De Wonderen van den Antichrist

Part 23

Chapter 234,171 wordsPublic domain

"Nu zijn er heel wat meer socialisten in Diamante, dan toen ge weggingt, don Gaetano."

"Hoe zou dat anders kunnen zijn," lachte hij. "Alle menschen moeten socialist worden. Is het socialisme dan iets gevaarlijks, iets afschuwelijks? Het socialisme is een idylle. 't Is een idylle van een eigen thuis, van gezegenden arbeid, zooals iedere mensch dat droomt in zijn jeugd. Een heele aarde vervuld van...."

Hier zwijgt hij plotseling. Toevallig heeft hij een blik geworpen op het zomerpaleis. Daar staat donna Micaela op een der balkons en kijkt naar hem.

Hij denkt geen oogenblik, dat zij een visioen of een spookverschijning is. Hij ziet dadelijk dat zij leeft. Maar juist daarom.... Of het nu ook kwam omdat de gevangenistijd zijn krachten verzwakt heeft, en hij zich nu niet beheerschen kan.... hij voelt dat hij zich niet staande kan houden. Hij grijpt met de handen in de lucht, tracht tegen den deurpost te leunen, maar 't helpt niets. Zijn beenen dragen hem niet langer, hij valt van de trap en slaat met een harden bons zijn hoofd tegen de steenen.

Hij ligt daar als voor dood.

Ze vliegen allen op hem af, dragen hem naar binnen, ijlen naar een dokter, spreken allen tegelijk en slaan duizenden middeltjes voor om hem te helpen.

Donna Elisa en Pacifica krijgen hem eindelijk in een der slaapkamers. Luca jaagt de menschen uit het huis, en stelt zich op wacht voor de gesloten deur. Donna Micaela, die met de anderen naar binnen gekomen is, neemt hij het eerst van allen bij de hand en brengt haar buiten de deur. Zij vooral mag niet binnen blijven. Luca heeft zelf gezien hoe Gaetano als door den bliksem getroffen neerstortte, toen hij haar zag.

De dokter doet alle mogelijke moeite om Gaetano weer tot het leven te roepen. Maar dat gelukt hem niet, Gaetano ligt daar als versteend. De dokter meent dat hij in een gevaarlijken toestand is, hij weet niet of hij hem nog kan redden. De bezwijming op zich zelf beteekent immers niets, maar de slag op de harde steenen....

Binnenshuis heerscht groote drukte, maar de arme buitengeslotenen kunnen niets anders doen dan wachten en wachten.

Ze staan den geheelen dag voor donna Elisa's deur. Daar staan donna Emilia en donna Concetta, vroeger bestond er niet veel vriendschap tusschen haar beiden, maar heden staan ze naast elkaar te treuren.

Vele angstige oogen turen door het winkelraam van donna Elisa's huis. De kleine Gandolfo en de oude Assunta van de domtrap en de arme stoelmatter staan daar den heelen namiddag zonder een oogenblik rust te nemen. 't Is vreeselijk, dat Gaetano zal sterven, nu zij hem juist weer terug hebben gekregen.

De blinden staan daar te wachten alsof ze hopen, dat hij hun het gezicht terug zal geven, en arme menschen, zoowel van Geraci als van Corvaja, wachten in angstige spanning hoe het met hun jongen Heer, den laatsten Alagona, zal afloopen.

Hij had hen allen lief, en hij had zulk een groote macht en kracht, indien hij slechts in het leven bleef....

"God heeft zijn hand van Sicilië genomen," zeggen ze. "Allen, die het volk willen helpen, laat hij sterven."

Den geheelen namiddag, den avond tot middernacht staan de menschen voor donna Elisa's huis.

Precies klokslag twaalf verschijnt donna Elisa in de winkeldeur, en daalt van de trap.

"Is hij gered?" roepen ze allen.

"Neen, zijn toestand is nog hetzelfde."

Allen zwijgen, eindelijk vraagt een bevende stem:

"Is het erger?"

"Neen, neen, het is niet erger. Zijn toestand is hetzelfde, de dokter is bij hem."

