De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht

Chapter 10

Chapter 103,761 wordsPublic domain

Maar welke maaltijden deed men daar te Jona! De Caledonische lekkerbekken van Walter Scott bij het diner van Fergus Mac-Gregor, of bij het avondmaal van Oldbeck den Oudheidkundige, zouden geen aanmerkingen te maken hebben gehad op de spijzen, die volgens de kookwijze van het oude Schotland toebereid waren. Juffrouw Bess en Partridge gevoelden zich alsof zij in den loop der tijden een eeuw terug gevoerd waren en achtten zich gelukkig, alsof zij ten tijde hunner voorouders geleefd hadden. Broeder Sam en broeder Sib ontvingen met een genadig goedkeuren en met een blijkbaar genoegen de heerlijke gerechten, die vroeger bij de familie Melvill in eere waren.

En ziehier de gesprekken die in de eetkamer plaats vonden:

»Nog een weinig van die »cakes" van havermeel, die anders smakelijker zijn dan de dodderige gebakken van Glasgow."

»Nog een weinig van die »sowens", die nog steeds door de bergbewoners in de Hooglanden gegeten worden."

»Nog wat van die »haggis", die door onzen grooten dichter Burns waardiglijk als de eerste, de beste, de meest vaderlandlievende van al de puddings van geheel Schotland in zijn verzen bezongen is."

»Nog wat van die »cockylecky!" O! al is de haan, die het bestanddeel er van uitmaakt, een weinig taai, de er bij gevoegde peertjes zijn overheerlijk."

»Mag ik voor de derde maal van dien »hotpotch", die beter smaakt dan welke schotel ook van Helenaburg!"

Waarachtig men at goed in het Wapen van Duncan. Men moest evenwel alle twee dagen voorraad opdoen van de stoombooten, die den dienst langs de kleine Hebriden verrichten. Maar men dronk ook goed.

Men moest de gebroeders Melvill zien met het glas in de hand, elkanders gezondheid drinken en zich inschenken uit de groote kannen, die een inhoud van niet minder dan vier engelsche pinten hebben en waarin de »usquebaugh", het nationale bier bij uitnemendheid, schuimde, of de »hummok", die bepaald voor hen gebrouwen werd! En de whisky, uit gerot graan getrokken, waarvan de gisting zich in de maag der drinkebroers schijnt voort te zetten! En had ook al het krachtige bier ontbroken, dan nog zouden zij zich met eenvoudige »mum", uit graan gestookt, vergenoegd hebben, of wel met »two-penny", die altijd met een glaasje gin opgefleurd kon worden. Waarlijk zij dachten er niet aan de sherry en den portwijn van de kelders van Helenaburg of van Glasgow te betreuren!

En al beklaagde Aristobulus Beerenkooi, meer verslaafd aan het moderne comfort, zich ook meer dan betamelijk was, niemand bewees hem de eer zijn klacht aan te hooren.

Viel hèm de tijd lang, voor de anderen snelde hij met spoed heen en mejuffrouw Campbell pruttelde niet meer over de dampen die iederen avond de kim benevelden.

Neen, Jona is niet groot; maar is er wel veel ruimte noodig voor hem, die slechts zuivere lucht zoekt? Kan men de onmetelijkheid van een koninklijk park niet in een kleinen tuin vinden? Men wandelde dus. Olivier Sinclair nam hier en daar dan een landschap op. Miss Campbell keek bij het schilderen toe en zoo vloog de tijd om.

De 26, 27, 28 en 29ste Augustus snelden voorbij zonder een oogenblik verveling veroorzaakt te hebben. Dat oorspronkelijk bestaan kwam geheel met het wilde eiland overeen, welks woeste rotsen voortdurend door de golven van den Oceaan gebeukt werden.

