De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht
Chapter 12
Miss Campbell had bij het aanbreken van den dag bezit genomen van een lief en bevallig kamertje, dat zich in het achteruit van het jacht bevond. De beide broeders betrokken de hutten van de »Main Cabin," die in de nabijheid van het salon in het breedste gedeelte van het schip zeer gemakkelijk ingericht waren. Olivier Sinclair had een hut achter de groote trap, die naar het salon voerde. Ter weerszijde van de eetzaal, waarin de groote mast stond, beschikten juffrouw Bess en Partridge ieder over een kribkooi. Meer vooruit stond de keuken in wier nabijheid de kok logeerde. Nog verder vooruit bevond zich het matrozen-logies, waarin de noodige hangmatten voor de zes matrozen. Niets ontbrak aan dit fraaie vaartuig, dat door Rotsey en Cowes gebouwd was. Bij gladde zee en stijve bries had het steeds eer ingelegd tijdens de zeilwedstrijden van de »Royal Thames yacht Club."
Het was een waar genoegen voor allen, toen de Clorinda zeil gemaakt had en, nadat haar anker gelicht was, den wind begon te vatten in haar groot zeil, haar achterzeil, haar stagfok en vlieger. Zij boog bevallig onder den druk der bries, zonder dat haar witgeschuurd dek, van Canada-pijnboomen dekbalken vervaardigd, ook maar een spatje overnam van de golfjes, welke door den steven gesneden werden, die zich loodrecht boven de waterlijn verhief.
De afstand, die deze beiden Hebriden-eilanden Jona en Staffa van elkander scheidt, is zeer klein. Met goeden wind zouden twintig à vijfentwintig minuten voldoende zijn geweest om dien af te leggen voor een jacht, dat zonder moeite en zonder met zeil overladen te worden, zijn acht mijlen loopt in het uur. Maar het had in dit oogenblik den wind, die slechts flauw blies, tegen; de eb liep en het was tegen een vrij merkbaren stroom in, dat gelaveerd moest worden om ter hoogte van Staffa te komen.
Maar dat alles kon miss Campbell weinig schelen. Dat de Clorinda onder zeil was, kon als het voornaamste gerekend worden. Een uur later was Jona in den morgennevel verdwenen en met dat eiland ook het verafschuwde beeld van dien plezier-bederver, wiens naam Helena zelfs wilde vergeten.
Openhartig bekende zij dat aan haar ooms:
»Heb ik geen gelijk, papa Sam?"
»Volkomen gelijk, mijn waarde Helena."
»En keurt mama Sib mijn meening niet goed?"
»Ten volle."
»Welnu," voegde zij er bij, terwijl zij aan ieder hunner een zoen gaf, »gij moet mij toch toegeven, dat ooms, die mij zoo'n man wilden doen huwen, een wonderlijk denkbeeld gekoesterd hebben."
Beiden ontkenden het niet.
Alles wel beschouwd, was het een overheerlijke spelevaart, waaraan slechts het gebrek kleefde van te kort te duren. Maar wie belette die te verlengen en het vaartuig den Groenen Straal te gemoet te laten gaan, hem in den vollen Atlantischen Oceaan op te zoeken? Maar neen! Men was overeengekomen naar Staffa te stevenen, en John Olduck nam zijn maatregelen, om dit eilandje, dat het meest beroemde van al de Hebridische eilanden is, bij het doorkomen van den vloed te bereiken.
Tegen acht uur, werd het eerste ontbijt, bestaande uit thee, boter en »sandwich's" in de eetzaal van de Clorinda voorgezet. De gasten allen goed gemutst, deden de tafel aan boord alle eer aan en betreurden den wal niet. Die ondankbaren!
Toen miss Campbell op het dek terug kwam, was het jacht over stag gegaan en lag bakboord over. Het stevende naar den prachtigen vuurtoren terug, die op de Skerryvoren rots gebouwd is en op honderd vijftig voet boven hoogwater zijn licht van den eersten rang des nachts laat schijnen. De bries stak op; de Clorinda worstelde onder haar groote waterzeilen tegen den stroom, maar won weinig in de richting van Staffa. En toch, zij »schoor als over de veeren", om de schotsche uitdrukking te bezigen voor de snelheid van haar vaart.