Donna Elisa heeft een zwarte sjaal over het hoofd geworpen, ze draagt een lantaarn in de hand. Zij gaat op straat, waar de menschen dicht op elkaar gedrongen staan en liggen.

"Is Gandolfo hier?" vraagt ze.

"Ja, donna Elisa." Gandolfo komt te voorschijn.

"Ga met mij mede om je kerk voor me te ontsluiten." Allen die donna Elisa's woorden verstaan hebben, begrijpen dat ze wil gaan bidden in San Pasquale om het Christusbeeld te smeeken voor Gaetano's leven. Ze staan allen op en willen met haar gaan.

Donna Elisa is zeer getroffen door dit medelijden, ze heeft een gevoel alsof haar hart grooter wordt.

"Ik zal u iets vertellen," zegt ze met bevende stem.

"Ik heb gedroomd. Ik weet niet hoe het kwam, dat ik opeens in slaap viel, maar terwijl ik zoo bedroefd bij Gaetano's bed zat, sliep ik in. Nauweljks had ik mijn oogen gesloten, of ik zag het Christusbeeld met zijn kroon en gouden schoentjes, zooals hij in San Pasquale's kerk staat. En hij zei tot mij: "Maak de arme vrouw, die in mijn kerk ligt te bidden, tot de echtgenoote van uw zoon, dan zal hij genezen."

"Nadat hij dit gezegd had, ontwaakte ik, en toen ik mijn oogen opsloeg, was het mij alsof ik het Christusbeeld door den muur zag verdwijnen. En nu moet ik naar de kerk om te zien of er een vrouw is.

"Maar gij hoort allen, dat ik heilig beloof, dat indien er eenige vrouw in San Pasquale is, ik doen zal wat het beeld mij bevolen heeft. En indien het ook het armste meisje van de straat is, ik zal haar als mijn dochter beschouwen en haar maken tot mijn zoons echtgenoote."

Als donna Elisa dit gezegd heeft, gaat ze door allen gevolgd naar Pasquale. Alle arme menschen zijn in gespannen verwachting. Ze kunnen zich nauwelijks bedwingen om donna Elisa niet voorbij te snellen om te zien of er ook iemand in de kerk is.

Denk eens, indien het een zigeunerin was, die daar vannacht beschutting zocht. Wie anders kan 's nachts in de kerk zijn dan een arme verlaten stakker?

't Is een vreeselijke gelofte, die donna Elisa gedaan heeft.

Eindelijk hebben ze de Porta Etnea bereikt en nu gaat het vlug heuvelafwaarts.

Maar zie, de kerkdeur staat open. Er is dus werkelijk iemand. De lantaarn trilt in donna Elisa's hand.

Gandolfo wil die voor haar dragen, maar zij behoudt die.

"In Godsnaam, in Godsnaam," mompelt zij, terwijl zij de kerk binnentreedt.

Het volk dringt om binnen te komen. Men drukt elkaar bijna dood, maar van spanning zwijgen allen. Niemand zegt een woord. Allen staren naar het hoogaltaar. Is daar iemand? Is daar iemand? De kleine lamp boven het beeld werpt slechts een zeer zwakken lichtschijn. Is er iemand?

Ja, er is iemand. Er ligt een vrouw voor het altaar geknield. Zij bidt en heeft het hoofd zoo diep gebogen, dat men niet kan zien, wie zij is.

Nu zij schreden achter zich hoort, richt zij den langen gebogen hals op, en ziet om. 't Is donna Micaela.

In het eerste oogenblik is zij verschrikt en ziet er uit als wilde ze vluchten. Donna Elisa is ook verschrikt, ze zien elkaar aan, alsof ze elkaar nooit tevoren gezien hebben.

Maar nu zegt donna Micaela heel zacht:

"Ge komt om voor hem te bidden, schoonzuster," en ze schuift een weinig ter zijde, opdat donna Elisa voor het beeld zal kunnen knielen.

Donna Elisa's hand beeft zoo, dat ze de lantaarn op den grond moet zetten, haar stem is heesch, als zij vraagt:

"Is niemand anders dan gij hier vannacht geweest, Micaela?"

