De Wonderen van den Antichrist

Part 21

Chapter 214,025 wordsPublic domain

"Wat geeft het," zegt hij. "Ik eindig mijn leven als een dolle hond."

Donna Micaela ziet Passafiore scherp aan.

"Wat wenscht ge, dat ik doen zal? 't Is toch niet je wensch, dat ik in de steengroeve zal gaan naar Falco Falcone?"

Passafiore slaat zijn oogen neer en durft niet antwoorden.

Zij vertelt hem, wat Falco haar heeft doen lijden. Hij heeft al de arbeiders van haar spoorweg door schrik verjaagd. Hij heeft zich verzet tegen haar liefste wenschen.

Plotseling valt Passafiore op de knieën. Hij waagt het niet een schrede dichterbij te komen, maar hij knielt voor haar.

Hij smeekt haar te begrijpen wat op het spel staat. Zij weet niet, zij kan niet begrijpen, wie Falco is.

Falco is een groot man. Reeds toen Passafiore nog een klein kind was, heeft hij van hem hooren spreken. Zijn gansche leven heeft hij verlangd in de steengroeve bij Falco te leven. Al zijn neven waren bij hem, zijn geheele familie was bij hem. Maar de pastoor had zich voorgenomen, dat Passafiore niet naar Falco zou gaan, en liet hem tot kleermaker opleiden, denk eens aan, tot kleermaker! De pastoor sprak met hem, en zei, dat het zulk een vreeselijke zonde was te leven zooals Falco. En Passafiore had terwille van don Matteo lange jaren tegen zijn begeerte gestreden. Eindelijk had hij ze niet langer kunnen weerstaan, maar was stil naar de steengroeve gegaan. En hij was niet meer dan een jaar bij Falco geweest en nu was deze geheel veranderd. 't Is alsof de zon aan den hemel gedoofd is, zijn geheele leven is nu verwoest.

Passafiore kijkt naar donna Micaela; hij ziet, dat zij naar hem luistert en hem begrijpt.

Hij brengt donna Micaela in herinnering, dat zij een jettatore en een echtbreekster geholpen heeft. Waarom wilde zij dan hard zijn jegens een roover?

Het Christusbeeld in San Pasquale geeft haar immers alles wat zij wenscht. Hij was er van overtuigd, dat zij het Christusbeeld gebeden had, haar spoorweg te beschermen tegen Falco. En het had door Mongibello's puimsteen Falco's kracht gebroken.

Maar nu wilde zij niet barmhartig zijn en hem helpen, dat Falco zijn gezondheid terug zou krijgen en weer tot een eer voor het vaderland zou worden, zooals hij vroeger geweest was.

Het gelukte Passafiore donna Micaela te ontroeren.

Plotseling begreep zij hoe de oude roover in de steengroeve moest lijden. Zij ziet hem wachten op den waanzin. Zij denkt er aan hoe trotsch hij geweest is en hoe gebroken en vernietigd hij nu is. Neen, neen, geen mensch mag zoo lijden, dat is te veel, te veel.

"Passafiore," barst zij uit, "zeg, wat je wenscht. Ik zal doen, wat ik kan. Nu ben ik niet bang meer. Neen, nu ben ik volstrekt niet bang meer."

"Donna Micaela, wij hebben Falco gesmeekt, dat hij naar het Christusbeeld zou gaan en om genade bidden. Maar Falco wil niet gelooven aan het beeld. Hij wil niets anders doen dan wachten op zijn ondergang. Maar heden, toen ik hem smeekte te gaan, zei hij: "Je weet wie op mij zit te wachten in het oude huis tegenover de kerk. Ga naar haar om te vragen of zij mij verlof wil geven dat ik voorbij haar naar de kerk mag gaan. Geeft zij haar toestemming, dan zal ik aan het beeld gelooven en hem bidden om redding."

"Nu?" vroeg donna Micaela.

"Ik ben bij de oude Catherina geweest en zij heeft haar toestemming gegeven. Hij mag in de kerk gaan, zonder dat ik hem dood," zei zij.