Miss Campbell had zich op een van de dikke kussens van grof linnen uitgestrekt, die aan boord van alle britsche pleizier-vaartuigen worden aangetroffen. Zij was verrukt over die snelheid van beweging, die noch door het geschok van een straatweg, noch door het getril van een spoorweg veronaangenaamd werd, over de snelheid, als van een schaatsenrijder, die met volle vaart over de spiegelgladde oppervlakte heenglijdt van een bevroren meer. Niets was bevalliger te zien dan de elegante Clorinda, die lichtelijk over één zij gebogen, met de deining op en neer ging. Soms scheen zij in de lucht te zweven als een buitengewoon groote vogel, die door zijn machtige wieken wordt gedragen.
De zee, waarop men voer, was van het noorden naar het zuiden door de groote Hebriden en ten oosten door de vaste kust gedekt. Zij vormt daar een binnenwater, welks oppervlakte door de bries nog niet was bewogen.
Het jacht liep in schuine richting op het eiland Staffa aan, dat zich voordoet als een groote dikke rots, die eenzaam meer zeewaarts van het eiland Mull is gelegen en zich niet hooger dan honderd voet boven de hoogste springvloeden verheft. Men kon gelooven, dat die rots het was, die van plaats veranderde en nu eens haar steile basaltachtige oevers van den westkant en dan weer de ruwe opeenstapeling van rotsblokken op haren oostkant te zien gaf. Door een soort van gezichtsbedrog scheen zij te draaien op haar grondvlak naar gelang de hoeken, waaronder de Clorinda haar nu eens naderde en dan zich weer van haar verwijderde.
Toch won het jacht een weinig, in weerwil van den stroom en van de bries. Wanneer het buiten de uiterste punten van Mull westwaarts opstevende, dan schudde de zee het heviger, maar het hield zich daarbij uitstekend tegen den golfslag, die uit volle zee aanrolde. Bij den volgenden slag kwam het weer in stiller water, die het bewoog als ware het de wieg van een pasgeboren kind.
Tegen elf uur was de Clorinda genoegzaam in het noorden opgestoken om te kunnen afhouden op Staffa. De schooten werden gevierd, de vlieger gegeid en de kapitein maakte zich gereed om ten anker te gaan.
Er is geen haven te Staffa, maar het is bij alle winden aldaar gemakkelijk langs de steile oostkust te glijden, te midden van de grillig verspreide rotsen ten tijde der schommelingen van de aardkorst in de geologische tijdperken. Evenwel zou het bij zeer bar weer een zeer slecht vaarwater zijn voor een vaartuig van een zekeren diepgang.
De Clorinda stevende dus vrij dicht langs een opeenhooping van zware basaltrotsen. Zij bewoog zich behendig, liet ter eene zijde de Bouchaillie rots liggen, aan wier voet bij den lagen stand der eb, de prismatische zuilen, die als in bundels zijn samengevat boven water uitsteken, aan de andere zijde den straatweg, die ter linkerzij langs de kuststrook voert. Daar is de beste ankerplaats van het geheele eiland, daar nemen de sloepen de toeristen weer op, die zij aangebracht hebben, na hun wandeling op de hoogten van Staffa.
De Clorinda drong een kleine kreek binnen, bijna aan den ingang van de Clam-Shell-grot gelegen. De zeilen werden geborgen en weldra plompte het anker in het water en vond een goeden ankergrond.
Miss Campbell en haar metgezellen ontscheepten een oogenblik later op de eerste treden van basalt ter linkerzijde van de grot. Een houten trap, voorzien van een stevige leuning, voerde van de oppervlakte der zee tot op den afgeronden top van het eiland.
Allen klommen daar langs op en bereikten het bovenste plat.
Zij waren alzoo eindelijk te Staffa en zoodanig van de bewoonde wereld afgescheiden, alsof een storm hen op het meest verlaten eiland der Stille Zuidzee had geworpen.
XVIII.
STAFFA.
Staffa is maar een eilandje, dat 's waar; maar de natuur heeft er het meest belangwekkende van den geheelen Hebriden-Archipel van gemaakt. Het groote eivormige rotsblok, dat een mijl lang en een halve breed is, verbergt onder zijn korst bewonderenswaardige grotten van basaltischen oorsprong. Het is dan ook een zeer gezocht punt van samenkomst, zoowel voor de geologen, als voor de toeristen. Noch miss Campbell noch de gebroeders Melvill hadden evenwel vroeger Staffa bezocht. Alleen Olivier Sinclair kende er de bewonderenswaardigheden van. Hij was dus de aangewezen persoon om de eer van het eiland op te houden, waarheen zij gekomen waren om voor eenige dagen gastvrijheid te genieten.