"Neen, niemand anders."

Donna Elisa moet tegen het altaar leunen om niet te vallen, donna Micaela ziet dat. Zij is dadelijk bij haar en legt den arm om haar middel.

"Ga zitten, ga zitten!" en donna Micaela knielt neer.

"Is het zoo slecht met hem? Wij zullen voor hem bidden."

"Micaela," zegt Elisa, "ik dacht dat ik hier geholpen zou worden."

"Ja zeker, dat zult ge ook."

"Ik droomde, dat het beeld tot mij kwam, en mij beval hier heen te gaan."

"Hij heeft ons reeds zoo vele malen geholpen."

"Maar hij zei tot mij: Maak de arme vrouw, die voor mijn altaar ligt, tot de echtgenoote van uwen zoon, dan zal hij genezen."

"Wat zei hij?"

"Ik zou de vrouw, die hier bad, tot mijn zoons echtgenoote maken."

"En dat wildet ge? Gij wist immers niet wie gij hier zoudt vinden?"

"Onderweg deed ik de belofte--en zij die mij volgden, hebben het gehoord--dat wie het ook zou zijn, ik haar in mijn armen zou nemen en naar mijn huis zou voeren. Ik dacht dat God een arme vrouw wilde helpen."

"Ja, dat is zeker ook het geval."

"Ik was zoo bedroefd toen ik zag, dat niemand anders hier was dan gij."

Donna Micaela geeft geen antwoord, ze ziet slechts naar het beeld. "Wilt ge dat? Wilt ge dat?" vraagt ze ontroerd.

Donna Elisa gaat door met klagen. "Ik zag hem zoo duidelijk, en hij heeft ons nog nooit bedrogen. Ik dacht dat een arm meisje, dat geen thuis had, om een man gesmeekt had.

"Zoo iets is wel eens vroeger voorgekomen. Wat zal ik nu doen?"

Zij klaagt en jammert, en zij kan de gedachte maar niet uit haar hoofd zetten, dat het een arme vrouw moet zijn.

Op 't laatst wordt donna Micaela ongeduldig.

Zij grijpt haar bij den arm en schudt dien. "Maar donna Elisa, donna Elisa."

Donna Elisa hoort haar niet; ze jammert maar steeds.

"Wat zal ik doen, wat zal ik doen?"

"Maar maak dan de arme vrouw, die hier ligt, tot de echtgenoote van uw zoon, donna Elisa!"

Donna Elisa ziet op en aanschouwt een bekoorlijk stralend gelaat!

Maar slechts een oogenblik, want donna Micaela verbergt het haastig aan donna Elisa's schouder.

Donna Elisa en donna Micaela gaan te zamen terug naar de stad. De straat kronkelt zich zoo, dat ze donna Elisa's huis niet kunnen zien, vóórdat zij er heel dicht bij zijn. Als zij het eindelijk in het gezicht krijgen, zien ze dat de winkelramen verlicht zijn. Vier groote waskaarsen branden achter de trossen rozenkransen.

De twee vrouwen drukken elkaar de hand. "Hij leeft, hij leeft," fluisteren zij.

"Ge moogt hem niets zeggen van hetgeen het beeld u bevolen heeft," zegt donna Micaela.

Voor den winkel omhelzen zij elkaar en gaan elk naar haar huis. Na een tijdje verschijnt Gaetano op de winkeltrap. Een oogenblik staat hij stil, terwijl hij de frissche nachtlucht inademt. Dan ziet hij, dat er nog licht brandt in het zomerpaleis aan de overzij van de straat.

Gaetano ademt diep en heftig, hij schijnt haast bevreesd om verder te gaan. Plotseling ijlt hij weg als iemand, die een onafweerbaar ongeluk tegemoet gaat.

De poort van het zomerpaleis is niet gesloten, hij springt de trap op en rukt de deur der muziekzaal open zonder aan te kloppen.

Donna Micaela zit te denken of hij nog hedennacht zal komen of wachten zal tot den volgenden morgen.

Dan hoort zij schreden op de galerij.