Passafiore wringt zijn handen in wanhoop.

"Donna Micaela, Falco is zeer ziek, niet alleen door den beet van den hond, maar hij was reeds lang ziek."

Passafiore voert een zwaren strijd met zich zelf vóórdat hij het zeggen kan. Eindelijk bekent hij dat, hoewel Falco een zeer groot man is, hij soms aanvallen van waanzin heeft.

Falco had niet alleen gesproken van de oude Catherina, maar hij had gezegd: "Indien Catherina mij wil toestaan naar de kerk te gaan en donna Micaela Alagona in de steengroeve komt en mij de hand reikt om mij naar de kerk te voeren, dan zal ik voor het beeld bidden."

En men heeft hem niet kunnen afbrengen van dit besluit.

Donna Micaela, de heiligste en heerlijkste der vrouwen, moest tot hem komen, anders wilde hij niet gaan.

Toen Passafiore uitgesproken had, hield hij zijn hoofd gebogen, hij waagt het niet op te zien.

Maar donna Micaela aarzelt geen oogenblik, nu er sprake is van het Christusbeeld. Zij schijnt er niet aan te denken dat Falco reeds waanzinnig is. Zij zegt geen woord van haar angst. Haar vertrouwen in het beeld is zóó groot, dat zij, als een onderworpen, gehoorzaam kind, stil antwoordt:

"Passafiore, ik zal je volgen."

En zij volgt hem als in slaap. Geen oogenblik aarzelt ze om hem naar den Etna te volgen. Ze aarzelt niet de steile berghelling naar de steengroeve te beklimmen.

Doodsbleek, maar met heerlijk glanzende oogen gaat ze naar den ouden roover in zijn grot en reikt hem de hand. En hij rijst op, even bleek als zij, en volgt haar. 't Is alsof zij geen menschen maar geestverschijningen zijn. Doodstil schrijden zij naar hun doel. Hun eigen ik is dood, een machtiger geest leidt hen.

Reeds den volgenden dag schijnt het donna Micaela een sage, dat zij zoo iets gedaan heeft. Zij is heilig overtuigd, dat niet haar eigen barmhartigheid, erbarmen of liefde haar bewogen heeft midden in den nacht naar het roovershol te gaan, maar dat een vreemde macht haar geleid heeft.

Terwijl donna Micaela in de steengroeve is, zit de oude Catherina voor het raam op Falco Falcone te wachten. Zij heeft haar toestemming gegeven, bijna zonder dat men haar daarom heeft behoeven te vragen.

"Hij mag vrij in de kerk gaan," zegt ze. "Ik heb twintig jaar op hem gewacht, maar hij zal vrij in de kerk mogen gaan."

Spoedig verschijnt Falco met donna Micaela hand in hand.

Passafiore en Biagio volgen. Falco loopt gebogen, men ziet dat hij oud en zwak is. Hij gaat alleen in de kerk, de anderen wachten buiten.

De oude Catherina heeft hem zeer duidelijk gezien, maar ze heeft geen beweging gemaakt. Zoolang Falco in de kerk is, blijft ze roerloos zitten.

Haar nicht, die bij haar woont, gelooft, dat zij God dankt, omdat zij haar wraaklust heeft kunnen overwinnen.

Eindelijk verzoekt Catherina haar een raam te openen.

"Ik wil zien of hij nog de slangeschaduw heeft!" zegt zij.

Maar ze is mild en vriendelijk.

"Neem het geweer weg als je wilt," zegt ze. En haar nicht legt het geweer aan den anderen kant van de tafel.

Eindelijk komt Falco uit de kerk. De maneschijn verlicht zijn gelaat en Catherina ziet, dat hij niet meer de Falco van vroeger is. De uitdagende trots en hoogmoed is nu van zijn gezicht geweken. Hij is gebroken en vernietigd!

Bijna wekt hij haar medelijden op.

"Hij helpt mij," zegt hij luid tot Passafiore en Biagio. "Hij heeft beloofd mij bij te staan."

