De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht
Chapter 11
»Mijn redeneeringen komen geheel en al met den aard der dingen overeen," antwoordde Aristobulus Beerenkooi. »Ik ben juist bezig een verhandeling over dit onderwerp op te stellen, die ik eerstdaags zal uitgeven."
»Kom, laten wij weggaan!" zei miss Campbell, werkelijk vertoornd, tot hare ooms. »Die mijnheer Beerenkooi zou mij met zijn uitleggingen mijn Groenen Straal bederven!"
Olivier Sinclair wendde zich toen tot den pedanten geleerde:
»Mijnheer," zei hij, »ik denk dat uw verhandeling nopens den Groenen Straal voorzeker belangrijk zal zijn; maar veroorloof mij u op een anderen arbeid te wijzen, die misschien nog belangwekkender is."
»En welke dan, mijnheer?" vroeg Aristobulus Beerenkooi, terwijl hij zich op zijn hakken verhief, evenals een haan op zijn sporen.
»Gij zult voorzeker weten, dat eenige geleerden het zoo belangrijke vraagstuk: Over den invloed van den staart der visschen op de golvingen der zee wetenschappelijk behandeld hebben?...."
»Mijnheer!!!...."
»Welnu, er is nog een ander werk, dat ik u ook in het bizonder aanbeveel, om in geleerde overweging te worden genomen. Dat luidt: Over den invloed van de blaasinstrumenten op het ontstaan der stormen."
XVI.
TWEE GEWEERSCHOTEN.
Daags daarna en ook in de eerste daarop volgende dagen van September zag men Aristobulus Beerenkooi niet weerom. Had hij Jona met de toeristen-boot verlaten, nadat het besef bij hem wakker was geworden, dat hij vergeefsche moeite aanwendde om de genegenheid van miss Campbell te winnen? Dat kon niemand zeggen. Hij deed in ieder geval goed, zich niet te vertoonen; want hij was niet meer onverschillig voor het jonge meisje, hij boezemde haar thans een soort van afkeer in. Het dichterlijk waas had hij aan haren straal ontrukt, haren droom belichaamd, de fladderende sjerp eener Valkyrie was door hem in een dom gezichtkundig verschijnsel veranderd! Zij zou hem wellicht alles hebben vergeven, alles, maar dat niet!
De gebroeders Melvill konden zelfs geen verlof bekomen, om na te gaan waar Aristobulus Beerenkooi was gebleven.
Waartoe zou dat ook dienen? Wat zouden de broeders hem te zeggen hebben, en welke hoop konden zij nog koesteren? Viel er nog te denken aan de voorgenomen vereeniging tusschen twee wezens van nature zoo afkeerig van elkander, die zoo gescheiden waren als het plat proza dit is van de verheven poëzie. Hij met zijn waanzin, om alles onder wetenschappelijke formules te willen brengen, zij met haar droombeelden, die haar slechts in een denkbeeldige wereld lieten verwijlen en haar de oorzaken en gevolgen deden minachten, om zich slechts aan haar dichterlijke indrukken te kunnen overgeven.
Partridge intusschen, daartoe aangezet door juffrouw Bess, vernam dat de »jonge oude geleerde," zooals hij hem noemde, nog niet vertrokken was, maar nog steeds zijn visschershut opzocht, alwaar hij eenzaam zijn maaltijden gebruikte.
Maar dat deed er niet toe; het voornaamste was, dat men Aristobulus Beerenkooi niet meer zag. De waarheid in deze was, dat wanneer hij opgesloten in zijn kamer zich niet onledig hield met het een of ander hoogstgewichtig wetenschappelijk vraagstuk, hij met het geweer op den rug op het strand ronddwaalde en daar zijn kwade luim bot vierde te midden van een waar bloedbad, op arme zwarte kuifduikers of op meeuwen, die aan niets schuld hadden, gepleegd. Zou hij nog eenige hoop koesteren? Spiegelde hij zich voor, dat miss Campbell, wanneer eenmaal haar gril ten opzichte van den Groenen Straal bevredigd was, tot betere gevoelens zou terugkeeren. Bij dat lieve persoontje, was, wel beschouwd, alles mogelijk.
