De Wonderen van den Antichrist

Part 8

Chapter 84,197 wordsPublic domain

En niemand kon hem daar in de poort zien zitten in zijn feestgewaad, zonder door vrees aangegrepen te worden, want men wist, dat de grijsaard verwachtte, dat geen geringer heer dan de ondergang zelf, door de poort zou gaan, die hij bewaakte.

En de angst ging gelijk een besmetting van mensch tot mensch. Zoo liep de arme Torino, die eens een welgesteld man was geweest, van huis tot huis en riep dat de tijd nu gekomen was, dat allen die hem bedrogen en bestolen hadden hun straf zouden ontvangen. Hij ging in al de kleine winkels aan de corso, sloeg met de vuist op de toonbank en zei, dat nu allen in de stad hun vonnis zouden krijgen, omdat ze meegeholpen hadden hem te bedriegen.

En even beangstigend was het, wat men hoorde van het speelgezelschap in café Europa. Daar hadden dezelfde vier spelers jaar in jaar uit aan de speeltafel gezeten, en men had nooit gedacht dat ze iets anders konden doen dan spelen. Maar nu lieten ze plotseling de kaarten vallen en beloofden elkaar, dat indien ze in 't leven bleven na dezen dag der verschrikking ze de kaarten nooit meer zouden aanraken.

Donna Elisa's winkel stond vol menschen, en om de heiligen te bewegen het dreigende gevaar af te wenden, kochten ze al de heilige zaken, die donna Elisa te verkoopen had. Maar donna Elisa dacht slechts aan Gaetano, die reeds vertrokken was en zij meende dat San Pasquale voorspelde dat hij op reis zou omkomen.

En zij verheugde zich volstrekt niet over al het geld, dat zij verdiende.

Maar toen de klokken van San Pasquale den ganschen namiddag bleven doorluiden, kon men nauwelijks het leven uithouden.

Want nu wist men dat zij een aardbeving voorspelden, en dat geheel Diamante verwoest zou worden.

In de stegen, waar zelfs de huizen bang schenen te zijn voor de aardbeving en zich tegen elkander aandrukten om elkander te steunen, zetten de menschen hun armzalige oude meubels in den regen op straat en spanden daarboven een tent van beddelakens. En ze droegen zelfs de kleine kinderen in hun wiegen naar buiten en wierpen doeken over hen heen. Trots den regen was er zulk een gedrang op de corso, dat men er nauwelijks door kon komen. Want een ieder wilde door de Porta Etnea gaan om de klokken te zien slingeren en zwaaien en om zich te overtuigen, dat niemand aan het touw trok, maar dat dit voortdurend vastgebonden was. En allen die buiten kwamen vielen op hun knieën op den weg, waar het water in stroomen naar beneden bruiste en de modder grondeloos was.

De deuren van San Pasquale's kerk waren als altijd gesloten, maar daar buiten ging de oude monnik fra Felice tusschen de biddenden rond met een koperen schaal om de gaven in ontvangst te nemen.

In optocht trokken de verschrikte menschen naar het beeld van San Pasquale onder den steenen baldakijn en kusten hem de hand. Een oude vrouw droeg heel voorzichtig iets, dat ze met een groene parapluie beschermde. Het was een glas, gevuld met water en olie, waarop een pitje dreef dat met zwakken glans lichtte. Dat plaatste zij vóór het beeld, en daarna zonk ze er voor op de knieën. Hoewel velen vonden, dat men trachten moest de klokken vast te binden, was er niemand, die den moed had het voor te stellen. Want men waagde het niet Gods stem tot zwijgen te brengen.

Ook durfde niemand zeggen, dat het een list van den ouden fra Felice kon zijn om geld te verzamelen. Fra Felice was bemind, en degene, die dat zei, zou slecht te pas zijn gekomen.

Ook donna Micaela kwam naar San Pasquale, ze had haar vader bij zich. Zij liep met fier opgeheven hoofd en geheel zonder vrees.