De rots heeft alleen het aanzijn te danken aan de kristalvorming van een overgrooten basaltknoest, die daar in de eerste tijdperken van wording der aardkorst gestold is. En dat dagteekent niet van gisteren; want volgens de waarnemingen van Hemholtz--welke als gevolgtrekkingen van de proefnemingen van Bisschof over de afkoeling van den basalt, die niet in gesmolten toestand heeft kunnen voorkomen dan bij een hitte van twee duizend graden, te beschouwen zijn--is er niet minder noodig geweest om de geheele afkoeling van dat blok te bewerken, dan drie honderd vijftig millioen jaren. Het is dus fabelachtig lang geleden, dat de aarde na eerst in den gasvormigen, daarna in den vloeibaren toestand bestaan te hebben, begon met een vaste korst te vertoonen.
Zoo Aristobulus Beerenkooi tegenwoordig ware geweest, zou hij stof te over hebben gehad voor de een of andere verhandeling over de verschijnselen uit de geologische tijdperken. Maar gelukkig was hij ver af; miss Campbell dacht niet meer aan hem en, broeder Sam fluisterde in het oor van broeder Sib:
»Men moet die vlieg stil op den muur laten zitten."
Schotsch spreekwoord: gelijk aan het Nederlandsche: »men moet geen slapende honden wakker maken.".
Men vergenoegde zich met rond te kijken en men keek elkaar ook eens aan.
»Wij moeten eerst bezit nemen van ons nieuw domein," zei Olivier Sinclair.
»Zonder uit het oog te verliezen, waarom wij er gekomen zijn," sprak miss Campbell met een bekoorlijken glimlach.
»Zonder dat uit het oog te verliezen, zou ik meenen!" bevestigde Olivier Sinclair. »Kom, laat ons een waarnemingspost kiezen en nagaan welken gezichteinder zich westwaarts van ons eiland uitstrekt."
»Zeker," zei miss Campbell. »Maar de lucht is een weinig beneveld vandaag. Ik geloof niet, dat wij gunstige verwachtingen van den zons-ondergang te koesteren hebben."
»Wij kunnen wachten, miss Campbell, en willen dit, desnoods totdat de equinoxiable stormen intreden."
»Ja, wij zullen wachten!" verzekerden de gebroeders Melvill,... »tenzij Helena bevelen geeft te vertrekken."
»Oh! ik heb geen haast," antwoordde het jonge meisje, dat zich sedert hun vertrek van Jona zeer gelukkig gevoelde. »Neen, ik heb geen haast. De ligging van dit eilandje is heerlijk. Een villa, die hier op dit weiland, dat zich als een fraai groen tapijt uitstrekt, gebouwd werd, zou niet onaangenaam te bewonen zijn, zelfs wanneer de windvlagen, die Amerika ons zoo mild toezendt, over de rotsen van Staffa huilen."
»Hm! hm! die moeten toch schrikkelijk zijn, hier op die uiterste grens van den Atlantischen Oceaan!" zei broeder Sib.
»En dat zijn ze ook waarlijk," verzekerde Olivier Sinclair. »Staffa staat geheel en al bloot aan al de winden, die uit volle zee waaien en biedt slechts eenige beschutting op zijn oosterstrand aan, aan de zijde, waar de Clorinda voor anker ligt. Het slechte seizoen duurt negen maanden van de twaalf op dit gedeelte van den Atlantischen Oceaan.
»Dat is zeker de reden," merkte broeder Sam op, »dat wij geen enkelen boom bespeuren. Iedere plant moet hier op dit plateau te niet gaan, wanneer zij zich slechts weinige voeten boven den grond verheft."
»Welnu, zou het u niet kunnen bekoren, hier op dit eilandje twee of drie zomermaanden door te brengen?" vroeg miss Campbell.--»Gij moest Staffa koopen, oompjeslief, wanneer Staffa te koop is."
Broeder Sam en broeder Sib hadden reeds de hand in den zak gestoken, alsof het dadelijk gold, dien aankoop komptant te betalen en handelden daarbij als ooms, die geen enkele gril hunner nicht onvervuld willen laten.
»Wien behoort Staffa?" vroeg broeder Sib.
»Aan de familie der Mac Donald's," antwoordde Olivier Sinclair. »Zij verpacht het voor twaalf pond (honderd vier en veertig gulden) 's jaars; maar ik geloof, dat zij het voor geen som ter wereld zouden willen verkoopen."