Maar er overkwam hem eens een vrij onaangenaam voorval, dat hem zeer slecht had kunnen bekomen, zonder de zoo edelmoedige als onverwachte tusschenkomst van zijn mededinger.
Dit viel voor in den namiddag van den 2den September. Aristobulus had zich op weg begeven om de rotsen te bestudeeren, die het uiterste uiteinde van de zuidelijke punt van Jona uitmaken. Een van die granietmassa's, een »stack", trok in 't bizonder zijn aandacht, en wel zoodanig, dat hij besloot den top daarvan te beklimmen. Dit kon wel onvoorzichtig genoemd worden, want de rots was zeer glibberig en bood geen plekje aan, waarop de voet zou kunnen rusten of waaraan de hand zich kon vastklemmen.
Toch liet Aristobulus Beerenkooi zich niet afschrikken. Hij begon dus langs de wanden naar boven te klimmen en kon met behulp van eenige struiken, die tusschen de rotsaderen wortel hadden geschoten, zich naar boven hijschen. Hij bereikte zoo, evenwel niet zonder moeite, den top van dien stack.
Eenmaal daar aangekomen, hield hij zich met zijn mineralogischen arbeid onledig. Maar toen hij weer omlaag wilde klimmen, was de moeielijkheid grooter. En inderdaad, nadat hij zorgvuldig opgespoord had, langs welken kant van den wand hij zich naar beneden zou laten glijden, wilde hij daartoe overgaan. Maar juist in dat oogenblik gleed zijn voet uit en rolde hij, zonder zich te kunnen weerhouden, naar beneden. Hij zou in de zware branding die aan den voet der rots bruiste, terecht gekomen zijn, wanneer hij niet door een afgebroken boomstam gestuit was.
Aristobulus Beerenkooi bevond zich toen in een toestand, die hoewel gevaarlijk, toch belachelijk was. Hij kon niet naar boven klimmen, maar ook niet neerdalen.
Zoo verstreek een geruime tijd--meer dan een uur,--en wie weet wat gebeurd zou zijn, wanneer Olivier Sinclair, die met zijn schildersrandsel op den rug rondkuierde, in dit oogenblik niet voorbijgekomen was. Deze hoorde geschreeuw en stond stil om te luisteren. Toen hij evenwel Aristobulus Beerenkooi, dertig voet hoog in de lucht vastgehaakt, zich zag bewegen als een draaipop in een Jan-Klaassen-spel, kon hij eerst, zooals wel te begrijpen valt, zijn lachen niet bedwingen, maar daarna aarzelde hij geen oogenblik om alles te wagen, ten einde hem uit dien noodlottigen toestand te redden.
Dat ging evenwel niet zonder moeielijkheid. Olivier Sinclair moest op den top van den stack klimmen, om den hangenden Beerenkooi weder naar boven te hijschen, ten einde hem vervolgens aan den anderen kant weer naar beneden te laten.
»Mijnheer Sinclair", zei Aristobulus Beerenkooi, zoodra hij weer vasten grond onder de voeten voelde, »ik had den hellingshoek van dien wand met de loodlijn fout berekend. Van daar dat ik uitgleed en zoo vasthaakte...."
»Mijnheer Beerenkooi," antwoordde Olivier Sinclair, »ik ben gelukkig, dat het toeval mij veroorloofd heeft u te hulp te kunnen komen!"
»Laat mij ten minste u bedanken...."
»Och, het heeft zooveel niet om het lijf, mijnheer. Gij zoudt net zoo gehandeld hebben als ik in dit geval."
»Ongetwijfeld!"
»Welnu, bij voorkomende gelegenheid houd ik mij aanbevolen!"