Een angstig gevoel grijpt haar aan. Hoe zal hij nu zijn? Zij heeft zoo ongelooflijk naar hem verlangd. Zal hij nu werkelijk zoo zijn, dat eindelijk al haar verlangen bevredigd wordt?

En zullen er geen nieuwe muren tusschen hen oprijzen? Zullen ze elkaar één keer alles kunnen zeggen? Zullen ze nu over liefde of over socialisme spreken?

Als hij de deur openrukt, tracht ze hem tegemoet te gaan, maar zij kan niet. Heel haar lichaam trilt, ze gaat zitten en bedekt haar oogen met de handen. Zij verwacht dat hij haar in zijn armen zal sluiten en haar kussen zal. Maar dat doet hij stellig niet. Gaetano pleegt niet te doen, wat men van hem verwacht.

Zoodra hij uit zijn bezwijming ontwaakte, heeft hij zich in de kleeren geworpen om naar haar te gaan. Hij is eigenlijk uitgelaten vroolijk, hij zou willen, dat ook zij het zoo licht opnam. Hij wil niet ontroerd zijn. Hij kan nu geen aandoening verdragen, 's voormiddags is hij toch ook in onmacht gevallen. Hij staat stil naast haar tot zij haar kalmte herwonnen heeft.

"Gij hebt geen sterke zenuwen," zegt hij.

Dat is alles wat hij zegt.

Zij en donna Elisa en alle menschen in Diamante zijn overtuigd, dat hij gekomen is om haar in zijn armen te sluiten en haar te zeggen, dat hij haar liefheeft.

Maar juist daarom is het Gaetano onmogelijk. Sommige menschen hebben een oppositiegeest, ze kunnen nooit doen, wat men verwacht, dat zij zullen doen.

Gaetano begint haar van zijn reis te vertellen. Hij spreekt niet eens over het socialisme. Hij spreekt van den trein, den conducteur en het eigenaardige reisgezelschap.

Donna Micaela ziet hem aan, haar oogen beginnen al inniger te smeeken. Gaetano schijnt blij en gelukkig te zijn haar te zien. Maar waarom kan hij niet zeggen, wat hij moet zeggen?

"Hebt ge met den Etnaspoorweg gereisd?" vraagt zij.

"Ja," antwoordt hij en begint kalm uit te weiden over het nut en de schoonheid van dezen nieuwen spoorweg. Hij weet in het geheel niet hoe die tot stand is gekomen.

Gaetano zegt tot zich zelf dat hij een barbaar is. Waarom zegt hij haar niet de woorden waarnaar zij smacht? Maar waarom zit zij daar ook zoo onderdanig?

Waarom toont zij, dat hij slechts zijn hand behoeft uit te strekken om haar te nemen?

Hij is jubelend, stralend gelukkig weer in haar nabijheid te zijn, maar zij is hem zoo zeker, zoo zeker.--'t Is zoo aardig haar een weinig te plagen.

Het volk staat nog op straat, en alle menschen voelen zich verheugd alsof ze een dochter uithuwelijken.

Zij hebben slechts geduld gehad om Gaetano tijd te geven zich te verklaren.

Maar nu moet hij dat zeker wel gedaan hebben.

En zij beginnen te roepen:

"Leve Gaetano! Leve Micaela!"

Donna Micaela ziet met een onbeschrijflijk gepijnigden blik op. Hij moet toch begrijpen, dat zij daaraan geen schuld heeft. Zij gaat naar de galerij en zendt Lucia naar beneden met het verzoek of zij daarbuiten stil willen zijn.

Als zij weer in de kamer komt, is Gaetano opgestaan. Hij reikt haar de hand, hij wil gaan.

Donna Micaela geeft hem de hand zonder bijna te weten wat zij doet. Maar plotseling trekt zij haar hand terug.

"Neen, neen!" zegt zij.

Hij wil gaan en wie weet of hij morgen terugkomt. En zij heeft niet met hem gesproken, ze heeft geen woord gezegd van hetgeen haar op het hart ligt.