Miss Campbell gevoelde zich gelukkig, de nieuwsgierige, praatzuchtige wereld der badplaatsen ontvlucht te zijn. Zij ging uit, zoo als zij in het park van Helenaburg rondgedrenteld zou hebben, gekleed met het »rokelay," hetwelk haar als een mantille omgaf en het kapsel met de eenige »snod" versierd, een lint in de haren gewonden, dat den jeugdigen schotschen schoonen zoo lief staat. Olivier Sinclair bewonderde natuurlijk haar bevalligheid, en de bekoorlijkheid van haar persoon. Hij ondervond die aantrekkingskracht en gevoelde heel goed, waarheen die hem zou voeren. Dikwijls dwaalden beiden tot aan het uiterste einde van het strand van het eiland. Zij keuvelden dan, zij keken, zij droomden, en bevonden zich, soms onbewust, aan de uiterste grens, waar de golven het zeewier komen lekken. Bij zwermen vlogen dan de schotsche duikertjes, de »tamnie-mories" op, wier eenzaamheid zij stoorden, de »pictarnies", die kleine vischjes bespieden, welke door de aanrollende vloedgolf op het strand geworpen worden en de Bussan-vogels, wier zwarte vederen-tooi door witte vleugeltoppen en gelen kop en hals aangenaam afgewisseld wordt, en die de voornaamste vertegenwoordigers zijn der zwemvliesvoetigen van de vogelenwereld der Hebriden.

Wanneer dan na zonsondergang, die nog steeds door eenige dampen beneveld werd, de avond inviel, welke bekoorlijkheid was er dan niet voor miss Campbell en de haren, om de eerste uren van den stillen nacht op het eenzame strand door te brengen! Zij zagen dan de sterren aan den horizon verschijnen en met haar keerden al de herinneringen uit de gedichten van Ossian weer. Te midden van de plechtige stilte hoorden miss Campbell en Olivier Sinclair de twee broeders beurtelings de coupletten over den ongelukkigen Fingal, dien bardenzang opzeggen:

»O ster, gezellin van den nacht, wier schitterend gelaat door de westelijke wolken heenboort en die als in een vurige baan op het hemel-azuur voortschrijdt, zeg, wat ziet gij in de vlakte?"

»De stormwind, die over dag loeide, zwijgt; de bedarende golfslag kruipt als het ware aan den voet der rotsen; de avondmuggen, op hunne lichte vleugelen gedragen, vervullen de stilte der lucht met hun gegons."

»Schitterende ster, wat aanschouwt gij in de vlakte? Maar ik zie u reeds met een glimlach den horizon naderen. Vaarwel, stilzwijgende ster, vaarwel!"

En dan zwegen broeder Sam en broeder Sib en dan keerden allen naar hunne kleine kamer in de herberg terug.

Hoe weinig helderziend de gebroeders Melvill ook waren, zoo zagen zij toch, dat Aristobulus Beerenkooi juist in de meening van miss Campbell verloor, wat Olivier Sinclair er in won. De beide jongelieden vermeden elkander zooveel mogelijk. De twee ooms beijverden zich dan ook om, niet zonder moeite, die kleine wereld vereenigd te houden, om toenaderingen te bewerken, op gevaar af zich aan een kippenkuur hunner nicht bloot te stellen. Ja, zij zou gelukkig geweest zijn, wanneer Beerenkooi en Sinclair elkander zochten, in plaats van elkaar te ontvluchten, in plaats van een min of meer smadelijke terughoudendheid jegens elkander in acht te nemen. Verbeeldden die goede sullen zich dan, dat alle menschen broeders zijn en nog wel zij, zooals zij waren!

Zij manoeuvreerden evenwel zoo goed, dat overeengekomen werd, op den 30sten Augustus gezamenlijk de bouwvallen van de kerk, van het klooster en van het kerkhof te gaan zien, die ten noordoosten en ten zuiden van den Abtheuvel gelegen zijn. Deze wandeling die ternauwernood twee uren vereischt, was nog niet door de nieuwe gasten van Jona ondernomen. Dat kan als een inbreuk op den eerbied aangemerkt worden jegens de legendarische schimmen van de kluizenaar-monniken, die eertijds de hutten der kuststreek bevolkten, een gebrek aan achting voor de groote dooden uit de koninklijke huizen, sedert Fergus II tot aan Macbeth.