En de twee jongelieden scheidden van elkander.
Olivier Sinclair meende over dit voorval, waaraan hij geen te groot gewicht hechtte, te moeten zwijgen. Ook Aristobulus Beerenkooi sprak er niet over. Maar daar hij nog al aan zijn ongeschonden huid gehecht was, voelde hij zich toch dankbaar gestemd jegens zijn mededinger, die hem uit dien naren toestand gered had.
Hoe ging het intusschen met den beruchten Straal? Het moest erkend worden, dat hij zich vreemdsoortig genoeg uitnoodigen liet! En toch was er geen tijd meer te verliezen. De herfst zou niet nalaten zijn nevelsluier aan den hemel uit te spreiden. Dan zouden er geen heldere avonden meer bestaan; want September is er zeer gierig mede onder deze hooge breedte. Dan geen scherpe kim meer, die eerder met den passer van een landmeter getrokken scheen dan met het penseel van een schilder. Zou de hoop moeten opgegeven worden, het natuurverschijnsel te zien, dat tot zooveel verhuizingen aanleiding had gegeven? Zou men de waarneming tot het volgende jaar moeten uitstellen? Of moest men haar hardnekkig in andere luchtstreken gaan vervolgen?
Waarlijk, het was zoowel voor miss Campbell als voor Olivier Sinclair om er kregel van te worden. Beiden waren ernstig woedend dat de gezichteinder der Hebriden steeds beneveld was.
Zoo gingen de vier eerste dagen van de nevelachtige Septembermaand voorbij.
Iederen avond waren miss Campbell, Olivier Sinclair, broeder Sam, broeder Sib, juffrouw Bess en Partridge, op de een of andere rots waartegen de golfjes klotsten, gezeten, en woonden den ondergang bij der zon, die meestal plaats had te midden van bewonderenswaardige lichteffecten, oneindig prachtvoller, dan wanneer de hemel volmaakt helder ware geweest.
Een kunstenaarsziel moet de verheven schouwspelen toejuichen, die zich iederen avond bij het dalen der zon ontwikkelen, wanneer de oogenverblindende kleurenschaal, die als van de eene wolk tot de andere overgaat, van het violette af, dat in het toppunt verschijnt, tot het gulden rood van den horizon, zich voor het oog vertoont, wanneer de vuurweerkaatsingen zich op de wolken als op gloeiende rotsen laten waarnemen, wanneer die wolken de zonneschijf schijnen aantetasten en haar laatste stralen opslorpen, vooral die welke onze waarnemers zoo gaarne gezien hadden.
Wanneer dan na de verdwijning van de dagvorstin allen opstonden, dan gevoelden zij zich teleurgesteld, evenals de toeschouwers van een tooverballet, waarvan het sloteffect door de schuld van den tooneelwerktuigkundige gemist was, en keerden zij naar de herberg »het wapen van Duncan" terug.
»Tot morgen!" zei miss Campbell.
»Tot morgen!" antwoordden de beide ooms. »Wij hebben een voorgevoel, dat morgen...."
Iederen avond hadden de gebroeders Melvill een voorgevoel en iederen avond kwam dat bedrogen uit.
De dag van den 5den September begon evenwel prachtig. De morgennevel loste zich door de warmte van de eerste zonnestralen op.
De wijzer van den barometer, die reeds sedert eenige dagen vooruitgaande was, rees nog en bleef op »bestendig". Het was niet meer warm genoeg om de luchttrilling te doen ontstaan, die in de heete zomerdagen wordt waargenomen. De droogte van den dampkring was dien dag bij de oppervlakte der zee gelijk aan die, welke op een berg, eenige duizenden voeten hoog, te midden van ijle lucht te vinden was.
Het zou onmogelijk zijn de angstige spanning te schetsen, waarmede allen de verschillende overgangstijdperken op dien dag nagingen. Met welk kloppend hart zij uitkeken of niet eenige wolk in het uitspansel was te bespeuren, is niet te beschrijven. En het zou vermetel genoemd moeten worden, te trachten weer te geven, met welke benauwdheid zij de zonnebaan gadesloegen.