Het behoefde tusschen hen niet te zijn als tusschen gewone verliefden. Hij had immers haar leven het leven gegeven, gedurende zoovele jaren. Of hij haar nu sprak van liefde of niet, dat was haar onverschillig. Zij wilde hem zeggen wat hij voor haar geweest was.

En juist nu. Men moet den tijd gebruiken waar het Gaetano geldt. Zij waagt het niet hem te laten gaan.

"Ge moogt nog niet vertrekken," zegt zij. "Ik moet u iets zeggen." Zij zet een stoel voor hem gereed, zelf neemt zij iets achter hem plaats. Zijn oogen stralen al te vroolijk hedenavond, die doen haar pijn. Dan begint zij te spreken. De groote, verborgen schatten van haar leven legt zij voor hem bloot. Dat waren al de woorden, die hij tot haar gesproken heeft, al de droomen, die hij haar heeft doen droomen. Zij heeft niets verloren. Alles heeft zij gespaard en verzameld; het is de gansche rijkdom van haar arm leven geweest.

In het begin spreekt zij haastig, alsof zij een les opzegt. Zij is bang voor hem; zij weet niet of het hem aangenaam is dat ze spreekt. Dan waagt ze het hem aan te zien. Nu is hij ernstig, nu is hij in het geheel niet vroolijk meer.

Hij zit stil te luisteren alsof hij geen lettergreep wil verloren laten gaan. Zoo straks was zijn gelaat ziekelijk aschgrauw, maar nu verandert het plotseling. Zijn aangezicht begint te schitteren als van een zalige.

Zij vertelt en vertelt. Zij ziet aan hem, dat ook zij nu schoon is. Hoe zou het ook anders kunnen zijn. Eindelijk, eindelijk kan zij hem alles zeggen.

Ze mag hem zeggen, hoe de liefde tot haar kwam en haar sedert nooit weer verliet. Eindelijk mag zij hem zeggen, wat hij voor haar geweest is.

Woorden kunnen het niet genoeg uitdrukken. Ze grijpt zijn hand en kust die.

Hij laat dat geschieden zonder zich te verroeren. De kleur van zijn gelaat wordt niet hooger, maar doorschijnender, klaarder. Zij moet aan Gandolfo denken, die zei, dat Gaetano's gezicht zoo bleek werd, dat het lichtte.

Hij valt haar niet in de rede. Zij vertelt hem van den spoorweg, verhaalt van de wonderen van het Christusbeeld. Nu en dan ziet hij haar aan. Zijn oogen stralen haar tegemoet. Hij lacht haar volstrekt niet uit.

Zij zou gaarne willen weten wat hij nu denkt. Hij ziet er uit, alsof hetgeen zij hem vertelt niet veel nieuws voor hem is. Hij schijnt alles reeds te weten wat zij zegt.

Kwam het misschien, omdat de liefde, die hij voor haar gevoelt, juist zoo is als haar liefde voor hem? Wekte die in hem ook het edelste, dat in zijn ziel sluimerde? Was die ook de verheffende kracht van zijn leven geweest? Had die vleugels gegeven aan zijn kunstenaarsziel? Had die hem de armen en onderdrukten doen liefhebben? Bezielt die liefde hem, zoodat hij voelt dat hij een kunstenaar, een apostel is, en niets te hoog is voor hem?

Daar hij nog steeds zwijgt, denkt zij, dat hij zich misschien niet wil binden aan haar. Hij heeft haar lief, maar hij wil misschien een vrij man blijven. Hij meent misschien, dat zij niet past voor de vrouw van een socialist.

Haar bloed begint te koken. Zij denkt, dat hij misschien meent, dat zij bedelt om zijn liefde.

Zij heeft hem bijna alles verhaald, wat gebeurd is in den tijd, dat hij afwezig was. Nu breekt zij plotseling haar verhaal af.

"Ik heb je liefgehad," zegt zij. "Ik zal je altijd liefhebben en ik zou gewenscht hebben, dat je mij nog éénmaal zeidet, dat je mij liefhebt. Dan zou de scheiding gemakkelijker te dragen zijn."

"Werkelijk?" zegt hij.