De roovers wilden gaan, maar Falco is zoo gelukkig dat hij eerst met hen over zijn geluk wil spreken.

"Ik gevoel geen gesuis meer in mijn hoofd, geen onrust meer, neen, niets meer. Hij helpt mij."

De kameraden nemen hem bij de hand om hem weg te voeren. Falco doet een paar schreden, maar blijft dan opnieuw staan. Hij richt zich op en beweegt zijn lichaam, zoodat zijn slangeschaduw heen en weer slingert over den weg.

"Ik zal volkomen genezen, volkomen genezen," zegt hij verheugd.

Passafiore en Biagio willen hem meetrekken, maar 't is reeds te laat.

Catherina heeft de slangeschaduw gezien. Zij kan zich niet meer beheerschen, maar werpt zich over de tafel om het geweer te grijpen en schiet het af. Falco stort getroffen ter aarde.

Ze heeft het niet willen doen, maar nu zij hem ziet, is het haar onmogelijk hem te laten gaan. Gedurende twintig jaar heeft zij de wraakzucht in zich gevoed.

Nu beheerscht die haar volkomen.

"Catherina, Catherina," gilt haar nicht.

"Hij verzocht mij slechts vrij in de kerk te mogen gaan," antwoordt zij.

De oude Biagio legt Falco's lijk terecht en zegt somber:

"Hij zou volkomen genezen, volkomen genezen."

XI.

OVERWINNINGEN.

In lang vervlogen dagen woonde de groote wijsgeer Empedokles op Sicilië. Hij was de schoonste en meest volkomen mensch, zoo heerlijk en wijs, dat men geloofde, dat hij een tot mensch geworden god was.

Empedokles bezat een landgoed op den Etna; een avond gaf hij een feest aan zijne vrienden. Op het feest sprak hij zulke wijze woorden, dat zijn gasten riepen:

"Gij zijt een god, Empedokles, gij zijt een god!"

Toen de feestgenooten vertrokken waren, dacht Empedokles:

"Ik heb het hoogste bereikt, dat men op aarde kan begeeren. Nu moet ik sterven, voordat tegenspoed of zwakheid mij terneerdrukt."

En hij steeg op tot den top van den Etna en wierp zich in den brandenden krater.

"Als niemand mijn lijk vindt," dacht hij, "zal men denken, dat ik levend onder de goden opgenomen ben."

Maar den volgenden dag zochten zijn vrienden hem in de villa en op den ganschen berg. Zij kwamen ook bij den krater en daar vonden ze Empedokles' schoenen. En zij begrepen, dat Empedokles den dood in den krater gezocht had om gerekend te worden tot de onsterflijken.

En dat zou hem gelukt zijn, indien de berg zijn schoenen niet had opgeworpen.

Toch werd juist door deze sage Empedokles' naam nooit vergeten, en velen zochten naar de plaats, waar zijn villa eens gestaan heeft.

Geschiedschrijvers en schatgravers hadden er naar gezocht, want de villa van den wijsgeer was natuurlijk vol van de heerlijkste marmeren en bronzen beelden en mozaïekwerk.

Donna Micaela's vader, cavaliere Palmeri, had zich vast voorgenomen, dat hij het probleem van de villa zou oplossen. Iederen morgen reed hij op zijn ponny Dominico weg om de villa te zoeken. Hij was toegerust als een geschiedvorscher met een schraapijzer in den gordel, een spade op zij en een grooten ransel op den rug.

Iederen avond als cavaliere Palmeri thuis kwam, vertelde hij donna Micaela van Dominico.

Gedurende deze jaren, dat ze samen op den Etna gezocht hadden, had Dominico zich tot een archeoloog ontwikkeld.

Dominico week af van den weg, zoodra hij een ruïne ontdekte. Hij stampte op den grond, wanneer hij meende, dat men opgravingen moest doen. Hij hinnikte verachtelijk en wendde den kop af, wanneer men hem een nagemaakte oude munt vertoonde.