Gelukkig blies de bries zacht, maar bestendig van de landzij. Terwijl zij over de bergen heenstreek of langs de oppervlakte der weilanden gleed, kon zij geen waterdeelen opnemen, zooals zij doet, wanneer zij over den uitgestrekten Oceaan waait en die zij dan ook aanbrengt, wanneer zij van den zeekant komt.
Maar wat viel die dag lang! Miss Campbell kon onmogelijk rustig op haar plaats blijven. Zij gaf niets om de warmte, maar trippelde heen en weer, terwijl Olivier Sinclair op de hoogste punten van het eiland ronddwaalde, om een ruimeren gezichtskring te hebben. De twee ooms snoven met hun beiden een geheele snuifdoos leeg en Partridge, alsof hij een schildwacht op post was, had de houding aangenomen van een onbezoldigd rijksveldwachter, die de hemelsche dreven moest bewaken.
Men was overeengekomen, dien dag te vijf uur te dineeren, om bij tijds op den waarnemingspost te kunnen zijn. De zon zou eerst ten zes uren negen en veertig minuten ondergaan, men zou dan tijd genoeg hebben, om haar op dat oogenblik te kunnen volgen.
»Ik geloof, dat wij den straal dezen keer te pakken krijgen!" zei broeder Sam, terwijl hij zich in de handen wreef.
»Dat geloof ik ook!" bevestigde broeder Sib, met hetzelfde gebaar.
Tegen drie uur ongeveer ontstond er een loos alarm. Een dikke nevelvlok, met den vorm van een saamgepakte wolk, kwam in het oosten op en dreef door de landbries voortgestuwd naar den Oceaan.
Miss Campbell zag haar het eerst. Zij kon een kreet van teleurstelling niet onderdrukken.
»O! het is alleen die wolk," zei een harer ooms. »Van die hebben wij niets te vreezen. Zij zal spoedig opgelost worden...."
»Of zij spoedt sneller dan de zon voort," beaamde Olivier Sinclair, »en zal vóór haar achter den horizon verdwijnen."
»Maar is de wolk de voorloopster niet van een mistbank?" vroeg miss Campbell.
»Dat zullen we moeten afwachten."
Olivier Sinclair spoedde zich wat hij loopen kon, naar de kloosterbouwvallen. Van daar kon zijn blik meer oostwaarts tot ver achter de bergen van Mull doordringen.
Die bergen staken scherp af tegen het blauw der lucht, hun kam scheen een met potlood getrokken lijn op een volmaakt zuiveren achtergrond.
Er waren geen andere dampen in het uitspansel, en de scherpe omtrek van den Ben More, die zich op drie duizend voet boven de oppervlakte van de zee verheft, was door geen nevellagen verduisterd.
Olivier Sinclair kwam een half uur later met geruststellende verzekeringen terug. Die wolk was slechts een verloren vlokje in de ruimte. In den drogen dampkring zou zij zich niet kunnen uitbreiden en onderweg wel opgelost worden.
De witachtige vlok schreed evenwel naar het zenith voort. Het verwekte algemeen misnoegen, dat die wolk juist de baan der zon volgde. Zij naderde haar reeds onder den invloed der bries. Terwijl zij in de ruimte voortgleed, wijzigden zich haar vormen onder den aandrang van de tegenbewegingen in den luchtstroom. Eerst had zij den vorm van een hondskop, daarna van een platvisch, zoo iets als van een reuzenrog; toen rolde zij zich op als een bal, was donker in het midden en schitterend aan haren zoom. Eindelijk bereikte zij de zonneschijf en schoof er voor.
Een kreet ontsnapte miss Campbell. Zij strekte haar beide armen ten hemel uit.
