De Wonderen van den Antichrist
Part 9
"Wij hebben Micaela Palmeri in Diamante gezien," en dan zouden zij vertellen en lachen, en vertellen en lachen.
Haar geheele leven scheen haar één groote ellende. Zij was niets anders dan de slavin van een dwaas. Haar gansche leven zou zij niets anders doen dan tobben met don Ferrante.
Toen zij thuis kwam, was zij geheel uitgeput. Zij was zoo moede en krachteloos, dat zij zich nauwelijks de trappen op kon sleepen.
Onderwijl prees don Ferrante zijn geluk, dat hij deze voorname menschen ontmoet had, en dat zij zijn staatsie gezien hadden. Hij zei tot donna Micaela, dat nu niemand er meer naar vragen zou of zij leelijk was en of haar vader gestolen had. Nu wist men dat zij de echtgenoote was van een voornamen heer.
In den namiddag zat donna Micaela stil bij don Ferrante en liet haar vader met hem spreken. Toen begon een mandoline zacht te zingen onder de vensters van het zomerpaleis. Het was een enkele mandoline zonder begeleiding van een gitaar of viool.
Niets kon zoo teeder en luchtig zijn, niets lieflijker of roerender. Men kon niet gelooven dat het menschelijke handen waren, die de snaren der mandoline aanraakten. Het was alsof de bijen, krekels en sprinkhanen een concert gaven.
"Er is weer iemand verliefd op Giannita," zei don Ferrante. "Dat is nog eens een vrouw, die Giannita! Ieder kan zien dat zij mooi is. Als ik jong was, zou ik ook verliefd worden op Giannita. Zij weet te beminnen."
Donna Micaela zweeg. Hij had gelijk, dacht zij. De mandolinespeler minde Giannita. Dezen avond was Giannita thuis bij haar moeder, anders woonde zij nu in het zomerpaleis.
Donna Micaela had in dit opzicht haar wil doorgedreven, nadat don Ferrante zoo lastig was geworden.
Maar wie het dan ook gold, het mandolinespel behaagde donna Micaela. Het klonk zoo liefelijk, zacht en vertroostend. Ze ging stil naar haar kabinet om beter te kunnen luisteren in de eenzaamheid.
En sterke zoete geur sloeg haar tegemoet. Wat was dat? Haar handen begonnen te beven, voordat ze een kaars en lucifer vond. Op haar werktafel lag een groote, wijd opengesprongen magnoliebloem.
Op één der bladen was geprikt:
"Wie heeft mij lief?" En nu stond daaronder:
"Gaetano."
Naast de bloem lag een klein wit boek met liefdesliederen.
Bij een der kleine canzones stond een teeken:
Nooit van mijn liefde heeft iemand geweten. Heimlijk en stil werd des nachts zij geboren, Zachtjes toch slopen mijn droomen tot u. Gierig bewaakte ik angstig mijn schat. Spoedt zich mijn biechtvader eens naar mijn sterfbed, Zullen mijn lippen 't geheim nog bewaren. Sluitend de deur, werp 'k den sleutel in d'afgrond. 'k Neem mijn geheim naar de eeuwigheid mee.
De mandoline bleef doorspelen. Er klinkt iets van frissche lucht en zonneschijn in den klank der mandoline. Iets dat verkwikt en versterkt. Iets van de vertroostende zorgeloosheid der schoone natuur.
IX.
DE VLUCHT.
In dezen tijd bevond het kleine beeld van Aracoeli zich nog in Diamante.
De Engelsche dame die het beeld bezat, was zoo verrukt over Diamante, dat zij het niet verlaten kon. Zij had voor haar rekening de geheele eerste verdieping van het hotel gehuurd, en die geheel voor zich ingericht. Zij kocht voor groote sommen alles wat ze maar kon krijgen aan oud aardewerk en oude munten. Zij kocht mozaïekwerk, altaarschilderijen en heiligenbeelden. Toen kreeg zij den inval, dat zij zich een verzameling wilde aanschaffen van alle heiligen der kerk.
Zij hoorde spreken van Gaetano en zond hem een boodschap, dat hij bij haar in het hotel zou komen.
Gaetano verzamelde in der haast alles wat hij in den laatsten tijd gesneden had en nam dat mee naar miss Tottenham. Zij was zeer tevreden over zijn kleine beelden en wilde ze alle koopen.