Donna Micaela hoorde met veel geduld en belangstelling naar haar vaders verhalen. Zij was overtuigd dat, wanneer de villa eindelijk gevonden werd, Dominico de eer zou krijgen van de ontdekking.

Maar cavaliere Palmeri vroeg zijn dochter nooit naar haar onderneming. Nooit toonde hij eenige belangstelling voor haar spoorweg. 't Was bijna, alsof hij niet eens wist waarvoor zij werkte. Dat was trouwens zoo vreemd niet, hij toonde nooit eenige belangstelling voor zijn dochter.

Eens, toen ze 's middags aan den maaltijd zaten, begon donna Micaela plotseling over den spoorweg te spreken.

Ze had een paar heerlijke overwinningen behaald, zei ze. Eindelijk had zij overwonnen.

Hij moest hooren welke nieuwtjes zij heden had. Het zou geen stoomtram worden tusschen Catania en Diamante, zooals zij eerst gedacht had. Neen, het zou een spoorweg rondom den Etna worden.

Door Falco's dood had zij niet alleen een machtigen vijand minder, maar nu geloofde het volk ook, dat de groote Mongibello en alle heiligen aan haar zijde stonden. Daarom was er een beweging onder het volk ontstaan om geld te verzamelen voor den spoorweg. In alle Etnasteden waren bijdragen daarvoor geteekend. Er was reeds een maatschappij gevormd.

Heden was de concessie gekomen. Morgen zou men in ernst met den arbeid aanvangen.

Donna Micaela was opgewonden, zij kon niet eten. Haar hart zwol van geluk en dankbaarheid. Ze kon niet laten te spreken over de machtige vervoering, die het volk aangegrepen had. Zij sprak met tranen in de oogen van het Christuskind in San Pasquale.

't Was roerend te zien, hoe haar gelaat straalde van hoop. 't Was alsof zij, behalve het geluk waarover zij sprak, nog een heele wereld van gelukzaligheid te wachten had. Dezen avond voelde ze, dat een wijze voorzienigheid haar lot bestierde. Zij begreep, dat Gaetano's gevangenneming Gods werk was om hem terug te voeren tot zijn oud geloof. Hij zou bevrijd worden door de wonderen van het kleine beeld en dit zou hem bekeeren, zoodat hij weer een geloovige als vroeger zou worden. En zij zou hem toebehooren!

O, God was goed.

Terwijl deze groote gelukzaligheid haar vervulde, zat haar vader koel en onbewogen tegenover haar.

"Dat is heel merkwaardig," zei hij slechts.

"Ge gaat toch zeker morgen mee naar het feest?"

"Ik weet het nog niet, ik moet naar mijn uitgravingen."

Donna Micaela begon haar brood heftig te verkruimelen. Ze begon haar geduld te verliezen. Hij had geen deel genomen in haar zorgen, maar in haar vreugde moest hij deelen. Hij moest deelen in haar vreugde!

En plotseling braken de ketenen van onderdanigheid en vrees, die haar gebonden hadden, sedert haar vaders gevangenistijd.

"Gij, die zooveel tochten op den Etna maakt," zei zij met een zeer vriendelijke stem, "gij zijt zeker ook wel eens in Gela geweest?"

De cavaliere keek op en scheen in zijn geheugen te zoeken:

"Gela, Gela!"

"Gela is een dorp van ongeveer honderd huizen, dat aan de Zuidzijde van den Monte-Chiaro ligt, aan den voet van den berg," vervolgde donna Micaela met het onschuldigste gezicht van de wereld. "Het ligt ingeklemd tusschen den Simeto en den bergwand, een tak van de rivier neemt dikwijls zijn weg door de straten van Gela, zoodat het een zeer ongewone gebeurtenis is, wanneer men met droge voeten door het dorp komt.

"Het dak der kerk stortte in bij de laatste aardbeving, en men heeft de kerk niet kunnen herstellen, want Gela is zeer arm. Hebt ge werkelijk nooit van Gela gehoord?"

Cavaliere Palmeri antwoordde met onbeschrijfelijken ernst:

"Mijn vorschingen hebben me bergopwaarts gevoerd. Ik heb er nooit aan gedacht de villa van den grooten wijsgeer in Gela te zoeken."