XV.

DE BOUWVALLEN VAN JONA.

Miss Campbell, de gebroeders Melvill en de twee jongelieden vertrokken den gezegden dag terstond na het ontbijt. Het was zeer fraai herfstweder. Ieder oogenblik drong, of beter nog, zijpelde een lichtstraal, als ontsnapt aan den kerker, door de scheuren in het dikke wolkendak, om dan een poos daarna weer te verdwijnen. Onder de afwisseling van licht en donker vertoonden de bouwvallen, die dit gedeelte van het eiland bekronen, en de zoo schilderachtig gegroepeerde rotsen van de kuststrook, en de verstrooid liggende huizen op het dalend en rijzend terrein van Jona, alsook in de verte de zee, die er als gestreept onder de liefkoozingen van een briesje uitzag, zich telkenmale onder een vernieuwd voorkomen en vroolijkten onder den invloed der zon op.

Het was niet de toeristendag. Daags te voren had de stoomboot een vijftigtal ontscheept; ongetwijfeld zou zij den volgenden dag een gelijk getal overbrengen; maar heden behoorde het eiland Jona geheel en al aan haar nieuwe bewoners. Men zou dus niemand bij de bouwvallen aantreffen.

In een vroolijke stemming werd de weg afgelegd. De opgeruimdheid van broeder Sam en van broeder Sib was voor de twee jongelieden aanstekelijk geweest. Zij koutten, zij gingen en kwamen, verwijderden zich en verschenen weer te midden van de kleine rotsachtige paden, tusschen de lage bouwvallen van muren, van gedroogden steen vervaardigd.

Alles ging dus naar wensch, toen men vlak voor den kruisberg van Mac Lean stil hield. Dit fraaie rotsblok, uit een stuk rood graniet bestaande, is veertien voet hoog en beheerscht den straatweg van Main Street. Het is het eenig overblijfsel der drie honderd zestig kruisen, die tot aan het tijdperk der Hervorming op het eiland in het midden der XVIe eeuw geplaatst werden.

Olivier Sinclair wilde zeer natuurlijk een schets maken van dien monumentalen steen, die goed afgewerkt is en een fraai effekt maakt te midden eener dorre vlakte, die met een grijsachtig gras bekleed is.

Miss Campbell, de gebroeders Melvill en hij hadden op een vijftig pas afstand van den kruisberg plaats genomen, om er een algemeen overzicht van te genieten. Olivier Sinclair ging op een afgebrokkelden kleinen muur zitten en begon de eerste omtrekken van het terrein, waarop het kruis van Mac Lean zich verhief, te schetsen.

Eenige oogenblikken later kwam het hun voor, alsof een menschelijk wezen poogde de eerste grondvesten van dien kruisberg te beklimmen.

»Wat komt die ongenoode gast nu hier doen?" vroeg Olivier. »Als hij nog in een monnikspij gehuld was, zou hij met dat monument overeenkomen en kon ik hem aan den voet van dat oude kruis laten knielen."

»Het is eenvoudig een nieuwsgierige, die u wat hinderen gaat, mijnheer Sinclair," zei miss Campbell.

»Maar is het Aristobulus Beerenkooi niet, die ons vooruitgesneld is?" vroeg broeder Sam.

»Ja, hij is het," zei broeder Sib.

En inderdaad het was Aristobulus Beerenkooi, die op het voetstuk van den kruisberg was geklommen en de rots met duchtige hamerslagen aanviel.

Miss Campbell was verwoed over dat ongegeneerde van den mineralogist en ging dadelijk tot hem.

»Wat doet gij daar, mijnheer?" vroeg zij.