De schitterende dagvorstin, achter dat gordijn van dampen verborgen, schoot geen enkele harer stralen op het eiland af. Jona, buiten den direkten uitstralingskegel gelegen, was door een breede schaduw omsluierd.
Maar die groote schaduw verplaatste zich. De zon verscheen weer in haren vollen glans. De wolk daalde naar den horizon. Zij zou dien zelfs niet bereiken; zij verdween als door een opening, die in den hemel als het ware geboord was.
»Eindelijk is zij weg!" riep het jonge meisje, »en God geve, dat zij door geen andere gevolgd worde!"
»Neen, miss Campbell, wees daaromtrent gerustgesteld," antwoordde Olivier Sinclair. »Dat die wolk zoo spoedig en op deze wijze verdwenen is, kan als bewijs gerekend worden, dat er geen andere dampen in de lucht zijn, en dus de ruimte in het westen volmaakt zuiver is."
Ten zes uur des avonds waren de waarnemers op een open plek gegroepeerd, op hun post.
Dat was een plek op het noordelijkste uiteinde van het eiland, op den hoogsten top van den Abtsheuvel. Van dien top kon de blik in het oosten als in een kring het hooger gedeelte van het eiland Mull omvatten. Ten noorden verscheen het eilandje Staffa als een ontzaglijke schildpadschaal, die in de Hebridische wateren gestrand zou zijn. Iets verder verschenen Elva en Gometra als afgescheurde gedeelten van de kuststreek van het groote eiland. Naar den kant van het westen, het zuidwesten en het noordwesten was niets te zien dan de onmetelijke zee. De zon daalde snel langs een schuine baan. De omtrek van den gezichteinder vertoonde zich zwart, alsof hij met Chineeschen inkt was getrokken. Aan den tegenovergestelden kant glinsterden al de vensters van Jona vlammend, als de weerkaatsing van een brand, welker vlammen met gulden spitsen woedden.
Miss Campbell en Olivier Sinclair, de gebroeders Melvill, juffrouw Bess en Partridge, geboeid door dat overschoone schouwspel, zaten eerbiedig stilzwijgend neder. Zij aanschouwden, terwijl zij de oogleden half toeknepen, de schijf, die zich bij de waterlijn afplatte en den vorm aannam van een scharlaken halven bol. Er was geen spoor van damp aan den zeekant te zien.
»Ik geloof, dat wij hem ditmaal te pakken hebben," begon broeder Sam.
»Ik geloof het ook," antwoordde broeder Sib.
»Stil, waarde ooms!..." riep miss Campbell.
Zij zwegen en hielden hun adem in, alsof zij vreesden dat de waterdeelen daarvan zich zouden kunnen verdichten en den vorm aannemen eener wolk om den zonneschijn te benevelen.
De zon had reeds den horizon met haren onderrand aangeraakt. Zij verbreidde en verstrooide zich alsof zij inwendig met een lichtgevende vloeistof gevuld was.
Allen zogen als het ware hare laatste stralen op.
Zoo moet Arago hebben zitten turen, toen hij in de woestenijen van Palma op de kust van Spanje, het vuursignaal bespiedde, dat op den top van het eiland Ivika moest verschijnen, om hem te veroorlooven den laatsten driehoek zijner graadmeting te sluiten.
Eindelijk bleef nog een klein segment van den bovensten boog boven de watervlakte over. Nog weinige seconden, en de laatste straal zou schitteren voor de oogen, die gereed waren hem op te vangen, en het paradijsachtig groen laten schijnen!...
Plotseling werden twee geweerschoten vernomen, die beneden aan den heuvel te midden der rotsen van de kuststrook weerklonken. Men zag een rookwolkje, tusschen welks kronkels een zwerm van zeevogels: meeuwen, stormvogels en eiders, door ontijdige geweerschoten verschrikt, rondfladderde.