Zij kwam tot San Pasquale om hem te danken, hem die den grootsten hartstocht in haar ziel luidde.

"Mijn leven begint dezen dag," zei ze tot zichzelf. En het scheen ook niet, dat don Ferrante angstig was, maar boos en kwaad was hij! Want allen gingen naar zijn winkel om hem te zeggen wat zij van 't klokgelui dachten en hem te vragen naar zijn meening, omdat hij een der Alagona's was, die zoo lange jaren over de stad geregeerd hadden.

Den ganschen dag kwamen bevende, angstige menschen in zijn winkel. En allen zeiden tegen hem:

"Welk een vreeselijk klokgelui, don Ferrante. Wat zal er van ons worden, don Ferrante?"

Er was nauwelijks één der inwoners van de stad, die niet in don Ferrante's winkel kwam om hem te raadplegen. Zoo lang het klokgelui duurde, hingen ze over de toonbank zonder voor zooveel als een soldo te koopen.

Zelfs Ugo Favara, de zwaarmoedige advocaat, kwam in zijn winkel, nam een stoel en ging achter de toonbank zitten. En den ganschen dag bleef hij daar, doodsbleek, volkomen onbeweeglijk, de ondraaglijkste smarten lijdend zonder een woord te spreken.

Maar elke vijf minuten kwam Torino il Martello binnen, sloeg met de vuist op de toonbank en zei, dat nu het uur gekomen was, dat don Ferrante zijn straf zou ontvangen.

Don Ferrante was een harde man, maar hij kon de klokken evenmin ontloopen als iemand anders. En hoe langer hij ze hoorde, hoe meer hij zich verwonderde, dat alle menschen juist zijn winkel binnenstroomden. Het was alsof ze iets daarmee bedoelden.

't Was alsof zij hem aansprakelijk wilden stellen voor het klokgelui en voor de ramp, die het voorspelde.

Hij had het aan niemand gezegd, maar zijn vrouw had het zeker verspreid. Hij begon te gelooven, dat allen aan hetzelfde dachten, ofschoon zij niet waagden het te zeggen. Hij dacht, dat de advocaat er op zat te wachten, dat hij zou toegeven. Hij geloofde, dat de geheele stad kwam om te zien of hij werkelijk zijn schoonvader durfde wegzenden.

Donna Elisa, die het zoo druk had in haar eigen winkel, dat zij zelf niet kon komen, zond gedurig de oude Pacifica naar hem om te vragen, wat hij dacht van het klokgelui. En de pastoor kwam ook een oogenblik in zijn winkel en zeide evenals alle anderen:

"Hebt ge ooit zulk een vreeselijk klokgelui gehoord, don Ferrante?"

En don Ferrante zou gaarne geweten hebben of de advocaat en don Matteo en al de anderen slechts kwamen om hem te verwijten, dat hij cavaliere Palmeri wilde wegzenden.

't Bloed begon aan zijn slapen te kloppen. De winkel begon met hem rond te draaien. En onophoudelijk kwam er iemand binnen om te vragen:

"Hebt ge ooit zulk een vreeselijk klokgelui gehoord?"

Maar wie niet kwam was donna Micaela. Zij kwam niet, omdat zij volstrekt geen angst gevoelde. Zij was slechts trotsch en opgetogen, dat de hartstocht nu was gekomen, die haar gansche leven vullen zou.

"Nu zal ik leven het groote en machtige leven," zei zij. En het ontstelde haar, dat zij tot nu toe slechts een kind was geweest. Zij zou vertrekken met den postwagen, die om tien uur 's avonds voorbij Diamante kwam. Toen het tegen vier uur liep, dacht zij dat zij nu alles aan haar vader moest zeggen, en zijn goed moest inpakken.

Maar ook dit scheen haar niet moeilijk. Haar vader zou haar spoedig nakomen naar Argentinië. Zij zou hem vragen eenige maanden geduld te hebben tot ze een thuis hadden om hem aan te bieden. En zij was overtuigd, dat hij het goed zou keuren, dat zij don Ferrante verliet.