»Dat 's jammer!" zei miss Campbell, die, zooals men weet, van een geestdriftvolle geaardheid was en zich nu in een geestesvervoering bevond, die haar opgetogenheid nog vermeerderde.
Al keuvelende doorkruisten de nieuwe gasten van Staffa de oneffen oppervlakte van hun eiland, die hier en daar met groenende grasstrooken bedeeld is. Het was de dag niet, door de Stoomvaart-maatschappij te Oban bestemd voor het bezoek der kleine Hebriden. Miss Campbell en haar geleiders hadden dan ook niets te vreezen van lastige toeristen. Zij bevonden zich alleen op de eenzame rots. Eenige paarden van zeer klein ras en enkele zwarte koeien graasden er en vonden in het magere gras niet veel voedsel. Hier en daar staken lava-beddingen door de dunne humuslaag heen. Geen herder paste op die dieren en bewaakte men de viervoetige eilandbewoners, dan was het van uit de verte--misschien van Jona of zelfs van de kuststrook van Mull, dat vijftien mijlen oostwaarts gelegen is.
Er was ook geen huis te bekennen. Alleen stonden er de overblijfselen eener hut, welke door de verschrikkelijke stormen, die zich gewoonlijk tusschen de herfst- en lente-evening ontketenen, verwoest was. Waarlijk, twaalf pond was een mooie pachtschat voor eenige bunders weiland, dat er geschoren uitzag, alsof het oud fluweel was, dat tot op den ketting was versleten.
Het onderzoek van de oppervlakte van het eilandje was gauw genoeg afgeloopen; men kon toen overgaan om den gezichteinder waar te nemen.
Klaarblijkelijk had men dien avond niets van den zonsondergang te verwachten. Met de veranderlijkheid, die de Septemberdagen kenschetsen, was de hemel, die daags te voren zoo helder was, weer geheel beneveld. Tegen zes uur vertoonden zich eenige roodachtige wolken, van de soort, die een aanstaande storing in den dampkring aanduiden, en ontdekten zij den westelijken horizon. De gebroeders Melvill moesten zelfs, hoewel tot hun leedwezen, erkennen dat de aneroïde barometer van de Clorinda naar »veranderlijk" terugkeerde, en zelfs een neiging vertoonde dat te overschrijden.
Allen keerden dan ook naar boord terug, nadat de zon was ondergegaan achter een donkere kim, die door de deinende golven, welke uit volle zee aanrolden, nog onzuiverder gemaakt was. De nacht werd rustig doorgebracht in de kleine kreek, die door de ribben van Clam-Shell gevormd was.
Daags daarna, den 7den September, werd tot een zeer ernstige verkenning van het eilandje besloten. Na het onderzoek van het bovendek, betaamde het, dat hetgeen er onder zat ook doorsnuffeld werd. Moest men den tijd niet dooden, nu door een waar noodlot--alleen aan Aristobulus Beerenkooi te wijten--tot nu toe de waarneming van het natuurverschijnsel verhinderd was? Daarenboven, zou men het uitstapje naar de grotten, die dat onnoozel eilandje der Hebriden zoo beroemd gemaakt hebben, niet behoeven te betreuren.
Allereerst werd dien dag overgegaan om den kelder van Clam-Shell, voor welks opening het jacht ten anker lag te onderzoeken. De kok nam, op raadgeving van Olivier Sinclair, alle voorbereidende maatregelen om zelfs het ontbijt daarin te kunnen voordienen. Daar zouden de gasten wanen, in het hol van een schip opgesloten te zitten. En inderdaad, die veertig of vijftig voet lange prisma's, die als het geraamte der grot vormden, konden zeer wel met de gebinten van een schip vergeleken worden.
De grot, welke dertig voet hoog, vijftien breed en honderd diep was, kon gemakkelijk binnen gedrongen worden. Haar opening is nagenoeg oostwaarts gekeerd, waardoor zij tegen de stormvlagen gedekt is. De groote golven, die door de orkanen in de andere grotten van het eilandje gezweept worden, konden haar niet bereiken. Maar zij was daarom wellicht niet minder belangwekkend.
En toch is de aard van die basaltbogen, die eerder door 's menschen handen dan door de natuur gevormd schijnen, wel geschikt om bewondering uit te lokken.
Miss Campbell was zeer opgetogen over haar bezoek aan die grot. Olivier Sinclair deed haar de schoonheden van Clam Shell opmerken, met minder wetenschappelijken omhaal den Aristobulus Beerenkooi zulks zou gedaan hebben, maar daarentegen met meer kunstzin voorzeker.