Maar de vertrekken van de Engelsche dame waren gelijk de rommelkamers van een museum. Al het mogelijke werd daarin gevonden, maar alles was wanordelijk en slordig. Daar stonden halfvolle koffers, daar hingen mantels en hoeden, daar lagen schilderijen en gravures, daar waren reisboeken, theeserviezen en spiritustoestellen, daar werden hellebaarden, misboeken, mandolines en wapenschilden gevonden.
Dat opende Gaetano de oogen. Hij bloosde plotseling, beet zich op de lippen, en begon zijn beelden in te pakken.
Hij had een beeld van het Christuskind gezien; het was het verworpen beeld, dat midden tusschen al die wanorde stond, met zijn kroon vol deuken op het hoofd en zijn koperen schoentjes aan de voeten. De verf was van zijn gezicht verdwenen, de ringen en sieraden, die hem bedekten, waren verroest, en zijn kleertjes waren geel van ouderdom. Toen Gaetano dit zag, wilde hij zijn beelden niet aan miss Tottenham verkoopen, maar stil heengaan.
En toen zij hem vroeg wat hem deerde, voer hij tegen haar uit:
"Wist zij dat vele der zaken, die zij bezat, heilig waren? Wist zij of wist zij niet, dat dit het heilige Christuskind zelf was? En zij had het drie vingers van de eene hand laten verliezen en de steenen uit zijn kroon laten vallen, en het daar vuil, verroest en ontheiligd laten liggen. Indien zij zoo het beeld van Gods zoon behandelde, hoe zou ze dan niet alle andere verwaarloozen? Hij wilde haar geen heiligenbeelden verkoopen."
Toen Gaetano op deze wijze tegen miss Tottenham uitvoer was ze verrukt, verrukt!
Hier was het ware geloof en heilige toorn.
Deze jonge man moest kunstenaar worden.
Naar Engeland moest hij gaan. Zij wilde hem naar den grooten meester zenden, haar vriend, die de kunst trachtte te herscheppen; naar hem die den menschen wilde leeren schoon huisraad, schoone kerkinrichtingen te vervaardigen, en die een heele schoone wereld wilde scheppen.
Zij regelde en schikte alles en Gaetano liet haar stil geworden, omdat hij nu liefst Diamante wilde verlaten.
Hij zag dat hij het leven daar niet meer kon uithouden en hij geloofde dat het God was, die hem aan de verleiding onttrok.
Hij verliet Diamante geheel onbemerkt. Donna Micaela wist nauwelijks iets van de geheele zaak, vóórdat hij weg was. Hij had het niet gewaagd bij haar te komen om afscheid te nemen.
X.
DE SIROCCO.
Hierna verliepen twee jaren volkomen stil. Het eenige, dat in Diamante en op geheel Sicilië gebeurde, was dat de menschen al armer en armer werden.
Toen brak de herfst aan, en het was de tijd, dat de wijn geoogst moest worden.
In dien tijd plegen de lieflijke canzones van de lippen te stroomen; in dien tijd springen er nieuwe en schoone melodieën uit de mandoline.
Dan pleegt de jeugd in scharen naar de wijngaarden te trekken, en er is arbeid en gelach den ganschen dag, dans en gejubel den geheelen nacht en men weet niet meer wat slaap is.
Dan koepelt de blauwe luchtzee zich schooner dan ooit boven den berg. Dan tintelt de lucht van vroolijke invallen, dan vliegen fonkelende blikken als bliksemstralen door de lucht, dan ontvangt deze niet alleen warmte en licht van de zon, maar ook van de stralende gezichten der jonge vrouwen van den Etna.
Maar in dezen herfst waren alle wijngaarden verwoest door de phylloxera. Geen druivenplukker drong zich tusschen de wijnranken, geen lange rij van vrouwen met volle manden op het hoofd kronkelde zich naar de wijnpers en 's nachts werd er niet gedanst op de platte daken.
In dezen herfst welfde zich geen klare, heldere Octoberlucht boven den Etna. En als om de natuur in overeenstemming te brengen met den nood, kwam de beklemmende verstijvende woestijnwind van Afrika, stof en nevel met zich voerend, en verdonkerde het gansche luchtruim. Nooit, zoo lang deze herfst duurde, voelde men een frisschen bergwind. Voortdurend blies de met ongeluk bezwangerde sirocco.
Soms was die zoo droog en stoffig, en zoo verschroeiend heet, dat men de deuren en vensters sluiten en in huis moest blijven om niet te versmachten.