Zij was in een zalige vervoering. Alles wat haar vreeselijk moest schijnen, bestond niet meer voor haar.

Geen schaamte, geen gevaar, neen niets meer.

Zij verlangde slechts het ratelen van den naderenden postwagen te hooren.

Toen klonken er vele stemmen op de trap, die van den binnenhof naar de woning leidde. Zij hoorde het geluid van vele zware voetstappen. Zij zag menschen gaan door de open zuilengangen, die rondom den binnenhof liepen en waardoor men moest gaan om in de vertrekken te komen. Zij zag dat zij iets zwaars droegen maar zij kon niet onderscheiden, wat het was, omdat er zoo veel menschen waren.

De bleeke advocaat liep vooruit, en zeide haar, dat don Ferranto Torino uit den winkel had willen jagen, maar dat deze hem toen met zijn mes verwond had.

Het was niet gevaarlijk. Don Ferrante was reeds verbonden en zou na veertien dagen geheel hersteld zijn.

Don Ferrante werd nu naar binnen gedragen, en zijn blikken dwaalden in het rond, niet om donna Micaela, maar om cavaliere Palmeri te zoeken. Toen hij hem zag, deed hij zonder een woord te spreken, met eenige handgebaren zijn vrouw verstaan, dat haar vader nooit zijn huis zou behoeven te verlaten, nooit! nooit!

Toen drukte donna Micaela de handen tegen de oogen. Hoe? haar vader zou niet vertrekken? Zij was dus gered. Er was een wonder geschied om haar te helpen. O, nu moest zij verheugd, gelukkig zijn!

Maar dat was zij niet. Zij voelde een heftige smart.

Zij kon niet weggaan. Haar vader zou blijven en dus moest zij don Ferrante trouw zijn. Zij deed moeite om die gedachte te begrijpen. Het was zoo.

Zij kon niet vertrekken.

Zij trachtte het op een andere wijze te verklaren. Misschien was dit een valsche gevolgtrekking. Zij was zoo verward. Neen, neen, het was zoo, zij kon niet weggaan.

Toen gevoelde zij zich zoo nameloos moede. Zij had immers gereisd en gereisd den ganschen dag. Zij was zoo lang onderweg geweest. En nu zou zij nooit gaan. Zij zonk ineen, een bezwijming nabij. Er bleef haar niets over dan te rusten na de verre reis, die zij gemaakt had. Maar dat zou zij zeker nooit kunnen. Zij begon te weenen, omdat zij nu nooit zou gaan. Gedurende haar geheele leven zou zij reizen en reizen en toch nooit vertrekken kunnen.

VIII.

TWEE CANZONES.

Het was de morgen na den dag, dat San Pasquale's klokken geluid hadden en donna Elisa zat in haar winkel geld te tellen. Den vorigen dag, toen alle menschen zoo angstig waren, had zij ongelooflijk veel verkocht, en 's morgens, toen zij in haar winkel kwam, was zij bijna verschrokken. Want de geheele winkel was als uitgeplunderd, de medaillons waren weg, de waskaarsen waren weg en evenzoo de groote trossen rozenkransen. Al die mooie heiligenbeeldjes van Gaetano waren van de planken gehaald en verkocht, en het deed donna Elisa werkelijk veel verdriet, niet meer deze groote schare heilige mannen en vrouwen om zich heen te zien.

Toen trok zij de geldlade uit en die was zoo boordevol, dat zij die nauwelijks kon openschuiven. En terwijl zij haar geld telde, schreide zij, alsof al de geldstukken valsch waren. Want wat baatte het haar al deze vuile bankbiljetten en deze groote bronzen munten te bezitten, nu zij Gaetano verloren had! En zij dacht dat indien hij slechts één dag langer in huis was gebleven, hij niet had behoeven te vertrekken, want nu had zij geld in overvloed.