"Maar Gela is een zeer interessant dorp," zei donna Micaela. "Ze hebben daar geen aparte schuren. De varkens zijn beneden in de huizen, de menschen wonen een trap hooger. En er zijn heel wat varkens in Gela. Ze bevinden zich daar beter dan de menschen, want de menschen zijn er bijna altijd ziek.

"Er heerscht voortdurend koorts, de malaria is er een trouwe gast. Het is er zoo vochtig, de kelders staan altijd onder water en moerasdampen drukken als een dichte mist op het dorp. In Gela zijn geen winkels, ook geen politie, post, dokter of apotheek. Zeshonderd menschen leven daar geheel vergeten en verlaten.

"Hebt ge nooit gehoord van Gela?"

Zij zag er heel verbaasd uit.

Cavaliere Palmeri schudde het hoofd. "Den naam heb ik wel eens gehoord...."

Donna Micaela keek haar vader onderzoekend aan. Zij boog zich haastig voorover en haalde uit zijn borstzak een gebogen klein mes te voorschijn, zooals gebruikt wordt bij het snoeien der wijnstokken.

"Arme Empedokles," zei ze en plotseling straalde haar geheele gelaat van schalkscheid.

"Ge waant u opgestegen tot de goden, maar de Etna werpt altijd uw schoenen op."

Cavaliere Palmeri zonk als door een schot getroffen achterover in zijn stoel.

"Micaela," zei hij zwak afwerend, als iemand die niet weet hoe hij zich moet verdedigen.

Maar zij was oogenblikkelijk even ernstig en zoo onschuldig als tevoren.

"Men heeft mij verteld," zei ze, "dat Gela eenige jaren geleden op het punt stond geheel te gronde te gaan. Alle menschen daar verbouwen wijn, en toen nu de phylloxera al hun wijngaarden verwoestte, dreigden zij geheel te verhongeren. 't Landbouwgenootschap zond hun toen Amerikaansche planten, die niet door de phylloxera aangetast worden. De menschen in Gela plantten deze, maar al de wijnstokken stierven. Hoe zouden de menschen in Gela weten hoe de Amerikaansche wijndruif gekweekt moet worden.

"Maar toen kwam er iemand die hun dat leerde."

"Micaela," klonk het bijna steunend. Donna Micaela vond, dat haar vader er reeds als een overwonnen man uitzag, maar toch vervolgde zij haar verhaal, alsof zij niets gemerkt had.

"Er kwam iemand," zei zij met sterken nadruk, "en hij liet zich nieuwe planten zenden. Hij begon deze in hun wijngaarden te planten. Ze lachten hem uit, ze zeiden dat hij zich dwaas aanstelde. Maar zie, zijn planten groeiden, zij stierven niet. En hij redde Gela."

"Ik vind je verhaal niet zeer amusant, Micaela," zei cavaliere Palmeri met een poging het af te breken.

"'t Is toch even belangrijk als uw vorschingen," zei ze kalm. "Maar ik wil u iets vertellen. Op een dag ging ik naar uw kamer om een boek over archeologie te halen. Toen ik zag dat uw boekenkast vol was met geschriften over de phylloxera, den wijnbouw en de wijnbereiding."

Cavaliere Palmeri schoof heen en weer op zijn stoel als een op heeterdaad betrapte misdadiger.

"Zwijg, zwijg!" zei hij zwak. Hij was nu meer beschaamd, dan toen hij aangeklaagd werd wegens diefstal.

Maar weer schitterde die onderdrukte schalkschheid in haar oogen.

"Ik keek eens naar de brieven, die ge verzendt," vervolgde zij. "Ik wilde eens zien met welke geleerde mannen ge in briefwisseling waart. 't Verwonderde mij dat de brieven altijd geadresseerd waren aan presidenten of secretarissen van landbouwvereenigingen."

Cavaliere Palmeri was niet in staat een woord te spreken.

Donna Micaela genoot onbeschrijfelijk hem zoo machteloos te zien.