Maar meestal was die lauw, vochtig en drukkend. En de menschen kenden geen rust, de zorg verliet hen dag noch nacht en de ellende stapelde zich boven hun hoofd, als de sneeuwlagen op de hooge bergen.
En de onrust kwam ook tot donna Micaela, terwijl zij nog steeds zat bij haar ouden man, don Ferrante.
Gedurende dezen herfst hoorde zij nooit een lach, nooit een lied. De menschen slopen elkaar voorbij, zoo vol toorn en vertwijfeling, dat zij bijkans schenen te bersten.
En zij zeide tot zich zelf, dat zij zeker zonnen op een oproer. Zij begreep dat zij in opstand moesten komen.
Wel zou het zeker niemand helpen, maar er bleef hun geen ander middel over.
In het begin van den herfst had zij op haar balkon gezeten en de menschen op straat hooren spreken. Ze spraken altijd over den nood.
"De oogst van het graan en van den wijn is mislukt, er is gebrek aan zwavel en aan oranjeappels, al Sicilië's geel goud is verongelukt. Waarvan moest men dan leven?"
En donna Micaela begreep dat dit vreeselijk was.
Graan, wijn, oranjeappels en zwavel, al hun geel goud! Zij begon ook te begrijpen, dat de ellende grooter was dan de menschen konden dragen en zij was wanhopig, dat het leven zoo hard was.
En zij vroeg zich af waarom de menschen gedwongen waren zulke bovenmatig hooge belastingen te betalen. Waarom moest er accijns op zout zijn, zoodat een arme vrouw geen recht had naar het strand te gaan om een emmer zout water te halen, maar het zout tegen hoogen prijs moest koopen in de winkels der regeering?
En waarom moest er een belasting op de palmboomen zijn? Nu velden de boeren met toorn in het harte de oude boomen, wier kronen zoo lang boven het edele eiland gewuifd hadden. En waarom moest er belasting op de vensters zijn? Wat wilde men toch daarmee? Was het de bedoeling, dat de arme menschen hun vensters weg zouden nemen en hun kamers zouden verlaten om in de kelders te gaan wonen?
In de zwavelmijnen waren werkstakingen en woelingen uitgebroken en de regeering zond troepen om het volk te dwingen weer aan den arbeid te gaan. Donna Micaela vroeg zich af of de regeering niet wist, dat men in het geheel geen machines in de mijnen gebruikte. Had zij nooit gehoord, dat het kinderen waren, die het erts uit de diepe schachten sleepten?
De regeering wist niet, dat deze kinderen slaven waren; zij kon immers niet weten, dat hun ouders hen verkocht hadden aan de patroons. Of indien de regeering dit wist, waarom hielp ze dan de mijneigenaars?
Opeens hoorde zij spreken over een ontzettende menigte misdaden. En opnieuw begon zij te vragen:
Waarom liet men de menschen zoo misdadig worden?
En waarom liet men het volk tot zoo'n groote armoede en ellende vervallen? Waarom moesten ze allen zoo ellendig zijn? Zij wist, dat degenen, die in Palermo of Catania woonden, zoo niet behoefden te vragen. Maar hij, die in Diamante woonde, hij kon niet nalaten te vreezen en te vragen. Waarom liet men de menschen zoo arm worden, dat zij stierven van den honger?
De zomer was nauwelijks verstreken en men was nog maar in het einde van de maand October, toen donna Micaela den dag reeds voor zich zag, dat het oproer zou uitbreken. Ze zag de uitgehongerde menschen door de straten aanstormen. Zij zouden de winkels plunderen en ze zouden de huizen binnendringen der weinige rijken, die in de stad gevonden werden. Voor het zomerpaleis zou de wilde schare staan blijven, en langs de balkons en vensters naar binnen klimmen.
"Hier met de juweelen der oude Alagona's, hier met don Ferrante's millioenen!"
Het was immers hun droom, het zomerpaleis! Ze geloofden dat het zoo vol goud was als een sprookjesslot. Maar als zij niets vonden, zouden zij haar het mes op de keel zetten, om haar te dwingen de schatten uit te leveren, die zij nooit bezeten had, en zij zou vermoord worden door de roofgierige bende.
Waarom konden de groote grondbezitters niet thuis blijven? Waarom moesten zij de armen verbitteren met het leiden van een weelderig leven in Rome of in Parijs?
Men zou hen zoo niet haten, als zij op het eiland bleven. Dan zou men niet zulke dure en heilige eeden zweren, alle rijken te zullen dooden.