Terwijl ze daar zoo zat, hoorde zij den postwagen voor haar deur stilhouden.

Maar zij keek niet eens op, wat gaf zij er om wat er gebeurde, nu Gaetano weg was. Toen werd de deur geopend, de winkelbel luidde hevig. Ze schreide slechts en telde. Toen zei iemand:

"Donna Elisa! Donna Elisa!"

't Was Gaetano.

"Mijn God, waarom ben je teruggekomen?" riep zij.

"Ge hebt immers al uw beelden verkocht, ik ben thuis gekomen om nieuwe beelden voor u te snijden."

"Maar hoe weet je dat?"

"Ik was vannacht om twee uur bij den postwagen. Rosa Alfari heeft mij alles verteld."

"Hoe gelukkig, dat je naar den postwagen ging! Hoe gelukkig, dat je den inval kreeg om naar den postwagen te gaan!"

"Ja, was dat niet gelukkig," zei Gaetano.

Nauwelijks een uur later stond Gaetano weer in zijn werkplaats en donna Elisa die niets in haar leegen winkel te doen had, kwam onophoudelijk in de deur der werkplaats om naar hem te kijken.

Neen, dat hij nu werkelijk daar weer stond te snijden! Ze kon geen vijf minuten voorbij laten gaan, zonder naar hem te kijken.

Maar toen donna Micaela hoorde, dat Gaetano weer terug was, voelde zij geen vreugde, maar veeleer toorn en wanhoop.

Want zij was bang, dat hij als een verleider zou komen om haar te verlokken.

Zij had immers gehoord dat een rijke Engelsche dame naar Diamante was gekomen op den dag, dat San Pasquale's klokken geluid hadden.

En zij was zeer getroffen, toen zij hoorde dat het juist de dame met het Christusbeeld was. Hij was dus dadelijk gekomen, toen zij hem aangeroepen had.

De regen en het klokgelui was zijn werk!

Zij trachtte haar hart te verblijden met de gedachte, dat er een wonder was geschied om harentwille.

Het moest haar meer zijn dan alle aardsch geluk en liefde, dat zij zich omgeven gevoelde door Gods genade. Zij wilde niet dat eenig aardsch gevoel haar rukken zou uit deze gezegende geestvervoering.

Maar toen zij Gaetano op straat ontmoette, zag hij nauwelijks naar haar en wanneer zij hem trof bij donna Elisa gaf hij haar niet de hand en sprak in het geheel niet tot haar.

Want de waarheid was, dat hoewel Gaetano thuis was gekomen, omdat het hem te zwaar viel zonder donna Micaela te vertrekken, hij haar niet wilde verleiden of verlokken.

Hij zag dat zij onder bescherming der heiligen stond en zij was hem zoo heilig geworden, dat hij nauwelijks waagde van haar te droomen.

Hij wilde in haar nabijheid zijn, niet om haar lief te hebben, maar omdat hij geloofde dat uit haar leven heilige daden zouden opbloeien. Gaetano verlangde naar een wonder, gelijk een bloemkweeker smacht naar de eerste roos in de lente.

Maar toen de weken gingen en Gaetano nooit donna Micaela trachtte te naderen, begon ze te twijfelen en te denken, dat hij haar nooit had liefgehad. Zij zeide tot zichzelf dat hij haar de belofte, om met hem te vluchten, slechts ontlokt had om haar te toonen, dat de Madonna wel een wonder kon verrichten.

Maar als dat zoo was, begreep ze niet, waarom hij zijn reis niet vervolgd had, maar teruggekeerd was.