»Ik wenschte wel een herinnering aan ons bezoek aan de Clam-Shell-grot te hebben," zei miss Campbell.
»Niets is gemakkelijker," antwoordde Olivier Sinclair.
En met weinige potloodstreepen vervaardigde hij een schets van de grot genomen van de rots, die aan het uiteinde van den basaltweg uitsteekt. De opening der grot, het uiterlijke van een overgroot zee-zoogdier, dat afgaande op de wanden tot geraamte vergaan was; de lichte trap, die naar den top van het eiland voert; het zoo stille en zoo heldere water bij den ingang en waarin de geheele basaltmassa zich spiegelt, dat alles werd heel kunstig op een albumblaadje te voorschijn getooverd.
De jeugdige schilder plaatste aan den voet der teekening het navolgend onderschrift, dat volstrekt niet schaden kon:
Olivier Sinclair aan Miss Campbell.
Staffa, 7 September 1881.
Toen het ontbijt genuttigd was, liet John Olduck de grootste der twee sloepen van de Clorinda optuigen. De passagiers stapten er in, en, de schilderachtige oevers van het eiland omzeilende, begaven zij zich naar de grot de Schuit, aldus genaamd, omdat de zee de geheele binnenruimte bespoelt en men er niet zonder vaartuig binnen kan dringen.
Deze grot is op het zuidwestelijk gedeelte van het eiland gelegen. Bij eenigszins hooggaande deining, zoude het zeer onvoorzichtig zijn er in te varen; want dan is de beweging van het water daarbinnen hevig. Maar dien dag was de wind nog niet opgestoken, hoewel het dreigend weer was. Het bezoek aan die grot leverde dus geen gevaar op.
Juist toen de sloep van de Clorinda vóór de opening van die diepe uitholling was aangekomen, liet de stoomboot, met toeristen van Oban bevracht, haar anker in het gezicht van het eiland vallen. Gelukkig zouden onze vrienden, gedurende het tijdsverloop van twee uur, dat Staffa aan de passagiers van de Pioneer toebehoorde, niet gehinderd worden. Zij bleven onopgemerkt in hunne grot de Schuit, terwijl de anderen het voorgeschreven bezoek aan de Fingalsgrot brachten en de oppervlakte van het eiland doorkruisten. De gelegenheid ontbrak dus, om met die wel wat levendige bezoekers in aanraking te komen, waarover miss Campbell en haar metgezellen niet rouwig waren. En inderdaad, waarom zou Aristobulus Beerenkooi, nadat zijn reisgezellen zoo plotseling verdwenen waren, niet aan boord van de stoomboot, die te Jona aanlegde, gestapt zijn, om naar Oban terug te keeren. Van alle ontmoetingen, was men er wel op uit om die te mijden.
Maar hoe het ook zij, of de teleurgestelde minnaar zich bevond onder de bezoekers van den 7den September of niet, zooveel is zeker, dat geen enkele op Staffa was teruggebleven, toen de stoomboot vertrokken was. Toen miss Campbell, de gebroeders Melvill en Olivier Sinclair uit de lange schacht traden, uit een soort tunnel zonder uitgang, die in het basalt zou geboord zijn, was de kalmte op het rotsige eiland Staffa, daar aan de uiterste grens van den Atlantischen Oceaan, weergekeerd.
Men gewaagt van een zeker aantal beroemde spelonken, die in menige streek van den aardbol, maar voornamelijk in de vulkanische aardlagen worden aangetroffen. Zij zijn, naarmate van hun oorsprong, onderscheiden in neptunische of plutonische.
En inderdaad, de eene soort van die holen is gevormd door de uitwerking van het water, dat zelfs de granietmassa's invreet, afslijt, oplost, zelfs zoodanig, dat uitgestrekte holen ontstaan. Zoo zijn de grotten van Crozen in Bretagne, die van Bonifacio op Corsica, van Morghatten in Noorwegen, van Sint Michiel te Gibraltar, van Saratchel op de kust van het eiland Wight, van Han en Rochefort in België, van Tourana in de steile marmerkust van Cochinchina.
De andere soort, op geheel andere wijze gevormd, heeft haar ontstaan te danken aan de inkrimping der graniet- of basalt-wanden, teweeggebracht door de afkoeling van de heete rotsen in het plutonisch tijdperk. Zij bezitten in den regel een grootscher karakter, dat aan de grotten van neptunischen oorsprong ontbreekt.