Donna Micaela wenschte slechts dat zij kon vluchten naar één der groote steden. Maar zoowel haar vader als don Ferrante werd in dezen herfst ziek, en om hunnentwille was zij gedwongen te blijven, waar zij was. En zij wist, dat zij gedood zou worden als een zoenoffer voor de zonden der rijken tegenover de armen.
Gedurende vele jaren hadden de ongelukken zich boven Sicilië opeengehoopt en nu konden ze niet langer tegengehouden worden.
Nu begon de Etna zelf te dreigen met een uitbarsting.
De zwaveldamp gloeide 's nachts vuurrood en het onderaardsche gerommel werd tot in Diamante gehoord.
De wereld zou vergaan. Alles zou verwoest worden. Wist dan de regeering niets van de stemming van het volk? O, eindelijk, eindelijk had de regeering er kennis van gekregen, en een comité samengesteld. Het was een groote troost, op een mooien dag de gevolmachtigden door de corso te zien komen aanrijden.
Indien het volk slechts begrepen had dat zij het goed met hen meenden. Indien slechts de vrouwen niet in haar deuren hadden gestaan en de fijne heeren van het vasteland bespot hadden, en indien slechts de kinderen niet naast de wagens hadden geloopen en geroepen: "Dief, dief!" Alles wat men deed verhaastte slechts het oproer. En er was niemand die het volk leiden en kalmeeren kon. Er was geen enkele ambtenaar, dien men vertrouwde. Degenen, die zich slechts lieten omkoopen, waren nog de minst verachten. Maar men zei dat de meesten van hen leden van de mafia waren. Men zei, dat zij er slechts aan dachten zich geld en macht toe te eigenen. En naarmate de herfst verstreek, duidden meer en meer teekenen er op, dat er iets ontzettends dreigde.
In de couranten las men dat de arbeiders zich in de groote steden vereenigden en door de straten trokken. En men las ook hoe de leiders der socialisten door het land trokken en opruiende toespraken hielden,
Opeens werd het donna Micaela duidelijk, wat de oorzaak was van alle onrust. Het waren de socialisten, die het oproer verwekten. Het was hun vurige taal, die de gemoederen in beweging bracht. Hoe kon men hen dat laten doen? Wie was dan koning van Sicilië? Heette hij Da Felice of Umberto?
Toen greep ontzetting haar aan.
Het was alsof men alleen tegen haar samenspande. En hoe meer zij over de socialisten hoorde spreken, des te meer vreesde zij hen.
Giannita trachtte haar gerust te stellen.
"Wij hebben geen socialisten in Diamante," zei zij. "In Diamante denkt men er niet aan om oproer te maken."
Maar donna Micaela vroeg haar of zij niet wist wat het beteekende, dat de oude spinsters in donkere hoeken zaten en geschiedenissen verhaalden van de groote rooverhelden en den beruchten visscher Giuseppe Alesi, dien men de Massaniello van Sicilië noemde?
Indien de socialisten slechts de menschen tot oproer konden overhalen, zou ook Diamante wel meedoen.
Geheel Diamante wist reeds, dat iets ontzettends dreigde. Men had den grooten zwarten monnik zien spoken op het terras van het palazzo Geraci.
Men hoorde de uilen den ganschen nacht schreeuwen, en sommigen beweerden, dat de hanen kraaiden bij zonsondergang en zwegen bij het ochtendgekriek.
Op een dag in November, was Diamante plotseling vol woeste menschen.
Het waren mannen met roofdiergezichten, ruige baarden, en groote handen aan ontzettend lange armen. Verscheidenen van hen droegen wijde, fladderende linnen mantels en men meende beruchte bandieten en onlangs ontslagen galeiboeven in hen te herkennen.
Giannita vertelde dat al deze woeste menschen in de bergen woonden, en nu over den Simeto waren getrokken, omdat het gerucht verspreid was, dat het oproer in Diamante reeds uitgebroken was. Maar toen alles rustig was en de kazernes vol karabiniers waren, trokken zij weer weg.
Donna Micaela dacht nu voortdurend aan deze menschen en ze was overtuigd dat zij haar moordenaars zouden worden. Zij zag hen voor zich in hun fladderende linnen mantels en met hun roofdiergezichten. Zij wist dat zij in hun berggrotten op de loer lagen, en op den dag wachtten, dat zij schoten en oproerkreten in Diamante hoorden. Dan zouden zij zich met moord en brand op de stad werpen en zich aan de spits stellen van het gansche uitgehongerde volk, generaals en aanvoerders der verwoesting gelijk.