Ze keek hem vast in de oogen.

"Ik geloof niet dat Dominico reeds een ruïne weet te onderscheiden," zei ze. "De vuile kinderen in Gela spelen elken dag met hem en geven hem waterkers te eten.

"Dominico wordt als een god in Gela vereerd, om niet te spreken van zijn-- -- --"

Cavaliere Palmen scheen een idee te krijgen.

"Je spoorweg!" zei hij. "Wat zei je ook weer van je spoorweg?

"Misschien kan ik toch wel morgen meegaan naar je feest."

Donna Micaela luisterde niet naar hem. Zij haalde haar portemonnaie uit den zak.

"Hier heb ik een nagemaakte oude munt," zei ze. "Een Demarata van nikkel. Die heb ik gekocht om aan Dominico te toonen."

"Hoor nu eens, kind!"

Ze deed juist alsof zij zijn tegenwerpingen niet hoorde.

Nu had zij hem in haar macht. Nu was er meer noodig om haar te verzoenen.

"Eens deed ik uw ransel open om uw vondsten te bewonderen. Het eenige, dat hij bevatte, was een verdroogde wijnstok."

Zij was louter stralende vroolijkheid.

"Maar kind!"

"Wat moet men daarvan denken? 't Is misschien wel geen onderzoek naar geschiedkundige overblijfselen, misschien is het wel liefdadigheid, misschien ook wel boete-- --"

Nu sloeg cavaliere Palmeri met de vuist op de tafel, zoodat glazen en borden rinkelden. Dit was hem te veel; een deftige, ernstige oude heer kon zoo niet met zich laten spotten.

"Zoo waar als gij mijn dochter zijt, zult ge nu zwijgen."

"Uw dochter!" zei ze en oogenblikkelijk was haar vroolijkheid verdwenen. "Ben ik werkelijk uw dochter? De kinderen in Gela mogen Dominico streelen, maar ik-- --"

"Wat meen je, Micaela? Wat wil je?"

Ze keken elkaar aan. Hun oogen vulden zich gelijktijdig met tranen.

"Ik heb niemand anders dan u!" fluisterde zij.

Cavaliere Palmeri opende onwillekeurig zijn armen. Zij stond aarzelend op, ze wist niet of zij goed zag.

"Ik weet hoe het nu gaan zal," zei hij morrend. "Geen minuut houd ik nu voor me zelf over."

"Om de villa te ontdekken?"

"Geef mij een kus, Micaela. Vanavond zijt ge voor de eerste maal, nadat we Catania verlaten hebben, onweerstaanbaar geweest."

En met een heeschen, wilden kreet, die hem bijna verschrikte, vloog donna Micaela in haars vaders armen.

DERDE DEEL.

"En hij zal vele aanhangers krijgen."

I.

DE OASE IN DE WOESTIJN.

In de lente van 1894 begon men den Etnaspoorweg aan te leggen, en in den herfst van 1895 was die gereed. Hij steeg op van de kust, omringde den berg in een halven cirkel, en bereikte dan de zee.

De trein vertrekt en komt elken dag, en de Mongibello ligt geboeid, maar verzet zich niet. Vreemdelingen rijden verbaasd door de zwarte, grillige lavastroomen, door de witte amandelwouden, en de donkere, oude steden der Saracenen.

"Zie eens, welk een sprookjesland!" zeggen ze.

In den trein is altijd wel iemand, die vertelt van den tijd toen het Christusbeeld nog in Diamante was. Welk een tijd, welk een tijd! Iederen dag verrichtte het beeld nieuwe wonderen. Men kan ze niet eens alle verhalen, maar hij maakte het leven in Diamante zoo blijde, dat de uren van den dag elkaar volgden als een rij lachende Horen.

Men geloofde, dat de zandlooper van den tijd gevuld was met schitterend stofgoud.