Bij de eerste heeft de natuur, haar grondbeginselen steeds getrouw, krachtsinspanning, bij de tweede tijd bezuinigd.
Onder de plutonische grotten, die door de werking van het vuur ontstaan zijn, behoort in de eerste plaats genoemd de Fingal's grot--de Fingal's kelder, zooals de prozaïsche uitdrukking der Engelschen luidt.
Aan het bezoek van dat wereldwonder zou de volgende dag worden gewijd.
XIX.
DE FINGAL'S GROT.
Indien de kapitein van de Clorinda gedurende de laatste vier en twintig uren zich in een der havens van het Vereenigd Koninkrijk bevonden had, zou hij kennis hebben bekomen van een meteorologisch bericht, dat weinig geruststellends bevatte voor de schepen, die zich zeilende of stoomende op dit gedeelte van den Atlantischen Oceaan bevonden.
En inderdaad, de telegraaf van New-York had een stormvlaag aangekondigd. Die stormvlaag dreigde, na den Atlantischen Oceaan van het westen naar het noord-oosten te zijn overgestoken, zich met alle woestheid op de kusten van Ierland en Schotland te werpen, alvorens haar krachten op de kusten van Noorwegen te verspillen.
Maar bij gebrek aan dat weerbericht, duidde de barometer van het jacht toch een groote atmospherische stoornis aan, waarmede ieder voorzichtig zeeman rekening moest houden.
Dien morgen van den 8sten September dus beklom John Olduck, nog al verontrust, den rotsrand, die Staffa in het westen begrenst, ten einde den toestand van de zee en van den dampkring te onderzoeken.
Wolken met zeer onscherpe vormen, eigenlijk meer nevelflarden joegen reeds met groote snelheid door de luchtruimte. De bries stak meer en meer op en zou weldra aangroeien tot storm. De zee, met schuim overdekt, was melkwit. De golven braken met kracht op de basaltkegels, die den grondslag van het eilandje vormen.
John Olduck was lang niet gerustgesteld. Hoewel de Clorinda in de kreek van Clam Shell eenigermate gedekt lag, zoo was dit toch geen veilige ankerplaats, zelfs voor een vaartuig van geringe afmeting. De aandrang van het water, dat tusschen de eilandjes en den ooster straatweg gezweept werd, moest een zeer gevaarlijke branding doen ontstaan, die den toestand van het jacht hachelijk zou maken. Het was dus zaak een besluit te nemen, en dat wel spoedig ook, althans voor dat de doorgangen tusschen de eilandjes door den zwaren golfslag ontoegankelijk zouden zijn.
Toen de kapitein aan boord terug was, vond hij zijn passagiers op het dek vereenigd. Hij deelde hun zijn vermoedens mede en wees hen op de noodzakelijkheid om zoo spoedig mogelijk het anker te lichten. Draalde men daarmede, dan was het te vreezen, dat men een onhoudbare zee zou vinden in de engte van vijftien mijlen breed, die Staffa van het eiland Mull scheidt. En men moest achter dat eiland een toevlucht gaan zoeken, meer in het bizonder in de kleine haven van Achnagraig, waar de Clorinda niets dan de winden uit volle zee had te vreezen.
»Staffa verlaten!" begon miss Campbell uit te roepen. »Zoo'n heerlijken gezichteinder prijsgeven!"
»Ik geloof, dat het zeer gevaarlijk zou zijn hier op de ankerplaats van Clam Shell te blijven," antwoordde John Olduck.
»Maar als het moet! waarde Helena," zei broeder Sam.
»Ja, als het moet!" herhaalde broeder Sib.
Olivier Sinclair, die het ongenoegen bespeurde, dat het overhaast vertrek bij miss Campbell te weeg bracht, kwam tusschenbeide.
»Kapitein Olduck," vroeg hij, »hoelang kan die storm duren?"
»In dit jaargetij," antwoordde de kapitein, »hoogstens twee of drie dagen."
»En gij oordeelt het vertrek noodzakelijk?"
»Noodzakelijk en daarbij spoed dringend!"
»Wat zijn dan uw plannen?"
»Om terstond onder zeil te gaan. Met den meer en meer opstekenden wind zullen wij, voor dat de avond invalt, te Achnagraig zijn. Wij kunnen te Staffa weerom komen, wanneer de storm overgewaaid is.
»Maar waarom niet naar Jona teruggekeerd, wat de Clorinda binnen het uur zou kunnen bereiken?" vroeg broeder Sam.