Die wolk steeg recht op en schoof als een gordijn tusschen den gezichteinder en het eiland; zij zweefde voor de ondergaande zon, juist op het oogenblik, dat zij haar laatsten lichtstraal over de oppervlakte der wateren schoot.
Men kon in dit oogenblik den onvermijdelijken Aristobulus Beerenkooi op een punt van de steile kust bespeuren, die met het nog rookend geweer in de handen, den vogelenzwerm met de oogen volgde.
»O! ditmaal hebben we er genoeg van!" riep broeder Sib uit.
»Neen, wij hebben er te veel van!" riep broeder Sam.
»Ik had hem aan zijn rots moeten laten hangen," mompelde Olivier Sinclair. »Dan zou hij ten minste hier niet zijn."
Miss Campbell, staroogende en met de lippen op elkaar geklemd, sprak geen enkel woord.
Andermaal had zij door de schuld van Aristobulus Beerenkooi den Groenen straal gemist.
XVII.
AAN BOORD VAN DE »CLORINDA".
Den volgenden morgen reeds ten zes uur vertrok uit de kleine haven van Jona de Clorinda, een bevallig vaartuig van vijfenveertig of vijftig ton, dat bij een lichte noordwesterbries, met stuurboordshalzen over, zoo scherp mogelijk bij den wind de open zee trachtte te bereiken.
De Clorinda had miss Campbell, Olivier Sinclair, broeder Sam, broeder Sib, juffrouw Bess en Partridge aan boord.
Er behoeft niet bijgevoegd, dat de onhandige Aristobulus Beerenkooi te huis was gelaten.
Ziehier wat men overeengekomen was en waartoe men onmiddellijk na het voorval van daags te voren had besloten.
Terwijl men den Abtsheuvel afdaalde om zich naar de herberg te begeven, had miss Campbell kortaf gezegd:
»Waarde ooms, daar mijnheer Beerenkooi in weerwil van alles, te Jona wenscht te blijven, zullen wij mijnheer Aristobulus Beerenkooi te Jona laten. Door zijn schuld hebben wij een eerste maal te Oban, een tweede maal hier te Jona onze waarneming gemist. Wij blijven geen oogenblik langer op een plaats waar die lastige man zijn onhandigheid laat blijken."
Tegen dit voorstel, zoo kortaf en helder uitgesproken, hadden de gebroeders Melvill niets in het midden te brengen. Zij deelden ook het algemeen misnoegen en verwenschten Aristobulus Beerenkooi. De toekomst was inderdaad voor hun gunsteling verloren. Nooit zou miss Campbell voortaan iets van hem willen hooren. Zij gevoelden het, zij moesten de hoop op de vervulling van hun plan, dat onmogelijk geworden was, laten varen.
»Welnu, alles wel beschouwd," merkte broeder Sam tot broeder Sib, dien hij tot een apartje genoodigd had, zacht fluisterend op, »zulke onvoorzichtige beloften zijn geen ijzeren handboeien!"
Wat met andere woorden beteekende, dat men nimmer door een voorbarig uitgesproken toezegging zich onherroepelijk gebonden kan achten. Broeder Sib had dan ook met een afdoend gebaar zijn goedkeuring aan dit Schotsche spreekwoord geschonken.
Toen men elkander goeden nacht wenschte in de algemeene zaal van het wapen van Duncan, had miss Campbell gezegd:
»Wij zullen morgen ochtend vertrekken; ik blijf geen dag meer hier!"
»Goed, dat is uitgemaakt, waarde Helena," antwoordde broeder Sam; »maar waarheen zullen wij gaan?"
»Dat is mij onverschillig. Slechts daarheen, waar wij zeker zijn dien mijnheer Beerenkooi niet te ontmoeten."
»Het is dus van groot gewicht dat niemand wete, dat wij Jona verlaten en nog minder waar we naar toe gaan. Zou de Schotsche kust niet ergens een onbewoonde en onbewoonbare plek kunnen aanbieden, waar wij onze waarnemingen konden voortzetten?"