Dat veroorzaakte haar onrust. Zij meende haar liefde niet te kunnen bedwingen, indien zij niet wist dat Gaetano haar liefhad. Zij woog het voor en het tegen, en ze werd al meer overtuigd, dat hij haar nooit had liefgehad. Terwijl donna Micaela dit dacht moest zij don Ferrante gezelschap houden, hij was lang ziek geweest, en had een paar aanvallen van beroerte gehad. Hij was van het ziekbed opgestaan als een gebroken man. Opeens was hij oud, stompzinnig en bang geworden, zoodat hij nooit meer alleen durfde zijn. Hij ging nooit meer naar den winkel, in alles was hij een geheel ander mensch geworden.

Een groote lust om voornaam en schitterend te zijn had zich van hem meester gemaakt.

Het scheen alsof de arme don Ferrante door hoogmoedswaanzin aangegrepen was.

Donna Micaela was zeer goed voor hem en zat urenlang met hem te tobben.

"Wie zou dat zijn," placht zij hem te vragen, "die eens op de markt stond met pluimen op den hoed, tressen op de uniform, en een sabel op zij en die zoo schoon speelde, dat men zei, dat zijn muziek verheven was als de Etna en machtig als de zee? En wie was het, die toen een arme signorina in rouwgewaad zag, die het niet waagde haar gelaat aan de menschen te toonen en haar den arm bood? Wie kon dat zijn? Kon het don Ferrante zijn, die de gansche week in een kort buis en puntige muts in zijn winkel stond? Neen, dat kon niet mogelijk zijn. Zoo iets kon een oude koopman niet doen!

Don Ferrante lachte. Juist zóó wilde hij dat men tegen hem sprak. Zij moest hem ook vertellen hoe het zou zijn, als hij aan het hof kwam.

Wat de koning en wat de koningin zou zeggen.

"De oude Alagona's zijn dus tot nieuw leven gekomen," zou er aan het hof gezegd worden.

"Wie heeft het geslacht doen herleven?" En men zou vragen en vragen. Die don Ferrante, vorst van Sicilië en grande van Spanje, is dat dezelfde man, die in zijn winkel te Diamante stond en de voerlieden uitschold?

"Neen," zou men zeggen, "dat kan niet dezelfde man zijn. Het kan onmogelijk dezelfde zijn."

Dit vond don Ferrante prettig, en hij wilde hebben dat zij zoo dag in, dag uit met hem sprak.

Het verveelde hem nooit en donna Micaela was zeer geduldig jegens hem.

Maar eens toen zij zoo met den zieke zat, kwam donna Elisa binnen.

"Schoonzuster, indien gij de legende van de heilige maagd van Pompeje bezit, wilt ge mij die dan leenen?" vroeg zij.

"Wat! wilt gij gaan lezen?" zei donna Micaela.

"De hemel beware mij, ge weet wel, dat ik niet lezen kan. 't Is voor Gaetano, dat ik het u vraag."

Donna Micaela bezat de legende van de heilige maagd van Pompeje niet. Maar dat zei ze donna Elisa niet; zij ging naar haar boekenrek en nam een klein boek, dat een verzameling Siciliaansche liefdesliederen bevatte, en gaf dat aan donna Elisa, die het weer aan Gaetano bracht.

Maar nauwelijks had donna Micaela dit gedaan of een hevig berouw maakte zich van haar meester.

Zij vroeg zich af wat zij bedoeld had door zoo te handelen, zij, die geholpen was door het heilige Christuskind.

Zij bloosde van schaamte toen zij er aan dacht dat ze een teeken had gezet bij een der kleine liederen, dat zoo luidde:

O, had ik antwoord op één enkle vrage! 'k Heb het gevraagd aan den dag, aan de sterren, Zelfs aan de vogelenschaar en de wolken. 'k Goot reeds het lood in het kokende water, Blaadje na blaadje der bloeme ik plukte. 'k Lokte de zwarte, de waarzegster buiten, 'k Smeekte ten slotte de engelenscharen. Mint hij mij nog, gelijk eens hij wel deed?

Zij had zeker gehoopt dat zij antwoord zou krijgen.

Haar geschiedde recht indien Gaetano haar verachtte en haar onbeschaamd noemde.