»Zooals gij ziet, miss Campbell," antwoordde Aristobulus Beerenkooi, »ik poog een stuk van dat graniet af te slaan."

»Waartoe die gekheid? Ik dacht dat de tijd der beeldstormers voorbij was!"

»Ik ben geen beeldstormer, maar een geoloog," antwoordde Aristobulus Beerenkooi, »en als zoodanig wensch ik het samenstel van dat blok te kennen."

Een nog hardere slag met den hamer had het schendend werk volbracht. Een stuk steen van het voetstuk rolde op den grond.

Aristobulus Beerenkooi raapte het op, en op het vermeerderend gezichtsvermogen van zijn bril niet vertrouwende, greep hij een loep uit haren koker en bracht die bij zijn oog.

»Net als ik dacht," zeide hij. »Het is rood graniet van zeer fijnen ineengedrongen korrel en bezit veel weerstandsvermogen. Die moet afkomstig zijn van het Nonneneiland en is geheel gelijk aan de granietsoort, welke de bouwmeesters in de XIIde eeuw bezigden om de kathedraal van Jona op te richten.

En Aristobulus Beerenkooi liet zich een zoo schoone gelegenheid niet ontsnappen om zich in een archeologische verhandeling te verdiepen, welke de gebroeders Melvill, toen zij zich bij hem vervoegd hadden, meenden te moeten aanhooren.

Miss Campbell was, zonder veel omslag te maken naar Olivier Sinclair teruggekeerd en allen bevonden zich, toen de teekening klaar was, in het portaal de kathedraal bij elkander.

Dat monument was een zeer samengesteld gebouw, gevormd door twee aan elkander gekoppelde kerken, welker dikke muren en stevige pilaren als rotsen, de aanvallen van dit ruwe klimaat sedert dertien honderd jaren weerstaan hadden.

De bezoekers wandelden gedurende eenige oogenblikken in de eerste kerk, die van romaanschen oorsprong blijkt, afgaande op den boog harer gewelven; vervolgens in de tweede, die als een gothisch gebouw van de XIIde eeuw erkend werd en het middenschip met de kruisvleugels der eerste vormde. Zij drentelden zoo te midden dier bouwvallen, gingen van het eene tijdperk tot het andere over, en betraden de groote vierkante vloersteenen, welker voegen de aarde lieten ontzien. Hier waren het grafdeksels, elders grafsteenen, die de hoeken van het gebouw met hun uitgebeitelde beelden versierden.

Uit dit alles, dat zich gestreng en ernstig voordeed, sprak de dichterlijkheid der vervlogen tijden.

Miss Campbell, Olivier Sinclair en de gebroeders Melvill hadden niet bespeurd, dat hun geleerde metgezel was achtergebleven. Zij drongen door tot onder het dikke gewelf van den vierkanten toren. Dit gewelf beheerschte vroeger het portaal der eerste kerk en verhief zich later bij het aansluitingspunt der twee kerken.

Eenige oogenblikken later werden regelmatige stappen, die op den luid weerklinkenden vloer dreunden, waargenomen als van iemand die zwaarwichtig voortschreed, even als het standbeeld van den Kommandeur in de zaal van Don Juan.

Het was Aristobulus Beerenkooi, die met zijn meetkundigen pas, de uitgestrektheid der kathedraal opnam.

»Een honderd en zestig van het oosten naar het westen," zei hij en noteerde dat getal in zijn zakboekje, terwijl hij de tweede kerk binnentrad.

»Ah! zijt gij het, mijnheer Beerenkooi!" riep miss Campbell spottend. »Na den mineralogist de landmeter?"

»En zeventig voet slechts langs de aslijn der kruisvleugels," antwoordde Aristobulus Beerenkooi.

»En hoeveel duim?" vroeg Olivier Sinclair.

Aristobulus Beerenkooi keek Sinclair aan als iemand, die niet recht weet of hij zich boos zal maken of niet. De gebroeders Melvill kwamen evenwel ter geschikter ure tusschen beiden en noodigden miss Campbell en de beide jongelieden uit, hen bij het bezoeken van het klooster te vergezellen.

