Shell werd opgedragen, hadden Olivier Sinclair en de gebroeders Melvill alle redenen om zich zeer ongerust te gevoelen.

Miss Campbell was tegen drie uur uitgegaan, zonder te zeggen waarheen, en nog was zij niet terug gekeerd.

Men oefende geduld tot zes uur, evenwel niet zonder dat de angstige ongerustheid voortdurend stijgende was. Miss Campbell kwam echter niet opdagen.

Olivier Sinclair was herhaalde malen op het bovenplat van het eiland geklommen, zonder haar te bespeuren....

De storm loeide met een onvergelijkelijke woede en de zee zweepte met haar torenhoog opgejaagde golven zonder verpoozen het gedeelte van het eilandje, dat naar het zuidwesten gekeerd was.

»Ongelukkige miss Campbell!" riep Olivier Sinclair eensklaps uit; »wanneer zij nog in de grot van Fingal is, dan moet zij er uitgehaald worden of zij is verloren!"

XX.

ALLES TER WILLE VAN MISS CAMPBELL!

Eenige oogenblikken later kwam Olivier Sinclair, nadat hij den straatweg met versnelden pas had afgelegd, voor den ingang der grot aan, ter plaatse, waar de basalt-trap zich verheft.

De gebroeders Melvill en ook Partridge waren hem op de hielen gevolgd.

Juffrouw Bess was te Clam Shell gebleven, om alles onder onuitsprekelijke angsten voor de ontvangst van Helena, wanneer zij terugkwam, voor te bereiden.

De zee was nu dermate gezwollen, dat zij het bovenste trapportaal bereikte. Zij sloeg reeds over de leuning en belemmerde iederen toegang langs het pad.

Uit de onmogelijkheid om binnen de grot te kunnen dringen volgde natuurlijk ook de onwaarschijnlijke kans om er uit te kunnen komen. Was miss Campbell daar binnen, dan was zij gevangen! Maar hoe zou men dit te weten komen?

»Helena! Helena!"

Zou die naam, uitgegalmd te midden van het onafgebroken geklots der golven, wel kans hebben om gehoord te worden? Het was inderdaad een gedonder èn van den wind èn van de zee, die zich daar met onbeschrijfelijk geweld binnen die grot stortte. Noch geluid, noch oog waren machtig genoeg, om daar thans door te dringen.

»Misschien is miss Campbell daar niet in," zei broeder Sam, die zich aan die hoop wenschte vast te klemmen.

»Waar zou ze dan zijn?" vroeg broeder Sib.

»Ja juist, waar zou zij dan zijn!" riep Olivier Sinclair uit. »Heb ik haar dan niet te vergeefs op het plat van het eiland, en te midden van de rotsen langs het strand, ja overal gezocht? Zou zij niet reeds bij ons teruggekomen zijn, wanneer dit mogelijk ware?"

»Neen zij is daar!.... daar!"

En men herinnerde zich het geestdriftvolle maar vermetel onbezonnen verlangen, dat het jonge meisje verscheidene malen had aan den dag gelegd, om eens een storm in de grot van Fingal te kunnen bijwonen. Had zij dan vergeten, dat de zee, door den orkaan opgezweept, daar binnen moest dringen, haar met haar razende golven tot aan het gewelf vullen en er een gevangenis van zou maken, welker deur met geen geweld was open te breken?

Wat kon men nu beproeven, om bij haar te komen en haar te redden?

Onder den aandrang van den orkaan, die dezen hoek van het eilandje met volle kracht geeselde, verhieven zich de golven soms tot bij het bovenste gedeelte van het gewelf. Daar braken zij met een oorverdoovend geraas. Het te veel binnen gedrongen water werd door den terugstoot naar buiten geworpen en viel in schuimende stroomen terug op de buitenste rotsen, even als de waterstralen van den Niagara-val. Maar het benedenste gedeelte der golven, onder den machtigen aandrang van de deining uit volle zee, stortte zich met de kracht van een bergstroom, wiens afsluitdijk plotseling bezweken is, binnen de grot. Het was dus tegen den achterwand zelf der spelonk, dat de zee klotste met oorverdoovend geweld.

Op welke plek daar binnen zou miss Campbell een toevlucht, die voor dien golfslag veilig zou zijn, hebben gevonden? De opening der grot was geheel en al aan de woede der wilde baren blootgesteld, die bij hunne uitstrooming, zoowel als bij hun binnenkomen, het pad onweerstaanbaar moesten schoonvegen.

En toch, men trachtte nog te twijfelen, of het jonge meisje daar zou zijn. Hoe zou zij weerstand hebben kunnen bieden aan zoo'n binnendringen der woedende zee in dit slop zonder uitgang? Was haar verminkt en verscheurd lichaam, door den terugstroom meegesleurd, niet reeds naar buiten gevoerd? Had de aanrollende zee, die langs de kust liep, haar reeds snel meegesleept onder langs den straatweg en de klippen, tot bij de grot van Clam Shell?

»Helena! Helena!!"

Die naam weerklonk onophoudelijk te midden van het geloei van den wind, het gedonder en het geklots der golven. Maar geen kreet die daarop antwoord gaf, of ook antwoord kon geven.

»Neen! neen! zij is niet in die grot!" herhaalden de gebroeders Melvill als wanhopigen.

»Jawel, zij is er!" bevestigde Olivier Sinclair met overtuiging.

En met den vinger wees hij op een stuk stof, dat door den terugloop der golven op een der basalttreden geslingerd werd.

Olivier Sinclair stormde de trap af, om die lap te bezichtigen.

Het was de »snod," het Schotsche lint, dat miss Campbell in heur haren droeg.

Was thans nog twijfel mogelijk?

Maar wanneer dat lint haar ontrukt had kunnen worden, was miss Campbell dan niet door denzelfden golfslag tegen de wanden van Fingal's spelonk verbrijzeld en verpletterd?

»Oh! ik moet het weten?" riep Olivier Sinclair uit.

En van een terugstrooming der golven gebruikmakende, die het pad halverwege ontblootte, greep hij de eerste spijlen der trapleuning; maar een onmetelijke watermassa stortte zich op hem, sloeg hem van de been en smakte hem op het trapportaal neer.

Wanneer Partridge zich niet met het grootste levensgevaar op hem geworpen en hem gegrepen had, Olivier Sinclair ware tot op de benedenste treden naar onderen gerold en zou de zee hem medegesleept hebben, zonder dat het mogelijk was, hem hulp te verleenen.

De jonkman was opgestaan, maar voelde zijn ijver, om binnen de grot te dringen, niet verkoelen.

»Miss Campbell is daar!" herhaalde hij voortdurend. »Zij is levend daar binnen, dewijl haar lichaam niet naar buiten geworpen is, even als dit lapje stof! Het is dus niet onmogelijk dat zij een toevlucht binnen een of andere uitholling gevonden zal hebben! Maar haar krachten zullen weldra uitgeput zijn! Zij zal onmogelijk weerstand kunnen bieden tot op het oogenblik, dat de eb zal ingetreden zijn!... Wij moeten haar dus bereiken!"

»Ik zal gaan!" zei Partridge.

»Neen!... ik!" antwoordde Olivier Sinclair.

Een uiterste middel om bij miss Campbell te komen, zou door hem beproefd worden. Evenwel zelfs dat middel zou ter nauwernood één kans van slagen aanbieden tegen negen en negentig anderen van mislukken.

»Wacht ons hier, heeren," zei hij tot de gebroeders Melvill. »Binnen vijf minuten zijn wij terug. Kom Partridge!"