"Kan ik ooit je vrouw worden?" zegt ze; haar stem beeft van smart. "Ik vrees niet meer zooals vroeger je leer, ik ben niet meer bang voor je armen; ook ik wil de aarde herscheppen zooals gij. Maar ik ben een geloovige. Hoe zou ik met je kunnen leven als je daarin niet gelijk met mij denkt? Of zou je mij tot ongeloof willen verleiden? Dan zou de wereld dood voor mij zijn. Alles zou doel en beteekenis voor mij verloren hebben. Ik zou een rampzalig, ellendig mensch zijn. We moeten scheiden."

"Werkelijk?" Zijn oogen beginnen te schitteren van ongeduld.

"Nu moet je gaan," zegt ze stil. "Ik heb je alles verteld, wat ik zeggen wilde. Ik zou gewenscht hebben, dat je mij iets te zeggen hadt gehad. Maar misschien is het zoo beter voor ons beiden. We moeten de scheiding niet zwaarder maken, dan zij reeds is."

Gaetano's eene hand grijpt hard om haar handen, met de andere houdt hij haar hoofd vast, zoo kust hij haar.

Was zij waanzinnig, dat zij kon denken, dat hij door iets, iets ter wereld zich van haar zou laten scheiden?

VI.

SLECHTS VAN DEZE WERELD.

Toen zij opgroeide, zeiden alle menschen van haar: "Zij wordt een heilige, zij wordt stellig een heilige."

Haar naam was Margherita Cornado. Zij woonde in Girgenti, dat aan de Zuidkust van Sicilië in het groote mijndistrict ligt.

Toen zij nog een kind was, werkte haar vader in de mijnen, later kreeg hij een kleine erfenis, zoodat hij niet meer behoefde te werken. Er was een klein, smal, armoedig dakterras op het huis van Margherita Cornado in Girgenti. Een steile, smalle trap leidde daarheen, en men moest door een lage deuropening kruipen om op het terras te komen.

Was men daar, dan zag men niet alleen een menigte daken, maar ook de lucht boven de stad, die doorpriemd was met de talrijke torens en spitse gevels der kerken. En iedere gevel en elke toren was een trillend kantwerk van beelden, loggia's en sierlijke baldakijns.

Achter de stad zag men een groote vlakte, die neerdaalde tot de zee, en daaromheen een halven cirkel van bergen, die de vlakte bewaakten.

De vlakte glansde gloeiend rood, de zee email blauw en de berghelling goudgeel. Het geheel deed denken aan den kleurengloed en de pracht van het Oosten.

Maar men zag nog veel meer dan dit. Oude tempels lagen verstrooid over het dal. Ruïnes en merkwaardige oude torens schitterden in den zonneschijn. 't Was een heele sprookjeswereld.

Toen Margherita Cornado opgroeide, placht zij het grootste gedeelte van den dag hier door te brengen. Maar zij keek niet naar het heerlijke landschap. Haar geest was door iets anders in beslag genomen.

Haar vader had haar verteld van het leven in de zwavelmijnen, waar hij gewerkt had. Terwijl Margherita Cornado daar op het frissche terras zat, vertoefde ze in gedachten steeds in de donkere, benauwde mijngangen.

Zij kon niet nalaten aan al de ellende te denken, die in de mijnen heerschte. Vooral moest zij aan de kinderen denken, die het erts uit de mijnen aansleepten.

"De kleine wagens" noemde men hen. Dat woord bleef steeds in haar geheugen haken.

Arme, arme wagentjes! kleine mijnwagentjes!

Zij kwamen 's morgens vroeg bij de mijn, en volgden dan elk hun arbeider in de groeve. Zoodra hij erts genoeg uitgehakt had, belastte hij zijn "wagentje" met een mand vol erts en dan begonnen dezen op te stijgen. Verscheidenen van hen ontmoetten elkaar onderweg en vormden dan een langen optocht. Ze begonnen dan te zingen:

De tocht is gedaan met pijn en nood, Met den twintigsten ben ik misschien reeds dood.

Als zij eindelijk in het daglicht kwamen, ledigden zij hun manden met erts en wierpen zich op den grond om een oogenblik uit te rusten. De meeste knapen sleepten zich dan naar de zwavelhoudende waterpoelen, die dicht bij de mijnschacht waren en dronken van het stinkende water.