Dit gebouw heeft slechts onherkenbare overblijfselen nagelaten, hoewel het de verminkingen der Hervorming overleefd heeft. Na dat tijdvak diende het tot vereenigingspunt van eenige stiftsdames van Sint Augustijn, waaraan de Staat die schuilplaats aanwees. Het zijn thans slechts nog maar ellendige bouwvallen van een klooster, door de stormen geteisterd, die noch gewelven, noch bogen, noch romaansche pilaren bezitten, om straffeloos de ruwheden van dit noordsche luchtgestel te kunnen trotseeren.

De bezoekers konden evenwel, na de overblijfselen van het klooster, dat vroeger zoo bloeiend was, bezocht te hebben, de kapel nog bewonderen, die beter bewaard was gebleven. Aristobulus Beerenkooi vermeende die niet te behoeven op te meten. Aan die kapel, die of later of hechter gebouwd was dan de eet- en slaapzalen van het klooster, ontbrak alleen het dak. Het koor, dat evenwel geheel ongeschonden is, wordt door de oudheidkundigen, als een bouwstuk van groote verdiensten, zeer gewaardeerd.

In het westergedeelte daarvan wordt het graf aangetroffen van haar, die de laatste abdis der gemeenschap was. Op den zwartmarmeren zerksteen is tusschen twee engelen een heilige Maagd uitgebeiteld, die het kind Jezus in hare armen draagt.

»Even als de Maagd op den Stoel en de Madonna van Sint Sixtus, de twee eenige O. L. Vrouwenbeelden van Raphael zonder neergeslagen oogleden, kijkt ook deze rechtuit terwijl een glimlach uit hare oogen straalt!"

Deze opmerking werd door miss Campbell zeer ter snede gemaakt. Zij had echter geen ander gevolg dan op de lippen van Aristobulus Beerenkooi een trek van vrij duidelijke spotternij en van minachting te voorschijn te roepen.

»Waar hebt gij ooit gezien, miss Campbell," vroeg hij, »dat een glimlach uit iemands oogen kan stralen?"

Wellicht had miss Campbell wel trek hem te antwoorden, dat men bij hem zoo iets niet kon waarnemen, wanneer men hem aankeek. Zij zweeg echter.

»Het is een algemeen verspreide dwaling," sprak Aristobulus Beerenkooi op een toon, alsof hij ex cathedra doceerde, »wanneer men van den glimlach der oogen spreekt. De gezichtsorganen zijn juist geheel misdeeld van uitdrukking, zoo als ons de gezichtkunde leert. Ten bewijze: stel een masker voor een gelaat en bekijk dan de oogen door de daarin overeenkomstige gaten, en ik tart u alsdan uit te maken, of dat gelaat opgeruimdheid, droefgeestigheid of toorn verraadt."

»Ah! waarlijk?" vroeg broeder Sam, die in de les belang scheen te stellen.

»Hé! dat wist ik niet!" vulde broeder Sib aan.

»Het is toch zoo," hernam Aristobulus Beerenkooi. »Wanneer ik een masker had, dan...."

Maar dat vreemdsoortig jongmensch had geen masker, de proefneming kon dus niet afdoend geschieden, om iederen twijfel weg te nemen.

Daarenboven hadden miss Campbell en Olivier Sinclair reeds het klooster verlaten en richtten hunne schreden naar het kerkhof van Jona.

Die plek werd de relikwiekast van Oban genaamd, ter herinnering aan den makker van Sint Columban, wien men de stichting van de kapel verschuldigd is, welker bouwvallen te midden van den doodenakker verrijzen.