Donna Micaela moest gedurende dezen geheelen herfst zoowel haar vader als don Ferrante verplegen, die beiden maand na maand ziek lagen. Men had haar verzekerd, dat er volstrekt geen gevaar voor hun leven bestond. Zij was zeer blijde don Ferrante in het leven te mogen behouden, want het was haar eenige hoop, dat de menschen hem ten slotte zouden sparen, omdat hij uit een oud geslacht was, dat hoog in aanzien stond.
Terwijl zij daar bij het ziekbed zat, ging haar verlangen dikwijls naar Gaetano en ontelbaar waren de keeren dat zij wenschte dat hij thuis was. Zij zou angst noch doodsvrees gevoelen, indien hij slechts in zijn werkplaats stond. Dan zou er slechts vrede en veiligheid in haar ziel heerschen.
Zelfs nu hij zoo ver weg vertoefde, was hij degene, bij wien zij in gedachten hulp zocht, toen de ontzetting haar tot waanzin dreef.
Toch had zij geen enkelen brief van hem ontvangen, in al dien tijd dat hij weg was; zoodat zij dikwijls geloofde, dat hij haar geheel vergeten had. Op andere tijden wist ze evenwel zeker, dat hij haar liefhad, want dan voelde zij zich zoo onweerstaanbaar gedrongen aan hem te denken, dat zij begreep, dat hij haar in gedachten nabij was en haar riep.
In dezen herfst kreeg zij eindelijk een brief van Gaetano. Ach, welk een brief! Donna Micaela's eerste gedachte was hem te verbranden.
Ze was naar het terras op het dak gegaan, om alleen te zijn, terwijl zij den brief las. Hier had ze ook eens Gaetano's liefdesverklaring gehoord. En die had haar volstrekt niet ontroerd. Die had haar geschokt, noch verschrikt. Maar deze brief was iets geheel anders. Hij smeekte haar bij hem te komen, de zijne te worden, hem haar leven te geven.
Toen zij dit las, schrikte zij van zich zelf. Zij voelde hoe zij had willen uitroepen: "ik kom" en weg had willen vliegen. Zij voelde zich tot hem getrokken, meegesleept.
"Laat ons gelukkig zijn!" schreef hij. "Wij verspillen den tijd, de jaren gaan voorbij. Laat ons gelukkig zijn."
Hij beschreef haar hoe zij zouden leven. Hij vertelde haar van andere vrouwen, die de stem der liefde gehoorzaamd hadden en gelukkig waren geworden. Hij schreef even verlokkend als overtuigend.
Het was niet juist de inhoud, maar de liefde, die in den brief brandde en gloeide en die haar vervoerde. Die steeg op uit het papier gelijk bedwelmende wierook en zij voelde hoe die haar doordrong. Vurig verlangen was het, dat uit elk woord sprak.
Nu was zij niet meer een heilige voor hem, zooals zij vroeger was geweest. Deze brief kwam overweldigend onverwacht na een paar jaar van zwijgen, en zij was ontsteld dat deze haar zoo verrukte.
Zóó had zij zich de liefde nooit gedacht. Zou die haar ook in dezen nieuwen vorm behagen? En met angst ontdekte zij dat die haar ook zoo behaagde.
Toen strafte zij hem zoowel als zich zelf door een zeer streng antwoord te schrijven. Dat was moraal, moraal, niets anders dan moraal. Zij was trotsch dat zij zoo geschreven had. Zij ontkende niet dat zij hem liefhad, maar misschien zou Gaetano haar liefdeswoorden niet kunnen vinden, zoo verborgen waren ze onder verwijten. Het was ook beter, dat hij ze niet vond.
Hij schreef haar geen brieven meer. Maar nu kon donna Micaela nooit meer aan Gaetano denken als steun en beschermer. Nu was hij gevaarlijker dan de mannen uit de bergen.
En iederen dag bracht Diamante een onheilspellender bericht. Nu begon iedereen zich wapens aan te schaffen. En hoewel het verboden was die te bezitten, droegen toch alle menschen die in 't geheim.
Alle vreemdelingen verlieten het eiland, maar in hun plaats werd er van Italië het ééne duizendtal soldaten na het andere gezonden.
De socialisten hielden voortdurend redevoeringen.
Waren zij dan bezeten door een boozen geest, dat zij niet tevreden waren, vóórdat zij het ongeluk opgeroepen hadden!