Maar spoedig moesten ze weer naar beneden en ze verzamelden zich bij de schacht. En terwijl ze naar beneden klauterden, riepen ze:

"Mijn God, mijn God, erbarm u onzer! erbarm u onzer!"

En elken keer, dat de wagentjes boven kwamen, werd hun gezang klagender. Ze snikten en schreiden, terwijl ze opstegen uit de mijn.

De wagentjes baadden in zweet, de zware manden groeven diepe wonden in hun schouders.

Terwijl ze op en neer gingen zongen ze:

Zeven tochten gedaan in pijn en nood, 't Leven is erger dan de dood.

Gedurende heel haar jeugd had Margherita Cornado medelijden gevoeld met deze ongelukkige kinderen.

En juist omdat zij altijd aan hun rampzalig lot dacht, geloofde men dat zij een heilige zou worden.

Ze vergat hen ook niet, toen zij ouder werd. Zoodra zij volwassen was, ging zij naar Grotte, waar de meeste mijnen zijn, en als dan de wagentjes in het daglicht kwamen, verkwikte zij hen bij de schacht met helder, zuiver water. Zij droogde het zweet van hun gelaat, zij verbond de wonden aan hun schouders.

't Was niet veel, wat zij voor hen doen kon, maar toch geloofden de wagentjes, dat zij het leven niet meer konden dragen, indien Margherita Cornado niet kwam om hen te troosten.

Maar ongelukkig voor de wagentjes, was Margherita zeer schoon. Eens zag een der mijningenieurs haar, terwijl zij hen troostte, en hij kreeg haar dadelijk zeer lief. Een paar weken later kwam Margherita Cornado in het geheel niet meer bij de mijnen in Grotte. Zij zat thuis in Girgenti aan haar uitzet te naaien. Ze zou trouwen met den mijningenieur. Zij zou een goede partij doen en verwant worden aan de eersten der stad. Nu kon zij zich immers niet meer bekommeren om de wagentjes.

Een paar dagen voor de bruiloft kwam de oude bedelaarster Santuzza, die Margherita's peettante was, bij haar en verlangde haar te spreken. Ze begaven zich naar het dakterras om ongestoord te kunnen zijn.

"Margherita," zei de oude vrouw, "gij leeft in zulk een glans en heerlijkheid, dat het misschien weinig baat nu tot u te spreken over degenen, die in nood en kommer leven. Die allen hebt ge geheel vergeten."

Margherita berispte haar, omdat zij zoo kon spreken.

"Ik breng u de groeten van mijn zoon Orestes. Het gaat hem slecht, hij heeft uw raad noodig."

"Ge weet dat ge vrij tot mij kunt spreken, Santuzza," zei het meisje.

"Orestes werkt niet langer in de mijnen van Grotte, hij is vertrokken naar Racalmuto, en hij heeft het daar zeer slecht.

"Niet omdat het loon zoo karig is, maar omdat de ingenieur zoo hard is, dat hij de arme menschen tot hun laatsten bloeddruppel pijnigt."

Santuzza verhaalde nu hoe de ingenieur de arbeiders plaagde. Hij berekende hun arbeidstijd te kort, hij liet hen boete betalen, als zij een dag verzuimden. Hij bestuurde de mijnen niet goed. Instorting op instorting vond plaats. Niemand was zeker van zijn leven zoolang hij onder den grond was.

Margherita, Orestes had een zoon. Een heerlijken knaap, die onlangs tien jaar geworden is. Toen kwam de ingenieur op een dag bij Orestes en wilde den knaap van hem koopen om hem bij de wagentjes te plaatsen.

Maar Orestes wilde niet. Zijn zoontje zou niet vermoord worden door zulk een bovenmatigen arbeid.

Toen dreigde de ingenieur hem, dat hij van de mijn gejaagd zou worden.

Santuzza maakte een pauze.

"En toen?" vroeg Margherita.

"Ja, toen stond Orestes zijn zoon af aan den ingenieur.