Dat terrein, bezaaid met grafsteenen, is een wonderlijke plek, waar acht en veertig schotsche koningen, acht onderkoningen der Hebriden, vier onderkoningen van Ierland en een koning van Frankrijk den eeuwigen slaap slapen. Van laatstbedoelde is de naam verloren geraakt, alsof hij reeds tot de voorhistorische tijden behoort. Men zou die plek bij een Druïdenveld hebben kunnen vergelijken, waarvan steenen monumenten door grafsteenen vervangen zouden zijn. Daartusschen strekt zich de granietsteen uit, die het graf dekt van Duncan, den Schotschen koning, die door het sombere treurspel van Macbeth vereeuwigd is. Op sommige dier steenen zijn slechts eenvoudige geometrische figuren gebeiteld, op anderen zijn eenige woeste Celtische koningen voorgesteld, die daar stijf als een lijk uitgestrekt liggen.

Welke herinneringen doemen uit dien doodenakker van Jona op! Welk een terugkeer tot het verledene doorkruist het denkvermogen bij het betreden van die koninklijke begraafplaats!

En hoe zou het mogelijk zijn, zich dit vers van Ossian niet te herinneren, dat den dichter hier ter plaatse ongetwijfeld bezield heeft?

»Vreemdeling, gij betreedt een met helden overdekten grond. Bezing somwijlen den roem van die gedenkwaardige dooden. Dat hunne lichte schimmen zich rondom u mogen verblijden!"

Miss Campbell en hare metgezellen waren geheel oogen, maar zwegen. Zij werden niet gedwongen de verveling van een beëedigden gids te ondervinden, die den sluier der geschiedenis voor de toeristen opheft. Zij konden zich verbeelden die afstammelingen van den beheerscher der eilanden van Angus Og, den metgezel van Robert Bruce, den wapenbroeder van dien held, die voor de onafhankelijkheid zijns lands streed, voor zich te zien.

»O! wat zou ik hier gaarne bij het vallen van den avond terugkomen," zei miss Campbell. »Mij dunkt, dat dit het gunstigste tijdstip zou wezen, om die herinneringen op te roepen! O, ik zou dan het ontzielde lichaam van den ongelukkigen Duncan zien aandragen. Ik zou dan de gesprekken der doodgravers hooren, terwijl zij hem in het graf legden, in de aarde, die aan zijn voorouders gewijd is. Wel, mijnheer Sinclair, zou dat het goede oogenblik niet zijn, om de geesten, die de koninklijke begraafplaats bewaken, op te roepen?"

»Ja, miss Campbell, en ik meen dat zij niet zouden kunnen weigeren op uwe stem te verschijnen."

»Hoe, miss Campbell, gelooft gij aan geesten?" riep Aristobulus Beerenkooi uit.

»Ja, daar geloof ik aan, mijnheer; als echte Schotsche, geloof ik aan geesten!" antwoordde miss Campbell.

»Maar gij weet toch, dat dit slechts denkbeeldig is, dat niets van al dat wonderbaarlijke in werkelijkheid bestaat!"

»En als ik er aan wil gelooven!" antwoordde miss Campbell onder den aandrang van een ontijdige zucht tot tegenspraak. »En als ik er behagen in schep om te gelooven aan de huis-brownies, die den huiselijken haard bewaken, aan de heksen, wier betoovering toe te schrijven is aan de runische verzen, die zij uitgalmen, aan de Valkyriën, de noodlottige jonkvrouwen uit de scandinavische mythologie, die de lijken der gesneuvelde strijders van het slagveld weghalen, aan die goedige toovergodinnen, door onzen dichter Burns in onsterfelijke verzen bezongen, die door geen waren zoon der Hooglanden vergeten worden:

»Heden nacht dansen de feeën op Casselis Dawnans of begeven zij zich bij het bleeke maanlicht naar Colzean, om te gaan dwalen in de Coves te midden der rotsen en der beken."

»Maar miss Campbell," hernam de stijfhoofdige dwaas, »denkt gij dan, dat de dichters zelven aan die droombeelden hunner verbeelding gelooven?"