Voorzeker zouden de gebroeders Melvill met hun tweeën die dubbele vraag, die noch uitvluchten, noch nevengedachten gedoogde, niet hebben kunnen beantwoorden.
Maar Olivier Sinclair was daar--en gelukkig ook.
»Miss Campbell," zei hij, »alles kan terecht komen. Ziehier, hoe. Hier in de nabijheid is een eiland, of beter gezegd een eilandje gelegen, dat voor onze waarnemingen zeer geschikt is. Op dat eilandje zal geen mensch ons komen storen."
»Hoe heet dat eiland?"
»Staffa is de naam. Gij kunt het van hier zien op hoogstens twee mijlen afstands ten noorden van Jona."
»Kan men er leven, en bestaat er mogelijkheid om er heen te komen?" vroeg miss Campbell.
»Ja, en zeer gemakkelijk zelfs," antwoordde Olivier Sinclair. »Ik heb in de haven van Jona een van die jachten gezien, die steeds gereed zijn om zee te kiezen, zooals men in iedere engelsche haven gedurende het zomerseizoen aantreft. De kapitein en verdere bemanning zijn geheel ter beschikking van den eersten den besten toerist, die hunne diensten, hetzij voor het Kanaal, voor de Noordzee of voor de Iersche zee wenscht te gebruiken. Welnu, wat belet ons, om dat jacht te huren, er de noodige provisiën voor een veertien dagen in te schepen, daar Staffa hoegenaamd geen hulpmiddelen aanbiedt, en reeds morgen bij het aanbreken van den dag te vertrekken?"
»Mijnheer Sinclair," hernam miss Campbell, »wanneer wij morgen dit eiland in het geheim verlaten zullen hebben, zal ik u oprechte dankbaarheid verschuldigd zijn."
»Morgen vóór het middaguur zullen wij, wanneer ten minste wat bries, bij het doorkomen der zon, opsteekt, te Staffa zijn," betuigde Olivier Sinclair. »Daar zullen wij, behalve op de toeristendagen, die tweemaal per week plaats hebben en dan slechts een uur duren, door niemand gestoord worden."
Volgens oude gewoonte der gebroeders Melvill, klonken de bijnamen van de huishoudster weer:
»Bet!"
»Beth!"
»Bess!"
»Betsy!"
»Betty!"
Juffrouw Bess verscheen ditmaal terstond.
»Wij vertrekken morgen!" zei broeder Sam.
»Morgen, bij het krieken van den dag!" vulde broeder Sib aan.
Dat was voldoende; zonder naar meer te vragen, beijverden juffrouw Bess en Partridge zich, alles dadelijk voor het vertrek gereed te maken.
Middelerwijl ging Olivier Sinclair naar de haven en trof daar de noodige beschikkingen met John Olduck.
John Olduck was de kapitein van de Clorinda, een echte zeerob met zijn ouderwetsch mutsje met gouden lis op het hoofd, zijn buisje met metalen knoopen en zijn broek van grof blauw laken. Zoodra de zaak haar beslag had gekregen, beijverden hij en zijn zes matrozen zich, om alles voor het vertrek in gereedheid te brengen. Het was uitgelezen volk, dat aan boord was, en zich gedurende den winter aan de visscherij wijdde, maar des zomers een bemanning van een onbetwistbare voortreffelijkheid boven al de zeelieden van andere landen voor de pleiziervaart leverde.
Ten zes uur des morgens scheepten zich de nieuwe passagiers van de Clorinda in, zonder iets, aan wien ook, gezegd te hebben, omtrent de bestemming van het jacht. Men had zich meester gemaakt van al de levensmiddelen, versch vleesch of verduurzaamd en van al de dranken, die maar te krijgen waren. Daarenboven zou de kok van de Clorinda nog steeds het hulpmiddel hebben om den voorraad aan te vullen uit de stoomboot, die den geregelden dienst van Oban naar Staffa onderhoudt.