Toch had zij niets kwaads bedoeld. Het eenige dat zij begeerd had, was te weten of Gaetano haar liefhad.

Weer verliepen eenige weken en donna Micaela zat nog steeds bij don Ferrante.

Maar op een dag had donna Elisa haar mee naar buiten gelokt.

"Ga met mij mede naar mijn tuin, schoonzuster, en kijk eens naar mijn grooten magnolieboom.

"Ge hebt nog nooit zoo iets moois gezien."

En zij was met donna Elisa naar den tuin gegaan.

Donna Elisa's magnolie was gelijk de stralende zon, die men voelt vóórdat men haar ziet. Op verren afstand zweefde de geur reeds in de lucht en het was een gegons van bijen en een gekweel van vogels!

Toen donna Micaela den boom zag, kon zij nauwlijks ademhalen. Hij was heel hoog en groot van een schoonen regelmatigen groei en zijn groote, breede bladeren hadden een frissche donkergroene kleur. Maar nu was hij geheel bedekt met groote rose bloemen, die hem versierden en verlichtten, zoodat men meende, dat hij in feestgewaad was en men voelde hoe er een meesleepende vreugde van uit den boom stroomde. Donna Micaela werd als bedwelmd, zij voelde hoe een vreemde onweerstaanbare macht zich van haar meester maakte. Zij trok een der rechte takken naar zich toe, spreidde de bloemen uiteen en zonder deze af te breken, begon zij met een naald letters te prikken in de bloembladeren.

"Wat doet ge daar, schoonzuster?" vroeg donna Elisa.

"Niets, niets."

"In mijn tijd plachten de jonge meisjes minnebrieven te prikken in de magnoliebloemen."

"Misschien doen zij dat nog."

"Neem u in acht, ik zal het nakijken, zoodra ge vertrokken zijt."

"Gij kunt immers niet lezen."

"Maar ik heb Gaetano toch."

"En Luca, het is 't beste, dat ge u tot Luca wendt."

Maar toen donna Micaela thuis kwam, had zij berouw. Zou donna Elisa werkelijk de bloem aan Gaetano toonen? Neen, neen, donna Elisa was daarvoor te verstandig. Maar indien hij haar gezien had van uit het raam van zijn werkplaats? Nu ja, hij zou haar wel geen antwoord geven. Maar zij maakte zich belachelijk.

Neen nooit, nooit meer zou zij zoo iets doen. Het was immers het beste voor haar, dat zij niets wist. En toch was zij verlangend naar het antwoord dat zij krijgen zou. Maar er kwam geen antwoord.

En zoo verliep er weer een week. Toen kreeg don Ferrante den inval, dat hij 's middags wilde rijden. In het wagenhuis van het zomerpaleis was een ouderwetsche galakoets, die zeker meer dan honderd jaar oud was. Die was zeer hoog, met een zeer kleinen en nauwen wagen, die in leeren riemen schommelde tusschen de achterwielen, welke zoo groot waren als het waterrad van een molen.

Die koets was wit gelakt met gouden randen, de banken waren bekleed met rood pluche, en op de portieren waren wapens geschilderd.

Eens was het een groote eer geweest in dien wagen te rijden, en als de oude Alagona's door de corso reden, stroomden de menschen uit hun huizen of hingen over hun balkons om hen te zien. Maar toen werd die getrokken door vlugge paarden van Berberie, toen droeg de koetsier een pruik en de bedienden livrei, en ze reden met geborduurde leidsels. Maar nu wilde don Ferrante zijn oude paarden voor de koets spannen, en zijn ouden winkelbediende op den bok zetten.

Toen donna Micaela hem zei, dat dit niet kon, begon don Ferrante te schreien. Wat zou men wel van hem denken indien hij zich 's middags niet in zijn wagen op de corso vertoonde.

Dat was immers het laatste, wat een voornaam man naliet. Hoe zou iemand begrijpen dat hij een man van hooge geboorte was, indien hij niet op en neer reed in den ouden wagen der Alagona's?