»Zeer zeker, mijnheer," antwoordde Olivier Sinclair. »Ware dat niet, dan zou hunnen dichtstukken een valsche klank aankleven, zoo als iedere gedachte die niet uit een onwrikbare overtuiging geboren is."

»Zoo, gij ook, mijnheer," grinnikte Aristobulus Beerenkooi. »Ik wist wel dat gij schilder, maar niet dat gij dichter waart."

»Dat staat geheel en al gelijk!" viel miss Campbell in. »De kunst is slechts één onder verschillende vormen!"

»Maar neen.... neen!.... dat is onaanneembaar!.... Gij kunt aan al die fabelen der oude barden niet gelooven! Hunne gekrenkte hersenen riepen slechts denkbeeldige godheden in het leven!"

»Oh! mijnheer Beerenkooi!" riep broeder Sam zeer gebelgd uit. »Mishandel zoo onze voorouders niet, die ons oud Schotland hebben bezongen!"

»Leen er liever het oor aan," zei broeder Sib, die de gelegenheid niet liet voorbijgaan om aanhalingen te doen uit het door hen beiden zoo geliefkoosd dichtstuk:

»Ik dweep met den zang der barden. Het is voor mij bekoorlijk naar de verhalen uit lang vervlogen tijden te luisteren. Die zijn voor mij als de heilige kalmte van den morgenstond, als de verkwikkelijke frischheid van den dauw, die de heuvelen bevochtigt...."

»Wanneer de zon nog slechts matte stralen op hare hellingen werpt," vulde broeder Sam aan. »Zij zijn voor mij, even als het stille en blauwachtige meer in de diepte van het dal!"

De beide ooms zouden ongetwijfeld voortgegaan zijn met de verrukkelijke verzen van Ossian aan te halen, wanneer slechts Aristobulus Beerenkooi niet goedgevonden had, hen plotseling in de rede te vallen:

»Mijne heeren!" vroeg hij, »hebt gij wel ooit eens een dier geesten ontmoet, die u zoo verrukken? Neen! En zijn ze te zien? Ook niet, nietwaar?"

»Daarin dwaalt gij, mijnheer," antwoordde miss Campbell, die haren tegenstanders geen haarbreed wilde toegeven, »en ik beklaag u, dat gij ze nog nimmer bespeurd hebt. Men ziet ze verschijnen door geheel Schotland. Zij glijden langs de verlaten glens; zij stijgen op uit de diepte der ravijnen; zij zweven huppelend langs de oppervlakte der meren; zij spelen in de vreedzame wateren der Hebriden; zij dartelen te midden van de stormen, die de noordsche winter hier aanbrengt. En ziet ge, die Groene Straal, dien ik zoo hardnekkig najaag, waarom zou die niet de sjerp kunnen zijn van de een of andere Valkyrie, die bij den horizont in de wateren der zee sleept?

»Waarachtig niet!" riep Aristobulus Beerenkooi uit. »Neen, dat niet! Ik zal u uitleggen, wat uw Groene Straal is...."

»Doe het niet, mijnheer," antwoordde miss Campbell met drift, »ik wil het niet weten!"

»Jawel, jawel!" riep Aristobulus Beerenkooi, geheel en al meegesleept door zijn geest van dispuut.

»Ik verbied het u stellig!...."

»Ik zal het u toch zeggen, miss Campbell. Wanneer de laatste straal, dien de zon werpt, als de bovenrand van hare schijf den horizon raakt, groen is, dan komt dit wellicht uit het feit, dat hij door eene dunne waterlaag van de zee glijdt en daarvan de kleur opneemt...."

»Zwijg...., mijnheer Beerenkooi!...."

»Of het moest zijn, dat de groene kleur geheel natuurlijk volgde op het purperrood van de schijf na haar plotselinge verdwijning, en waarvan het netvlies van ons oog den indruk bewaard heeft. Gij weet, dat in de gezichtkunde het groen de aanvullingskleur is van het rood!"

»Och mijnheer, uw natuurkundige redeneeringen...."