Indien iemand gevraagd had wie in dien tijd in Diamante regeerde, zou men geantwoord hebben: "het Christusbeeld." Alles voegde zich naar zijn wil. Niemand trouwde of speelde in de loterij of bouwde een huis zonder hem om raad te vragen. En heel veel messteken werden terwille van het beeld niet uitgedeeld en menige oude veete werd bijgelegd en menig bitter woord om zijnentwil niet uitgesproken. Men moest wel goed zijn, want men merkte, dat het beeld hen bijstond, die vreedzaam en hulpvaardig waren. Hun schonk hij goede gaven, vreugde en rijkdom. Indien nu de wereld slechts was geweest, zooals zij had moeten zijn, dan was Diamante spoedig een rijke en machtige stad geweest. Maar in plaats daarvan, verwoestte het deel der wereld, dat niet aan het beeld geloofde, al zijn werk. Het baatte niet veel hoeveel geluk hij ook om zich heen verspreidde.

De belastingen werden al hooger en verslonden al den rijkdom. En dan de oorlog in Afrika. Hoe konden de menschen gelukkig zijn als hun zonen, hun geld, hun muilezels naar Afrika moesten? En de oorlog was niet voorspoedig, men leed nederlaag op nederlaag. Hoe kon men gelukkig zijn, wanneer de eer van het vaderland op het spel stond?

Sinds de spoorweg gereed was, merkte men, dat Diamante gelijk was aan een oase in een woestijn.

De oase is blootgesteld aan het stuifzand, de roovers en de wilde dieren der woestijn. Zoo ook Diamante.

De oase moest zich uitbreiden over de geheele woestijn om zich veilig te gevoelen. Diamante begon te gelooven, dat het niet gelukkig kon worden, vóórdat de gansche wereld zijn Christusbeeld aanbad.

Nu geschiedde het, dat alles wat Diamante gewenscht en gehoopt had, mislukte.

Zoo verlangde donna Micaela en geheel Diamante Gaetano terug te hebben. Toen de spoorweg gereed was, trok donna Micaela naar Rome en smeekte om zijn invrijheidstelling. Men weigerde het haar.

De koning en de koningin hadden haar wel willen helpen, maar ze konden niet. Ge weet, wie toen minister in Italië was, hij regeerde met ijzeren hand. Denkt ge, dat hij den koning toestond genade te schenken aan een Siciliaanschen oproerling?

Men wenschte vurig, dat het Christusbeeld van Diamante de vereering zou ten deel vallen, die hem toekwam. Donna Micaela ging om die reden op audiëntie bij den ouden man in het Vaticaan.

"Heilige vader," zei ze, "laat u verhalen wat er geschied is in Diamante op den Etna."

En nadat ze al de wonderen van het beeld verteld had, verzocht ze, dat de paus de oude kerk San Pasquale zou laten reinigen en inwijden en priesters zou aanstellen voor den eeredienst van het Christusbeeld.

Maar evenals in het Quirinaal, kreeg donna Micaela in het Vaticaan een weigerend antwoord.

"Waarde vorstin Micaela," zei de paus, "deze gebeurtenissen die gij verhaalt, erkent de kerk niet als wonderen. Maar toch behoeft ge niet te wanhopen.

"Indien het Christusbeeld in uw stad wil worden aangebeden, dan zal het nog een teeken geven. Het zal Ons zijn wil zoo duidelijk toonen, dat Wij niet behoeven te twijfelen. Vergeef een ouden man, mijn dochter, dat hij voorzichtig moet zijn."

Nog een derde zaak had men in Diamante gehoopt. Men had verwacht eindelijk iets te zullen hooren van Gaetano. Donna Micaela reisde ook naar Como, waar hij gevangen zat. Zij had aanbevelingsbrieven van hooggeplaatste ambtenaren in Rome, en ze was zeker, dat ze hem spreken zou.

Maar de directeur van de gevangenis had haar naar den dokter gezonden.

Deze verbood haar met Gaetano te spreken.

"Ge wilt den gevangene zien?" zei hij. "Neen, dat kan niet. Ge zegt, dat hij u liefheeft en meent, dat ge gestorven zijt? Laat hem dat gelooven. Laat hem dat gelooven!