Het was het gelukkigste oogenblik, dat don Ferrante na zijn ziekte genoot, toen hij voor de eerste maal uitreed.

Hij zat rechtop en boog en knikte zeer genadig naar alle kanten. En de menschen van Diamante bogen en namen den hoed zoo diep af, dat deze over den grond sleepte. Waarom zou men don Ferrante deze vreugde niet gunnen?

Donna Micaela reed ook mee, want don Ferrante waagde het niet alleen te rijden. Zij was niet gaarne meegegaan, maar toen had don Ferrante geschreid en haar er aan herinnerd, dat hij haar gehuwd had, toen zij arm en veracht was. Zij moest niet ondankbaar zijn en vergeten wat hij voor haar gedaan had. En waarom wilde zij niet in zijn wagen rijden? Het was de mooiste oude wagen van gansch Sicilië.

"Waarom wil je niet met mij rijden?" zei don Ferrante. "Vergeet niet, dat ik de eenige ben, die je liefheeft. Zie je niet dat je vader niet eens van je houdt? Je moet niet ondankbaar zijn."

Op deze wijze had hij donna Micaela gedwongen plaats te nemen in den ouden galawagen.

Maar het ging in 't geheel niet, zooals zij verwacht had. Er was niemand die lachte. De vrouwen negen even diep en de mannen bogen even statig alsof de wagen honderd jaar jonger was geweest. En donna Micaela kon op geen enkel gelaat een glimlach bespeuren.

In geheel Diamante zou er geen mensch te vinden zijn, die zou hebben willen lachen. Want men wist heel goed hoe veel donna Micaela te stellen had met don Ferrante.

Men wist hoe lief hij haar had en hoe hij schreide, als zij hem slechts een oogenblik verliet. Men wist ook hoe hij haar kwelde met zijn jaloezie en haar hoeden vertrapte, als deze haar goed stonden, en haar nooit geld gaf voor nieuwe kleeren, opdat niemand haar schoon vinden en haar liefhebben zou. Maar tegelijkertijd zei hij haar altijd, dat zij zoo leelijk was, dat niemand anders dan hij het kon uithouden haar gezicht dagelijks te zien. En omdat men dit alles wist, was er niemand in Diamante die lachte.

Haar uitlachen, die zich zoo aftobde met een zieken man!

De menschen in Diamante waren vrome Christenen en geen barbaren.

Zoo reed de galawagen tusschen vijf en zes uur in zijn oude verbleekte pracht de corso op en neer. In Diamante reed die geheel alleen, want behalve deze waren er geen voorname wagens, maar men wist toch dat op denzelfden tijd alle equipages in Rome naar Monte Pincio reden, en in Napels naar Villa Nazionale en te Florence naar de Cascines en in Palermo naar La Favorite. Maar toen de wagen voor de derde maal naar de Porta Etnea reed, weerklonk er een vroolijk hoorngeschal. En door de poort zwaaide een groote, hooge jachtwagen in Engelschen stijl.

Die moest ook voor ouderwetsch doorgaan. De postillon die als voorrijder op een groot paard reed, droeg een pruik en een lederen broek. De wagen geleek op een oude diligence, met een hooge, dichte coupé, waarop de reizigers zaten.

Maar alles was nieuw, de paarden waren schoone, sterke dieren, de wagen en het tuig glansden en de reizigers zelf waren eenige jonge heeren en dames uit Catania, die een uitstapje op den Etna maakten. En zij konden niet nalaten te lachen, toen zij den ouden galawagen voorbijreden. Zij bogen over het hek van den wagen om er naar te zien, en hun lachen klonk zeer luid en helder tusschen de hooge, stille huizen van Diamante.

Donna Micaela gevoelde zich plotseling zeer ongelukkig.

Ze herkende in de reizigers haar oude kennissen. Wat zouden zij zeggen, als zij thuis kwamen?