Eindelijk hadden de oproerlingen den dag bepaald dat de storm zou losbreken. Geheel Sicilië, geheel Italië zou in opstand komen. Het was nu niet meer een holle bedreiging maar werkelijkheid.
Toen kwamen er al meer en meer troepen van het vasteland. En de meesten waren Napolitanen, die in eeuwige veete met de Sicilianen leven.
Het eiland werd in staat van beleg verklaard.
Er zouden geen gerechtshoven meer zijn, slechts de krijgsraad. En het volk vertelde dat de soldaten verlof hadden te plunderen en te moorden naar hartelust.
Niemand wist wat er gebeuren zou. De boeren wierpen verschansingen op in de bergen. In Diamante stonden mannen in groote groepen bijeen op de markt, stonden daar dag aan dag zonder aan den arbeid te gaan. Deze groepen mannen, die gekleed waren in donkere mantels met slappe hoeden, zagen er onheilspellend uit.
Zij droomden zeker allen van het oogenblik, dat zij het zomerpaleis zouden plunderen.
Hoe meer men den dag naderde, dat het oproer zou uitbreken, hoe zieker don Ferrante werd. En donna Micaela begon voor zijn leven te vreezen.
Het scheen haar een teeken, dat zij voorbeschikt was tot ondergang, nu zij ook don Ferrante moest verliezen.
Wie zou haar ontzien, als hij niet meer leefde?
Zij waakte bij hem. Zij en alle vrouwen der wijk zaten in stil gebed bij zijn legerstede.
Maar op een morgen, tegen zes uur, stierf don Ferrante. En donna Micaela betreurde hem, omdat hij haar eenige beschermer was en de eenige, die haar van den ondergang had kunnen redden, en zij wilde den doode alle eer bewijzen, die nog gebruikelijk is op Sicilië. Zij liet de sterfkamer met zwart doek bekleeden en sloot alle luiken, opdat het blijde zonlicht niet in het vertrek zou dringen.
Zij liet ook het vuur dooven in den haard en zond om een blinden zanger, opdat hij elken dag in het paleis zou komen om klaagliederen te zingen. Zij liet het aan Giannita over cavaliere Palmeri te verplegen, opdat zij zelf stil in de sterfkamer zou kunnen zitten tusschen de treurende vrouwen.
Het liep tegen den avond van den sterfdag, men had alle beschikkingen gemaakt en wachtte nu slechts op de witte broeders, die het lijk zouden wegvoeren.
In de sterfkamer was het doodstil. Al de vrouwen van de wijk zaten daar onbeweeglijk met betraande gezichten. Donna Micaela was bleek in haar grooten angst en staarde onafgebroken naar het lijkkleed, dat over den doode gespreid was.
Het was een baarkleed, dat aan het geslacht der Alagona's behoorde, een reusachtig groot familiewapen prijkte in het midden en het was afgezet met zilveren franje en dikke kwasten. Dit kleed was nooit gespreid over iemand anders dan over een Alagona. Het scheen daar te liggen, opdat donna Micaela geen oogenblik zou vergeten, dat haar laatste steun van haar was genomen en zij nu eenzaam en zonder bescherming stond tusschen het verwoede volk.
Nu kwam iemand binnen om te melden, dat de oude Assunta was gekomen. De oude Assunta, wat wenschte de oude Assunta?
"Assunta was een lofspreekster, ze placht over de dooden te spreken."
Donna Micaela liet Assunta in de kamer komen. Ze was zooals zij op de domtrap zat te bedelen, met dezelfde gelapte kleeding, denzelfden verschoten hoofddoek en dezelfde oude kruk.
Klein en met gebogen rug hinkte zij naar de kist. Zij had een verschrompeld gelaat, een ingevallen mond en doffe oogen. Donna Micaela zei tot zichzelf dat de hulpeloosheid en de onmacht nu haar kamer binnentraden.
De oude verhief haar stem en begon te spreken uit naam der echtgenoote.
"Mijn heer is dood, en ik ben eenzaam. Hij die mij verhief aan zijn zijde, is niet meer. Hoe vreemd is het, dat mijn huis zijn meester verloren heeft!--Waarom zijn de luiken voor uw vensters gesloten? vragen de voorbijgangers.--Ik antwoord: ik kan het licht niet verdragen, daarvoor is mijn smart te groot, mijn smart is drievoudig."
"Hoe, zijn er zoo velen van uw geslacht door de witte broeders weggedragen?
"Neen, niemand van mijn geslacht is dood, maar ik heb mijn man verloren, mijn man, mijn man!"